[Inhoud]

VIER EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Waarin de kolonel eenige van zijn avonturen verhaalt.

Vroeg in den voormiddag van den dag na het diner op Grosvenor Place, waar kolonel Altamont had goedgevonden te verschijnen, verliet hij zijne bovenkamer in Shepherd’s Inn en trad de zitkamer van Strong binnen, waar de chevalier met een dagblad en eene sigaar in een leuningstoel zat. Strong was een man, die het zich in zijne tent gemakkelijk maakte, overal waar hij ze opsloeg, en lang vóór de komst van Altamont had hij zich aan een overvloed van gebakken eieren en ham, door mijnheer Grady secundum artem klaargemaakt, te goed gedaan. Daar hij goedhartig en spraakzaam van aard was, had hij liever eenig gezelschap dan geen, en ofschoon hij niet de minste genegenheid voor zijn huisgenoot koesterde en het zich niet zou aangetrokken hebben indien hij vernomen had, dat den kolonel het ongeluk overkomen was, hetwelk Sir Francis Clavering hem zoo van harte toewenschte, bleef hij echter op een goeden voet met hem. Den vorigen avond had hij Altamont met groote bereidvaardigheid naar bed geholpen en uit vrees voor ongelukken zijne kaars meegenomen; en toen hij de flesch, waarop hij voor zijn avondslokje gerekend had, leeg vond, had hij, eer hij zich ter ruste legde, met de grootste gelijkmoedigheid zijne pijp onder het genot van een glas water gerookt. Nooit ontbrak het hem aan een gezonden slaap; hij verheugde zich altijd in het bezit van een gelijkmatig [35]humeur, een onverbeterlijke spijsvertering en eene frissche kleur op de wangen; en onverschillig of de waardige kapitein den volgenden morgen in het vuur of naar de gevangenis moest marcheeren (hetgeen allebei zijn lot was geweest), in het kamp of in den kerker van Fleet Street, overal snorkte hij op de gezondste wijze den nacht door en ontwaakte hij met goeden moed en goeden eetlust, om den strijd, de bezwaren of de genoegens van den nieuwen dag te gemoet te gaan.

Het eerste wat kolonel Altamont deed, bestond daarin, dat hij Grady om een glas pale ale riep, dat hij eerst in eene tinnen kan overgoot en vervolgens naar den mond bracht. Hij zette de kan leeg neder, haalde diep adem en veegde den mond met zijne kamerjapon af. Het verschil van kleur tusschen zijn kinbaard en zijne geverfde bakkebaarden had reeds lang geleden de aandacht van kapitein Strong getrokken, die ook gezien had, dat het haar onder zijne zwarte pruik blond was, doch op dit een en ander geen aanmerking had gemaakt. De kolonel haalde dus diep adem en verklaarde dat die teug hem zeer verkwikt had. „Er gaat toch niets boven dat bier, als het hoofd gloeit,” merkte hij aan. „Menigmaal heb ik een dozijn flesschen ale van Bass te Calcutta gedronken, en – en –”

„En te Lucknow, waarschijnlijk,” zeide Strong lachend. „Ik heb het bier opzettelijk voor u laten halen, want ik wist na het voorgevallene van gisterenavond, dat gij het noodig zoudt hebben.” En daarop begon de kolonel over zijn avonturen van gisterenavond uit te weiden.

„Ik kan mij niet in toom houden,” zeide de kolonel, en sloeg zich met de zware hand tegen het hoofd. „Ik ben als dol en razend; zoodra ik wat gedronken heb, en men kan mij bij de flesch niet vertrouwen. Als ik er aan begin, kan ik niet uitscheiden voordat ze leeg is; en als ik den drank binnen heb, weet de hemel wat ik zeg of verzwijg. Ik heb hier thuis heel bedaard gegeten. Grady maakte twee glazen grog voor mij gereed, en ik was voornemens den avond zoo nuchter als een dominé bij het rouge et noir door te brengen. Waarom liet gij die verwenschte flesch jenever buiten de kast staan, Strong? Grady ging ook uit en bracht mij den ketel kokend water voor de thee. Wat ik ook deed, ik kon niet van de flesch afblijven. Waarachtig, mijnheer, ik dronk haar heelemaal uit, en ik geloof dat ik later in dat helsche dievenhol nog wat gedronken heb.”

„Hoe zijt gij daar óók geweest, en nog voordat gij naar Grosvenor Place kwaamt?” vroeg Strong. „Gij zijt vroeg begonnen.”

„Ja, dronken en uitgeplunderd te zijn vóór ’s avonds negen ure is vroeg genoeg, niet waar? Maar zoo was het. Ja, ik was een groote gek, dat ik daarheen ging; en ik vond die kerels, Blackland en den jongen Moss en nog een paar van die dieven aan het diner. Waren wij aan het rouge et noir gegaan, dan zou ik gewonnen hebben; maar wij kwamen niet aan het rood en zwart. Neen, voor den duivel, zij wisten, dat ik hun dan de baas zou geweest zijn – ik moest hen de baas zijn geweest – ik ben dat altijd, dat verzeker ik u. Maar zij waren mij te slim. Die schelm van een Blackland haalde de dobbelsteenen voor den dag, en wij speelden hazard op de eettafel. En ik verloor al het geld, dat ik ’s morgens van u gekregen had, – zoo waar ik leef! Dat maakte mij baloorig, en ik moet het heel benauwd gehad hebben, want ik herinner mij, dat ik uitging met de gedachte om nog wat geld van Clavering te krijgen, en daarna – daarna herinner ik mij niet al te best wat er gebeurd is, tot ik heden morgen wakker werd en den ouden Bows op No. 3 op zijne piano hoorde spelen.” [36]

Strong dacht een oogenblik na, terwijl hij zijne sigaar aan een kooltje ontstak en zeide toen: „Ik zou wel eens willen weten, kolonel, hoe gij altijd geld van Clavering kunt krijgen?”

„Ha ha,” antwoordde de kolonel en barstte in lachen uit: „hij is het mij schuldig.”

„Ik weet niet, dat dit bij Frans eene reden zou zijn om te betalen,” hernam Strong. „Behalve aan u, is hij nog aan heel veel anderen geld schuldig.”

„Wel, hij geeft het mij, omdat hij zooveel van mij houdt,” zeide de kolonel met een grijnzenden lach. „Hij heeft mij als een broeder lief, dat weet gij wel, kapitein. – Weet gij het niet? – Is dat niet het geval? Nu misschien hebt gij gelijk, en als gij mij geen vragen deedt, zou ik u geen leugens op de mouw spelden, kapitein Strong. Steek dat op zak en doe er uw voordeel mee, beste jongen!”

„Maar ik zal die verwenschte brandewijnflesch opgeven,” ging de kolonel na een oogenblik stilzwijgens voort. „Ik moet er van afzien, of ze zou mijn ongeluk wezen.”

„Ze doet u althans vreemde dingen zeggen,” zeide de kapitein, terwijl hij Altamont strak aanzag. „Herinner u maar eens wat gij gisterenavond aan Clavering’s tafel gezegd hebt.”

„Wat ik gezegd heb? Wat heb ik dan gezegd?” vroeg de ander haastig. „Heb ik iets verklapt? Voor den duivel, Strong, heb ik iets verklapt?”

„Doe mij geen vragen, dan zal ik u geen leugens vertellen,” hernam de chevalier van zijn kant. Strong dacht aan de woorden, die mijnheer Altamont gebezigd had, en aan zijn overhaast vertrek uit de eetzaal en uit het huis van den baronet, zoodra hij majoor Pendennis – of kapitein Snavel, gelijk hij hem noemde – herkende. Maar Strong besloot de verklaring van die woorden van een ander dan van kolonel Altamont te zoeken en wilde ze niet in het geheugen van den ander terugroepen. „Neen,” gaf hij dus ten antwoord, „gij hebt niets verklapt, kolonel; het was enkel eene list van mij, om te zien of ik u aan het spreken kon krijgen; maar gij hebt geen woord gezegd dat te begrijpen was, – daarvoor waart gij te ver heen.”

„Des te beter,” dacht Altamont, en slaakte een diepen zucht, alsof hij zich aanmerkelijk verlicht gevoelde. Strong merkte zijn ontroering op, doch nam er geen notitie van, en de ander, die in eene spraakzame bui was, bleef aan het praten.

„Ja, ik erken mijne fouten,” ging de kolonel voort. „Er zijn sommige dingen, waaraan ik, wat ik ook doe, geen weerstand kan bieden, als daar zijn eene brandewijnflesch, een dobbelkroes en eene schoone vrouw. Geen man waar wat in zat, die iets waard was, heeft dat ooit kunnen doen, zoover ik weet. Er is bijna geen land in de wereld, waar die drie dingen mij niet in de klem hebben gebracht.”

„Wezenlijk?” zeide Strong.

„Ja, van mijn vijftiende jaar af, toen ik van huis wegliep en als kajuitsjongen op een Oostindievaarder kwam, tot nu, bijna op mijn vijftigste jaar, zijn de vrouwen altijd mijn ongeluk geweest. Het was er eene, met zulke zwarte oogen en met juweelen om haar hals, en in satijn en hermelijn als eene hertogin, dat verzeker ik u – eene te Parijs, die het grootste gedeelte van de duizend pond verzwolg toen ik heenging. Heb ik u dat nooit verteld? Nu, ik maak er geen geheim van. In den beginne was ik zeer voorzichtig en, zooveel geld hebbende, hield ik het goed bij elkaar en leefde er als een gentleman [37]van – in het hotel Meurice, als kolonel Altamont en meer van dien aard – en ik speelde nooit, behalve aan de openbare tafels, waar ik meer won dan verloor. Nu was daar een kerel, dien ik in het hotel en ook in het Palais Royal zag, een eerste piet, met witte glacé handschoenen en eene sik aan de kin, zekere Bloundell Bloundell, waarmee ik kennis maakte, ik weet niet hoe. Hij vroeg mij ten eten en nam mij mee naar de soirées van mevrouw de gravin de Foljambe – eene vrouw, Strong! – een oog! – en zulk eene meesteres op de piano! Heere bewaar me! zij ging zitten en zong voor u en keek u aan, tot zij u bijna de ziel uit uw lichaam trok. Zij noodigde mij op hare Dinsdagavond-partijen, en ik nam loges in de opera voor haar en gaf haar diners bij den restaurateur. Doch het geluk liep mij mee aan de speeltafel, en het was niet aan die diners en operaloges, dat het geld van den armen Clavering heenging. Neen, voor den drommel, het liep op eene andere manier door mijne vingers. Op zekeren avond soupeerden wij met verscheidene gasten bij de gravin – mijnheer Bloundell Bloundell, jonkheer Deuceace, de markies de la Tour de Force – allen van je eersten adel, mijnheer, en wij hadden een souper en overvloed van champagne, en daarna dien verwenschten cognac. Ik wilde cognac hebben; ik deed er mij aan te goed; de gravin maakte de glazen punch voor mij, en wij kregen na het souper zoowel kaarten als grog, zoodat ik speelde en dronk tot ik eindelijk van geen hemel of aarde meer wist. Ik was in denzelfden toestand als gisterenavond. Men heeft mij op de een of andere wijze weggebracht en te bed gelegd; ik werd eerst den volgenden dag met woedende hoofdpijn wakker en hoorde toen van mijn bediende, dat jonkheer Deuceace gekomen was om mij te spreken en in de voorkamer zat te wachten. „Hoe vaart ge, kolonel?” vroeg hij, mijne slaapkamer binnenkomende. „Hoelang zijt ge gisterenavond na mijn vertrek nog gebleven? Het spel liep mij te hoog en ik had voor een avond genoeg aan u verloren.”

„„Aan mij?” zeg ik; „hoe kan dat, beste jongen?” (want ofschoon hij de zoon van een graaf was, waren wij zoo familiaar met elkander als gij of ik). „Hoe kan dat, beste jongen?” zeg ik, en daarop vertelt hij mij, dat hij bij het vingt-et-un dertig louis van mij geleend heeft, en dat hij mij daarvoor eene schuldbekentenis heeft gegeven, die ik in mijn zakboekje gestoken had voordat hij de kamer verliet. Ik kijk mijne portefeuille na (die de gravin voor mij geborduurd had) en daar vind ik inderdaad de schuldbekentenis, en hij telde de dertig louis in goud op mijn bedtafeltje neer. Ik zeide natuurlijk, dat hij zich als een echt gentleman gedroeg, en vroeg of hij niet iets wilde gebruiken, daar mijn bediende het dan dadelijk voor hem zou halen; maar jonkheer Deuceace drinkt ’s morgens niets en ging heen, daar hij nog andere zaken te verrichten had, naar hij zeide.

„Een oogenblik later werd er weer aan de buitendeur van mijn apartementen gescheld, en ditmaal kwamen Bloundell en de markies binnen. „Bong jour, markie?” zeg ik. „Goedenmorgen – geen hoofdpijn?” zeide hij. Ik antwoordde, dat ik wel hoofdpijn had, en dat ik den vorigen avond mooi buiten westen moest geweest zijn; maar allebei verklaarden zij, dat men niet aan mij had kunnen zien dat ik iets te veel had, en dat ik met een gezicht zoo ernstig als een rechter mijn drank gebruikt had.

„„Zoo,” zegt de markies, „is Deuceace bij u geweest? wij zijn hen, toen wij van het ontbijt kwamen, in het Palais Royal tegengekomen. Heeft hij met u afgerekend? Maak dat ge het binnen krijgt, want hij is te [38]vangen als een aal bij zijn staart, en daar hij vijf en zeventig pond van Bloundell gewonnen heeft, zou ik u raden te zorgen, dat gij het uwe kreegt terwijl hij nog geld heeft.”

„„Hij heeft mij betaald,” zeg ik; „maar ik wist er even weinig van dat hij mij iets schuldig was, als van het uur van mijn dood, en herinner mij volstrekt niet, dat ik hem dertig louis heb geleend.”

„De markies en Bloundell kijken elkander lachend aan en Bloundell zegt: „Kolonel, gij zijt een zonderling mensch. Niemand ter wereld zou uit uwe manieren opgemaakt hebben, dat gij den ganschen avond iets anders dan thee hadt gedronken, en echter zijt gij ’s morgens alles vergeten. Kom, kom, beste vriend, maak dat een ander wijs; wij gelooven er niets van.”

„„En effet,” zegt de markies, zijne kleine zwarte snorretjes voor den spiegel opkrullende en een paar uitvallen doende zooals hij dat in de schermschool gewoon was. (Hij was een eerste meester op de punt, en ik heb hem bij Lepage veertienmaal achtereen de pop zien stuk schieten.) „Laten wij ter zake komen. Gij begrijpt, kolonel, dat het beste is, zaken van eer dadelijk af te doen. Misschien zou het u wel schikken die kleinigheid van gisterenavond te vereffenen?”

„„Welke kleinigheid?” zeg ik. „Zijt gij mij ook geld schuldig, markies?”

„„Kom aan,” zegt hij, „laten wij het schertsen staken. Ik heb eene schuldbekentenis van uwe hand ten bedrage van driehonderd veertig louis. La voici!” zegt hij, terwijl hij een papier uit zijne portefeuille haalt.

„„En ik van tweehonderd tien,” zegt Bloundell Bloundell en haalt zijn vodje papier uit.

„Ik was over die vertooning zoo woedend en verbaasd, dat ik uit mijn bed sprong en mijne kamerjapon omsloeg. „Komt gij mij hier voor den gek houden?” zeg ik. „Ik ben u geen tweehonderd, of geen twee duizend, of zelfs geen twee louis schuldig, en ik zal u geen duit betalen. Denkt gij, dat gij mij zult beethebben met die schuldbekentenissen? Ik lach er mee en met u, en houd u voor een paar –”

„„Een paar wat?” zegt mijnheer Bloundell. „Gij begrijpt natuurlijk, dat wij een paar mannen van eer zijn, kolonel Altamont, die niet hier zijn gekomen om gekheden te maken, of ons te laten uitschelden. Gij zult ons betalen, of wij zullen u als een oplichter bekend maken en u ook als een oplichter kastijden,” zegt Bloundell.

„„Oui, parbleu,” zegt de markies, – maar om hèm gaf ik niet, daar ik dat kereltje uit het venster had kunnen smijten; maar met Bloundell was het een ander geval; dat was een zwaar man, die vijf en twintig pond meer weegt dan ik, en zes duim langer is, zoodat ik geloof dat hij mij wel te machtig zou geweest zijn.

„„Monsieur zal mij betalen, of monsieur zal mij rekenschap geven waarom niet. Ik houd u voor weinig beter dan een polisson, kolonel Altamont,” – dat waren zijn eigen woorden,” zeide Altamont met een grijnslach. „Ik kreeg nog een aantal andere liefelijkheden van dien aard van die beide kerels naar mijn hoofd en was midden in mijn twist met hen, toen er weer iemand binnenkwam. Dat was een vriend van mij, – een heerschap, dat ik te Boulogne had leeren kennen en zelf bij de gravin voorgesteld had. Daar hij den vorigen avond in het geheel niet gespeeld en mij zelfs tegen Bloundell en anderen gewaarschuwd had, vertelde ik hem de historie en de beide anderen deden dit van hun kant ook. [39]

„„Het spijt mij zeer,” zegt hij. „Gij wildet doorspelen, ofschoon de gravin u bezwoer er mee te eindigen. Deze heeren hebben u meer dan eens aangeboden op te houden. Maar gij waart het, die op hoog spel aanhieldt zij niet.” Kortom, hij was lijnrecht tegen mij; en toen de beide anderen waren heengegaan, verklaarde hij mij, dat de markies mij zou doodschieten, zoo zeker als ik heet – zooals ik heet. „Ik heb de gravin bovendien in tranen achtergelaten,” zeide hij verder. „Zij heeft een afkeer van die twee mannen en daarom heeft zij u dikwijls tegen hen gewaarschuwd” (hetgeen zij ook werkelijk gedaan had, daar zij meermalen aandrong, dat ik niet meer met hen zou spelen), „en nu, kolonel, heeft zij het bijna op hare zenuwen, uit vrees dat gij twist zult krijgen en dat die verwenschte markies u een kogel door het hoofd zal jagen. Het komt mij voor,” zegt mijn vriend, „dat die vrouw smoorlijk op u verliefd is.”

„„Denkt gij dat?” zeg ik, waarop mijn vriend mij verhaalde, dat zij zelfs voor hem op hare knieën was gevallen met den uitroep: „Red kolonel Altamont!”

„Zoodra ik gekleed was, ging ik die bekoorlijke vrouw bezoeken. Zij gaf een gil en viel bijna in zwijm toen zij mij zag. Zij noemde mij Ferdinand, zoo waar ik leef.”

„Ik dacht, dat uw naam Jack was!” zeide Strong lachend, waarop de kolonel sterk achter zijne geverfde bakkebaarden begon te blozen.

„Men mag toch wel meer namen hebben dan één, niet waar Strong?” vroeg Altamont. „Als ik met eene dame in gezelschap kom, houd ik van een mooien naam. Zij noemde mij bij mijn vóórnaam, en schreide zoo, dat mij het hart er van brak. Ik kan eene vrouw niet zien weenen – dat heb ik nooit kunnen verduren – althans niet zoolang ik van haar houd. Zij zeide, dat zij de gedachte niet verdragen kon, dat ik zooveel geld in haar huis had verloren, zoodat zij mij hare diamanten en halssnoeren aanbood, om er haar deel van te betalen.

„Ik zwoer echter, dat ik geen stuiver van hare juweelen zou aannemen, die ik ook niet geloof dat veel waard waren – maar wat kan eene vrouw meer doen dan alles geven wat zij bezit? Dat zijn de vrouwen, waarvan ik houd, en ik weet, dat er zóó vele zijn. Ik zeide haar dus, dat zij maar gerust moest zijn over het geld, want dat ik geen duit betalen zou.”

„„Maar dan zullen zij u doodschieten,” zegt zij; „dan zullen zij mijn Ferdinand vermoorden.”

„„Dan zullen zij mijn Jack vermoorden,” zou in het Fransch niet mooi geklonken hebben,” zeide Strong lachende.

„De namen komen er niet op aan,” hernam de ander knorrig; „ik geloof toch, dat een man van eer den naam mag aannemen, dien hij goedvindt?”

„Nu, ga maar voort met uw verhaal,” zeide Strong. „Zij zeide, dat zij u zouden vermoorden.”

„„Neen,” zeg ik, „dat zullen zij niet; want ik zal mij door dien schavuit van een markies niet naar de andere wereld laten zenden, en als hij de hand naar mij uitsteekt, zal ik van mijn kant hem de hersens inslaan, al was hij honderdmaal markies.”

„Op die woorden deinsde de gravin achteruit, alsof ik iets zeer onbetamelijks gezegd had. „Versta ik kolonel Altamont goed?” zegt zij. „Hoor ik goed, dat een Britsch officier weigert zich te meten met iemand, die hem naar het veld van eer daagt?”

„„Laat het veld van eer naar den duivel loopen, gravin,” zeg ik. [40]„Zoudt gij willen, dat ik mij tot mikpunt stelde voor de pistool van dien kleinen schurk?”

„„Kolonel Altamont,” zegt de gravin, „ik dacht dat gij een man van eer waart, – ik dacht het, – maar het komt er niet op aan. Vaarwel, mijnheer,” en daarop zweefde zij de kamer uit, terwijl zij hare stem in haar zakdoek smoorde.

„„Gravin!” roep ik, terwijl ik haar naloop en hare hand grijp.

„„Verlaat mij, monsieur le colonel,” zegt zij, mij wegduwende, „mijn vader was een generaal van het Groote Leger. Een soldaat moet al zijne schulden van eer weten te betalen.”

„Wat kon ik doen? Iedereen was tegen mij. Caroline zeide, dat ik het geld verloren had, ofschoon ik mij geen zier van al het voorgevallene herinnerde Bovendien had ik het geld van Deuceace aangenomen; maar dat was, weet je, omdat hij het mij kwam brengen, en dat is een heel ander geval. Elk van die knapen was een man van eer en aanzien en de markies en de gravin behoorden tot de eerste familiën van Frankrijk. En dus, mijnheer, wilde ik liever het geld betalen dan haar beleedigen: vijfhonderd zestig gouden Napoleons, voor den drommel, behalve nog driehonderd, die ik er bij verloor, toen zij mij revanche gaven.

„En ik kan tot op dit oogenblik nog niet zeggen of ik al dan niet bedrogen ben,” eindigde de kolonel met een peinzend gezicht. „Soms geloof ik het; maar dan herinner ik mij weer, dat Caroline zoo innig veel van mij hield. Die vrouw zou het niet hebben kunnen aanzien, dat ik uitgeplunderd wierd; neen, dat zou zij nooit; ten minste, als het anders ware zou ik mij in de vrouwen vergissen.”

Indien Altamont gezind ware geweest verdere mededeelingen omtrent zijn vorig leven aan zijn trouwhartigen kameraad den chevalier te doen, werd hij daarin verhinderd door een kloppen op de buitendeur hunner kamers, waarop geen minder personage dan Sir Francis Clavering zich aan de beide waardige heeren vertoonde, zoodra Grady de deur geopend had.

„Waarachtig, de ouwe!” riep Strong uit, die met verwondering zijn patroon zag binnentreden. „Wat brengt u hier?” bromde Altamont, van onder zijne zware wenkbrauwen den baronet strak aanziende. „Zeker niets goeds, daar sta ik borg voor.” En inderdaad was het zelden iets goeds, dat Sir Francis Clavering hier of ergens elders heenvoerde.

Als de rampzalige baronet naar Shepherd’s Inn kwam, waren het geldzaken, welke hem binnen die muren brachten; en doorgaans zat er een heer van de geldmarkt op Strong’s kamers of daar beneden bij Campion op hem te wachten om wissels te verhandelen of te prolongeeren. Clavering behoorde tot die menschen, die nooit hunne schulden ruiterlijk overzien, ofschoon zijn heele leven daardoor verbitterd was geweest. Zoolang hij een wissel kon vernieuwen was hij er gerust op; en hij zou bijna elk papier onderteekend hebben, dat morgen eerst verviel, als hij dan heden maar met rust wierd gelaten. Hij was iemand, wien geen fortuin voorgoed uit de klem kon redden, iemand, die gemaakt was om geruïneerd te worden, om kleine winkeliers op te lichten en zelf het slachtoffer van slimmer bedriegers te worden; om inhalig en spilziek te zijn, en, even ontbloot van eerlijkheid als de lieden die hèm oplichtten, voornamelijk hun dupe te worden, omdat hij te kleingeestig was om met kans van goeden uitslag zelf een schurk te kunnen zijn. Hij had in zijn leven meer leugens verteld en meer lage listen te baat genomen om zich aan eene kleine schuld te onttrekken, of een arm schuldeischer uit te plunderen, dan een stoutmoodiger schelm [41]zou noodig gehad hebben om fortuin te maken. Zelfs toen hij op het toppunt van het geluk stond, was hij laag en kruipend. Al ware hij een kroonprins geweest, hij had niet zwakker, onbruikbaarder, losbandiger of ondankbaarder kunnen zijn. Hij kon het leven niet doorgaan zonder op iemands arm te leunen; en echter had hij nooit iemand tot helper, of hij wantrouwde hem, en bedierf de plannen, die men ten zijnen voordeele beraamd had, door de menschen, wier diensten hij gebruikte, heimelijk tegen de werken. Strong kende Clavering en beoordeelde hem zeer juist. Beiden waren niet door de banden der vriendschap aan elkander verbonden; maar de chevalier werkte voor zijn principaal uit plichtgevoel en omdat hij er toe verplicht was, evenals hij met het leger een vermoeienden marsch gemaakt, of voor zijn deel de gevaren en ontberingen eener belegering doorstaan zou hebben. „Wat wil hij?” dachten dus de beide officieren van het garnizoen van Shepherd’s Inn, toen de baronet zich vertoonde.

Zijn bleek gelaat droeg de blijken, dat hij in de hoogste mate boos en geërgerd was. „Zoo, mijnheer!” zeide hij, het woord tot Altamont richtende, „gij zijt uw oude streken weer begonnen!”

„Welke?” vroeg Altamont spottend.

„Gij zijt gisterenavond weer aan het rouge et noir geweest,” riep de baronet uit.

„Hoe weet gij dat? Zijt gij er ook geweest?” vroeg de ander. „Ik was in de club, maar ik speelde niet op de kleuren, – vraag het den kapitein maar, wien ik alles verteld heb. Het was met de dobbelsteenen. Het was bij het hazardspel, Sir Francis, op mijn woord van eer;” en bij die woorden zag hij den baronet met een veelbeteekenenden maar koddigen trek van geveinsde onderdanigheid aan, wat alleen scheen te strekken om den ander nog boozer te maken.

„Wat duivel geef ik er om, mijnheer, hoe gij uw geld verliest, en of het bij het hazardspel of de roulette is?” schreeuwde de baronet met een aantal vloeken en zoo hard hij maar kon. „Wat ik niet verkies, mijnheer, is dat gij mijn naam gebruikt, of dien met den uwen verbindt. Voor den duivel, Strong, waarom past gij niet beter op hem? Ik zeg u, dat hij mijn naam alweer gebruikt, een wissel op mij getrokken en het geld aan de speeltafel verloren heeft. Ik kan het niet meer verdragen en ik wil het niet meer verdragen! Geen mensch zou dat kunnen uithouden. Weet gij hoeveel ik voor u betaald heb, mijnheer?”

„Dit was maar een kleintje, Sir Francis, – slechts vijftien pond, kaptein Strong; zij wilden geen anderen naam op den wissel hebben, en gij moest u niet zoo boos daarover maken, patroon! Het was zoo’n onbeduidend sommetje, dat ik er tegen Strong zelfs niet van gesproken heb, – niet waar, kaptein? Ik verzeker u, dat het mij geheel uit het geheugen gegaan was, enkel en alleen ten gevolge van dien verwenschten drank, dien ik gebruikt had.”

„Drank of geen drank, mijnheer, het gaat mij niet aan. Het kan mij niet schelen wat gij drinkt of waar gij het drinkt, – als het maar niet in mijn huis is. Ik wil niet, dat gij ’s avonds mijn huis binnenvalt en dat een kerel als gij zich aan mijn gezelschap opdringt. Hoe hebt gij u gisterenavond op Grosvenor Place durven vertoonen, mijnheer, en – en – wat moeten mijne vrienden wel van mij denken als zij een man van uwe soort ongenoodigd en dronken mijn eetzaal zien binnenstappen en hem om drank hooren roepen, alsof hij de heer des huizes was?”

„Zij zullen zeker denken, dat gij met een raar slag van volkje bekend zijt,” antwoordde Altamont met onverstoorbare goede luim. „Hoor eens, [42]baronet, ik vraag verschooning; op mijn eer, dat doe ik. Is dat geen genoegzame verontschuldiging tusschen twee gentlemen? Ik erken, dat het eene krasse daad was, eene kajuit binnen te stappen en om drank te roepen, alsof ik de kaptein was; maar ik had reeds te veel op, weet je, en daarom wilde ik nog meer hebben; niets is eenvoudiger; en het was omdat zij mij bij het rouge et noir geen geld meer op uw naam wilden geven, dat ik op de gedachte kwam er u zelf over te gaan spreken. Dat gij mij geld weigerdet was niets; maar een wissel te weigeren, getrokken op u, die zulk een begunstiger van de speeltafel zijt geweest, die een baronet zijt en een parlementslid en een gentleman van den eersten rang, – voor den duivel, dat is ondankbaar!”

„Bij den hemel! als gij het ooit weer doet, – als gij u ooit weer in mijn huis durft vertoonen of mijn naam gebruikt in een speelhuis of eenig ander huis – ja, voor den drommel, eenig ander huis – of naar mij durft verwijzen, of mij op straat aanspreken, – dan trek ik mijne hand geheel van u af en zult ge geen enkelen stuiver meer van mij hebben.”

„Kom, patroon, terg mij niet,” antwoordde Altamont op knorrigen toon. „Spreek niet tegen mij van dit of dat te durven, want als ik boos word, is dat juist het middel om er mij toe te brengen. Ik had gisterenavond niet moeten komen, dat geef ik toe; toe maar ik heb u reeds gezegd, dat ik dronken was, en dat behoorde tusschen gentlemen voldoende te zijn.”

„Gij een gentleman! Voor den drommel, mijnheer,” riep de baronet uit, „hoe durft een kerel als gij zich een gentleman noemen!”

„Ik ben geen baronet, dat weet ik wel,” hernam de ander, „en ik heb bijna vergeten hoe men zich als gentleman moet gedragen, maar maar eenmaal was ik dat toch ook, en mijn vader was het, en ik verkies zulke taal niet van u te hooren, Sir Francis Clavering, – verstaat ge dat? Waarom komt ge niet met het geld over de brug, en laat mij dan loopen? Waarom moet gij u, voor den duivel, in schatten wentelen en ik niets bezitten? Waarom moet gij een huis hebben en eene tafel beladen met zilverwerk, en ik hier in dit bedelaarshol van een Shepherd’s Inn op eene zolderkamer wonen? Wij zijn toch compagnons, niet waar? Ik heb evengoed recht om rijk te zijn als gij, is het zoo niet? Vertel de geschiedenis maar eens aan Strong, als ge er lust toe hebt, en laat hem dan uitspraak tusschen ons doen. Ik zie er niet tegen op, mijn geheim te vertellen aan een man, die niet klapt. Hoor eens, Strong – misschien hebt gij de historie al gegist – het geval is, dat ik en de patroon –”

„Houd voor den duivel je mond!” schreeuwde de baronet verwoed uit. „Ge zult het geld hebben, zoodra ik het krijgen kan. Het geld wast mij niet op den rug. Ik word zoo benauwd en vervolgd, dat ik niet weet waarheen ik mij wenden of keeren moet. Ik zal er nog dol onder worden, bij den hemel, dat zal ik! Ik wenschte dat ik dood was, want ik ben de rampzaligste rekel op aarde! Let maar niet op mij, Altamont. Als ik mij niet recht wel gevoel – en ik ben van morgen verduiveld galachtig – dan scheld ik iedereen uit en weet ik niet wat ik zeg. Vergeef me, indien ik u beleedigd heb. Ik – ik zal die kleinigheid in orde trachten te brengen. Strong zal er moeite toe doen; op mijn woord, dat zal hij. Zeg eens, Strong, beste jongen, ik moet u eens spreken. Ga een oogenblikje mee naar het kantoor.”

Bijna alle aanvallen van Clavering eindigden op deze vernederende wijze, met een schandelijken aftocht. Altamont lachte om den baronet [43]achter zijn rug, toen hij de kamer verliet en zich met zijn Strong naar het kantoor begaf.

„Wat is er nu gaande?” vroeg deze. „Zeker weer de oude geschiedenis?”

„Ja, voor den duivel,” zeide de baronet. „Ik heb gisterenavond twee honderd pond contant verloren en een wissel voor nog driehonderd pond afgegeven, tegen morgen, op de bankiers van mijne vrouw; en ik moet zorgen, dat het geld er is, want anders volgt er geen betaling. De laatste maal toen zij mijne speelschulden betaalde, zwoer ik, dat ik geen dobbelsteen meer zou aanraken; en zij zal, als ik voortga, woord houden, Strong, en de compagnieschap ontbinden. Ik wenschte, dat ik driehonderd pond ’s jaars had en ver van hier zat. Op eene Duitsche badplaats kan men met driehonderd pond ’s jaars drommels goed rondkomen. Maar ik ben zoo vervloekt spilziek! Ik wou, dat ik op den bodem der rivier lag. Ik wou dat ik dood was, bij den hemel, dat wou ik! Had ik die verwenschte dobbelsteenen maar nooit aangeraakt! Het geluk liep mij gisterenavond aanhoudend mee, totdat die schelmen mij met den wissel, dien Altamont op mij getrokken had, wilden betalen, en van dat oogenblik af keerde de Fortuin mij den rug toe. Ik kon niets meer winnen en ging uitgeplunderd heen, dien helschen wissel achterlatende. Hoe zal ik dien betalen? Blackland wil hem niet prolongeeren. Hulker en Bullock zullen er dadelijk over schrijven aan mijne vrouw. Bij den hemel, Strong, ik ben de rampzaligste mensch in gansch Engeland!”

Strong moest dus eenig plan bedenken, om den baronet in deze benauwdheid te hulp te komen; en ongetwijfeld gelukte het hem, geld voor zijn patroon op te nemen, want hij vertoefde dien dag een tijdlang op het kantoor van mijnheer Campion. Altamont had wederom een paar guinjes op zak, met belofte van nader aanvulling; en voor de eerstvolgende twee of drie maanden had de baronet geen reden, zich dood te wenschen. Strong, van zijn kant, bracht, hetgeen hij van den kolonel en van Sir Francis gehoord had, met elkander in verband en begon zich een vrij nauwkeurig denkbeeld te vormen van de soort van band, die deze twee mannen vereenigde.