[Inhoud]

VIJF EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Een hoofdstuk vol gesprekken.

Na de partijen op Grosvenor Place en te Greenwich, waaraan wij majoor Pendennis hebben zien deelnemen, scheen de vriendschappelijkheid en hartelijkheid van dien waardigen heer voor de familie Clavering met elken dag toe te nemen. Hij legde er dikwijls bezoeken af en was onuitputtelijk in zijne beleefdheden voor de dame des huizes. Als oud man van de wereld, had hij het geluk in vele huizen ontvangen te worden, waar men eene dame van den stand van Lady Clavering ook behoorde te zien. Zou mylady de groote partij op Gaunt House niet willen bijwonen? Er zou een heel genoeglijk dejeuner dansant bij burggraaf Marrowfat te Fulham zijn. Iedereen zou daar zijn (en daaronder doorluchtige personen van den hoogsten rang); er zou eene quadrille à la Watteau gedanst worden, waarin jufvrouw Amory zeker betooverend er uitzien zou. Met voorkomendheid bood de gedienstige oude heer aan, [44]Lady Clavering naar deze en dergelijke vermakelijkheden te geleiden, terwijl hij even bereidvaardig was om den baronet, in welk opzicht deze het ook wenschen mocht, van dienst te zijn.

In weerwil van Clavering’s tegenwoordig aanzien en fortuin, bleef de wereld met koelheid op hem neerzien en volgden hem zeer wonderlijke en verdachte geruchten op den voet. Hij werd achtereenvolgens in twee clubs gedeballoteerd. In het Lagerhuis ging hij alleen met eenige weinige der slechtst aangeschreven leden van dat vermaarde staatslichaam om, daar hij goed slag had om slecht gezelschap te kiezen, en zich zoo natuurlijk daarnaar schikte als anderen het doen naar het gezelschap van hunne meerderen. Het zou hatelijk klinken, indien wij al al de senatoren wilden opnoemen, waarmee Clavering gemeene zaak maakte; wij zullen er dus slechts eenige weinige aanstippen. Daartoe behoort kapitein Raff, de geachte afgevaardigde van Epsom, die na de laatste Goodwood-wedrennen afgetreden is, daar hij, volgens den heer Hotspur (het lid, dat belast is met de opsporing der afwezige leden zijner partij, wanneer het Huis tot eene stemming zal overgaan), eene diplomatische zending naar de Noordpool had aangenomen; en Hustingson, de patriottische afgevaardigde van Islington, dien men thans niet meer over het uitdeelen van gunsten hoort schreeuwen, sedert hij zelf tot gouverneur van het Coventry Eiland benoemd is; en Bob Freeny, van de Freeny’s van Booterstown, die met de pistool nooit zijn doel mist en van wien wij dus met het meeste ontzag spreken. Voor niemand van al die heeren, met welke mijnheer Hotspur door de hem opgedragen taak genoodzaakt was in aanraking te komen, koesterde hij méér verachting en afkeer dan voor Sir Francis Clavering, den afstammeling van een overoud geslacht, welks leden sinds onheuglijken tijd voor hun eigen stadje Clavering zitting in het Lagerhuis hadden gehad. „Als men dien man bij eene stemming noodig heeft,” zeide Hotspur, „dan kan men tien tegen één wedden, dat hij in eene speelhol gevonden wordt. Hij is groot gebracht in de gijzeling-gevangenis en, geloof mij, nog niet gevrijwaard tegen de strafgevangenis. Hij zal het fortuin der begum verkwisten met dobbelen, als zakkenroller betrapt worden en zijn leven in dwangarbeid eindigen.” En indien de hoogwelgeboren heer Hotspur, terwijl hij aldus over Clavering dacht, desniettemin beleefd jegens hem kon zijn, omdat zijne betrekking het meebracht, waarom zou de majoor Pendennis ook niet zijne bijzondere redenen kunnen hebben, om zich jegens dien beklagenswaardigen gentleman voorkomend te gedragen?

„Hij heeft een zeer goeden kelder en een zeer goeden kok,” zeide de majoor; „wanneer hij zwijgt, hindert hij niet, en hij doet maar zeer zelden den mond open. Wat gaat het mij aan, of hij gelieft te spelen en zijn geld aan schurken te verliezen? Wij moeten ons nooit te veel met de zaken van anderen bemoeien, Pen, mijn beste jongen; iedereen heeft een kabinetje in zijn huis, waar hij niet gaarne zou willen dat gij en ik inkeken. Maar waarom zouden wij daartoe ook moeite doen, als overigens het gansche huis voor ons openstaat? En een verduiveld goed huis ook, gelijk wij beiden weten. En al is de heer des huizes niet geheel zóó als wij hem zouden wenschen, de dames zijn toch zeer lief. De begum is niet al te beschaafd, maar er bestaat geen goedhartiger vrouw ter wereld en zij is drommels slim bovendien. En wat de kleine Blanche betreft, gij weet, guit, hoe ik over haar denk; gij weet dat ik het er voor houd, dat zij u gaarne lijden mag, en dat gij haar voor het vragen zoudt hebben. Maar gij wordt zulk een groot heer dat gij u zeker met niet minder dan de dochter van een hertog tevreden zult stellen [45]– welnu, mijnheer, ik raad u aan er eene te vragen en het eens te probeeren!”

Pen was misschien wel eenigszins bedwelmd door den opgang, dien hij in de wereld gemaakt had, en het is ook wel mogelijk, dat de jonkman in het denkbeeld verkeerde (de aanhoudende zinspelingen van zijn oom droegen althans niet weinig bij, om hem in die meening te versterken), dat jufvrouw Amory niet ongenegen was, den kleinen minnehandel te hervatten, die in vroegere dagen aan den oever van den Brawl ondernomen was. Maar Pen zeide, dat hij voor dit oogenblik weinig neiging tot het huwelijk gevoelde, en sprak, in navolging van de wereldsgezinde wijze van beschouwing van zijn oom, met zekere minachting over die instelling en tot lof van het ongehuwde leven.

„Gij zijt zeer gelukkig, oom,” sprak hij; „gij brengt het er ongetrouwd zeer goed af, en ik van mijn kant ook. Als ik eene vrouw naast mij had, zou ik mijn standpunt in de maatschappij verliezen; en ik, voor mij, heb niet veel lust om met eene mevrouw Pendennis naar het platteland de wijk te nemen, of met mijne vrouw op gemeubileerde kamers te gaan wonen, met een enkele meid tot onze hulp. De tijd van mijne kleine illusiën is voorbij. Gij hebt mij gered van mijn eerste geliefde, die bepaald eene zottin was en die, indien zij mij genomen had, een zot tot man en wel een zeer norschen en ontevreden man zou gehad hebben Het leven van ons jongelui gaat snel voorbij, oom, en ik gevoel mij op mijn vijf en twintigste jaar even oud als vele der oude prui – – oude heeren – die ik aan het groote venster der club van Bays zie staan. Neem het mij niet kwalijk maar ik meen alleen, dat ik op het punt van liefde blasé ben, en dat ik mijn liefdevuur voor jufvrouw Amory evenmin weer zou kunnen aanblazen als ik Lady Mirabel weer zou kunnen aanbidden. Ik wenschte, dat ik het kon. Het bevalt mij in den ouden Mirabel, dat hij zoo op haar verzot is, en ik beschouw dien hartstocht als het loffelijkste stuk van zijn leven.”

„Sir Charles Mirabel was altijd een liefhebber van het tooneel, Arthur,” zeide de majoor, geërgerd dat zijn neef zoo lichtvaardig over iemand van het aanzien en den rang van Sir Charles durfde spreken. „Sedert zijne jeugd heeft hij tot het tooneel in betrekking gestaan. Hij speelde op Carlton House, toen hij page van den prins was; hij is altijd bij die zaken betrokken geweest; hij kon trouwen wie hij verkoos, en Lady Mirabel is eene hoogst achtenswaardige dame, die overal ontvangen wordt, – let wel: overal! De hertogin van Connaught ontvangt haar, en Lady Rockminster ook, en het past jongelui niet, over personen van zulk een stand lichtvaardig te spreken. Er is geen fatsoenlijker dame in Engeland dan Lady Mirabel; en de oude pruiken – gelijk gij hen noemt – in de club van Bays, behooren tot de eerste gentlemen van Engeland, van welke gijlieden jongelui, nog wat manieren en opvoeding en bescheidenheid zoudt kunnen leeren.” En de majoor begon te gelooven, dat Pen buitengewoon brutaal en verwaand werd, en dat de wereld hem te veel over het paard had getild.

De boosheid van den majoor vermaakte Pen. Hij bestudeerde de eigenaardigheden van zijn oom met aanhoudend genoegen en bleef altijd op goeden voet met zijn wereldschen Mentor. „Ik behoor nu reeds sinds vijftien jaar tot de jongelui, oom,” zeide hij zeer behendig, „en indien gij ons voor oneerbiedig houdt, wat zoudt gij dan wel zeggen van het tegenwoordige geslacht! Een uwer protégés heeft onlangs bij mij ontbeten; gij hadt gewenscht dat ik hem vragen zou, en ik heb het gedaan, om u genoegen te doen. Wij hebben dien dag met elkander [46]allerlei merkwaardigheden bezichtigd, in de club gedineerd en ’s avonds den schouwburg bezocht. Hij zeide, dat de wijn in den Polyanthus zoo goed niet was als die bij Ellis te Richmond; na het ontbijt rookte hij Warrington’s cavendish-tabak en toen ik hem bij zijn vertrek een goudstuk voor zijn spaarpot gaf, zeide hij, dat hij er zelf genoeg had, maar het zou aannemen om te toonen dat hij niet trotsch was.

„Zeide hij dat? – en hebt gij den jongen Clavering gevraagd?” riep de majoor uit, die dadelijk tevreden was gesteld; „een knappe jongen, wel een beetje wild, maar een knappe jongen! De ouders zien gaarne, dat men zulke beleefdheden aan hunne kinderen bewijst, en gij kunt niet beter doen dan onze waardige vrienden van Grosvenor Place op dat punt genoegen te verschaffen. En dus hebt ge hem meegenomen naar den schouwburg en hem wat zakgeld gegeven? Dat was goed gedaan, mijnheer, heel goed!” En met die woorden scheidde Mentor van Telemachus, met de overtuiging, dat de jongelui toch nog zoo slecht niet waren en dat hij van zijn neef nog iets zou kunnen maken.

Naarmate de jonge heer Clavering in jaren en grootte toenam, ontgroeide hij aan het gezag van zijne liefhebbende ouders en van zijne gouvernante, zoodat hij hen veeleer regeerde, dan dat hij zich naar hunne bevelen schikte. In tegenwoordigheid van zijn papa was hij stil en stug en zelden vertoonde hij zich in de nabijheid van dien heer; doch tegen zijne mama schreeuwde en vocht hij, als er eenig geschil tusschen hen ontstond over de bevrediging van zijn eetlust, of over de vervulling van eenigen anderen zijner wenschen; en bij zijne oneenigheden met de gouvernante, wanneer hij leeren moest, schopte hij dat lijdzame schepseltje zoo geweldig tegen de schenen, dat zij zich geheel door hem liet overbluffen en onder den duim houden. Hij had zijne zuster Blanche wel op dezelfde wijze willen behandelen en deed een paar pogingen om ook over haar den baas te spelen; maar bij die gelegenheden legde zij een ongeloofelijke vastberadenheid en geestkracht aan den dag en sloeg hem zoo duchtig om de ooren, dat hij jufvrouw Amory voortaan den voet niet meer dwars zette, gelijk hij zijne gouvernante en zijne mama en mama’s kamenier deed.

Toen de familie zich eindelijk te Londen vestigde, gaf Sir Francis de meening te kennen, dat het beste zou zijn, den „kleinen schelm” naar school te zenden. Dientengevolge werd de jeugdige zoon en erfgenaam van het huis Clavering overgebracht naar de inrichting van opvoeding en onderwijs van den eerwaarden heer Otto Rose, te Twickenham, waar de zonen van adellijke en voorname heeren het voorbereidend onderwijs ontvingen, eer zij op de groote Engelsche openbare scholen konden worden aangenomen.

Wij zijn niet voornemens den jongen heer Clavering in zijn schoolleven te volgen; de paden naar den Tempel der Wetenschap werden voor hem gemakkelijker gemaakt dan voor sommigen onzer in vroeger tijd. Hij reed naar dat heiligdom in eene koets met vier paarden, en mocht bijna overal waar hij goedvond stilhouden, en eene verfrissching nemen. Sedert zijne prilste jeugd droeg hij verlakte laarzen, en had hij batisten zakdoeken en citroenkleurige glacé handschoenen van het kleinste model, dat Privat ooit vervaardigd heeft. Bij mijnheer Rose kleedden de jongelui zich altijd geregeld om aan het diner te komen; de jonge heeren hadden prachtige kamerjaponnen, vuur op hunne slaapkamers, deden nu en dan toertjes te paard of in rijtuig, en kregen olie voor hun haar. De meester paste nooit lichaamsstraffen toe, want hij was van oordeel, [47]dat eene moreele tucht voldoende was om de jeugd te besturen; en de jongens maakten zulke snelle vorderingen in vele takken van wetenschap, dat zij, nog eer zij oud genoeg waren om op eene publieke school te komen, de kunst verstonden om sterke dranken te drinken en sigaren te rooken. In een verbazend vroeg tijdperk zijns levens stal de jonge Frank Clavering zijn vaders havana’s en bracht ze mee op school, of rookte ze in de stallen, en op zijn tiende jaar dronk hij zijn champagne bijna zoo stevig als een gesnorbaarde luitenant der dragonders had kunnen doen.

Toen dit belangwekkende jonge mensch met de vacantie thuis kwam, was majoor Pendennis even overdadig beleefd en voorkomend tegen hem als tegen de overige leden van het gezin; ofschoon de jongen vrij veel minachting voor den „ouwen Pruikenburg,” zooals de majoor genoemd werd, koesterde; hem achter zijn rug nadeed, zooals de wellevende majoor tegen Lady Clavering of jufvrouw Amory boog en vleide; en met breede trekken van die karikaturen teekende, waarin schrandere jongelui zooveel behagen scheppen en waarop des majoors pruik, neus, das enz. met kunstelooze overdrijving waren afgebeeld. De majoor, die onvermoeid was in zijne pogingen om zich aangenaam te maken, gaf den wensch te kennen, dat ook Pen bijzondere notitie van dit kind zou nemen, en spoorde Arthur dus aan, hem op zijne kamer te noodigen, hem in de club een diner te geven, hem mee te nemen naar de wassenbeeldengalerij van madame Tussaud, den Tower, den schouwburg en meer van dien aard, en hem, na afloop van den dag, iets voor zijn spaarpot te schenken. Daar Arthur een welwillend hart bezat en veel van kinderen hield, volbracht hij op zekeren dag al die plechtigheden. De jongen kwam in den Tempel ontbijten en maakte daar de beleedigendste aanmerkingen op de meubelen, het aardewerk en Warrington’s havelooze kamerjapon, waarna hij een kort pijpje rookte en verslag gaf van een gevecht tusschen Tuffy en Langbeen op de school bij mijnheer Rose, tot groote stichting van de beide heeren, die hem tot gast hadden.

Gelijk de majoor met veel juistheid voorspeld had, was Lady Clavering ten hoogste dankbaar voor de beleefdheden, die Arthur haar zoontje bewezen had, veel dankbaarder dan de jongen zelf, die zulke onderscheidingen beschouwde als iets dat hem toekwam, en wel waarschijnlijk meer goudstukken op zak had dan de arme Pen, die hem zeer edelmoedig één van zijn eigen geringen voorraad dier muntstukken afstond.

Met de scherpe oogen, die de natuur aan den majoor geschonken had, en met den bril van ouderdom en ondervinding, hield deze den blik op den jongen gevestigd en ging hij zijne positie in het gezin na, zonder al te veel nieuwsgierigheid naar de familie-aangelegenheden aan den dag te leggen. Doch als buurman op het land, als een man, wiens familie veel verplichting aan de Clavering’s had, als man van de wereld, nam hij elke geschikte gelegenheid waar om te onderzoeken, welke de geldmiddelen van Lady Clavering waren, hoe zij over haar kapitaal beschikt had en wat de jongen zou erven. En toen hij zich daartoe aan het werk had gezet – met welk oogmerk zal ongetwijfeld later blijken – had hij spoedig eene vrij nauwkeurige kennis van Lady Clavering’s zaken en fortuin en van de vooruitzichten van hare dochter en haar zoon verkregen. De dochter zou slechts een matig kapitaaltje ontvangen; het grootste gedeelte der bezittingen zou, gelijk reeds vroeger gezegd is, op den zoon overgaan, – zijn vader gaf niet om hem noch om iemand [48]anders, – zijne moeder was op hem verzot, als het kind van haar later leeftijd, en zijne zuster had een hekel aan hem. Dit was in algemeene trekken hetgeen majoor Pendennis te weten kwam. „Ja lieve mevrouw,” zeide hij wel eens, terwijl hij den jongen op het hoofd tikte, „deze knaap zou bij een volgend kroningsfeest eene baronnenkroon op het hoofd kunnen dragen, als de zaken maar behoorlijk overlegd wierden en Sir Francis Clavering zijne kaarten goed wist te spelen.”

Op die woorden slaakte de weduwe Amory een diepen zucht. „Ik vrees, dat hij zijne kaarten maar al te slecht speelt, majoor,” gaf zij ten antwoord. De majoor gaf te kennen, dat dit hem niet onbekend was; hij ontveinsde niet, dat ook hij van Sir Francis Clavering’s ongelukkige neiging tot het spel gehoord had, en hij beklaagde Lady Clavering oprecht; doch dit deed hij met zooveel gevoel en zoo verstandig, dat mylady, blijde een persoon van ondervinding aan te treffen, wien zij haar verdriet en haar omstandigheden kon toevertrouwen, er zeer onbewimpeld tegen majoor Pendennis over sprak en gaarne zijn raad en zijne vertroostingen wilde ontvangen. Aldus werd de majoor de vertrouwde en de huisvriend van de begum, die hem in hare hoedanigheden van moeder, vrouw en kapitaliste raadpleegde.

Hij gaf haar te verstaan (en legde daarbij een eerbiedige meewarigheid aan den dag), dat hij met sommige omstandigheden van haar rampspoedig eerste huwelijk, en zelfs met den persoon van wijlen haar echtgenoot, dien hij zich uit Calcutta herinnerde (toen zij in afzondering met haar vader leefde), bekend was. Met tranen eerder van schaamte dan van smart, deelde de arme dame hem het voorgevallene uit haar standpunt mede. Toen zij, na twee jaren op eene school in Europa te hebben doorgebracht, nog bijna als kind naar Indië terugkeerde, was zij met Amory in aanraking gekomen en zoo dwaas geweest hem te trouwen. „O, gij weet niet welk een ellende die man mij heeft aangedaan,” sprak zij, „en welk een leven ik tusschen hem en mijn vader had. Voordat ik hem zag, had ik nooit eenig ander man dan de klerken van mijn vader en diens inlandsche bedienden gezien. Gij weet, dat wij in Indië niet in gezelschap kwamen, uithoofde van –” („Ik weet dat,” zeide majoor Pendennis met eene buiging.) „Ik was een hartstochtelijk, romanesk kind mijn hoofd was vervuld met de romans, die ik op school gelezen had. Ik hoorde hem zijne woeste geschiedenissen en avonturen verhalen, want hij was een roekeloos mensch, en ik vond, dat hij zoo heerlijk vertelde op die stille avonden van de uitreis, terwijl hij.…. Nu, ik trouwde hem en was van dien dag af rampzalig; ik had mij het ongenoegen van mijn vader op den hals gehaald, wiens karakter gij gekend hebt, majoor Pendennis; ik zal er dus niet meer van zeggen, maar het was geen aangenaam man, mijnheer, noch voor mijn arme moeder, noch voor mij (uitgezonderd dat hij mij zijn geld naliet), noch voor iemand anders, zoover ik ooit gehoord heb, en ik vrees, dat hij niet veel goeds in zijn leven verricht heeft. Amory was bijna nog erger; mijn vader was gierig, maar hij was een verkwister; hij dronk vreeselijk en in zijn beschonken toestand was hij ontembaar. Hij is in geen enkel opzicht een goed of trouw echtgenoot voor mij geweest, majoor Pendennis; en indien hij in zijne gevangenis gestorven ware vóór zijn vonnis, in plaats van daarna, zou hij mij veel schande en rampzaligheid bespaard hebben, mijnheer. Want,” liet Lady Clavering er op volgen, „misschien zou ik niet hertrouwd zijn, indien ik niet zoo begeerig ware geweest mij van zijn verfoeiden naam te ontdoen, en ik ben in de keuze van mijn tweeden man niet [49]gelukkig geweest, gelijk gij waarschijnlijk wel weet, mijnheer. Ja, majoor, ik heb geld en ben eene lady, en de menschen denken, dat ik heel gelukkig ben, – maar ik ben het niet. Wij allen hebben onze zorgen en verdriet en bezwaren; en menigen keer zit ik aan mijne groote diners met een gefolterd hart, en menigen nacht lig ik wakker op mijn prachtig bed, vrij wat ongelukkiger dan de meid, die het opgemaakt heeft. Want ik ben geen gelukkige vrouw, majoor, ofschoon de wereld het denkt, en de begum om hare diamanten en rijtuigen en de voorname lui, die ik bij mij ontvang, benijdt. Ik ben niet gelukkig met mijn man en evenmin met mijne dochter. Het is geen goed meisje, gelijk die Laura Bell op Fairoaks. Zij heeft mij vele tranen gekost, ofschoon gij ze niet ziet, en zij bespot mij, hare moeder, omdat ik niet veel geleerd heb. Hoe zou dat ook mogelijk geweest zijn? Ik ben tot mijn twaalfde jaar onder inlanders groot gebracht, en keerde weer naar Indië terug toen ik pas veertien was. Ach, majoor, ik zou eene goede vrouw zijn geweest, indien ik een goeden man had gehad. En nu moet ik naar boven om mijn oogen te wasschen, want ze zijn rood van het schreien. Straks komt Lady Rockminster mij afhalen, om een ritje door het Park te doen.” En toen Lady Rockminster verscheen, nam men op Lady Clavering’s gelaat geen spoor meer van tranen of verdriet waar; zij was integendeel zeer opgeruimd en spraakzaam en verminkte de goede Engelsche taal met de meeste levendigheid en tevredenheid.

„Het is voor den drommel toch nog zoo’n kwade vrouw niet!” dacht de majoor bij zich zelven. „Zij is wel niet zeer beschaafd, want zij zegt „Neefteunis” in plaats van „Neptunus”; maar zij heeft een goed hart – daarvan houd ik – en een drommelschen boel geld bovendien. Drie sterretjes bij haar naam op de lijst van aandeelhouders in de Oostindische Compagnie! en dat alles zal dat jonge rekeltje krijgen – zal hij?” En daarbij overdacht hij hoe gaarne hij een weinigje van dat geld op jufvrouw Blanche zou zien overdragen en hoeveel aangenamer het nog zou zijn, indien hij één van die sterretjes later bij den naam van mijnheer Arthur Pendennis mocht zien schitteren.

Altijd zijn doelwit voor oogen houdende, van welken aard dit ook ware, maakte de oude diplomaat gebruik van den goeden voet, waarop hij stond, en van zijn ouderdom, om met jufvrouw Blanche, als hij gelegenheid vond met haar alleen te zijn, op eene vriendschappelijke en vaderlijke wijze te spreken. Hij kwam zoo dikwijls op het ontbijt en werd zoo gemeenzaam met de dames, dat zij zich zelfs niet meer ontzagen in zijne tegenwoordigheid te twisten; en Lady Clavering, die eene luide stem en een driftig karakter bezat, leverde menigen slag aan de sylphide, terwijl de huisvriend er bij zat. Door hare gevatheid behield Blanche bij deze schermutselingen doorgaans het veld en hare geweerhaakte pijlen joegen hare vijandin smadelijk op de vlucht. „Ik ben een oud man,” zeide de majoor, „en heb niets omhanden. Ik heb goede oogen en ik kan zwijgen. Ik ben uw beider vriend, en al twist gij samen, waar ik bij ben, zal ik het toch aan niemand vertellen. Maar gij zijt beiden zulke lieve dames, dat ik het tusschen u zou willen bijleggen. Ik ben reeds dikwijls de bemiddelaar tusschen allerlei menschen geweest – mannen en vrouwen, vaders en zoons, dochters en mama’s. Ik houd daarvan en heb niets anders te doen.”

Op zekeren dag dan trad de oude diplomaat de gezelschapszaal van Lady Clavering binnen, juist toen deze er, blijkbaar in ziedenden toorn, uit kwam en hem voorbijliep, de trap op naar haar eigen vertrekken.

„Zij kon hem nu niet spreken,” riep zij; „zij was veel te boos op die – [50]die – die kleine, ondeugende –” De boosheid smoorde de overige woorden of verhinderde mylady ze uit te spreken voordat zij reeds buiten het gehoor was.

„Goede, beste jufvrouw Amory,” zeide de majoor toen hij binnentrad, „ik zie wat er gebeurd is. Gij en mama hebt ongenoegen gehad. Het gebeurt in de voornaamste familien, dat er tusschen moeders en dochters oneenigheid bestaat. Nog pas verleden week heb ik een geschil tusschen Lady Clapperton en hare dochter Lady Claudia bijgelegd. Lady Lear en haar oudste dochter hebben in veertien jaar geen woord tegen elkander gesproken. Ik heb in heel mijn leven geen vriendelijker en braver menschen dan deze twee ontmoet; zij zijn voor iedereen, behalve voor elkander, al wat men wenschen kan. Maar elkander kunnen zij niet verdragen; zij moesten niet bij elkander wonen; en ik wenschte van ganscher harte, meisje-lief, dat ik u in een eigen huishouden mocht zien – geene dame te Londen is beter geschikt er een te besturen, – uw eigen huishouding, waar gij uwe huisgenooten gelukkig zoudt maken!”

„Hier ten minste ben ik niet gelukkig,” zeide de sylphide, „en mama’s domheid zou een engel zijn geduld doen verliezen.”

„Juist; gij zijt voor elkander niet geschikt. Uwe moeder beging in haar vroeger leven ééne fout – of was het, in uw geval, de natuur, mijne lieve? – zij had u niet moeten opvoeden tot het fijn beschaafde en geestige meisje, dat gij zijt, omringd, ik erken het, door menschen die uw genie of uwe beschaving niet bezitten Gij moest in de schitterendste kringen voorgaan, niet volgen, en in geen gezelschap den tweeden rang innemen. Ik heb op u gelet, jufvrouw Amory; gij zijt eerzuchtig, en te heerschen is uwe ware roeping. Gij behoordet te schitteren en dat kunt gij in dit huis nooit, – dat weet ik. Ik hoop, dat ik u eenmaal als meesteres in een ander en gelukkiger huis zal zien.”

De sylphide haalde met een minachtenden blik de lelieblanke schouders op, en vroeg: „Waar is de prins en waar is het paleis, majoor Pendennis? Ik ben bereid Maar er bestaat tegenwoordig geen romantische zin, geen waarachtige genegenheid in de wereld meer!”

„Neen, inderdaad niet,” antwoordde de majoor met het meest sentimenteele en natuurlijke gezicht, dat hij trekken kon.

„Ofschoon ik er niets van weet,” vervolgde Blanche en sloeg de oogen neer, „dan hetgeen ik in romans gelezen heb.”

„Natuurlijk niet,” riep majoor Pendennis uit; „hoe zoudt gij dat ook weten, mijne lieve jonge dame? en de romans bevatten geen waarheid, gelijk gij zeer juist aanmerkt, en er bestaat niets romanesks meer in de wereld. Och, ware ik maar een jong heer, gelijk mijn neef!”

„En wat zijn de mannen, die wij elken avond op de bals zien?” ging jufvrouw Amory peinzend voort; „dansende officieren, geldelooze ambtenaren, – in één woord, dwazen! Als ik zoo rijk was als mijn broeder, zou ik een huishouding kunnen hebben gelijk gij mij voorspiegelt: maar wat heb ik met mijn naam en mijne geringe middelen te verwachten? Een dorpsdominé, of een advocaat in een straatje bij Russell Square, of een kapitein der dragonders, die gemeubileerde kamers voor mij zal nemen, en dronken en naar tabaksrook riekende, gelijk Sir Francis Clavering, van de officierstafel thuis zal komen. Op die manier zijn wij meisjes bestemd ons leven te eindigen. O, majoor Pendennis, Londen, en de bals, en de jonge dandy’s met de haarbosjes aan de kin, en de onbeschaamde groote dames, die ons den eenen dag wél en den anderen dag niet willen kennen, de heele wereld in één woord staat [51]mij tegen! Ik zou de gansche wereld willen vaarwelzeggen, om in een klooster te gaan, dat zou ik! Ik zal nooit iemand vinden, die mij begrijpt. En ik leef hier in mijne familie en in de wereld zoo eenzaam, alsof ik voor altijd in eene cel opgesloten was! Ik wenschte, dat hier Liefdadige Zusters waren en ik er kon opgenomen worden, dat ik eene besmettelijke ziekte kreeg en er aan stierf. Ik wenschte, dat ik de wereld uit was! Ik ben nog niet zeer oud; maar ik ben afgemat, want ik heb zooveel geleden! Ik ben zoo gedesillusioneerd – ik ben moe, ik ben moe. O, dat de Engel des Doods maar kwam en mij van hier riep!”

Men kan deze kleine redevoering als volgt vertolken. Weinig avonden geleden had eene groote dame, zekere Lady Flamingo, zich gehouden alsof zij jufvrouw Amory en Lady Clavering niet kende. Zij was buiten zich van ergernis, dat zij geen uitnoodiging tot het bal van Lady Drum kon krijgen; het was op het einde van het seizoen en niemand had haar zijn hart aangeboden; zij had volstrekt geen opzien gebaard, zij, die zooveel geestiger was dan alle andere meisjes van dat jaar en van de jonge dames, die haar bijzonderen kring uitmaakten. Dora, die maar vijf duizend pond had, Flora, die in het geheel niets bezat, en Leonora, die zich door rood haar onderscheidde, zouden gaan trouwen, en niemand was om Blanche Amory gekomen!

„Gij oordeelt zeer juist over de wereld en over uwe positie, lieve jufvrouw Amory,” zeide de majoor. „Gelijk gij wèl zegt, trouwt de prins tegenwoordig niet, tenzij de prinses een goeden stapel effecten bezit, of eene dame van zijn eigen rang is. De jongelui van groote familie trouwen in de groote familiën; bezitten zij geen fortuin, dan hebben zij toch elkanders hulp om in de wereld vooruit te komen, en dat is bijna evengoed. Een meisje met uw fortuin kan bezwaarlijk op een groot huwelijk rekenen; maar een meisje met uw genie en uw bewonderenswaardigen tact en beschaafde manieren kan, als zij een verstandig echtgenoot aan hare zijde heeft, elke plaats in de samenleving innemen. Wij zijn verbazend republikeinsch geworden. Het talent staat tegenwoordig op ééne lijn met rijkdom en geboorte; en een schrander man met eene schrandere vrouw kunnen zich in onze dagen op elk standpunt plaatsen, dat zij verkiezen.”

Jufvrouw Amory begreep natuurlijk in het allerminst niet, wat majoor Pendennis bedoelde. Misschien ging zij sommige omstandigheden in haar geest na en vroeg zij zich af, of hij een voorspraak voor een harer vroegere aanbidders kon zijn en wellicht het oog had op Pen? Neen, dat was onmogelijk. Hij was beleefd geweest maar niets meer. Derhalve vroeg zij lachend: „Wie is die schrandere man, en wanneer zult gij mij dien brengen, majoor Pendennis? Ik brand van verlangen, om hem te zien!”

Op dit oogenblik wierp een knecht de deur open en diende den heer Henry Foker aan; en op dien naam en op het gezicht van onzen vriend barstten de dame en de heer het van lachen uit.

„Dat is de man niet,” zeide majoor Pendennis. „Hij is met zijne nicht, de dochter van Lord Gravesend, geëngageerd! Vaarwel, lieve jufvrouw Amory.”

Werd Pen wereldsch, en zou een man geen ondervinding mogen opdoen en er zich op beroemen? „Wat hem betrof,” zeide hij, „gevoelde hij, dat hij zeer snel verouderde. Wat worden wij in deze stad vervormd en veranderd,” zeide hij eens tegen Warrington. Zij waren elk van hunne avondvermaken teruggekomen, en Pen zat zijne pijp te rooken [52]en, volgens zijne gewoonte, zijn opmerkingen en ervaringen van dien avond aan zijn vriend te vertellen. „Wat ben ik veranderd,” riep hij uit, „sedert ik die onnoozele knaap te Fairoaks was, die op het punt stond zijn hart te breken over zijn eerste liefde! Lady Mirabel had heden avond receptie en was zoo statig en bedaard als eene geboren hertogin, juist alsof zij in haar gansche leven geen valluik gezien had. Zij bewees mij de eer van een onderhoud en sprak op zeer beschermenden toon over Walter Lorraine.”

„Wat eene genadige goedheid!” merkte Warrington aan.

„Niet waar?” zeide Pen met de meeste onnoozelheid, waarop de ander, als naar gewoonte, weer in lachen uitbarstte. „Hoe is het mogelijk,” zeide Warrington, „dat iemand op het denkbeeld komt, den uitstekenden schrijver van Walter Lorraine beschermend te behandelen!”

„Gij steekt den draak met ons beiden,” zeide Pen, een weinig blozende, „daartoe zou ik zelf wel gekomen zijn. Zij vertelde mij, dat zij het boek niet gelezen had (ik voor mij geloof, dat zij nooit in haar leven een boek heeft gelezen), maar wel Lady Rockminster, en dat de hertogin van Connaught het zeer mooi vond. Ik antwoordde, dat ik nu zalig kon sterven, want dat het juist het hoofddoel mijns levens was geweest die beide dames te behagen, en dat ik, nu zij mij hare goedkeuring schonken, natuurlijk niet meer naar die van iemand anders behoefde uit te zien. Lady Mirabel keek mij plechtig met hare mooie oogen aan en zeide: „O zoo!” alsof zij mij begrepen had, en vroeg mij daarop, of ik op de Donderdags-receptien der hertogin kwam, en toen ik „neen” zeide, drukte zij de hoop uit mij daar te zien en verzekerde, dat ik ook moest trachten te komen, want dat daar iedereen kwam – iedereen, die in de groote wereld verkeerde. Vervolgens spraken wij over den nieuwen ambassadeur van Timboektoe, die zooveel beter was dan de vroegere; en dat Lady Mary Billington met een dominé, ver beneden haar rang, ging trouwen; en dat Lord en Lady Ringdove drie maanden na hun huwelijk in onmin waren geraakt over Tom Pouter van de Garde, Lady Ringdove’s neef – en meer van dien aard. Als ge de deftigheid van die vrouw gezien hadt, zoudt ge gedacht hebben, dat zij in een paleis geboren was en al haar leven op Belgrave Square had gewoond.”

„En ik denk, dat gij deel genomen hebt aan het gesprek als de afstammeling van den graaf uw vader en de erfgenaam van het kasteel Fairoaks?” zeide Warrington. „Ja, ik herinner mij het verslag te hebben gelezen van de feesten bij gelegenheid van uwe meerderjarigheid. De gravin gaf eene schitterende thee aan den adel uit den omtrek, en de boeren werden in de keuken op een schapebout en eene kruik bier onthaald. Het overschot der lekkernijen is aan de armen van het dorp uitgedeeld, en het parkhek was geïllumineerd totdat de oude Jan de kaars uitdeed om naar bed te gaan.”

„Mijne moeder is geen gravin,” antwoordde Pen, „ofschoon zij zeer goed bloed in de aderen heeft; en hoewel zij maar tot den burgerstand behoort, heb ik nooit eene groote dame ontmoet, die meer dan hare gelijke was, mijnheer George. Als gij een bezoek op het kasteel Fairoaks wilt afleggen, kunt gij zelf over haar oordeelen en over mijne nicht bovendien. Zij zijn niet zoo geestig als de Londensche vrouwen, maar zonder tegenspraak evengoed opgevoed. De gedachten van de vrouwen op het platteland loopen over andere onderwerpen dan die der Londensche dames. Op het land heeft eene vrouw haar huishouden en haar armen, hare lange kalme dagen en hare lange kalme avonden.” [53]

„Verduiveld lang,” zeide Warrington, „en veel te kalm. Ik heb er ondervinding van.”

„De eentonigheid van dat leven moet tot eene zekere hoogte iets melancholisch hebben – gelijk de wijs van een lang lied; en er moet een ernstige en liefelijke, eene droeve en teedere harmonie in gelegen zijn, anders zou het onuitstaanbaar wezen. De vrouwen op het land worden door haar eenzaamheid noodzakelijk zacht en sentimenteel. Daar zij een leven van kalme plichtsbetrachting, eenzelvige werkzaamheden en mystieke mijmering leiden, daar zij eene soort van nonnen zijn, aan wie vrijheid van beweging gelaten is, zou te veel vroolijkheid of gelach hare bijna heilige rust verstoren en daar even misplaatst zijn als in de kerk.”

„Waar men onder de preek indut,” zeide Warrington.

„Gij zijt een onverbeterlijk vrouwenhater, maar ik geloof, dat gij een hekel aan de schoone sekse hebt omdat gij haar zeer weinig kent,” vervolgde Pen op vrij verwaanden toon. „Als gij een afkeer van de vrouwen op het land hebt omdat zij zoo saai zijn, dan moeten de Londensche vrouwen u toch vlug genoeg wezen. Het leven gaat te Londen in een ontzaglijke vaart voorbij: ik verwonder mij hoe de menschen het uithouden, mannen en vrouwen! Neem eens eene dame van de wereld tot voorbeeld, en zie welk een leven zij gedurende het Londensche seizoen leidt. Men moet vragen hoe zij het kan uithouden, en of zij op het einde van Augustus niet in slaap valt, om met het voorjaar pas weer te ontwaken? Zij gaat elken avond op partijen en zit er bij, om hare huwbare dochters tot lang na het aanbreken van den dag te zien dansen. Waarschijnlijk heeft zij thuis de kinderkamer vol kleintjes, aan welke zij een goed voorbeeld moet geven en liefde betoonen; te gelijk moet zij haar oog laten gaan over boter en brood, den catechismus, de muziek en het Fransch, en zorgen dat er ten één ure een gebraden schapebout op de tafel staat; zij moet bezoeken bij dames van haar eigen rang afleggen, hetzij als een beleefdheidsvorm, hetzij in hare hoedanigheid van lid van liefdadige genootschappen, of balcommissiën, of commissiën voor de landverhuizing, of commissiën voor Queen’s College, en ik weet niet hoeveel andere plichten eener Britsche staatsvrouw zij nog vervult. Waarschijnlijk houdt zij er nog eene lijst van armenbezoek op na; of zij deelt met den dominé soep of kleedingstukken uit, of zorgt voor een doelmatig godsdienstig onderricht in hare wijk, en, als zij althans in zekere gedeelten der stad woont, gaat zij vermoedelijk naar de vroegpreek. Zij moet de couranten lezen en voor het minst weten wat de partij van haar man doet, om er met hare buren aan het diner over te kunnen spreken; en het staat vast, dat zij alle nieuwe boeken leest, die uitkomen; want zij weet over die alle te spreken, en dat wel zeer juist en goed, en men ziet ze ook alle op de tafel in haar salon liggen. Verder drukt op haar de zorg om het huishouden goed te besturen, om met het geld rond te komen; om de modistenrekeningen harer dochters zoodanig in te richten, dat zij den vader en betaalmeester der familie niet te ijzingwekkend voorkomen; om hier en daar heimelijk een klein buitengewoon postje van uitgaaf af te schaffen en het bedrag in de gedaante van een bankbiljet aan hare jongens op de hoogeschool of op zee te zenden; om de inhaligheid der leveranciers te keer te gaan en de geldelijke abuizen der huishoudster te herstellen; om de bedienden te beletten met elkander te kibbelen, – in één woord, om het geheele huis in orde te houden. Voeg hier nu bij, dat zij een heimelijken smaak voor de een of andere kunst of wetenschap koestert, dat zij in klei boetseert, scheikundige [54]proeven neemt, of in stilte op de violoncel speelt – en ik durf, zonder overdrijving, zeggen, dat vele Londensche dames iets dergelijks doen – dan hebt gij een tafereel voor u, waarvan onze voorouders nooit gehoord hebben, en dat uitsluitend aan onzen tijd en onzen trap van beschaving eigen is. Groote goden! wat leven en groeien wij snel! In negen maanden kweekt mijnheer Paxton een ananas zoo groot als een reiskoffer, terwijl er vroeger eene, niet grooter dan eene Hollandsche kaas, drie jaar noodig had om tot rijpheid te komen; en gelijk met het geslacht der ananassen, zoo gaat het met het geslacht der menschen. Hoiaper – wat is het Grieksche woord voor ananas, Warrington?”

„Houd op, om ’s hemels wil, houd met het Engelsch op en begin maar niet aan het Grieksch!” riep Warrington lachend uit. „Ik heb u nog nooit zulk eene lange rede hooren uitspreken, evenmin als ik wist, dat gij zoo diep in de vrouwelijke verborgenheden waart doorgedrongen. Wie heeft u dat alles geleerd, en in welke boudoirs en kinderkamers hebt gij rondgegluurd, terwijl ik hier op mijn stroozak mijne pijp lag te rooken en mijn boek te lezen?”

„Gij zit aan den oever ouwe jongen, en ziet het aan hoe de golven door den wind opgezweept worden en hoe anderen tegen het geweld der zee worstelen,” antwoordde Pen „Ik ben nu midden in den stroom, en, bij den hemel, het bevalt mij! Wat gaan wij pijlsnel met den vloed af, niet waar? sterken en zwakken, ouden en jongen, aarde potten en ijzeren potten het lieve kleine porseleinen bootje dobbert vroolijk voort tot de groote en zware koperen schuit er tegen aanvaart en het in den grond boort – eh, vogue la galère! – men ziet iemand in dien wedstrijd zinken en roept hem het vaarwel toe; maar zie, hij is slechts onder de beenen van een ander heengedoken en komt een heel eind verder weer boven en zwaait zijne riemen. Eh, voque la galère, zeg ik! Het is heel genoeglijk, Warrington, – niet enkel het winnen, maar zelfs het wedijveren.

„Welnu, ga voort en overwin, jongen! Ik zal hier blijven zitten en naar het spel kijken,” zeide Warrington, terwijl hij den vurigen jongeling met bijna vaderlijke ingenomenheid aanzag. „Een edel karakter speelt om het genoegen van het spel, een laag karakter om den inzet; en een oude pruik zit bedaard zijne pijp te rooken, terwijl Piet en Klaas om den prijs vechten.”

„Waarom treedt gij dan ook niet in den kring, George, en trekt de bokshandschoenen eens aan? Gij zijt er groot en sterk genoeg voor,” zeide Pen. „Beste ouwe jongen, gij kunt er tegen tien van mijn slag opwegen.”

„Gij zijt stellig zoo groot niet als Goliath,” hernam de ander met een forschen en toch welwillenden lach; „maar wat mij betreft, ik ben machteloos geworden. In mijn vroeger leven heb ik een noodlottigen slag ontvangen. Ik zal u dat wel eens, op een anderen tijd, verhalen. Gij kunt ook uw meester nog vinden. Wees maar niet te voorbarig of te vermetel, of te wereldsgezind, beste jongen.”

Werd Pendennis inderdaad wereldsgezind of keek hij maar eens in de wereld rond of deed hij allebei? en is het een mensch zoo erg euvel te duiden, dat hij, alles bijeengenomen, slechts mensch is? Wie is het verstandigst en vervult zijn plicht het best: hij, die verre van den strijd des levens staat en dien kalm aanziet, of hij die het perk binnentreedt en deel aan den strijd neemt? „Die wijsgeer,” zeide Pen, „die afgemat uit de wereld trad en verklaarde, dat alles ijdelheid was en kwelling des [55]geestes, had een aanzienlijke plaats onder de voorgangers van het menschdom bekleed en volop het aanzien, den rijkdom, den roem en het vermaak genoten, dat de wereld schenken kan. Menig godsdienstleeraar, dien wij eerbied toedragen, en die uit zijn rijtuig de rijk gebeeldhouwde hoofdkerk binnentreedt, zwaait zijne linnen manchetten over het fluweelen kussen heen en roept uit, dat die gansche strijd vervloekt is en dat al de werken der wereld boos zijn. Menig dweeper, wiens geweten hem kwelt, ontvliedt haar geheel en al, binnen wezenlijke of denkbeeldige kloostermuren, uit welke hij alleen kan omhoog zien naar de lucht en den hemel beschouwen, buiten welke geen rust en niets goeds bestaat.

„Maar de aarde, op welke onze voeten rusten, is het werk van dezelfde macht, die daar ginds het onpeilbare blauw geschapen heeft, in hetwelk de toekomst ligt, waarin wij met onzen blik zouden willen doordringen. Hij, die den arbeid tot voorwaarde des levens stelde, beschikte ook vermoeienis, ziekte, armoede, tegenspoed, voorspoed, – beschikte aan dezen man de eerste plaats en aan den anderen een strijd, in stilte gestreden, met den grooten hoop der menschen, – beschikte aan genen een smadelijken val of eene verlamming der ledematen, of onverwacht onheil, – aan iedereen eenig werk op den grond, dien hij betreedt, tot hij in den schoot daarvan wordt neergelegd.”

Terwijl zij aldus spraken, begon de dageraad door de vensters te schijnen, die Pen openwierp, om de frissche morgenlucht binnen te laten. „Kijk, George,” zeide hij, „daar rijst de zon op; zij ziet den boer naar het veld gaan; de naaister hare rampzalige naald hanteeren; den rechtsgeleerde misschien aan zijn lessenaar zitten; de schoone op haar donzen kussen slapen; of den uitgeputten losbol naar bed waggelen; of den koortslijder er op rondwoelen; of den dokter de smarten der moeder gadeslaan wegens het kind, dat geboren zal worden om zijn deel te nemen aan het lijden en strijden, het weenen en lachen, de misdaad, de wroeging, de liefde, de dwaasheid, de smart en de rust.”