[Inhoud]

ZES EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

De dansers van jufvrouw Amory.

De edele Henry Foker, dien wij een tijdlang uit het oog verloren hebben, heeft zich intusschen, gelijk wij ook van een man van zijne standvastigheid verwachten mochten, bezig gehouden met het aankweeken van en het toegeven aan zijn alles verslindenden hartstocht, de liefde.

Ik wenschte, dat eenige mijner jeugdige lezers, die tot deze uitspanning overhellen, de moeite wilden nemen eens uit te rekenen hoeveel tijd daaraan verspild wordt. Zij zouden dan bevinden, dat het een der kostbaarste tijdverdrijven is, waarmee men zich kan bezig houden. Hoeveel brengt gij niet, jonge heeren en jonge dames met onrustige harten, daaraan inderdaad ten offer! In de eerste plaats veel uren van uw kostbaren slaap, waarin gij ligt te woelen en te denken aan het beminde voorwerp; daarop komt gij laat aan het ontbijt, als de morgen reeds half voorbij is en al de leden van het gezin sinds lang aan hunne dagelijksche bezigheden zijn gegaan. Als gij dan eindelijk zelf aan de uwe gaat, wijdt gij er geen zorg aan en werkt gij zonder lust, want al uwe [56]gedachten en geestvermogens zijn elders bezig. Is het dagwerk eindelijk slordig afgedaan, dan verwaarloost gij uwe vrienden en familie, uwe dagelijksche makkers en uwe gewone levensgezellen, om een blik te kunnen werpen op uwe geliefde, of op te zien naar hare vensters, of naar haar rijtuig in het park te gluren. Des avonds vervelen u de eenvoudige genoegens van den huiselijken kring; mama’s gesprekken vallen u koud op het lijf; de gerechten, welke die goede ziel voor het diner van haar lieveling heeft gereed gemaakt, worden weggenomen zonder dat gij er van geproefd hebt – kortom, het gansche feestmaal des levens is smakeloos, met uitzondering van één enkelen plat. Het leven, de bezigheden, de familiebanden, de huiselijke haard, al wat eenmaal nuttig en aangenaam was, wordt onuitstaanbaar, en gij zijt nooit op uw gemak dan wanneer gij het voorwerp uwer liefde najaagt.

Ik geloof, dat deze gemoedsstemming bij verliefde jonge heeren niet zeldzaam is, en het was dan ook de toestand van mijnheer Henry Foker, die van jongs af had kunnen toegeven aan al wat hij begeerde en zich nu ook met zijne gewone zelfzucht aan deze inspraak overgaf. Mannen van de wereld behoeven zich niet te verwonderen, dat mijnheer Foker, hoewel hij zijn vriend Arthur Pendennis bij eene vroegere gelegenheid zeer veel goeden raad gegeven had, nu zelf, op zijne beurt, de slaaf van zijn harstocht werd. Wie onzer heeft niet overvloed van den allerbesten raad aan zijne vrienden gegeven? Wie heeft niet gepreekt, en wie heeft naar zijn eigene leer gehandeld? Gij, mevrouw, zijt ontegenzeglijk een volmaakt wezen en hebt in den ganschen loop van uw koel en onberispelijk leven nooit eene verkeerde gedachte gekoesterd; of gij, mijnheer, zijt veel te krachtig van geest, om door een dwazen hartstocht uw kalm overleg op uw kantoor te laten storen, of u van het bezoek op de beurs te laten afhouden; gij zijt zoo sterk, dat gij geen sympathie noodig hebt. Wij zullen u die dan ook niet schenken, maar de onze voor de nederigen en zwakken bewaren, die strijden en struikelen en weer opstaan en met den stroom van ons stervelingen medegaan. Waartoe zoudt gij, die nooit valt, eene helpende hand behoeven? Uwe vlekkelooze deugd wordt nooit door hartstocht overschaduwd, door verzoeking verontreinigd, door berouw verduisterd; voor zulk een engel zou meewarigheid eene beleediging zijn; maar het gezelschap van zoo iemand wordt onuitstaanbaar; juist ten gevolge van de verhevenheid uwer deugd en de voortreffelijkheid uwer hoedanigheden moet gij noodzakelijk eenzaam blijven; wij kunnen ons niet hoog genoeg verheffen, om met zulke potentaten gemeenzaam te spreken. Vaarwel dus; onze weg voert ons bij nederige menschen en niet bij doorluchtige hoogheden zooals gij; en wij moeten waarschuwen, dat er in deze geschiedenis geen volmaakte personen voorkomen, behalve misschien één enkele, en die is nog niet volmaakt, want nog tot den huidigen dag weet zij het zelve niet, zoodat zij zich met eene beklagenswaardige zelfmiskenning en verkeerde nederigheid voor eene zoo groote zondares houdt als er wel bestaan kan.

Dit jonge meisje bevindt zich in het tijdperk van ons verhaal niet te Londen, en het is geenszins om haars gelijke dat het gemoed van mijnheer Henry Foker in onrust verkeert. Maar wat hinderen eenige weinige gebreken? Behoeven wij engelen of engelinnen te zijn, om als zoodanig vereerd te worden? Laten wij de verscheidenheid van den smaak onder het menschdom bewonderen; de oudste, de leelijkste, de domste en de stijfste, de flauwste en de oppervlakkigste, de grootste misdadiger, tiran, domkop, Blauwbaard, Catharina Hayes, of George Barnwell onder ons, [57]behoeft niet te wanhopen. Ik heb een verhaal gelezen van de liefde, die een gedeporteerde zakkenroller voor eene vrouwelijke veroordeelde had opgevat (beiden waren bejaard, afzichtelijk van voorkomen, onwetend, twistziek en aan den drank verslaafd), eene liefde van even grootschen aard als die van Cleopatra en Antonius, of Lancelot en Ginevra. De hartstocht, dien graaf Borulawski, de Poolsche dwerg, in den boezem der schoonste baronnes aan het hof te Dresden deed ontbranden, is ons allen bekend, evenals de vlam, die nog pas onlangs het hart van den jongen luitenant Tozer verteerde en hem mevrouw Battersby, die oud genoeg was om zijne mama te zijn, deed schaken en trouwen. Al die gevallen worden ons in de bladzijden der geschiedenis, of in de kolommen der nieuwsbladen medegedeeld. Moeten wij ons schamen of verblijden bij de gedachte, dat ons hart aldus geschapen is, dat de grootste en hoogst geplaatste Ajax in ons midden op zekeren dag knielen kan voor de houten klompen zijner keukenmeid; en dat er geen armoede, of schande of misdaad bestaat, die niet getorscht, zelfs met verrukking aangegrepen en inniger dan de deugd bemind kan worden door de hardnekkige getrouwheid en de bewonderenswaardige en standhoudende dwaasheid eener vrouw?

De weledelgeboren heer Henry Foker zuchtte dus naar zijne geliefde, en verwenschte het noodlot, dat hem van haar gescheiden hield. Toen Lord Gravesend met zijn gezin naar zijn buitenverblijf vertrokken was (nadat Mylord zijne volmacht, om in het Hoogerhuis voor hem te stemmen, aan den achtbaren Lord Bagwig had ter hand gesteld), bleef Henry zich te Londen ophouden, zekerlijk niet tot verdriet van Lady Anna, met wie hij verloofd was en die hem in het minst niet miste. Waar jufvrouw Amory heenging, bleef deze verdwaasde jonkman haar volgen en daar hij wist, dat zijn engagement met zijne nicht in de wereld bekend was, zag hij zich genoodzaakt een geheim van zijne liefde te maken en deze in zijn eigen borst op te sluiten, zoodat zij daar ingeperst en neergedrukt werd, en het wonder is, dat hij niet op den een of anderen dag door de uitzetting van dat geheim barstte en na die ontploffing dood ineenzakte.

Er was op zekeren schoonen Juni-avond eene groote partij op Gaunt House geweest en de bladen behelsden den volgenden dag bijna twee geheel uiterst compres gedrukte kolommen met de namen der adellijke en aanzienlijke personen, die met uitnoodigingen tot het bal vereerd waren geworden: Onder die gasten werden ook Sir Francis en Lady Clavering en mejufvrouw Amory vermeld, voor welke de onvermoeibare majoor Pendennis eene uitnoodiging had weten te verkrijgen, en onze jonge vrienden Arthur en Henry. Elk van beiden zette zijn beste voetje voor en danste heel veel met Blanche. De waardige majoor zelf nam de zorg van Lady Clavering op zich en geleidde haar naar die zaal, waar mylady zich inzonderheid kon onderscheiden, namelijk de ververschingszaal, waar den ganschen avond gesoupeerd werd, te midden van schilderijen van Titiaan en Giorgione, vorstelijke portretten van van Dyck en Reynolds, ontzaglijk groote gouden en zilveren vaatwerken, pyramiden van groote bloemen, en zonnestelsels van waskaarsen – alles, in één woord, op een voet, die bewees dat er niet naar de kosten gevraagd was. Het past ons niet te zeggen hoeveel crêmes, geleien, saladen, perziken, bouillons, druiven, patés, galantines, kopjes thee, glazen champagne en andere ververschingen Lady Clavering gebruikte. Hoeveel de majoor leed terwijl hij de eerzame dame volgde en de statige bedienden en de dienstmeisjes riep en met bewonderenswaardig geduld in Lady [58]Clavering’s verschillende behoeften voorzag, dit weet niemand, want hij is er nooit voor uitgekomen. Hij zorgde, dat zijne zielesmart zich in het minst niet op zijn gelaat afspiegelde, en bracht met onvermoeide voorkomendheid het eene bord na het ander aan de begum.

Mijnheer Wagg telde al de gerechten, waarvan Lady Clavering gebruikte, zoolang hij tellen kon (maar daar hij zelf in den loop van den avond zeer ruim van den champagne gebruik maakte, kon men zich tegen het einde der partij niet meer op zijne rekenkundige bekwaamheden verlaten), en hij drukte Honeyman, Lady Steyne’s dokter, ernstig op het hart toch goed op de begum te letten en den volgenden dag naar den welstand van mylady te gaan informeeren.

Ook Sir Francis Clavering vertoonde zich en slenterde eenigen tijd door de prachtige zalen maar daar het gezelschap en de weelde, welke den baronet omringden, niet naar zijn smaak waren, verliet hij Gaunt House, na aan het buffet een paar bierglazen wijn naar binnen gezonden te hebben, en begaf zich naar de welbekende groene tafel in de nabuurheid van Jermyn Street, waar zijne vrienden Loder, Punter, de kleine Moss Abrams en kapitein Skewball vergaderd waren. Onder het ratelen van de dobbelsteenen en bij hun aangenaam onderhoud verhief zich Clavering’s geest tot zijne gewone hoogte van fletsche vroolijkheid.

Op een gegeven oogenblik kwam mijnheer Pynsent, die jufvrouw Amory ten dans genoodigd had, naar haar toe, om hare hand te vragen; doch er waren barsche blikken van herkenning tusschen hem en mijnheer Arthur Pendennis in de danszaal gewisseld, en plotseling stond dus Arthur op en liet zijn aanspraak op jufvrouw Amory voor dezen dans gelden, waarop mijnheer Pynsent, zich op de lippen bijtende en nog stuurscher kijkende, met eene diepe buiging terugtrad en zeide, dat hij van zijn aanspraak afzag. Er zijn sommige menschen, die ons in het leven altijd in den weg staan. Pynsent en Pen koesterden deze meening van elkander en beschouwden elkander dan ook met daaraan beantwoordende gevoelens.

„Wat is dat een verwenschte, verwaande gek van een plattelandsjonker,” dacht de een. „Zijn hoofd is op hol, omdat hij een prulroman geschreven heeft, en een ferm pak slaag zou goed zijn voor zijn opgeblazenheid.”

„Wat is die man een onbeschofte domoor,” merkte de ander tot zijne danseres op. „Zijne ziel huist alleen in zijne ministerieele bureaux; zijne das is papier; zijn haar is zand, linialen zijne beenen; van binnen bestaat hij uit zegelkoord en lak; hij was reeds in zijne wieg een kwast; sinds zijne geboorte heeft hij nog nooit gelachen, behalve driemaal om een en dezelfde aardigheid van zijn chef. Ik houd evenveel van dien man, jufvrouw Amory, als van koud kalfsvleesch.” En daarop maakte Blanche natuurlijk de aanmerking, dat Pen heel ondeugend, méchant, onuitstaanbaar was, en dat zij wel eens zou willen weten wat hij van haar zeide, als zij zich had omgekeerd!

„Wat anders dan dat gij het liefste figuurtje en het dunste middeltje van de gansche wereld bezit, Blanche – ik wil zeggen jufvrouw Amory. Ik vraag u wel verschooning. Nog een tour, wat ik u bidden mag; deze muziek zou een dominé doen dansen.”

„En valt gij nu niet meer, als gij walst?” vroeg Blanche, hem schalks in het gelaat ziende.

„In het leven valt men en staat men weer op, Blanche (gij weet, dat ik u vroeger altijd zoo noemde en het is de liefste naam ter wereld); bovendien heb ik mij sedert nog geoefend.”

„En waarschijnlijk wel met een groot aantal dames?” zeide Blanche [59]met een gemaakt zuchtje, terwijl zij de schouders ophaalde. En inderdaad had mijnheer Pen zich op die wijze veel geoefend in dit leven en was het hem zonder twijfel gelukt beter te leeren dansen.

Was Pendennis meer dan vrijmoedig in zijn spreken, Foker daarentegen, die bij de meeste gelegenheden zoozeer op zijn gemak was en zoo spraakzaam, verstomde en werd melancholisch, als hij met jufvrouw Amory danste. Haar tengere gestalte te mogen omvatten was zaligheid; met haar door de zaal te draaien was zinsverbijsterend; maar tegen haar te spreken! wat kon hij zeggen, dat haar waardig was? Welke parel van conversatie kon hij aanbieden, geschikt om door zulk eene vorstin der liefde en der geestigheid als Blanche te worden aangenomen? Zij was het, die het gesprek voerde, wanneer zij zich in het gezelschap van dezen smoorlijk verliefden danseur bevond. Zij was het, die hem vroeg, hoe het met dat lieve hitje ging, en hem met zulk eene teedere lieftalligheid en droefgeestigheid aanzag en bedankte, toen zij het lieve hitje, dat hij haar ten geschenke aanbood, met zulk een aandoenlijk zuchtje weigerde. „Ik heb niemand, met wien ik in Londen kan rijden,” sprak zij. „Mama is bang en heeft ook te paard geen heel mooi figuur. Sir Francis gaat nooit met mij uit. Hij heeft mij lief als – men eene stiefdochter liefheeft. O, wat moet het heerlijk, zijn een vader te bezitten – een vader, mijnheer Foker!”

„O, overheerlijk,” zeide mijnheer Henry, die dezen zegen met groote kalmte genoot, waarop Blanche, het sentimenteel air vergetende, dat zij pas een oogenblik te voren aangenomen had, met hare grijze oogen Foker zoo schalks aanzag, dat beiden het uitschaterden en Henry, nu geheel verrukt en op zijn gemak, haar met allerlei onschuldige praatjes begon te onderhouden – van die goede en eenvoudige Fokerspraatjes, gekruid met een aantal uitdrukkingen, die men in geen woordenboek vinden zal, en betrekkelijk zijn eigen geschiedenis of die zijner paarden of andere zaken, die hem lief of gewichtig waren, of over de personen in de balzaal, die voorbijgingen en over wier voorkomen en karakter mijnheer Henry zich met ongekunstelde vrijmoedigheid en zeer humoristisch uitliet.

En het was Blanche, die, zoodra het gesprek verflauwde en de bedeesdheid van den jonkman terugkeerde en hem overweldigde, de levendigheid van haar metgezel weer wist op te wekken, en hem ondervroeg over Logwood, en of het eene mooie plaats was, – of hij een jager was, en of hij er van hield, dat vrouwen aan de jacht deelnamen? (in welk geval zij gereed stond te verklaren, dat zij er dol op was). Doch daar mijnheer Foker zich tegen de deelneming van vrouwen aan die uitspanningen verklaarde, en Lady Bullfinch, die hen juist voorbijging, uitlachte als eene paardenliefhebster, die hij had zien jagen met eene sigaar in den mond, verklaarde Blanche ook, dat zij alle veldvermaken verfoeide en dat zij rilde bij de gedachte aan het vermoorden van zoo’n lief, aardig vosje, waarop Foker begon te lachen en met nieuwe kracht en bevalligheid voortwalste.

En bij het einde van de wals – de laatste wals van dien avond – vroeg Blanche hem naar Drummington en wilde weten of het een mooi huis was? Zij had gehoord, dat zijne nichten zeer knap waren; Lord Erith had zij reeds ontmoet, maar van wie zijner nichten hield hij nu het meest? Was het niet Lady Anna? Ja, zij was er zeker van; zij zag het aan zijn oogen en aan zijn blozen. Zij was moe van het dansen; het was heel laat; zij moest nu naar mama gaan; – en zonder een enkel woord verder sprong zij weg van Henry Foker’s arm, greep [60]dien van Pen, die door de balzaal drentelde, en riep andermaal: „Mama, mama! – breng mij naar mama, lieve mijnheer Pendennis!” terwijl zij, op de wijze der Parthen, Henry nog met een laatsten pijl doorboorde, als zij voor hem vluchtte.

Mylord Steyne, met zijn Kouseband en het lint dier orde, met een kaal hoofd, glinsterende oogen, en een krans van roode bakkebaarden rondom zijn gelaat, zag er bij plechtige gelegenheden altijd zeer deftig uit en maakte diepen indruk op Lady Clavering, toen hij zich op verzoek van den dienstvaardigen majoor Pendennis aan haar voorstelde. Met zijn eigen blanke en vorstelijke hand bracht hij mylady een glas wijn, zeide, dat hij van hare bekoorlijke dochter gehoord had, aan wie hij verzocht voorgesteld te mogen worden, en op dit zelfde oogenblik kwam juist mijnheer Arthur Pendennis met die jonge dame aan zijn arm bij het gezelschap.

De pair maakte eene diepe buiging en Blanche van haar kant de diepste nijging, die men ooit had gezien. Zijne lordschap reikte aan mijnheer Arthur Pendennis de hand, zeide, dat hij zijn boek gelezen had, hetwelk zeer talentvol maar ondeugend was, en vroeg aan jufvrouw Blanche of zij het gelezen had, waarbij Pen bloosde en niet op zijn gemak was, want, – Blanche was eene der heldinnen van den roman. Blanche met zwarte lokken en een weinig veranderd, was de Neæra van Walter Lorraine.

Blanche had het boek gelezen, en de taal der oogen gaf te kennen hoezeer het haar met bewondering en verrukking vervuld had. Nadat deze kleine vertooning was afgespeeld, maakte de markies van Steyne weer twee diepe buigingen voor Lady Clavering er hare dochter, en begaf zich naar andere gasten op zijne prachtige partij.

Mama en hare dochter waren onuitputtelijk in haar lof van den edelen markies, zoodra hij haar den breeden rug had toegekeerd. „Hij zeide, dat zij een heel aardig paartje zouden zijn,” fluisterde de majoor aan Lady Clavering toe. – Heeft hij dat wezenlijk gezegd? Mama geloofde ook, dat zij het zijn zouden; mama was zoo opgetogen over de eer, die haar pas weervaren was, en over andere verblijdende gebeurtenissen van dezen avond, dat haar opgeruimdheid geen grenzen kende. Zij lachte en wenkte en knikte Pen veelbeteekenend toe; zij tikte hem en Blanche en den majoor met den waaier op den arm; haar genoegen was buitensporig en hare manier om hare blijdschap aan den dag te leggen was zeer luidruchtig.

Toen het gezelschap de groote trap van Gaunt House afging, was het morgenlicht reeds helder en duidelijk boven de donkerkleurige boomen van het plein opgegaan; de hemel was met een purpergloed getint en de wangen van eenige bezoekers van het bal – o, wat zagen die er spookachtig uit! Vooral die bewonderenswaardige en trouwe majoor, die zich uren lang aan Lady Clavering’s zijde opgehouden, die haar bediend en hare maag gevuld had met al wat lekker was en haar oor met al wat zoet en vleiend klonk, – o, wat zag hij er uit! De kringen rondom zijn oogen hadden de kleur van de straatsteenen; die oogen zelve geleken op de kievitseieren, welke Lady Clavering en Blanche gegeten hadden; de rimpels van zijn verouderd gelaat waren diepe voren geworden; en zilverkleurige stoppels glinsterden als een onfrissche morgendauw aan zijne kin en naast zijne geverfde bakkebaarden, die thans slap neerhingen en uit de krul waren.

Daar stond hij als een toonbeeld van lijdzaamheid, onderworpen en zonder eene klacht te uiten, in stomme zielesmart; bewust, dat de menschen [61]zien konden in welken toestand zijn gezicht verkeerde (want hij zag het immers zelf aan anderen van zijn eigen leeftijd, zoo mannen als vrouwen?) sinds uren smachtende om zich ter ruste te begeven; overtuigd, dat het avondeten hem bezwaarde, en toch een weinig mee gegeten hebbende, om zijne vriendin, Lady Clavering, te behagen; daar stond hij met nepen van de rheumatiek in zijn rug en zijne knieën, met afgematte voeten, die in zijne verlakte laarzen gloeiden, – zoo vermoeid, o zoo vermoeid en naar bed verlangende! Indien een man die met tegenspoed te kampen heeft en dezen moedig overwint, een schouwspel is, de goden waardig, dan moet de Macht, in wier tempels de oude majoor een trouw aanbidder was, met welgevallen op de standvastigheid waarmee Pendennis zijn martelaarschap verduurde, hebben neergezien. Er lijden er voor die zaak, gelijk voor zoo menig andere; de negers, die aan Mumbo Jumbo hunne hulde brengen, tatoueeren zich en pijnigen zich met gloeiende braadspitten, en leggen daarbij de grootste zielskracht aan den dag; en zoo lezen wij, dat de priesters van den Baälsdienst zich zelven onversaagd verwondden en hun bloed lieten stroomen. Gij die in staat zijt de afgoden te verbrijzelen, doet het met onversaagden moed; maar valt de afgodendienaars niet te hard, want zij bewijzen eer aan het hoogste wezen, dat zij kennen.

De beide Pendennis’en, de oude en de jonge, hielden Lady Clavering en hare dochter gezelschap tot haar rijtuig afgeroepen werd, en toen nam de marteling van den oude een einde, want de goedhartige begum wilde hem tot aan zijn huis in Bury Street brengen. Wellevend tot het einde toe en vast besloten zijn plicht te vervullen, nam hij na een paar flauwe buigingen en behoorlijke dankbetuiging eene plaats op de achterbank in. De begum wuifde met haar dik handje een afscheid aan Arthur en Foker toe, en Blanche vereerde de jonge heeren met een kwijnend lachje, en vroeg zich intusschen af, of zij er niet zeer bleek en groen onder hare rozenkleurige kap uitzag en of zij alleen in de spiegels van Gaunt House dan wel door de vermoeienis en het branden van haar oogen zulk een bleek voorkomen had.

Arthur zag waarschijnlijk zeer goed, dat Blanche zoo geel was, maar schreef die ongewone tint niet aan de spiegels noch aan een gebrek in zijn eigen oogen of de hare toe. Onze jeugdige man van de wereld kon zeer scherp kijken en zag dus Blanche’s gelaat vrij wel zoo als de natuur het gemaakt had. Maar voor den armen Foker bezat het een luister, die hem verbijsterde en verblindde; hij kon er evenmin gebreken in bespeuren als in de zon, die nu boven de toppen der huizen begon te schitteren.

De zedemeester zal bemerken, dat Pen, onder andere slechte Londensche gewoonten, die hij had aangenomen, ook begonnen was zich te gewennen aan laat opblijven, en zeer dikwijls te bed ging op een uur, waarop eerzame landbewoners zich gereedmaakten om op te staan. Men kan zich evengoed aan het een als aan het ander uur gewennen. Dagbladredacteurs, bezoekers van de Covent Garden markt, koetsiers en houdsters van koffiestalletjes, schoorsteenvegers en voorname heeren en dames, die op bals gaan, zijn dikwijls ten drie of vier ure des morgens, als gewone stervelingen liggen te snorken, de levendigheid zelve. In ons vorig hoofdstuk hebben wij doen zien, dat Pen op dien tijd nog wakker van geest was, en gaarne op zijn gemak eene sigaar rookte en zijn hart ontlastte.

Foker en Pen verlieten dus Gaunt House onder het genot van de beide genoemde vermaken, of liever Pen sprak, en Foker zag er uit [62]alsof hij iets wilde zeggen. Pen hing den spotter en den dandy uit, als hij in het gezelschap van voorname lui was geweest; onwillekeurig bootste hij hunne eigenaardigheden en manieren na, en daar hij eene zeer levendige verbeeldingskracht bezat, hield hij zich zeer licht, hoewel ten onrechte, voor een persoon van gewicht Zoo snaterde hij voort en haalde nu dezen, dan genen over den hekel; hij smaalde op Lady John Turnbull’s slecht Fransch, waarmee die dame alle gesprekken doorspekte in weerwil van ieders spotlach, op de opzichtige kleeding en de valsche juweelen van mevrouw Slack Roper; op de oude en de jonge dandy’s, – kortom, wie was er, om wien hij niet spotte en lachte?

„Gij gaat iedereen te lijf, Pen; – men zou bang van u worden,” zeide Foker. „Gij hebt nu Blandel’s gele pruik en Colchicum’s zwarte pruik beetgehad; waarom slaat gij de hand niet eens aan eene bruine? ge weet wel wiens pruik ik meen. Zij heeft in Lady Clavering’s rijtuig plaats genomen.”

„Onder mijn ooms hoed? Mijn oom is een martelaar, Foker, beste jongen. Hij heeft den ganschen avond pijnlijke plichten vervuld. Hij gaat gaarne vroeg naar bed. Als hij laat opblijft en een souper gebruikt, krijgt hij vreeselijke hoofdpijn. Hij heeft altijd een aanval van de jicht te wachten als hij op een bal veel loopt of staat. Nu is hij laat opgebleven en heeft lang gestaan en gesoupeerd. Thuis wacht hem nu de jicht en de hoofdpijn, en dat om mijnentwil. Zou ik dan met den ouden heer den draak steken? Neen, om geen geld ter wereld!”

„Hoe bedoelt gij, dat hij dit om uwentwil gedaan heeft?” vroeg Foker, eenigszins met een onthutst gelaat.

„Vriendje, kunt gij een geheim bewaren als ik er u deelgenoot van maak?” riep Pen zeer opgewonden. „Zijt gij bescheiden? Wilt gij zweren? Zult gij zwijgen, of wèl klappen? Wilt gij zwijgen en hooren, of spreken en sterven?” En met die woorden nam hij een overdreven theatrale houding aan, tot verwondering der huurkoetsiers in Piccadilly, die over de vreemde manieren der beide jonge heeren grijnsden.

„Waar wilt gij voor den drommel naar toe?” vroeg Foker en begon er zeer ongerust uit te zien.

Pen bemerkte echter niet veel van zijn ontroering, maar ging op dezelfde luchtige en opgewonden wijze voort. „Henry, vriend mijner jeugd en getuige mijner vroegere dwaasheden,” riep hij uit, „ofschoon gij suf waart bij uwe boeken, ontbreekt het u echter niet geheel aan gezond verstand, – neen, bloos niet, Henrico, gij bezit een goed deel daarvan, en van moed en welwillendheid ook, om uwe vrienden van dienst te zijn. Als ik in armoede zat, zou ik de toevlucht nemen tot mijn Foker’s beurs. Leed ik onder droefenis, ik zou mijne smart ontlasten in zijn meewarigen boezem –”

„Allemaal gekheid, Pen, – ter zake!” riep Foker.

„Ik zou die ontlasten, Henrico, op uwe hemdsknoopjes en op dat linnen, dat door schoone handen gewerkt is, om uwe dappere borst te versieren! Weet, dan, vriend mijner kindsche dagen, dat Arthur Pendennis, van den Upper Temple, student in de rechten, gevoelt dat hij eenzaam begint te worden en dat de grijze Zorg zijne slapen doorploegt en de Kaalheid zijne kruin bezoekt. Willen wij even een kopje koffie aan dit stalletje gebruiken? ze ziet er warm en lekker uit. Kijk eens hoe die koetsier in zijn schoteltje blaast. Wilt gij niet? Dan ga ik weer met mijn verhaal voort, aristocraat! Ik begin op den levensweg te vorderen; ik bezit drommels weinig geld en heb wat noodig. Ik ben dus voornemens mij daarvan wat te verschaffen en een huishouden [63]op te richten. Daar denk ik ernstig over. Ik denk aan trouwen, ouwe jongen! Ik wil een deftig man worden, zoo’n man van port en sherry, geacht in mijne wijk en met een stil huishoudentje van twee meiden en een knecht, en nu en dan eens een rijtuigje om met mevrouw Pendennis uit rijden te gaan, en een huis in de nabijheid der Parken, ten gemakke van de kinderen. Wat zegt gij daarvan? Geef antwoord aan uw vriend, gij eerzaam zoon des biers! Spreek! ik bezweer u bij al uwe vaten!”

„Maar gij hebt geen geld, Pen,” zeide de ander, nog altijd met een ongerusten blik.

„Neen, dat is waar; maar zij heeft het. Ik zeg u, dat mij goud beschoren is – niet wat gij geld noemt, gij die in den schoot der weelde zijt groot gebracht en gewiegd in het graan, en die uit duizend brouwketels schatten inslurpt. Wat weet gij van geld! Wat voor u armoede zou zijn, is rijkdom voor den geharden zoon van den geringen apotheker. Gij kunt niet leven zonder een huishouden op grooten voet en uwe huizen buiten en in de stad. Een lief huisje ergens in den omtrek van Belgravia, een rijtuigje voor mijne vrouw, eene fatsoenlijke keukenmeid en soms eene fijne flesch voor mijne vrienden, – ziedaar de kleine behoeften, waarmee ik mij tevreden stel, Foker.” En nu begon Pendennis ernstiger te zien, en zonder verdere grappen te maken, vervolgde hij: „Ik denk er bepaald over, mij te vestigen en te trouwen. Niemand kan in de wereld vooruitkomen, zonder wat geld tot ruggesteun. Men moet een zekeren inzet bezitten om mee te beginnen, eer men aan het groote spel deel kan nemen. Wie weet, wat ik nog onderneem, ouwe jongen! Slechter menschen dan ik ben hebben bij dat spel gewonnen. En daar ik niet genoeg geld van mijne vaderen geërfd heb, moet ik wat door mijne vrouw zien te krijgen, – ziedaar de zaak.”

Terwijl zij spraken, of liever terwijl het Pen was, die in de zelfzuchtige volheid van zijn hart sprak, stapten zij Grosvenor Street door, en Pen moet het te druk met zijn eigen zaken hebben gehad, om den angst en de ontroering van zijn metgezel op te merken, want hij vervolgde: „Wij beiden zijn geen kinderen meer, Henry Bah! onze romaneske tijd is voorbij. Wij trouwen niet uit liefde, maar uit voorzorg en om ons te vestigen. Waarom neemt gij uwe nicht? Omdat zij een aardig meisje en de dochter van een graaf is, en de oude lui het gaarne zien en zoo meer.

„En gij, Pendennis,” vroeg Foker, „houdt gij niet heel veel van het meisje – dat gij gaat trouwen?”

Comme ça,” zeide Pen, de schouders ophalende; „ik houd vrij veel van haar. Zij is mooi genoeg en knap genoeg. Ik geloof, dat ik met haar tevreden mag zijn. En zij heeft ook geld genoeg – dat is het voornaamste. Kom, gij weet wel wie het is, niet waar? Op zekeren avond toen wij bij hare mama dineerden dacht ik, dat gij zelf een goed oogje op haar hadt. Het is de kleine Amory.”

„Dat – dat dacht ik wel,” zeide Foker; „en heeft zij uwe hand aangenomen?”

„Nog niet bepaald,” gaf Arthur ten antwoord met een lachje van zelfbehagen, hetgeen scheen te beteekenen: ik heb haar maar voor het vragen, en dan valt zij mij dadelijk in de armen.

„Beste Fo! wat deert u? Zijt ge niet wel?” riep Pen met ernstige ongerustheid uit.

„Gij denkt, dat het van de champagne op Gaunt House is, niet waar?” zeide Foker. „Maar dat is het niet. Kom binnen en hoor mij een [64]oogenblik aan, dan zal ik het u vertellen. Voor den duivel, ik moet mijn hart aan iemand uitstorten!”

Op dit oogenblik waren zij aan mijnheer Foker’s deur. Henry opende die en trad met zijn vriend zijne vertrekken binnen, die in het achtergedeelte van het huis lagen, achter de eetzaal, waar de oude Foker, omringd van de portretten van hem zelven, zijne vrouw, zijn zoon als kind, op een ezel, en den vorigen graaf van Gravesend in zijn pairscostuum, gewoon was zijne gasten te ontvangen. Foker en Pen gingen deze zaal voorbij, die thans door hare gesloten luiken een doodsch voorkomen had, en betraden het eigen vertrek van den jongen man. In die kamer speelden de eerste zonnestralen en verlichtten de galerij van dansende meisjes en opera-nimfen met flikkerenden glans.

„Hoor eens, Pen! Ik moet het u vertellen,” sprak hij. „Juist sedert den avond toen wij daar gedineerd hebben, ben ik zoo verliefd op dat meisje, dat ik geloof het te zullen besterven als ik haar niet krijg. Soms is het mij, alsof ik er krankzinnig van zal worden. Ik kan u niet zoo over haar hooren spreken, en wel op dit oogenblik, dat gij haar trouwen wilt, alleen omdat zij geld heeft. Ach, Pen! dat is de vraag niet bij het trouwen; daarop verwed ik alles wat gij wilt. Van geld te spreken wanneer het zulk een meisje betreft – dat is – dat is – hoe zal ik het uitdrukken – gij weet wel wat ik zeggen wil – ik ben niet knap in het spreken – dáár dan: heiligschennis! Als zij mij hebben wilde zou ik straatveger willen worden, dat zou ik.”

„Arme Fo! ik geloof niet, dat dit haar zou aanlachen,” zeide Pen, die zijn vriend met oprechte belangstelling en medelijden aanzag. „Dit is geen meisje voor liefde in een hutje van klei.”

„Zij moest eene hertogin zijn, dat weet ik zeer goed, en ik weet ook wel, dat zij mij niet zou willen hebben indien ik haar geen aanzienlijke positie in de wereld kon verschaffen – want ik zelf heb niet veel te beteekenen – ik ben niet knap of iets van dien aard,” zeide Foker neerslachtig. „Indien ik al de diamanten bezat, welke al die hertoginnen en markiezinnen heden avond droegen, ik zou ze in haar schoot werpen. Maar wat baat het, er over te spreken? Ik kan den anderen dans niet ontspringen. Dat doet mij den dood aan, Pen. Ik kan er mij niet aan onttrekken, al wilde ik er mijn leven voor laten. En ofschoon mijne nicht een lief meisje is en ik wel van haar houd, had ik deze nog niet gezien, toen onze oude heeren de zaak beklonken. En toen gij zoo even zeidet, dat gij met haar tevreden kondt zijn en dat zij geld genoeg voor u beiden bezat, toen dacht ik bij mij zelven: dat een meisje geld heeft, of dat men haar eenvoudig mag lijden, moest niet genoeg zijn om te trouwen. Als iemand op die wijze gehuwd is, zal hij misschien ontdekken dat hij van een ander meisje méér houdt, en dan kan al het geld van de wereld hem niet gelukkig maken. Zie maar eens hoe het mij gaat; ik heb geld in overvloed, of ik zal het uit de brouwketels krijgen, zooals gij ze noemt. Mijn oude heer dacht eens goed voor mij te zorgen, door mijn huwelijk met mijne nicht vast te stellen. Maar ik verzeker u, dat het verkeerd zal uitkomen; en als Lady Anna haar man gekregen heeft, zal geen van ons beiden gelukkig wezen, en zij zal opgescheept zijn met den ellendigsten stumpert in Londen.”

„Arme jongen!” zeide Pen met een edelmoedigheid, die hem weinig kostte. „Ik wenschte, dat ik u kon helpen. Ik had nooit kunnen denken, dat gij zoo dol verliefd waart op dat meisje. Denkt gij, dat zij u zou willen hebben zonder uw geld? Neen. Denkt gij, dat uw vader [65]zou willen toestemmen in het verbreken van uw engagement met uwe nicht? Daarvoor kent gij hem te goed; hij zou u eer onterven dan dat te doen.”

De rampzalige Foker antwoordde alleen met een gekerm en wierp zich, met het hoofd tusschen de handen geklemd, voorover op de sofa.

„Wat mijne belangen aangaat,” vervolgde Pen, „indien ik had kunnen denken, beste jongen, dat het met u zoo bedenkelijk stond, zou ik u ten minste geen verdriet gedaan hebben door u tot mijn vertrouwde te kiezen. En voor het oogenblik althans is de zaak met mij nog niet uitgemaakt. Ik heb daarover nog geen woord tegen jufvrouw Amory gesproken. Hoogst waarschijnlijk zou zij mij niet willen hebben, als ik haar vroeg. Maar ik heb er zeer veel met mijn oom over gehandeld, die zegt, dat dit huwelijk mij zeer voordeelig zou zijn. Ik tracht naar hooger en ik ben arm. En het schijnt, dat Lady Clavering haar een aanzienlijke som zal meegeven, en Sir Francis zou men kunnen bewegen om – nu dat doet er niet toe. Er is nog niets beslist, Henry. Zij gaan binnen kort uit de stad en ik beloof u, dat ik haar vóór dien tijd niet zal vragen. Er is geen haast bij; wij hebben allen den tijd. Maar indien gij haar kondt krijgen, Foker, herinner u dan, wat ge zoo even gezegd hebt over het huwelijk, en over de ellende van een man, die onverschillig is ten aanzien van zijne vrouw; maar welke soort van vrouw zou het zijn, die niet om haar man gaf?”

„Maar zij zou om mij geven,” riep Foker van zijne sofa, „dat wil zeggen, ik geloof, dat zij, het zou doen. Nog pas heden avond onder het dansen zeide zij –”

„Wat zeide zij?” riep Pen uit, verbolgen opstuivende. Maar wat hem aandreef, zag hij duidelijker in dan Foker het deed, en hij brak lachend af. „Nu, het komt er niet op aan, wat zij zeide. Jufvrouw Amory is een levendig meisje en zegt een aantal vleiende dingen – tegen u – tegen mij ook wel eens – en de drommel weet tegen wien nog meer! Er is nog niets bepaald, ouwe jongen. Mijn hart zal er ten minste niet van breken als ik haar niet krijg. Tracht haar te krijgen als gij kunt en ik wensch er u veel heil mee! Vaarwel! Denk maar niet langer over hetgeen ik u verteld heb. Ik was wat opgewonden; ik ben in die heete zalen verduiveld dorstig geweest en heb waarschijnlijk niet genoeg mineraalwater in de champagne gedaan. Goedennacht! Ik zal ook van u niet spreken. Wij moeten beiden den mond houden; „laat er eerlijk gevochten worden en de knapste man den prijs behalen,” zooals Peter Crawley zegt.”

Met die woorden wierp mijnheer Arthur Pendennis een veelbeteekenenden en vrij verdachten blik op zijn vriend en schudde hem de hand met eene soort van hartelijkheid, die met zijne pas gemaakte vergelijking van eene bokspartij strookte, gelijk mijnheer Bendigo de hand van mijnheer Caunt schudt, alvorens zij met elkander gaan boksen om den kampioensgordel en nog tweehonderd pond van weerszijden. Foker beantwoordde den afscheidsgroet van zijn vriend met een smeekenden blik en een klaaglijken handdruk, waarna hij weer in zijne kussens neerzonk, terwijl Pen den hoed opzette en naar buiten stapte, waarbij het niet veel scheelde, of hij struikelde over de werkmeid, die reeds zoo vroeg op was en het bordes dweilde.

„En dus zou hij haar ook willen hebben? Ei, ei!” dacht Pen onder het gaan, terwijl hij met eene weinig prijzenswaardige scherpzinnigheid en een bijna duivelsch leedvermaak waarnam, dat de smart en foltering, [66]die Foker’s argeloos hart vervulden, juist iets aangenaams en pikants aan zijn eigen oogmerken ten opzichte van Blanche bijzette, indien men den naam van oogmerken mocht geven aan hetgeen tot nog toe louter spel en tijdkorting was geweest. „Zij zeide iets tegen hem? Zóó! Misschien heeft zij hem de weerga van dit bloempje gegeven?” en daarbij nam hij een arm verdord en gekneusd rozeknopje, dat door de warmte en den lichtgloed van dien avond verwelkt en zwart was geworden, uit zijn knoopsgat en liet het tusschen vinger en duim draaien. „Ik zou wel eens willen weten aan hoeveel anderen zij die onschuldige bewijzen van hare genegenheid gegeven heeft, – die kleine coquette! –” en daarop wierp hij den rozeknop in de goot, waar het water hem misschien verfrischt en een liefhebber van rozeknoppen hem wellicht opgeraapt heeft. En daarop, bedenkende dat het reeds helder dag was en dat de voorbijgangers hem om zijn ongeschoren kin en zijne witte das zouden kunnen aanzien, nam onze zedige jonge heer eene vigilante en reed naar den Temple.

Ach, is dit de knaap, die slechts weinige jaren geleden aan zijn moeders knie lag te bidden en voor wien zij waarschijnlijk op dit morgenuur hare gebeden omhoog zendt? Is deze afgematte en zelfzuchtige wereldling dezelfde jonkman, die nog zoo kort geleden bereid was, al wat hij op de wereld bezat, zijn eerzucht, zijne vooruitzichten in het leven, om den wille zijner liefde op te offeren? Dit is de man, op wien gij trotsch zijt, oude Pendennis! Gij beroemt u, dat gij hem gevormd en hem die malle en romaneske grillen en dwaasheden uit het hoofd gepraat hebt, en terwijl gij in uw bed onder uwe pijnen en rheumatiek ligt te kreunen, troost gij u met de gedachte, dat die knaap eindelijk iets zal doen om het een eind ver te brengen, en dat de Pendennis’en een aanzienlijke plaats in de wereld zullen innemen. Is hij de eenige, die op zijne reis door dit somber leven opzettelijk of toevallig van den weg afdwaalt, terwijl de aangeboren waarheidsliefde en hartelijkheid, die hem zouden moeten besturen, door de vergiftige lucht ontaarden en hem niet meer tot leidsterren kunnen strekken?

Na Pen’s vertrek stond de arme Henry Foker van de sofa op. Hij nam uit zijn vest – het vest met die prachtige knoopen en die schitterende borduursels, het werk van zijne mama – een wit rozeknopje, haalde uit zijne toiletdoos – ook een moederlijk geschenk – eene schaar, knipte er zorgvuldig den stengel van het bloempje mee af en zette het in een glas water tegenover zijn bed, waar hij eene schuilplaats zocht tegen de zorg en de bittere herinneringen.

Waarschijnlijk had jufvrouw Blanche Amory meer dan ééne roos in haar bouquet, en waarom zou dat lieve jonge schepseltje niet iets van haar overvloed uitdeelen, en zooveel dansers, als maar mogelijk was, gelukkig maken?