[Inhoud]

NEGEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

In Shepherd’s Inn.

Onze vriend Pen zeide dus: „Hoe gaat het, mijnheer Bows?” op luiden en vroolijken toon, toen hij dien heer gewaar werd, en verwelkomde hem op levendige en luchtige wijze; maar toch zou men een blos op Arthur’s wang hebben kunnen bespeuren (weerkaatst door Fanny, wier gelaat onmiddellijk een soortgelijk flikkerend rood signaal opheesch); en nadat Bows en Arthur elkander de hand hadden gegeven, en de eerste zich op ironische wijze des anderen verzekering, dat hij op de kamer van mijnheer Costigan een bezoek had willen afleggen, had laten welgevallen, ontstond er eene sombere en eenigszins schuldbewuste stilte in het gezelschap, welke Pen dadelijk trachtte te verdrijven door veel drukte en gebabbel. De stilte verdween natuurlijk bij mijnheer Arthur’s luidruchtigheid, maar de somberheid bleef bestaan en nam toe, gelijk met de duisternis in een gewelf het geval is, als men een enkele kaars ontsteekt. Pendennis trachtte op eene grappige wijze de voorvallen van gisterenavond te beschrijven en deed moeite om Costigan na te bootsen, zooals hij vruchteloos had staan twisten met den bureaulist in den Vauxhall. Het was geene volmaakte nabootsing; wie zou dat toppunt van volmaaktheid aanschouwelijk kunnen voorstellen? Niemand van het gezelschap lachte er om. Jufvrouw Bolton begreep volstrekt niet wie het was, dien mijnheer Pendennis nabootste, den bureaulist of den kapitein. Fanny zette een verschrikt gezicht en waagde een schuchter lachje; de oude Bows zag er zoo ernstig uit alsof hij in het orkest vedelde, of op de piano in de Achterkeuken een moeielijk stuk uitvoerde. Pen gevoelde dat zijn aardigheid mislukt was; aan het slot van zijn verhaal daalde en stierf zijne stem op eene jammerlijke wijze weg: zij flikkerde nog even op en ging uit, en alles was weer donker. Men kon de voetstappen van den kruier, die zich altijd in den omtrek van Shepherd’s Inn ophoudt, op de steenen onder de poort hooren; iedereen merkte het gekletter van de hakken zijner laarzen op.

„Gij hadt mij een bezoek willen brengen, mijnheer?” zeide Bows. [84]„Zoudt gij dan de goedheid willen hebben met mij naar mijne kamer te gaan? Gij zult mij voorwaar eene groote eer bewijzen. Het is tamelijk hoog; maar –”

„O, ik woon zelf op eene zolderverdieping,” viel Pen hem in de rede, „en Shepherd’s Inn is veel vroolijker dan Lamb Court.”

„Ik wist, dat gij uwe kamers op eene derde verdieping hadt,” zeide mijnheer Bows, „en ik wilde juist zeggen – ik hoop dat gij het mij niet kwalijk zult nemen – dat de lucht, drie trappen hoog gezonder, is voor gentlemen dan de dampkring van eene portiersloge.”

„Mijnheer!” zeide Pen, wiens kaars door zijn toorn weer opflikkerde en die in eene stemming verkeerde om zoo twistziek te wezen als de menschen zijn wanneer zij ongelijk hebben. „Gij zult mij wel veroorloven mijn gezelschap te kiezen zonder –”

„Gij hadt de beleefdheid te zeggen, dat gij mijn nederig verblijf met een bezoek wildet vereeren,” zeide Bows op zijn droeven toon. „Wil ik u den weg wijzen? Mijnheer Pendennis en ik zijn oude vrienden, jufvrouw Bolton, – zeer oude kennissen. In den allereersten morgenstond van zijn leven ontmoetten wij elkander.”

De oude man wees met een bevenden vinger naar de deur, met zijn hoed in de andere hand, en in eene houding, die wel wat theatraal was, evenals zijne woorden het waren, die hij eenigszins gemaakt uitsprak en die hij gekozen had uit de taal, welke hij zijn leven lang van de geblankette lippen der redenaars voor de voetlichten gehoord had. Doch ofschoon Pen wel lust gevoelde, met het melodramatische voorkomen van den ouden man den spot te drijven, gevoelde hij zeer goed, dat deze geen rol speelde of aannam. „Kom dan mee, mijnheer,” zeide hij, „als gij er zoo sterk op aandringt. Goedendag, jufvrouw Bolton. Vaarwel, jufvrouw Fanny; ik zal mij altijd met genoegen onzen avond in den Vauxhall herinneren, en ik beloof u, dat ik aan de toegangsbiljetten voor den schouwburg denken zal.” En met die woorden nam hij hare hand en drukte die, kreeg een wederdruk, en verdween.

„Wat is dat een lief jongmensch!” riep jufvrouw Bolton uit.

„Niet waar, ma?” zeide Fanny.

„Ik zat mij te bedenken op wien hij toch geleek. Toen ik aan den Sadler’s Wells-schouwburg verbonden was met mevrouw Serle,” vervolgde jufvrouw Bolton, terwijl zij tusschen de gordijntjes door Pen nakeek, die met Bows het plein overging, „toen was er een jong heer uit de City, die een witten hoed droeg en met eene tilbury kwam, en die sprekend op hem geleek, uitgezonderd dat hij zwarte bakkebaarden had en die van mijnheer P. zijn rood.”

„Heere! ma! zij zijn van het mooiste bruin, dat men zien kan,” zeide Fanny.

„Hij kwam om Emily Budd, die de colombine was in „Harlekijn’s horlepijp, of de slag van Navarino,” toen jufvrouw de La Bosky ziek was – eene knappe danseres en een mooi figuurtje voor het tooneel – en hij was een voornaam banketbakker in de City en had eene buitenplaats te Omerton. Hij placht haar in zijne tilbury naar Goswell Street Road te rijden, en eens, dat hij daar weer heen reed, lieten zij zich trouwen in de Bartholomeuskerk in Smithfield, waar hunne geboden heel in de stilte waren afgekondigd, en nu houdt zij rijtuig en ik heb haar naam in de courant gezien onder de dames directrices van het bal op het Mansion House ten voordeele van het liefdadig gesticht voor waschvrouwen. En zie Lady Mirabel eens – kapitein Costigan’s dochter – die is op het tooneel geweest, zooals iedereen weet.” Jufvrouw [85]Bolton zeide dit een en ander, en nog meer betrekkelijk dit onderwerp, terwijl zij nu eens door de gordijntjes keek en dan weer de kroezen en borden schoonmaakte en in het kastje in den hoek wegzette; en zij eindigde hare rede eerst toen zij met Fanny het tafellaken uitschudde en opvouwde en het op zijne plaats in de lade der tafel legde.

Ofschoon Costigan bij eene vroegere gelegenheid vrij nauwkeurig omtrent den staat van Pen’s geldmiddelen en vooruitzichten was ingelicht, moet ik vooronderstellen, dat Cos die kennis, welke hij jaren geleden te Chatteries had verkregen, vergeten had, of dat hij door zijn aangeboren zucht tot overdrijving verleid was geworden het inkomen van zijn vriend te hoog aan te slaan. Toen hij den vorigen avond, gedurende Pen’s kleine échappade met Fanny, met jufvrouw Bolton wandelde, had hij haar Fairoaks-Park met de gloeiendste kleuren afgeschilderd; hij had uitgeweid over de ontzaglijke schatten van Pen’s vermaarden oom, den majoor, en een innige bekendheid met Pen’s bezittingen en effecten en landerijen aan den dag gelegd. Zeer waarschijnlijk had jufvrouw Bolton in hare wijsheid den ganschen nacht over die aangelegenheden liggen na te denken en in den geest Fanny reeds in hare koets zien rijden, gelijk jufvrouw Bolton’s voormalige vriendin, de danseres van Sadler’s Wells.

Bij die laatste operatie van het opvouwen van het tafellaken kwamen de beide dwaze vrouwen natuurlijk zeer dicht bij elkander; en toen Fanny het laken aanvatte en er de laatste vouw aan gaf, legde de moeder haar vinger onder de kin van het jonge meisje en gaf haar een kus. Wederom vertoonde zich het roode signaal en flikkerde het op Fanny’s wang. Wat beteekende dat nu? Ditmaal was het geen schrik. Het was van genoegen, dat de arme kleine Fanny zoo bloosde. Arme kleine Fanny! Hoe? zou de liefde zondig zijn, daar zij aanvankelijk zoo aangenaam is en ten slotte zoo bitter?

Na die omhelzing vond jufvrouw Bolton goed te zeggen, dat zij voor zaken uit moest, en dat Fanny op de portiersloge moest passen, waarin het meisje na niet meer dan eene zeer flauwe tegenwerping bewilligde. Jufvrouw Bolton zette dus haar hoed op, nam hare boodschappenmand mede en ging uit; en zoodra zij weg was, zette Fanny zich aan het venster, waar zij het gezicht had op de woning van Bows, en wendde haar oogen van dat gedeelte van Shepherd’s Inn niet meer af

Betsy-Jane en Amelia-Anna zaten in een hoek van de kamer te stoeien en hielden zich alsof zij in een prentenboek lazen, dat een van beiden het onderste boven hield. Het was een ernstig en huiveringwekkend traktaatje uit mijnheer Bolton’s boekverzameling. Fanny hoorde niet hoe hare zusjes daarover keuvelden. Zij lette op niets dan op de huisdeur bij Bows.

Eindelijk schrikte zij eventjes en haar oogen glinsterden. Hij was er uitgekomen. Hij zou hare deur weer voorbijgaan. Doch reeds een oogenblikje later betrok haar gezichtje, want Pendennis kwam wel naar buiten, maar Bows volgde hem op den voet. Beiden gingen onder de poort door. Hij nam alleen zijn hoed af en maakte eene buiging toen hij naar binnen zag, maar hij hield niet stil om met haar te spreken.

Na een minuut drie vier kwam Bows alleen terug en trad de kamer van den portier binnen. Fanny wist niet juist hoeveel tijd er verloopen was, maar zij keek hem woedend aan toen hij binnentrad.

„Waar is uwe ma, liefje?” vroeg hij aan Fanny.

„Dat weet ik niet,” gaf zij met eene spijtige hoofdbeweging ten antwoord. „Gij denkt toch niet, mijnheer Bows, dat ik ma als hare schaduw volg?” [86]

„Ben ik mijn moeders hoeder?” zeide Bows met zijne gewone melancholische bitterheid. „Kom eens hier, Betsy-Jane en Amelia-Anna; ik heb een koekje voor degene, die hare letters het best kent, en dan nog een voor die daarop volgt.”

Toen de jonge dames het examen doorstaan hadden, dat Bows haar afnam, werden zij beloond met hare medailles van koek, die zij op het plein gingen opeten. Onderwijl haalde Fanny eenig werk te voorschijn en hield zich alsof zij daarmee druk bezig was, ofschoon zij, terwijl hare naald heen en weer ging, zeer opgewonden en boos was. Bows had zich zoodanig geplaatst, dat hij het gezicht had op den uitgang van de woning naar de straat. Doch de persoon, dien hij misschien dacht te zullen zien, kwam niet meer opdagen; en toen jufvrouw Bolton van de markt terugkwam, vond zij Bows op de plaats van den persoon, dien zij verwacht had te zullen zien. De lezer kan misschien wel gissen hoe hij heette.

Het onderhoud van Bows met zijn gast, toen beiden de trap opklommen naar het vertrek, dat de eerstgenoemde met den afstammeling der Milesische koningen bewoonde, was voor beide partijen niet bijzonder aangenaam. Pen was norsch, en zoo Bows iets op het hart had, wilde hij zich daarvan niet ontlasten in tegenwoordigheid van kapitein Costigan, die al den tijd van Pen’s bezoek in de kamer bleef en, om de waarheid te zeggen, ook slechts weinige minuten vóór de komst van dien heer zijne slaapkamer verlaten had. Wij hebben het déshabillé van majoor Pendennis bijgewoond; zou iemand de kamerdienaar van onzen anderen held, Costigan, willen zijn? Het scheen dat de kapitein, alvorens zijn slaapvertrek te verlaten, zich met extract van whisky besproeide. Er ging een sterke geur van dat heerlijke reukwater van hem uit, toen hij zijn bezoeker de hand der vriendschap reikte. Die hand beefde jammerlijk, en het was een wonder hoe ze het scheermes kon vasthouden, waarmee de arme gentleman dagelijks over zijne kin voer.

De kamer van Bows was integendeel even net als die van zijn medebewoner slordig was. Zijn armoedige kleederen hingen achter een gordijn. Zijne boeken en geschrevene muziek stonden ordelijk op planken. Een gesteendrukt portret van jufvrouw Fotheringay in de rol van Mevrouw Haller, met de min fraaie handteekening der actrice, hing trouw boven het bed van den ouden heer. Lady Mirabel schreef veel beter dan jufvrouw Fotheringay ooit had gedaan. Mylady had zich sinds haar huwelijk zeer bevlijtigd om de schrijfkunst aan te leeren, en kweet zich zeer loffelijk als zij, ook in naam van haar man, een briefje moest schrijven om een uitnoodiging te doen of aan te nemen. Bows hield echter het meest van het oude schrift, de eerste manier, van de schoone kunstenares. Hij bezat slechts één proefje van de nieuwe manier, een briefje van dankbetuiging voor een lied, gecomponeerd voor en opgedragen aan Lady Mirabel door haar zeer onderdanigen dienaar Robert Bows, welk stuk hij als een schat onder de andere archieven in zijn lessenaar bewaarde. Tegenwoordig leerde hij Fanny Bolton zingen en schrijven, gelijk hij het Emily in vroegere dagen geleerd had. Het was voor dien man eene behoefte zich aan iets te hechten. Toen Emily hem ontrukt werd, nam hij een andere in hare plaats, gelijk een man, die een been verloren heeft, naar eene kruk uitziet, of, als hij schipbreuk geleden heeft, zich aan eene plank vastbindt. Latude had ongetwijfeld zijn hart aan eene vrouw geschonken, voordat hij zich in de Bastille zoo innig aan eene muis hechtte. Er zijn menschen, die in hunne jonge jaren eene vurige liefde gekoesterd of ingeboezemd hebben, en [87]eindigen met zich gelukkig te gevoelen in de vriendschapsbewijzen van een poedel, of in angst te geraken over de ziekte van zulk een dier. Maar het was hard voor Bows, en pijnlijk voor zijn gevoel als mensch, en wel als sentimenteel mensch, dat hij Pen alweer op zijn weg vond en wel als bewonderaar van deze kleine Fanny.

Intusschen koesterde Costigan hoegenaamd geen vermoeden, dat zijn gezelschap niet volmaakt welkom was aan de heeren Pendennis en Bows, en dat het bezoek van den eerstgenoemde niet bepaald voor hem zelven bestemd was. Hij betuigde dus zijn groot genoegen over dit bewijs van beleefdheid en beloofde zich zelven om althans die schuld – niet de eenige welke de kapitein in zijn leven had aangegaan – door verscheidene tegenbezoeken bij zijn jongen vriend uit te wisschen. Hij sprak met hem op de voorkomendste wijze over het nieuws van den dag, of liever van den dag te voren, want in zijne hoedanigheid van dagbladschrijver herinnerde Pen zich, dat hij verscheidene van des kapiteins opmerkingen in het Nieuwsblad voor de jacht en van het tooneel, hetgeen Costigan’s orakel was, gelezen had. Hij deelde mede, dat Sir Charles Mirabel en zijne vrouw naar Baden-Baden waren vertrokken, en hem met verzoeken bestormden, om ook daarheen te komen. Pen gaf met de meeste deftigheid ten antwoord, dat hij gehoord had, dat het te Baden-Baden zeer lief was en dat de groothertog zich jegens de Engelschen zeer gastvrij betoonde. Costigan hernam, dat de wetten der gastvrijheid heilig moesten zijn voor een groothertog, en dat hij er ernstig aan dacht, het echtpaar te gaan opzoeken, waarna hij eenige bijzonderheden mededeelde omtrent de prachtige feesten op het kasteel te Dublin, toen zijn Excellentie de graaf Portansherry daar als lord-stadhouder zijn hof hield, en waarvan Costigan een nederig doch tevreden toeschouwer was geweest. Terwijl Pen deze verhalen aanhoorde, die Costigan zoo dikwijls gedaan had en die hij zich zoo goed herinnerde, stond hem de tijd weer voor den geest, toen hij ze gedeeltelijk geloofd had en voor den kapitein een zeker ontzag koesterde. Emily, zijn eerste liefde, het kamertje te Chatteries en het vriendschappelijk gesprek met Bows op de brug, kwamen hem weer levendig voor den geest. Hij gevoelde iets hartelijks voor zijne beide oude bekenden en drukte hun hartelijk de hand, toen hij opstond om te vertrekken.

Hij had de kleine Fanny Bolton geheel vergeten terwijl de kapitein sprak en hij zelf in egoïstische overdenkingen verzonken zat. Hij herinnerde zich harer eerst weder, toen Bows de trap achter hem afstrompelde, blijkbaar om hem Shepherd’s Inn te zien verlaten.

Bows’ voorzorg was niet gelukkig gekozen. De machtelooze vervolging van den armen ouden man deed den toorn van mijnheer Arthur Pendennis ontbranden. „Voor den duivel, waarom volgt hij mij zoo op den voet?” dacht Pen, en schaterde het uit, toen hij in het Strand alleen was, over de krijgslist van Bows. Het was geen eerlijke lach, Arthur Pendennis! En dat gevoelde Arthur misschien zelf ook, want hij bloosde om zijn eigen grappigheid.

Hij poogde de gedachten te verjagen, die zich aan hem opdrongen, wat die dan ook zijn mochten, en zocht afleiding op verschillende plaatsen van uitspanning, maar met weinig bevredigenden uitslag. Hij zwoegde de hoogste trappen van het Panorama op, maar toen hij hijgende den top bereikt had, was de Zorg mede met hem naar boven geklommen en hield zij hem gezelschap. Hij begaf zich naar de club en schreef een langen, uiterst geestigen en sarcastischen brief naar huis, waarin hij echter geen woord van den Vauxhall, of van Fanny Bolton repte, [88]omdat hij meende dat dit onderwerp, hoe boeiend ook voor hem zelven, aan zijne moeder en Laura niet veel belangstelling zou inboezemen. Noch de romans noch de leestafel konden hem bezig houden – evenmin als de deftige en achtenswaardige Jawkins (de eenige man die in de stad gebleven was), die een praatje met hem wilde maken, of de publieke plaatsen, waar hij afleiding zocht na Jawkins ontvlucht te zijn. Op weg naar huis ging hij een vaudeville-theater voorbij, waar hij met groote roode letters voor de deur zag aangeplakt: „Verbazend kluchtspel!” „Men lacht zich dood!” „Goede oud-Engelsche pret en genoegen!” Hij nam plaats in het parterre en zag de lieftallige mevrouw Leary als naar gewoonte in mansgewaad, en den beroemden komiek Tom Horseman in vrouwenkleeren. Horseman’s vermomming was in zijn oog eene verschrikkelijke en afschuwelijke vernedering, en mevrouw Leary’s lonkjes en enkels maakten hoegenaamd geen indruk op hem. Hij lachte weer bitter toen hij zich den indruk herinnerde, dien zij den eersten avond van zijne komst te Londen op hem gemaakt had, nog zoo kort – en toch, reeds hoe lang geleden!