[Inhoud]

VIJFDE HOOFDSTUK.

Mevrouw Haller thuis.

Zonder haar gang te vertragen was de merrie Rebekka tot Baymouth voortgegaloppeerd, waar Pen haar in den stal van het logement bracht, en vervolgens recht naar Foker’s kamers ging, die hij kende uit de inlichtingen, welke die heer hem den vorigen dag had verstrekt. Toen Pen op die kamers kwam, boven den winkel van een drogist, wiens voorraad van sigaren en sodawater snel van de hand ging door de klandizie van zijne jonge inwoners, vond hij alleen mijnheer Spavin, Foker’s vriend en medeëigenaar van het rijtuig, waarmede laatstgenoemde Chatteries was binnengereden, die zat te rooken en een kleinen hond, die bij hem in de gunst stond, kunstjes leerde met een stukje beschuit.

Pen’s gezond gelaat, verhit door den rit, stak zonderling af bij de [39]waskleurige, ziekelijke kleine gelaatstrekken van Foker’s kameraad. Dezen viel dit in het oog. „Wie is die kerel?” dacht hij. „Hij ziet er uit als melk en bloed. ’k Wed vijf tegen één, dat zijne hand ’s morgens niet beeft.”

Foker was in het geheel niet thuis gekomen. Dat was eene teleurstelling! Spavin kon niet zeggen, wanneer zijn vriend zou terugkomen. Soms bleef hij een dag, soms eene week weg. Tot welke academie behoorde Pen? Zou hij iets gebruiken? Daar stond een goed glas ale. Spavin leerde Pendennis’ naam kennen, door het kaartje, dat Pen uithaalde en neerlegde (het kan wel zijn, dat Pen in die dagen nog al trotsch was, dat hij een kaartje had) – en aldus namen de jonge lieden afscheid van elkander.

Daarop ging Pen langs de rotsen, drentelde rond op het zand, en beet op zijne nagels aan het strand der luid ruischende zee, die zich helder en onmetelijk voor hem uitstrekte. De blauwe wateren kwamen schuimend en met een heesch gebrul de baai inrollen; Pen beschouwde ze met een afgetrokken blik en zag ze nauwelijks. Welk een getij overstroomde op dat oogenblik het gemoed van den jonkman zelven, en hoe weinig kracht bezat hij om het te stuiten! Pen wierp steenen in de zee, maar nog altijd rolde zij aan. Hij was verwoed dat hij Foker niet zag. Hij had behoefte om Foker te spreken; hij moest hem spreken. „Mij dunkt ik moest den weg van Chatteries opgaan, om te zien of ik hem ontmoeten kan,” dacht Pen. Een half uur later was Rebekka gezadeld en galoppeerde zij over het gras den weg naar Chatteries op. Omtrent vier mijlen van Baymouth begint, gelijk ieder weet, de weg paar Clavering, en de merrie was natuurlijk voornemens dien in te slaan, maar Pen gaf haar een slag met de karwats over de schouder, liet dien weg links en reed tot aan den slagboom door, zonder een zweem van de zwarte chais met de roode wielen te zien.

Nu hij toch aan den slagboom was, kon hij evengoed doorijden; dat was duidelijk. Dus reed Pen naar den George en vernam van den stalknecht, dat Foker werkelijk daar was en den vorigen avond een schrikkelijk „standje” gemaakt had met drinken en zingen, en dat hij met Tom den postiljon had willen vechten, „waarvan hij, geloof ik,” zeide de man met een grijns, „slecht zou afgekomen zijn.” – „Hebt gij uw meesters scheerwater al boven gebracht?” liet hij er op zeer satirieken toon tegen Foker’s knecht op volgen, die op dit oogenblik met de kleederen van zijn meester, heerlijk geborsteld en in orde gebracht, op het plein kwam. „Wijs mijnheer Pendennis den weg eens,” en Pen volgde den knecht ten slotte naar de kamer, waar mijnheer Harry Foker midden in een onmetelijk bed lag te rusten.

Het veeren bed en de kussens zwollen geheel rondom mijnheer Foker op, zoodat men zijn klein bleek gezicht en zijne rood zijden nachtmuts ternauwernood zien kon.

„Hola!” zeide Pen.

„Wie daar, broeder? spreek op!” klonk de stem uit het bed. „Hoe! Pendennis terug? Weet uwe mama, dat gij uit zijt? Hebt gij gisterenavond met ons gesoupeerd? Neen – wacht – wie soupeerde gisterenavond met ons, Domkop?”

„Daar waren de drie officieren, mijnheer, en mijnheer Bingley, mijnheer, en mijnheer Costigan, mijnheer,” antwoordde de man, die mijnheer Foker’s toespraak met de grootste deftigheid aanhoorde. [40]

„O ja: de beker ging rond, met scherts gekruid. Wij zongen, en ik herinner mij, dat ik met een postiljon heb willen vechten. Heb ik hem afgeranseld, Domkop?”

„Neen, mijnheer; het is tot geen vechten gekomen,” antwoordde Domkop, altijd met onverstoorbaren ernst. Hij bracht mijnheer Foker’s toiletdoos in orde, – zoo groot als een reiskoffer, een geschenk van eene liefhebbende moeder, zonder hetwelk de jonge kerel nooit reisde. De doos bevatte een verbazend talrijk stel in zilver: een zilveren zeepschotel, eene zilveren kan, zilveren doozen en flesschen voor allerlei soort van reukwerken, en eene keur van scheermessen tegen den tijd dat mijnheer Foker’s baard zou uitbotten.

„Ik zal het maar een andere keer doen,” zeide de jonkman geeuwend, en sloeg de magere armpjes boven zijn hoofd. „Neen, het is tot geen vechten gekomen; maar er is gezongen. Bingley zong, ik zong, de Generaal zong – Costigan, bedoel ik. Hebt gij hem ooit het Biggetje onder het bed hooren zingen, Pen?

„De man, dien wij gisteren ontmoetten?” vroeg Pen, geheel ontroerd, „de vader van – ”

„Van Fotheringay? – dezelfde. Is dat niet eene Venus, Pen?”

„Mijnheer, mijnheer Costigan is in de zitkamer, mijnheer, en zegt, mijnheer, dat gij hem op het ontbijt gevraagd hebt, mijnheer. Hij is er al vijfmaal geweest, mijnheer, maar wilde volstrekt niet, dat ik roepen zou, en is al hier sedert elf uur, mijnheer –”

„Hoe laat is het nu?”

„Eén uur Mijnheer.”

„Wat zou de beste der moeders zeggen,” riep de kleine luiaard uit, „indien zij mij op dit uur te bed zag? Zij heeft mij hierheen gezonden met een repetitor. Zij wenscht, dat ik mijn verwaarloosd genie zal beschaven. Hè, Pen, dat is wat anders dan de school ’s morgens om zeven uur, – niet waar, ouwe jongen?” en de jonge heer begon zoo uitgelaten als een schooljongen te lachen. Toen liet hij er op volgen: „Ga zoolang den Generaal gezelschap houden, terwijl ik mij kleed, Pendennis, en vraag hem het Biggetje onder het bed voor u te zingen, dat is iets prachtigs.” Pen ging in groote ontroering heen om mijnheer Costigan op te zoeken, en mijnheer Foker begon zijn toilet.

Van mijnheer Foker’s beide grootvaders was de een, van wien hij een fortuin erfde, een bierbrouwer; de andere was een graaf, die hem begiftigde met de inschikkelijkste moeder ter wereld. De Foker’s waren van vader tot zoon op de school gegaan, alwaar onze vriend (wiens naam men, over den muur der speelplaats heen, op het uithangbord eener herberg kon zien, waar „Fokersbier” geschilderd stond) vreeselijk geplaagd werd wegens zijn vaders beroep, zijn lomp voorkomen, zijn geringen aanleg voor geleerdheid of zindelijkheid, zijne gulzigheid en andere zwakke zijden. Doch als men weet hoe een gevoelige knaap onder de dwingelandij zijner schoolkameraden afgetrokken en gluiperig wordt, zal men begrijpen hoe hij zich binnen weinige maanden na zijne bevrijding uit de knechtschap zoodanig had ontwikkeld als nu het geval was, en hoe hij de luimige, sarcastische, schitterende Foker was geworden, met wien wij kennis hebben gemaakt. Wel is waar, bleef hij altijd een domkop, want men verwerft geene kennis door de school te verlaten en zich als student bij eene academie te laten inschrijven; maar hij was nu (op zijne wijze) een evengroot dandy als hij vroeger [41]een sloddervos was geweest, en toen hij de zitkamer binnentrad, om zijne beide gasten op te zoeken, verscheen hij geparfumeerd en in fijn linnen gedost en oogverblindend van toilet.

Generaal of kapitein Costigan – want dezen laatsten titel scheen hij het liefst te voeren – zat in het venster, het nieuwsblad op armslengte van zich afhoudende. De oogen van den kapitein waren wat dof, en hij spelde de woorden met behulp van zijne lippen zoowel als van zijne roode oogen, zooals men dat wel meer ziet van heeren, voor wie het lezen eene zeldzame en moeielijke bezigheid is. Zijn hoed stond schuins op één oor, en daar hij één zijner voeten op de vensterbank gelegd had, kon iemand, die op zulke dingen lette, uit de gedaante en den versleten toestand der laarzen van den kapitein opmaken, dat het hem niet bijzonder voor den wind ging. De armoede schijnt eene bijzondere neiging te bezitten, om, alvorens zij zich geheel van iemand meester maakt, in de eerste plaats zijne uiterste ledematen aan te tasten; zijne hoofd-, hand- en voetbekleeding wordt hare eerste prooi. Al deze gedeelten van des kapiteins kleeding waren buitengemeen slordig en kaal. Zoodra hij Pen zag, verliet hij zijne zitplaats in de vensterbank en groette den binnengekomene, eerst op militaire wijze, door een paar vingers (bedekt met een gescheurden zwarten handschoen) aan zijn hoed te brengen en daarna dit sieraad geheel af te nemen. De kapitein had aanleg om kaal te worden, doch vlijde eene hoeveelheid lang ijzergrauw haar over zijne kruin, terwijl een paar lokken daarvan langs elke zijde van zijn gelaat neerhingen. Veel whisky had het teint bedorven, dat mijnheer Costigan in zijne jeugd misschien bezeten had. Zijn voormaals knap gelaat was nu koperkleurig. Hij droeg eene zeer hooge stropdas, met scheurtjes en vlekken op vele plaatsen, en een gekleeden rok, geheel toegeknoopt, behalve op de plaatsen waar de knoopen afscheid van het laken hadden genomen.

„De jonge heer, aan wien ik de eer had gisteren op het kerkplein voorgesteld te worden,” zeide de kapitein met eene allersierlijkste buiging en een zwaai van zijn hoed. „Ik hoop, dat gij wel zijt, mijnheer. Ik zag u gisterenavond in den schouwburg onder het spel van mijne dochter; maar toen ik terugkwam, vond ik u niet meer. Ik had haar maar even thuis gebracht, mijnheer, want Jack Costigan, ofschoon arm, is een gentleman; en toen ik weer in den schouwburg kwam om mijn compliment te maken aan mijn vroolijken jongen vriend, mijnheer Foker, waart gij reeds heengegaan. Wij hebben nog een genoeglijken avond doorgebracht, mijnheer; – mijnheer Foker, de drie jonge en dappere dragonders en uw onderdanige dienaar. Waarachtig, mijnheer, het deed mij weer denken aan sedert lang verloopen avonden, toen ik officier was bij het beroemde honderd en derde regiment.” En bij die woorden haalde hij eene oude snuifdoos uit den zak, en bood die met eene deftige houding zijn nieuwen bekende aan.

Arthur was verreweg te veel ontroerd om te spreken. Die kale en verloopen kwast was – was haar vader. De kapitein was geparfumeerd met den geur der sigaren van den vorigen avond, en krulde en trok het bosje haar aan zijne kin zoo kranig als een eerste jonge dandy.

„Ik hoop, dat mejufvrouw F–, mejufvrouw Costigan welvarend is, mijnheer,” zeide Pen, beginnende te blozen. „Zij – zij verschafte mij grooter genoegen, dan – dan ik – ik – ik ooit in de komedie genoten [42]heb. Ik geloof, mijnheer – ik geloof, dat zij de knapste actrice ter wereld is,” bracht hij met stokkenden adem uit.

„Uwe hand, jonkman! want gij spreekt uit het hart,” riep de kapitein uit. „Ik dank u, mijnheer; een oud soldaat en een liefhebbend vader dankt u. Zij is de eerste actrice ter wereld. Ik heb mevrouw Siddons gezien, mijnheer, en mejufvrouw O’Nale – die waren groot, maar wat waren zij in vergelijking van jufvrouw Fotheringay? Ik wil niet, dat zij haar eigen naam drage, zoolang zij op het tooneel is. Mijne familie, mijnheer, draagt het hart hoog, en de Costigan’s van Costiganstown zouden denken, dat een eerlijk man, die officier geweest is bij het honderd en derde, zich vernederde door zijne dochter te veroorloven, het brood voor haar ouden vader te verdienen.”

„Er kan voorwaar geen eervoller plicht bestaan,” zeide Pen.

„Eervol! Voor den drommel, mijnheer, ik zou den man wel eens willen zien, die durfde zeggen, dat Jack Costigan zou bewilligen in iets, dat niet eervol was. Ik heb een hart, mijnheer, ofschoon ik arm ben; ik houd van menschen, die hart hebben. En daaronder behoort gij; dat lees ik in uw open gelaat en uw vasten blik. En zoudt gij wel willen gelooven,” liet hij er na een poosje op volgen, terwijl hij vol aandoening fluisterde, „dat die Bingley, die door mijn kind fortuin gemaakt heeft, haar slechts twee guinjes in de week geeft, waaruit zij hare kleeding bekostigt, en dit, met mijne eigene geringe middelen, ons geheele inkomen uitmaakt?”

Nu moet het gezegd worden, dat de middelen van den kapitein zoo uiterst gering waren, dat zij inderdaad onzichtbaar mochten heeten. Doch niemand weet hoe de wind verzacht wordt voor de geschoren Iersche lammeren, en op welke wonderlijke plaatsen zij weide vinden. Zoo kapitein Costigan, dien ik de eer had te kennen, zijne historie maar had willen vertellen, zou het een belangrijk verhaal, vol zedelessen geweest zijn. Maar hij zou die geschiedenis niet verteld hebben, indien hij het had kunnen doen, noch het hebben kunnen doen, indien hij gewild had; want de kapitein was niet alleen buiten machte om de waarheid te spreken, maar zelfs onbekwaam om de waarheid te denken, en waarheid en verdichting golfden in zijn droomerig en dronken brein door elkander heen.

Hij begon zijn leven onder schitterende vooruitzichten als vaandrig, met eene fraaie gestalte en fraaie beenen, en eene der schoonste stemmen ter wereld. Tot zijn laatsten dag zong hij met bewonderenswaardig gevoel en luim die merkwaardige Iersche balladen, die zoo opgeruimd en zoo weemoedig maken, en hij was altijd de eerste, die van aandoening daarover begon te schreien. Arme Cos! hij was te gelijk opgewekt en neerslachtig, geestig en dwaas, maar altijd goedhartig, en soms kon men hem bijna vertrouwen. Tot het laatste oogenblik zijns levens was hij bereid met iedereen te drinken en voor iedereen borg te blijven; en zijn einde was in de gijzeling, waar de deurwaarder, die hem had opgepakt, hart voor hem had gekregen.

In den korten morgenstond zijns levens, was Cos de ziel der officierstafels, en had de eer zijne drink- of sentimenteele liederen aan den disch der beroemdste generaals en opperbevelhebbers te zingen, gedurende welk tijdperk hij driemaal meer wijn dronk dan goed voor hem was en hij zijn gering erfdeel doorbracht. Wat er van hem werd nadat hij het leger verlaten had, gaat ons niet aan. Ik wil wedden, dat geen oningewijde [43]weet hoe een Iersch gentleman zonder geld leeft, hoe hij het hoofd boven water weet te houden, welke ondernemingen hij, om wat te verdienen, met helden, die even ongelukkig zijn als hij zelf, op touw zet, door welke middelen hij de meeste dagen van de week zijne portie whisky met water weet te krijgen: dit zijn alle onoplosbare geheimen voor ons, doch genoeg, wanneer wij zeggen, dat Jack, onder alle stormen des levens, op de eene of andere wijze was blijven bovendrijven en zijn roode neus nooit bleek had behoeven te worden.

Eer hij en Pen een half uur met elkander gesproken hadden, was het hem gelukt den jongen heer een paar goudstukken af te persen voor biljetten, voor de benefice zijner dochter, die eerlang zou plaats hebben. Het was geene onderneming voor eigen rekening, gelijk verleden jaar, toen de arme jufvrouw Fotheringay er nog vijftien shillings bij had toegelegd, maar eene overeenkomst met den regisseur, volgens welke de dame een zeker aantal plaatsbriefjes verkoopen en een aanzienlijk gedeelte van den prijs voor zich zelve behouden kon.

Pen had slechts twee pond in zijne beurs en stelde die aan den kapitein ter hand voor de biljetten; hij zou niet meer hebben durven aanbieden, uit vrees van de kieschheid van den krijgsman te kwetsen. Costigan krabbelde spoedig een biljet voor eene loge neer, liet het geld luchtig in zijn vestzak glijden en sloeg met de hand op de plaats waar het nu lag. Het scheen zijne oude ribben te verwarmen.

„In vertrouwen, mijnheer,” sprak hij, „het duimkruid is tegenwoordig schaarscher bij mij dan het placht te zijn. Ik won er zeshonderd op een enkelen avond, mijnheer, toen mijn toegenegen vriend, zijne koninklijke hoogheid de hertog van Kent, te Gibraltar was.” En dadelijk begon hij Pen eene reeks van verhalen op te disschen hoeveel wijn er gedronken was, welke weddenschappen er waren aangegaan, welke wedrennen de officieren van het garnizoen gehouden hadden, en daarmede hield hij den jongen heer aangenaam bezig tot hun gastheer en het ontbijt binnenkwamen.

Het was aardig te zien, hoe de kapitein zich tegenover den gevulden kalkoen en de lamscôteletten hield! Aan zijne vertellingen was geen einde, en hij werd onder het spreken met de jongelieden aanhoudend opgewekter. Wanneer de oude lazzarone een zonnestraaltje opving, bakerde hij zich daarin; hij praatte over zijne eigen zaken en zijne vroegere heerlijkheid en over al de lords, generaals en lord-stadhouders, die hij ooit gekend had. Hij beschreef den dood van zijne teerbeminde Bessie, wijlen mevrouw Costigan, en de uitdaging, die hij gezonden had aan kapitein Shanty Clancy van de Doodhakkers, die mejufvrouw Fotheringay onbeschaamd aangekeken had toen zij in het park te Dublin reed; en vervolgens zette hij uiteen hoe de kapitein verschooning had gevraagd, een diner had gegeven in Kildare Street, waar zes van hen een en twintig flesschen wijn hadden gedronken, enz. Hij verklaarde, dat het een geluk en iets roemrijks in het leven van een oud soldaat was, met twee zulke edelaardige en milde jongelui aan te zitten, en toen hij een tweede glas curaçao had gekregen, gevoelde hij zich zoo gelukkig, dat hij begon te schreien. Alles te zamen genomen, zouden wij kunnen zeggen, dat de kapitein geen man van een krachtigen geest of een wenschelijk gezelschap was voor de jeugd; doch er zijn slechter menschen, die veel betere betrekkingen in het leven bekleeden en oneerlijker zijn, en die nooit half zooveel slechte streken gedaan hebben [44]als hij. Zij gingen uit, waarbij de kapitein, in een suffen staat van tevredenheid, zijne beide dierbare jonge vrienden onder den arm hield. Hij keek schuins naar een paar winkels, waar hij misschien geld schuldig was, alsof hij zeggen wilde: „Zie maar eens in welk gezelschap ik ben – gij behoeft niet ongerust te zijn over uw geld,” en eindelijk namen zij afscheid van mijnheer Foker bij eene biljartzaal, waar deze afspraak had met eenige heeren van het regiment van kolonel Swallowtail.

Pen en de schrale kapitein bleven op straat rondslenteren, waarbij de kapitein, op zijne sluwe wijze, hem uithoorde omtrent mijnheer Foker’s fortuin en stand in de maatschappij. Pen verhaalde hem, dat Foker’s vader een voornaam bierbrouwer en zijne moeder Lady Agnes Milton, dochter van Lord Rosherville was. De kapitein barstte los in overdrevene complimenten en loftuitingen ten aanzien van mijnheer Foker, „wiens aangeboren aristocratie men,” zeide hij, „met een oogopslag zien kon, ofschoon ze slechts strekte om de andere hoedanigheden die hij bezat, een doordringend verstand en een edelmoedig hart, te verhoogen,” – van welke redevoering de kapitein zelf geen enkel woord volkomen geloofde.

Verwonderd, vermaakt en verbijsterd naar het gepraat van zijn metgezel luisterende, wandelde Pen voort. Het was den knaap nog niet in de gedachte gekomen, iets te betwijfelen, dat men hem verhaalde, en daar hij zelf oprecht was, nam hij natuurlijk ook hetgeen hem door anderen werd medegedeeld voor gave munt aan. Costigan had nooit een beter toehoorder gehad, en was ten hoogste gevleid door de oplettendheid en het bescheiden gedrag van den jonkman.

Zoozeer was hij met den jongen gentleman ingenomen en zoo argeloos, eerlijk en aangenaam scheen Pen hem toe, dat de kapitein hem ten slotte eene uitnoodiging deed, die hij zeer zelden tot jongelieden richtte, en aan Pen vroeg, of deze hem de eer wilde doen zijne nederige hut binnen te treden, die zeer dichtbij was en waar de kapitein de eer zou hebben zijn jongen vriend aan zijne dochter, mejufvrouw Fotheringay, voor te stellen?

Pen was door deze uitnoodiging zoo heerlijk verrast, hij was zoo getroffen door het geluk, hem dus onverwacht aangeboden, dat hij eerst dacht, dat hij van des kapiteins arm zou gevallen zijn, en toen beefde, dat de ander zijne ontroering zou bemerken. Hij stamelde eenige onsamenhangende woorden, die beteekenen moesten, dat het hem hoogst aangenaam zou zijn aan eene dame te worden voorgesteld, wier – wier talenten hij zoo bewonderde – zoo hoogelijk bewonderde; en hij volgde den kapitein, bijna zonder te weten waar deze hem heenvoerde. Hij zou haar zien! Hij zou haar zien! Bij haar was het middelpunt van het heelal. Zij was het hart der wereld voor Pen. De dag van gisteren, toen hij haar nog niet kende, scheen onnoemelijk lang geleden; er lag eene geheele omkeering tusschen hem en dien tijd, en eene nieuwe wereld stond op het punt van voor hem geopend te worden.

De kapitein voerde zijn jongen vriend naar dat stille straatje in Chatteries, Prior’s Lane geheeten, dat in het kerkelijk gedeelte der stad ligt, nabij de huizen van den deken Green en de kanunniken, en waarop de torens der hoofdkerk neerzien. Daar woonde de kapitein heel bescheiden op de eerste verdieping van een huis met een lagen gevel en met eene koperen plaat aan de deur, waarop: Creed, heeren- en dames kleermaker [45]te lezen stond. Creed was evenwel dood. Zijne weduwe was stovenzetster in de kerk dichtbij; zijn oudste zoon was een kleine guit van een koorknaap, die kruis en munt speelde, zijne broertjes tot allerlei kattekwaad aanzette en eene stem had als een engel. Een paar van die broertjes zaten op het stoepje, dat men moest opgaan om in den gang van het huis te komen, sprongen driftig hun huisgenoot te gemoet en vlogen als bezetenen, tot Pen’s verbazing, op de rokspanden van den kapitein los, want doorgaans bracht die goedhartige heer, als hij bij kas was, een appel of een stuk koek voor deze kinderen mee, „zoodat de weduwe mij nooit lastig viel om de huur, wanneer het mij niet schikte,” bekende hij later met een veelbeteekenenden blik aan Pen, terwijl hij den vinger tegen zijn neus plantte.

Pen tuimelde het stoepje op naar binnen, en terwijl hij zijn geleider op de oude krakende trap volgde, knikten zijne knieën. Hij kon bijna niet zien, toen hij dicht achter den kapitein binnentrad en in de kamer stond – in hare kamer. Hij zag iets zwarts, dat zich bewoog alsof het eene nijging maakte, en hoorde, ofschoon zeer onduidelijk, dat Costigan eene rede hield, waarbij de kapitein, met zijne gewone hoogdravendheid, aan „zijn kind” zijn wensch betuigde om haar in kennis te brengen met „zijn dierbaren en achtenswaardigen jongen vriend, mijnheer Arthur Pendennis, een gegoed jong gentleman uit den omtrek, iemand van een beschaafden geest en innemende manieren, een oprecht beminnaar van de dichtkunst en een man, begaafd: met een gevoelig en welwillend hart.”

„Mooi weertje,” zeide mejufvrouw Fotheringay met een Iersch accent en eene diepe, volle, melancholische stem.

„Heel mooi,” antwoordde mijnheer Pendennis. Op deze min romantische wijze begon hun gesprek, en spoedig vond hij zich gezeten op een stoel en had hij gelegenheid de jonge dame aan te zien.

Zij zag er buiten het tooneel nog bekoorlijker uit dan bij het lamplicht. In elken stand, dien zij aannam, had zij iets indrukwekkends en koninklijks. Toen zij opstond en tegen den schoorsteenmantel leunde, drapeerde haar kleed zich in klassieke plooien rondom hare gestalte; hare kin rustte op hare hand en de overige lijnen harer figuur vertoonden zich in harmonische golving; zij geleek eene peinzende muze. Toen zij zich op een matten stoel zette, vlijde haar arm zich bevallig over den rug, hare hand zag er uit alsof die een schepter behoorde te zwaaien, de plooien van haar gewaad vielen van zelve regelmatig rondom haar neder, gelijk staatsdames een troon omringen: men zou haar voor eene keizerin hebben aangezien. Elke beweging was bevallig en vorstelijk. Bij den dag zag men, dat zij blauwzwart haar en eene oogverblindend blanke tint bezat, terwijl een bewijsje van een blosje hare wangen kleurde. Zij had grijze oogen met ongeloofelijk lange wimpers, en wat haar mond betreft, heeft mijnheer Pendennis mij later verklaard, dat die zoo blinkend rood was, dat de schitterendste geranium, evenmin als lak, of de uniform der garde, er mee kon wedijveren.

„En heel warm,” ging deze keizerin en koningin van Scheba voort.

Mijnheer Pen stemde dit weer toe en in dier voege ging het gesprek voort. Zij vroeg aan Costigan of hij een genoeglijken avond in den George had doorgebracht, waarop hij verslag deed van het souper en opsomde hoeveel glazen punch er gedronken waren. Haar vader vroeg van zijn kant, hoe zij haar morgen had besteed.

„Bows is tegen tien uur gekomen,” gaf zij ten antwoord, „en toen [46]hebben wij Ophelia bestudeerd. Dat is voor den vier en twintigsten, wanneer ik hoop, mijnheer, dat wij de eer zullen hebben u te zien.”

„Zeker, zeker!” riep mijnheer Pendennis uit, terwijl hij zich heimelijk verwonderde, dat zij „Ophelia” met een Iersch accent had uitgesproken, hetgeen ook in het algemeen met hare andere woorden het geval was, ofschoon men op het tooneel niet den minsten Hibernischen tongval bij haar waarnam.

„Ik heb hem voor uwe benefice geworven, schatje,” zeide de kapitein, op zijn vestzak kloppende, die Pen’s souvereinen bevatte, en met een knipoogje tegen Pen, dat den jongen een blos naar het gezicht joeg.

„Mijnheer – mijnheer is heel vriendelijk,” zeide mevrouw Haller.

„Ik heet Pendennis,” zeide Pen, weer blozende. „Ik – ik – hoop, dat gij het – het zult kunnen onthouden.” Zijn hart bonsde zoo hevig toen hij deze vermetele woorden sprak, dat hij er bijna in stikte.

„Pendennis,” herhaalde zij langzaam en keek hem zoo vast, zoo duidelijk, zoo helder, zoo betooverend in de oogen, zij sprak dien naam met zulk eene zoete, volle, diepe stem uit, dat die blik en die stem Pen door merg en been drongen en hem met verrukking bezielden.

„Ik heb nooit vroeger geweten, dat het zoo’n lieve naam was,” zeide Pen.

„Het is een heel lieve naam,” hernam Ophelia. „Pentweazle’s naam klinkt in het geheel niet lief. Gij herinnert u toch nog wel, papa, toen wij te Norwich waren, dien jongen Pentweazle, die tweede père noble was, en met jufvrouw Rancy, de Colombine, getrouwd is? zij zijn nu te Londen bij den Schouwburg der Koningin geëngageerd tegen vijf pond ’s weeks. Pentweazle was zijn ware naam niet; Judkin had hem dien gegeven, ik weet niet waarom. Hij heette Harrington, dat wil zeggen zijn eigenlijke naam was Potts. Hij was de zoon van een dominé, een heel deftig man. Harrington kwam te Londen en stak zich in schulden. Het staat u zeker nog wel voor, dat hij als Falkland optrad met mevrouw Bunce als Julia.”

„Dat was eene mooie Julia!” viel de kapitein hier in: „eene vrouw van vijftig jaar en moeder van tien kinderen! Gij hadt voor Julia moeten spelen, of ik heet niet Jack Costigan.”

„Ik speelde toen nog geen hoofdrollen,” sprak jufvrouw Fotheringay zedig: „ik was er niet geschikt voor, tot Bows het mij leerde.”

„Dat is waar, schatje,” zeide de kapitein, boog zich tot Pendennis over en liet er op volgen: „Wij zijn wat afgetakeld, mijnheer; ik ben eenigen tijd schermmeester te Dublin geweest (er waren maar drie mannen in het heele rijk, die mij in der tijd met de floret aan het lijf konden komen, maar Jack Costigan wordt tegenwoordig oud en stijf, mijnheer) en mijne dochter kreeg een engagement aan het tooneel; mijn vriend mijnheer Bows, die haar aanleg zag en buitengewoon scherpzinnig is, gaf haar onderwijs in de kunst en maakte haar tot hetgeen zij thans is. Wat hebt gij gedaan nadat Bows vertrokken was, Emily?”

„Wel, ik heb eene pastei gemaakt!” antwoordde Emily met de grootste eenvoudigheid.

„Als gij die ten vier uur mee wilt proeven, mijnheer, zeg het dan maar,” zeide Costigan op de voorkomendste wijze. „Dat meisje, mijnheer, maakt de beste kalfsvleesch- en hampastei in geheel Engeland, en ik geloof, dat ik u wel een glas punch van het ware gehalte ook beloven kan.” [47]

Pen had beloofd ten zes uur thuis te zullen zijn om te eten, maar de guit meende, dat hij in dit opzicht zijn genoegen met zijn plicht kon vereenigen, en nam in verrukking de uitnoodiging aan. Opgetogen en verwonderd zag hij, hoe Ophelia door de kamer trippelde om de toebereidselen voor den maaltijd te maken. Zij zette de glazen gereed, spreidde het kleine tafellaken en streek het glad, al welke plichten zij met eene bedaardheid, eene bevalligheid en eene opgeruimdheid volbracht, die haar gast meer en meer betooverden. Een der broertjes van den kleinen koorknaap bracht op het bepaalde uur de pastei van den bakker; en ten vier uur zat Pen te dineeren – waarachtig te dineeren – met de grootste tragedienne ter wereld en met haar vader, – met de lieftalligste vrouw uit de gansche schepping, – met zijne verste en eenige geliefde, die hij aanbad – sinds wanneer? – sinds gisteren, maar nu voor eeuwig! Hij at gebak van haar maaksel, hij schonk haar een glas bier, hij zag haar een glaasje punch drinken – niet meer dan een wijnglas vol – uit het bierglas, dat zij voor haar papa had gereedgemaakt. Zij was heel welwillend en vroeg of zij voor Pen ook een glas mocht maken. Het was verbazend sterk; Pen had nog nooit in zijn leven zooveel sterken drank met water verzwolgen. Was het de punch of de punchmaakster, die hem bedwelmde?

Zoodra de kapitein, die door zijne dochter met het meeste ontzag behandeld werd, onder het diner ophield over zich zelven en zijne lotgevallen te praten, trachtte Pen jufvrouw Fotheringay in een gesprek over de dichtkunst en haar eigen beroep te wikkelen. Hij vroeg wat zij dacht van Ophelia’s waanzin, en of zij het er al dan niet voor hield, dat Ophelia op Hamlet verliefd was? „Verliefd op zulk een akelig kereltje als die domme regisseur van een Bingley?” Zij kookte van verontwaardiging bij de bloote gedachte. Pen bracht haar aan het verstand, dat hij haar niet bedoelde, maar de Ophelia uit het treurspel. „O zoo! Nu, als er niets kwaads bedoeld was, zou zij het er óók bij laten. Maar anders, die Bingley – zij gaf geen zier om hem – kijk, dat glas punch niet.” Vervolgens stelde Pen haar op de proef met Kotzebue. „Kotzebue? wie was dat?” – „De schrijver van het stuk, waarin zij zoo heerlijk speelde.” – „Dat wist zij niet – de naam van den man op het titelblad van het boek was Thompson,” gaf zij ten antwoord. Pen lachte over haar aanbiddelijken eenvoud. Hij verhaalde haar, dat de schrijver van dat stuk zulk een noodlottig einde had gehad en door Sand vermoord was. Het was voor het eerst van haar leven, dat jufvrouw Costigan hoorde, dat er een Kotzebue bestaan had, doch zij zette een gezicht alsof zij er veel belang in stelde, en die schijn van deelneming was voldoende voor den eerzamen Pen.

Onder diergelijke gesprekken vloden de vijf kwartieren, die Pen zich veroorloven kon, maar al te snel voorbij, zoodat hij afscheid nam en verdween, en den snellen rit naar huis op den rug van Rebekka aanving. Het paard had bij de drie tochten, welke het gedaan had, gelegenheid om te toonen waartoe het in staat was.

„Wat sprak hij daar over de krankzinnigheid van Hamlet en de theorie van dien grooten Duitschen schrijver?” vroeg Emily aan haar vader.

„Ik weet het zoo waar niet, beste Milly,” gaf de kapitein ten antwoord. „Wij zullen het Bows eens vragen als hij komt.”

„In ieder geval is het een aardig en beleefd jonkman,” zeide de dame; „hoeveel plaatsen heeft hij van u genomen?” [48]

„Wel, hij heeft er zes genomen en mij twee guinjes gegeven, Milly,” zeide de kapitein. „Ik geloof, dat die jonge heeren niet al te ruim bij kas zijn.”

„Hij vloeit over van geleerdheid,” ging jufvrouw Fotheringay voort. „Kotzebue! hi, hi! – wat is dat een rare naam! en heeft die arme man zijn dood gevonden door zand? Hebt ge ooit zoo iets raars gehoord? Daar zal ik Bows eens naar vragen, papa!”

„Het is zeker een zonderlinge dood geweest,” merkte de kapitein op en liet daarop dit pijnlijke onderwerp varen. „Het is een mooi paard dat de jonge heer berijdt,” vervolgde Costigan, „en op het ontbijt, dat de jonge heer Foker ons gaf, viel niets aan te merken.”

„lk zou wel denken, dat hij twee particuliere loges en ten minste twintig biljetten zal nemen.” zeide de dochter, een voorzichtig meisje, dat altijd de mooie oogen op Nommer Eén gevestigd hield.

„Daar geef ik u mijn woord op.” antwoordde papa; en op dien voet werd het gesprek nog eenigen tijd voortgezet, totdat het bierglas met punch leeg was. Spoedig sloeg ook het uur van vertrek, want jufvrouw Fotheringay moest ten half zeven weer in den schouwburg zijn, waarheen haar vader haar altijd vergezelde; gelijk wij gezien hebben, hield hij haar uit de coulisses in het oog, of dronk hij in de kleedkamer grog met het daar vergaderde gezelschap.

„Wat is zij schoon!” dacht Pen terwijl hij naar huis draafde. „Hoe eenvoudig en zacht! Wat is het verrukkelijk, eene vrouw van haar weergaloos genie zich met de lieve, maar nederige huishouding te zien bezig houden, haar gerechten te zien gereedmaken om haar ouden vader genoegen te doen, of met hare teedere vingeren haar drank voor hem te zien bereiden! Wat was het lomp van mij, dat ik over haar beroep begon te spreken, en wat wist zij er behendig eene andere wending aan te geven! Zij sprak wel is waar zelve over zaken van haar beroep, maar hoe geestig en luimig verhaalde zij dan ook die geschiedenis van haar kennis Pentweazle, zooals zij hem noemde! Er gaat maar niets boven Iersche geestigheid. Haar vader is wel wat langdradig, maar toch heel vriendelijk; en hoe loffelijk van hem, dat hij, na den dienst verlaten te hebben, waar hij de lieveling van den hertog van Kent was, les in het schermen gaf. Schermen! Ik zou mijn schermen wel willen onderhouden, of ik zal alles vergeten wat Angelo mij geleerd heeft. Oom Arthur had altijd gaarne, dat ik schermde, en zegt, dat het onmisbaar voor een gentleman is. Kom aan, ik zal eenige lessen bij kapitein Costigan nemen. Voort, Rebekka! tegen den heuvel op, oude Jufvrouw. Pendennis, Pendennis – wat sprak zij dien naam liefelijk uit! Emily, Emily! Wat is zij goed, edel, schoon, volmaakt!”

De lezer nu, die het geluk heeft gehad het heele gesprek van Pen met jufvrouw Fotheringay bij te wonen, kan zelf over de mate van hare geestvermogens oordeelen, en zal misschien meenen, dat zij bij dat onderhoud niets bijzonder geestigs of verstandigs gezegd had. Zij is sedert gehuwd en heeft hare plaats in de maatschappij als eene smettelooze en onbesprokene dame ingenomen; en ik ben verplicht te verklaren, in strijd met het oordeel van mijn vriend Pen, dat zijne aangebeden Emily geen snuggere vrouw is. Zij had werkelijk niet alleen van Kotzebue nooit gehoord, maar evenmin van Farquhar, Congreve of eenig ander tooneelschrijver, in wiens stukken zij niet optrad, en van de stukken, waarin zij eene rol vervulde, kende zij alleen het gedeelte, dat [49]haar zelve aanging. Een grappenmaker maakte haar eens diets, dat Dante te Algiers geboren was, en vroeg haar wat Dr. Johnson het eerst geschreven had: „Irene” of „Iedereen naar zijn aard.” Maar zij kwam er het best af, want zij had nooit van „Irene” of „Iedereen naar zijn aard” of Dante of misschien zelfs, van Algiers gehoord. Het was haar allemaal hetzelfde. Zij speelde zooals Bows het haar voorschreef. – Zij snikte waar hij zeide, dat zij snikken moest, – zij lachte waar hij wilde dat zij zou lachen. Zij sprak een treffend gezegde of een snedig antwoord uit zonder het minste begrip van de beteekenis. Zij ging en gaat met een volkomen onbevlekten naam elken Zondag trouw ter kerk, en was en is zoo vrij van gezond verstand als van eenige andere misdaad.

Maar wat wist onze Pen van die dingen? Hij zag een paar schitterende oogen en geloofde daaraan; hij zag een heerlijk beeld en wierp zich op de knieën om het te aanbidden. Hij vulde den zin aan, die aan hare woorden ontbrak, en schiep zelf de godheid, die hij vereerde. Was Titania de eerste, die op een ezel verliefde, of Pygmalion de eenige kunstenaar, die waanzinnig werd om een steen? Hij had haar gevonden, – datgeen gevonden, waarnaar zijne ziel dorstte. Hij wierp zich in den stroom en dronk met alle macht. Laten degenen, die eenmaal ook dorstig zijn geweest, ons eens verhalen hoe heerlijk die eerste teug smaakt! Toen Pen de laan, die naar zijn huis leidde, opreed, schaterde hij het van lachen uit bij het zien van den eerwaarden heer Smirke, die weer bedaard op zijn hit van Fairoaks aankwam. Smirke had gepraat en zich opgehouden in de hutten langs den weg en daarna weer met Laura bij hare lessen getalmd, en was vervolgens een kijkje gaan nemen naar den tuin en de daar ingevoerde verbeteringen, tot hij mevrouw Pendennis eindelijk doodelijk verveelde, en eerst op het laatste oogenblik, toen de uitnoodiging om te blijven dineeren, waarnaar hij snakte, uitbleef, afscheid had genomen.

Pen was vervuld met een gevoel van welwillendheid en zegepraal. „Wat, weer opgestaan en zonder gebroken ribben?” vroeg hij lachend. „Kom weer mee, ouwe jongen, en eet mijn diner maar op – ik heb het mijne reeds binnen; maar wij zullen eene flesch van den ouden wijn laten aanrukken en op hare gezondheid drinken, Smirke.”

De arme Smirke keerde weer terug en hotste naast Arthur voort. Zijne moeder was opgetogen hem zoo opgeruimd te zien en heette om zijnentwil mijnheer Smirke welkom, toen Arthur zeide, dat hij den hulpprediker gedwongen had weer terug te komen om met hen te dineeren. Hij gaf daarop een allerpotsierlijkst verslag, zoo van het stuk van den vorigen avond, als van het spel van den regisseur Bingley in zijne krakende ruiterstevels en van de zwaarlijvige mevrouw Bingley als de Gravin in verkreukt groen satijn en eene Poolsche muts. Hij bootste hen zoo getrouw mogelijk na, tot groot vermaak van zijne moeder en van de kleine Laura, die van genoegen in de handen klapte.

„En mevrouw Haller?” vroeg mevrouw Pendennis.

„Die is een dooddoener, moeder,” antwoordde Pen, lachende, met de eigen woorden van zijn geachten vriend den heer Foker.

„Een wat, Arthur?” vroeg de dame.

„Wat is een dooddoener, Arthur?” riep Laura op denzelfden toon uit.

Hij gaf dus eene luchtige beschrijving van mijnheer Foker, en voegde er bij, dat hij op school Biervat en Graankorrel werd genoemd en nog andere schimpnamen moest hooren, maar dat hij nu verbazend rijk was [50]en als een voornaam student bij het Bonifacius-Collegie ingeschreven stond. Doch hoe vroolijk en spraakzaam mijnheer Pen ook was, repte hij geen lettergreep van zijn rit naar Chatteries dien dag, noch van de nieuwe kennissen, die hij daar gemaakt had.

Toen de beide vrouwen zich verwijderd hadden, vulde Pen met schitterende oogen twee groote glazen met madera, zag Smirke vlak in de oogen en zeide toen: „Dat gaat op hare gezondheid!”

„En dit gaat op de hare!” antwoordde de hulpprediker met een zucht, terwijl hij zijn glas oplichtte en het geheel leegdronk, zoodat zijn gezicht een klein blosje vertoonde, toen hij het weer neerzette.

Pen kreeg dien nacht nog minder slaap dan den vorigen. Des morgens ging hij bijna vóór het krieken van den dag het huis uit, zadelde zelf de ongelukkige Rebekka en reed als een razende de duinen met haar over. Andermaal had de Liefde hem gewekt, en gezegd: „Word wakker, Pendennis! hier ben ik.” Hij koesterde die bekoorlijke koortsigheid, dat verrukkelijke smachten, dat vuur en die onzekerheid, als troetelkinderen, die hij voor alle schatten der wereld niet had willen verliezen.