[Inhoud]

ZES EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Waarin Fanny een nieuwen dokter aanneemt.

Zou Helena gevreesd hebben, dat Pen’s ongelukkige genegenheid voor de kleine Fanny bij den terugkeer van zijne gezondheid ook weer ontwaken zou? Ofschoon zij na haar onderhoud met den majoor geen woord meer over dat meisje sprak en oogenschijnlijk niet bewust was dat er eene Fanny op de wereld bestond, hield zij nauwkeurig het oog op alle gangen van den jongen heer Arthur; onder voorwendsel, dat hij nog zoo zwak was, verloor zij hem bijna geen oogenblik uit het gezicht; en inzonderheid stelde zij er prijs op, dat hij zich, althans voor het oogenblik, met geen briefwisseling vermoeien zou. Niet onwaarschijnlijk is het, [138]dat Pen zijne brieven met zekere ontroering aanzag, – niet onwaarschijnlijk, dat hij elken dag, als hij ze aan de ontbijttafel ontving, en gevoelde, dat zijne moeder het oog op hem hield (ofschoon de aandacht der goede ziel op haar kopje of haar boek gevestigd scheen), een klein schrift verwachtte te zien, dat hij zou gekend hebben, ofschoon hij het nooit onder de oogen had gehad. Zijn hart klopte dus, als hij de aan hem gerichte brieven opnam. Deed het hem genoegen of verdriet, dat zijne verwachting dag op dag werd te leur gesteld, en nam het hem een pak van het hart, dat er geen brief van Fanny kwam? Hoewel het in zulke gevallen, zoodra Clarissa Lovelace begint te vervelen (of omgekeerd), voor beide partijen het beste is de betrekking maar dadelijk af te breken, zoodat elk van beiden, na de mislukte poging tot eene verbintenis, zijn eigen weg kan gaan en de levensreis in eenzaamheid voortzetten, zoo kwetst toch die plotselinge bankbreuk onze eigenliefde, ons medelijden, of ons gevoel van betamelijkheid. Alvorens wij aan de wereld bekend maken, dat onze firma van Lovelace en Co. niet meer aan hare verplichtingen kan voldoen, trachten wij in schikkingen te treden; hebben er treurige bijeenkomsten van de deelgenooten plaats; wij stellen het sluiten van de luiken en de droevige aankondiging van het faillissement zoo lang mogelijk uit. Dat oogenblik moet eenmaal komen; maar wij verpanden onze juweelen, om de zaken nog een poosje gaande te houden. Alles bijeengenomen, geloof ik, dat het Pen speet dat hij geene verwijten van Fanny ontving. Hoe? kon zij zóó van hem scheiden, zonder nog een enkele maal om te zien? kon zij zinken, zonder ééns haar handje uit te steken en te roepen: „Hulp, hulp, Arthur!” Nu, nu, – niet allen, die deze reis ondernemen, gaan te gronde. Enkelen verdrinken, als het schip zinkt; maar de meesten krijgen enkel een koud bad en scharrelen naar den oever; en de lezer zal uit de kennis, die hij van den weledelgeboren heer Arthur Pendennis van den Upper Temple heeft, kunnen afleiden, of die heer tot de personen behoorde, die kans hadden te verzinken of zich te redden.

Ofschoon Pen nog te zwak was om eene halve mijl ver alleen te wandelen, en, om den wille van zijne kostbare gezondheid niet alleen mocht uitrijden zonder een oppasster aan zijne zijde, kon Helena echter niet ook mijnheer Warrington bewaken, evenmin als zij de bevoegheid bezat om dien heer te beletten naar Londen te gaan, wanneer zijne zaken hem daarheen riepen. Indien hij heengegaan en weggebleven ware, zou de weduwe misschien haar eigen redenen gehad hebben om zich daarover te verblijden; maar zij onderdrukte die zelfzuchtige begeerte, zoodra zij ze ontdekte of waarnam; en daar zij zich Warrington’s groote liefde en dienstvaardigheid en bestendige vriendschap voor haar zoon herinnerde, behandelde zij hem, met hare gewone droeve vriendelijkheid en onderworpen berusting, bijna als een lid van de familie. Desniettemin raadde zij op zekeren morgen, toen hij voor zijne zaken de stad in moest, dat hij op een welbekenden tocht uitging en voor Pen inlichtingen omtrent Fanny moest inwinnen.

Werkelijk had Pen met zijn vriend gesproken en hem verteld welke avonturen hij met Fanny had gehad (die de lezer reeds kent) en welke gevoelens hij haar toedroeg. Hij was zeer dankbaar, dat hij aan het dreigende gevaar had mogen ontkomen, waarop Warrington van ganscher harte amen zeide; dat hij zich over zijn gedrag te haren opzichte niet veel te verwijten had, doch dat hij, indien zij scheidden, haar Gods besten zegen toewenschte en hoopte, dat zij hem in vriendschap zou blijven gedenken. Zoo ernstig en aangenaam liet hij zich over deze zaken [139]tegen Warrington uit, dat George, die zich ook ten sterkste voor de scheiding verklaard had, begon te vreezen, dat zijn vriend niet zoo goed van dien hartstocht genezen was als hij zich verbeeldde, en dat het gansche gevaar en de geheele verzoeking weer doorstaan zou moeten worden, indien beiden opnieuw met elkander in aanraking kwamen. En dan met welk gevolg? „De strijd is zwaar en men valt licht,” had Warrington gezegd, „en wij arme menschen kunnen niet beter doen dan het gevaar ontvluchten. Ik zou niet wezen wat ik nu ben, als ik zelf gehandeld had op die wijze.”

„En wat hebt gij dan gedaan, George?” vroeg Pen nieuwsgierig. „Ik weet, dat er iets voorgevallen is. Vertel het mij nu eens, Warrington.”

„Er is iets voorgevallen, dat niet verholpen kan worden en dat reeds vroeg in mijn leven al mijne vooruitzichten verwoest heeft,” gaf Warrington ten antwoord. „Ik heb gezegd, Pen, dat ik het u eenmaal zou vertellen; en dat zal ik doen, maar niet op dit oogenblik. Neem thans de moraal zonder de fabel ter harte, Pen; en als gij iemand wilt zien, die voor zijn gansche leven schipbreuk geleden heeft, omdat hij als knaap op één onzalige klip heeft gestooten – hier staat hij voor u, Arthur; wees dus gewaarschuwd!”

Wij hebben medegedeeld, dat mijnheer Huxter, toen hij aan zijne vrienden te Clavering schreef, gewag maakte van eene voorname club te Londen waarvan, hij lid was en waar hij dikwijls een aanzienlijk Iersch officier ontmoette, die hem, met andere nieuwtjes, de berichten omtrent Pendennis had verschaft, welke de jonge chirurgijn naar Clavering had overgemaakt. Die club was niets anders dan de Achterkeuken, waar de discipel van Galenus den Generaal placht te ontmoeten, wiens eigenaardig Iersch accent, voorkomen, karakter en gesprekken de jonge heeren, die de Achterkeuken des avonds tot hunne plaats van uitspanning en verversching kozen, grootelijks vermaakten. Huxter, die van natuur veel aanleg had om iedereen en alles na te bootsen, – onverschillig of het een geliefkoosd treurspeler of komiek was, of een haan op een mesthoop, een kurketrekker, die in eene kurk geschroefd werd, of eene kurk, die uit de flesch kwam, of een Iersch officier van deftigen huize, die zich maar al te zeer als een voorwerp ter nabootsing bloot gaf en onophoudelijk den mond roerde en op zijn armzalige wijze aan het zwetsen sloeg, zoodra hij iets te drinken, een toehoorder en de gelegenheid daartoe vond, – Huxter dan bestudeerde onzen vriend den Generaal met groote belangstelling en maakte den goeden man menigen avond aan den gang. De waardige oude heer beet altijd aan een lokaas, dat uit een brandewijngrogje bestond, en zoodra deze drank zijn invloed op hem uitoefende, was niemand gelukkiger dan hij wanneer hij over de triomfen van zijne dochter en van hem zelven in de liefde, den oorlog, het drinken en in voornaam gezelschap mocht opsnijden. Aldus kreeg Huxter gelegenheid om Costigan in verschillende toestanden voor zijne vrienden na te bootsen: Costigan, die in het Phenix-Park duelleerde, – Costigan, die een onderhoud met den hertog van York had, – Costigan aan de tafel van zijn schoonzoon, in gezelschap van den hoogsten adel, – Costigan in beschonken toestand, schreiende en zich beklagende over de ondankbaarheid zijner dochter, die haar grijzen vader vóór zijn tijd in het graf hielp. Aldus lokte onze vriend naar de Achterkeuken een aantal jongelui, die den drank van den kastelein gebruikten, terwijl zij zich met de eigenaardigheden van den Generaal [140]vermaakten, zoodat de kastelein vele zwakheden van dezen laatste door de vingers zag, uit aanmerking van de klandizie, die hij hem aanbracht. Zeker was dit geen hoog standpunt in de maatschappij, geen positie, die wij een oud man, indien wij hem eerbied toedragen, zouden wenschen te zien innemen; maar de oude potsenmaker had niet het minste vermoeden, dat het geen aanzienlijke plaats was, die hij bekleedde, en in zijn met whisky doortrokken bloed was geen droppel wangunst, in zijn verward brein geen gevoel van bitterheid jegens wien ook. Hij zou zelfs zijn kind, zijne hardvochtige Emily, aan zijn hart gedrukt en haar onder een stroom van tranen vergiffenis geschonken hebben, en wat kan men meer tot lof van iemands christelijke liefde zeggen, dan dat hij werkelijk bereid is, dengenen, die hem alle mogelijke vriendschap bewezen hebben en jegens wie hij ongelijk heeft, vergiffenis te schenken?

Onder de jongelui, die gewoon waren in de Achterkeuken te komen en zich met het gezelschap van kapitein Costigan te vermaken, liep het praatje, dat de kapitein uit vrees voor schuldeischers, of uit begeerte om ongestoord te blijven, een geheim van zijne woonplaats maakte en zeker in een allerwonderlijkst verblijf toefde. De kastelein wilde, wanneer men hem daarover ondervroeg, geen opheldering geven; zijn stelregel was, dat hij de heeren, die zijne zaal bezochten, alleen in die zaal kende; dat zijne betrekking tot hen ophield, zoodra zij als fatsoenlijke mannen hun gelag betaald en zich als heeren gedragen hadden; en dat hij, daar hij zelf gentleman was, het onderzoek naar de woonplaats van een ander gentleman als onbetamelijke nieuwsgierigheid beschouwde. Ook Costigan wist in zijne meest beschonken en vertrouwelijke oogenblikken het antwoord op de daartoe betrekkelijke vragen of wenken te ontwijken. Er was, gelijk wij gezien hebben, daar wij meer dan eens de eer hadden zijne woning te betreden, geen bijzonder geheim aan verbonden maar gedurende de lotwisselingen van zijn lang leven had hij dikwijls genoeg in huizen gewoond waar hij, om ongestoord te blijven, zich moest schuilhouden en waar de verschijning van zekere bezoekers hem alles behalve verheugd zou hebben. Grappenmakers of lichtgeloovige personen brachten dus allerlei legenden met betrekking tot zijne woonplaats in omloop. Men beweerde, dat hij doorgaans in een kleppermanshuisje in de City den nacht doorbracht, of in eene vigilante in den stal, waar een koetsier hem vergunde te slapen, of in de kolom van den hertog van York enz., en het was de koddige en verbeeldingrijke Huxter, die de wonderbaarlijkste van die theorieën opperde. Want, als Huxter niet overbluft werd door de aanwezigheid van groote heeren, maar zich onder zijn eigen vrienden bevond, was hij een heel andere kerel dan de jonkman, dien wij door Pen’s aanmatigende manieren tot zwijgen hebben zien brengen, en, terwijl zijne familie in zijne geboorteplaats hem aanbad, was hij de ziel van den kring, waarin hij zich bevond, hetzij aan den feestdisch, hetzij rondom de ontleedtafel.

Op zekeren helderen Septembermorgen, toen Huxter, na in den Vauxhall een heerlijken nacht met dansen te hebben doorgebracht, zich aan een stalletje in Covent Garden op een kopje koffie vergastte, ontdekte hij den Generaal, die de Henriëtta-Straat doorwaggelde, met eene bende juilende kwajongens op zijne hielen, die zoo tijdig hunne slaapplaatsen onder de bogen der bruggen verlaten hadden en reeds rondzwierven om een ontbijt machtig te worden en op hunne eigenaardige wijze den kost voor dien dag te verdienen. De arme oude Generaal verkeerde in zulk een toestand, dat de spotternijen en aardigheden der jonge schavuiten niet veel vat op hem hadden; de koetsiers en de loopjongens, [141]bij de standplaats der cabs, kenden hem en maakten hunne aanmerkingen; de politie-agent keek hem na en wenkte met blikken van minachting en meewarigheid tegen de jongens, dat zij hem met rust moesten laten; maar wat konden de minachting en meewarigheid der menschen, de spotternijen van baldadige kinderen den Generaal schelen? Hij zwaaide met glazige oogen over de straat, en had nog juist bewustheid genoeg om te weten waar hij naar toe wilde en zijn gewonen weg huiswaarts te volgen. Hij ging zoo dikwijls als wie ook in geheel Londen naar bed, zonder te weten op welke wijze hij het gevonden had. Hij ontwaakte en vond zich daar liggende en vroeg er niet verder naar, en zoo was hij nu weder op zijne dagelijksche, hoewel gevaarlijke reis, toen Huxter, van zijne plaats aan het koffiestalletje, hem in het oog kreeg. Zijn vriend te zien en zijne twee stuivers te betalen (en hij had er nog maar acht over, of hij zou eene vigilante van den Vauxhall genomen hebben om naar huis te rijden), was voor den nieuwsgierigen Huxter het werk van een oogenblik. Costigan sloeg de nauwe straatjes bij den Drury-lane schouwburg in, waar het van herbergen, oesterwinkels en magazijnen van costumen wemelt, wier eigenaren nu achter hunne luiken in slaap gedompeld lagen, terwijl het rozeroode morgenlicht hunne schoorsteenen begon te vergulden; en door die stegen en straatjes volgde Huxter den Generaal, tot hij Oldcastle-Street bereikte, in welke de poort van Shepherd’s Inn uitkomt.

Maar juist toen de Generaal in het gezicht zijner woning was, trapte hij op eene noodlottige sinaasappelschil, waardoor de arme oude man achterover viel.

Huxter snelde dadelijk toe. Na een oogenblik, gedurende hetwelk de veteraan, door den val en de gebruikte whisky bedwelmd, zoo goed mogelijk zijn versuft denkvermogen bijeenbracht, hielp de jonge chirurgijn den hinkenden Generaal op de been en bood vriendelijk en hulpvaardig aan, hem thuis te brengen. Op de vragen van den student in de medicijnen, weigerde de sufferige Generaal te antwoorden waar hij woonde; hij verklaarde, dat het dichtbij was en hij er zonder moeite kon komen. Hij maakte zich van Huxter’s arm los en nam een loopje, als om zonder bijstand zijne woning te bereiken; maar hij waggelde en zwaaide zoo erg, dat de jonge chirurgijn hem volstrekt wilde geleiden en er eindelijk, door vele geruststellende betuigingen en opbeurende gezegden, in slaagde, des Generaals onzindelijke oude hand onder hetgeen hij zijn eigen vlerk noemde te krijgen, en hem, klaaglijk steunende, de straat over te brengen. Hij bleef stilstaan toen zij aan de oude poort kwamen, die met het wapen van den achtbaren Shepherd versierd is. „Hier is het,” zeide hij, voor het portaal stand houdende, waar hij met goed gevolg een ruk aan de schel gaf, die dadelijk den ouden Bolton voor den dag deed komen, met een gezicht zoo zuur als azijn en brommende als een beer, gelijk zijne gewoonte was elken morgen, wanneer hij op zijne beurt dezen nachtvogel moest binnenlaten.

Costigan trachtte Bolton een oogenblikje vriendschappelijk aan de praat te houden, maar deze weigerde norsch zich daartoe te leenen. „Hou mij niet op,” riep hij uit; „ga naar uw eigen bed, kapitein, en houd fatsoenlijke lui niet uit het hunne.” De kapitein stak dus het binnenplein over en kwam aldus aan zijn eigen trap, welke hij, met den braven Huxter op zijne hielen, opstrompelde. Hij had een sleutel bij zich, dien Huxter voor hem in het sleutelgat stak, zoodat mijnheer Bows niet uit den slaap behoefde gewekt te worden, waarin de oude muzikant nog niet lang verzonken lag; en toen Huxter zijn beschonken [142]patiënt zich had helpen ontkleeden en daarbij bevonden had, dat hij geene beenderen gebroken had, bracht hij hem te bed en legde compressen met water op een zijner knieën en schenen, welke Costigan bij zijn val hevig geschramd had, gelijk hij ook de broek had gescheurd, waarin die lichaamsdeelen besloten waren. Op den leeftijd van den Generaal en met diens levenswijze komen zulke wonden, als hij zich had toegebracht, slechts langzaam tot genezing: er volgde eene vrij hevige ontsteking, en de oude man moest onder pijn en koorts eenige dagen het bed houden.

Mijnheer Huxter nam de behandeling van zijn belangwekkenden patiënt met zelfvertrouwen en vlugheid op zich en zette die met groote bekwaamheid voort. Elken dag bezocht hij zijn vriend en stelde hem door zijn levendig onderhoud en gesnap schadeloos voor het gemis van het gezelschap, waaraan Costigan behoefte gevoelde en van hetwelk hij altijd zulk een sieraad was geweest. Huxter schreef aan de oppasster van den zieke uitdrukkelijk voor, hoeveel whisky de patiënt gebruiken mocht, en deze instructiën kon de arme man zelf niet overtreden, daar hij vele dagen lang niet zonder hulp van zijn bed of zijne sofa kon komen. Bows, jufvrouw Bolton en onze kleine vriendin Fanny pasten, als zij er tijd toe hadden, den Generaal beurtelings op en men maakte het den ouden krijgsman onder zijne beproeving zoo gemakkelijk mogelijk.

Huxter, wiens innemende manieren en gezellige aard hem spoedig op goeden voet brachten met de personen, waarmee hij in aanraking kwam, en die niet zoo kieskeurig waren dat zij zich voor de gemeenzaamheid van dezen jongen heer terugtrokken, werd dus zoowel met onze bekenden op de bovenverdieping als met die in de portierswoning spoedig zeer vertrouwelijk. Hij meende Fanny ergens gezien te hebben, ja, hij was er zeker van; maar het was geen wonder dat hij het zich niet duidelijk kon herinneren, want het arme meisje vond niet goed hem in te lichten waar zij hem ontmoet had; en hij zelf had haar aanschouwd op een oogenblik, toen zijn eigen blik en zijn begrip van recht en onrecht verduisterd waren door het drinken en dansen; bovendien was de kleine Fanny zeer veranderd en vermagerd door de koorts, de aandoening, den hartstocht en de wanhoop, die gedurende de drie laatste weken zich van dat kleine slachtoffer hadden meester gemaakt. Haar hoofd was thans gebogen en haar gelaat ingevallen en bleek, en dikwerf had haar droevig oog in dat van den brievenbesteller gestaard als hij naar de Inn kwam, en was haar de moed ontzonken wanneer hij weer heenging. Toen mijnheer Costigan dat ongeluk kreeg, was het Fanny niet onwelgevallig, dat zij gelegenheid vond nuttig te zijn en iets degelijks te verrichten, iets waardoor zij misschien haar eigen kleine verdrietelijkheden zou kunnen vergeten; zij gevoelde, dat zij die beter kon dragen als zij haar plicht vervulde, ofschoon ik zeker ben, dat er menige traan in het gerstewater van den Ier neerdroppelde. Ach, roer dat gerstewater maar goed om en schep moed, kleine Fanny! Indien ieder, die aan uwe kwaal geleden heeft, er dadelijk aan stierf, wat zouden de doodgravers een gezegend beroep hebben!

Hetzij uit meewarigheid met zijn eenigen patiënt, òf uit ingenomenheid met diens gezelschap, kwam mijnheer Huxter ten minste twee- of driemaal daags Costigan bezoeken, en indien er geen lid van het gezin uit de portiersloge tegenwoordig was, had de jonge dokter hun onvermijdelijk eenige bijzondere voorschriften te geven, die hij dan zelf in hunne woning kwam brengen. Hij was een allervriendelijkst mensch; hij maakte of kocht stukjes speelgoed voor de kinderen, bracht appelen [143]en suikergoed voor hen mee, stak een masker bij zich en maakte hen bang, en riep een lach op het gelaat der bleeke Fanny te voorschijn. Jufvrouw Bolton noemde hij jufvrouw B., en gedroeg zich zeer vertrouwelijk, gemeenzaam en grappig jegens die dame, geheel anders dan dat „trotsche wezen zonder hart”, gelijk jufvrouw B. zekeren jongen heer van onze kennis noemde, wien zij nu verklaarde dat zij nooit had kunnen uitstaan.

Van deze dame, die zich zeer vrij uitliet, was het, dat Huxter eerlang vernam, welke ziekte de kleine Fanny zichtbaar ondermijnde en hoe Pen zich jegens haar gedragen had. Men kan zich wel voorstellen, dat jufvrouw Bolton’s verslag van het gebeurde niet volkomen onpartijdig was. Men zou uit haar verhaal hebben afgeleid, dat de jonge heer eene reeks van de onvermoeidste en listigste kunstgrepen in het werk had gesteld om de genegenheid van het meisje te winnen, dat hij de plechtigste beloften gedaan en geschonden had, en dat hij een ellendeling was, die door iederen bewonderaar van het vrouwelijk geslacht verfoeid en gekastijd moest worden. In zijne tegenwoordige stemming ten aanzien van Arthur en nog vertoornd over diens minachtende behandeling, was Huxter natuurlijk bereid om alles, wat hem ten nadeele van dien rampzaligen zieke verteld werd, voor waarheid aan te nemen. Maar waarom schreef hij nu niet naar Clavering gelijk de vorige maal? waarom gaf hij geen verslag van Pen’s wangedrag, met bijvoeging van de nadere bijzonderheden, die nu te zijner kennis gekomen waren? Eens meldde hij in een brief aan zijn schoonbroeder, dat „die lieve jongen”, die mijnheer Pendennis, door koortsen was aangetast en er slechts ternauwernood het leven had afgebracht, en dat gansch Clavering, „waar hij zoo populair was,” zich zeker over zijn herstel zou verheugen; en daarop liet hij volgen, dat hij een mooi geval van eene dubbele beenbreuk onder handen had bij een voornaam officier, hetgeen hem noodzaakte in de stad te blijven; maar wat Fanny Bolton betrof, hij maakte in zijne brieven even weinig gewag van haar als – Pen gedaan had in de zijne. O gij moeders thuis! Hoeveel meent gij wel, dat gij van uwe jongens weet? Hoeveel gelooft gij, dat u ten hunnen opzichte bekend is.

Maar er was geen reden waarom Huxter zijn hart niet voor Bows zou uitstorten, en derhalve deed mijnheer Sam, zeer kort na zijn gesprek met jufvrouw Bolton, aan den muzikant het verhaal van zijne vroegere bekendheid met Pen, dien hij een verwenschten, verwaanden schelm noemde, wien hij wel de brutale hersens zou willen inslaan, zoodra hij maar genoegzaam hersteld was om zijne tegenpartij als man te durven staan.

Toen nam Bows van zijn kant het woord en gaf zijne lezing van het verhaal, waarvan Arthur en de kleine Fanny de held en de heldin waren. Hij deelde mee, dat hunne ontmoeting geen toeleg was van Pen, maar het gevolg van eene domheid van den ouden Ier, die nu met een ziek been te bed lag; dat Pen zich als eerlijk man en met zelfbeheersching in die zaak gedragen had, en dat jufvrouw Bolton eene zottin was; en daarop verhaalde hij het gesprek, dat hij met Pen had gehad, en de verklaringen, die de jonkman had afgelegd. Het verhaal van Bows wekte wellicht eenige gewetensknagingen in de borst van Pen’s beschuldiger op; althans die heer verklaarde openhartig, dat hij Arthur verkeerd beoordeeld had, en zag af van zijn voornemen om mijnheer Pendennis de ooren te wasschen.

Doch zoo mijnheer Huxter zijne vijandige plannen ten aanzien van [144]Pen liet varen, verminderde hij daarom zijne beleefdheden jegens Fanny niet, hetgeen de ongelukkige mijnheer Bows weer met zijne gewone jaloezie en verbittering, opmerkte. „Ik behoef maar genegenheid voor iemand te koesteren,” dacht de oude man, „en dadelijk komt er een ander en wordt voorgetrokken. Van mijn jongelings-leeftijd af, tot nu ik zestig jaar ben, heeft mij altijd hetzelfde ongeluk vervolgt. Wat zou een man als ik anders verwachten dan uitgelachen te worden? Voorspoed te hebben en gelukkig te zijn is het deel van jongelui en niet van oude dwazen zooals ik. Ik heb mijn gansche leven de tweede viool gespeeld,” sprak hij met een bitteren lach; „hoe kan ik verwachten dat het fortuin zou keeren, na mij zoolang tegengeloopen te zijn?” Op deze zelfzuchtige wijze overzag Bows den stand van zaken, ofschoon weinigen zouden gedacht hebben, dat er eenige reden voor zijne jaloerschheid bestond, wanneer zij het bleeke en neerslachtige gelaat van het rampzalige meisje, het voorwerp zijner ijverzucht, gezien hadden. Fanny nam Huxter’s welwillende pogingen om haar te vertroosten en zijne beleefdheden vriendelijk op. Nu en dan lachte zij om zijn aardigheden en om de spelletjes, die hij met hare zusjes deed; doch weldra verviel zij weer tot eene moedeloosheid, die mijnheer Bows had moeten overtuigen, dat de nieuwe bekende vooralsnog geen plaats in haar hart had ingenomen; – indien het den jaloerschen Bows mogelijk ware geweest helder uit de oogen te zien.

Maar dat kon hij niet. Fanny schreef Pen’s stilzwijgen aan een of andere bemoeienis van Bows toe. Zij haatte Bows en behandelde hem steeds ruw en onrechtvaardig. Zij wendde het hoofd van hem af als hij sprak en walgde van zijne pogingen om haar moed in te spreken. Het was een hard lot voor mijnheer Bows en een bitter loon voor de belangstelling, die hij haar betoonde.

Toen Warrington als afgezant van Pen in Shepherd’s Inn kwam, vroeg hij naar de kamer van mijnheer Bows (ongetwijfeld volgens afspraak met den principaal, voor wien hij deze kiesche zending volbracht). Hij kreeg geen schijn van jufvrouw Fanny te zien, toen hij aan de poort der Inn even ophield, om die inlichting te vragen. Men wees Warrington natuurlijk den weg naar de kamers van den muzikant. Deze was bezig den patiënt aldaar te verzorgen en kwam uit diens kamer, om zich bij zijn bezoeker te vervoegen. Wij hebben reeds vermeld, dat zij elkander vroeger gekend hadden, en dus drukten zij elkander vrij hartelijk de hand. Na eenige inleidende woorden, verklaarde Warrington, dat hij namens zijn vriend Arthur Pendennis en diens betrekkingen Bows kwam bedanken voor zijne hulp in het begin van Pen’s ziekte en voor zijne vriendelijkheid om persoonlijk den majoor van buiten te gaan halen.

Bows gaf ten antwoord, dat hij niet meer dan zijn plicht had gedaan; toen hij Pen’s oom ging halen, had hij gedacht, dat hij den jongenheer niet meer levend zou weerzien, en hij verheugde zich dus, dat mijnheer Pendennis hersteld was en zijne vrienden bij zich had. „Gelukkig degenen, die vrienden hebben, mijnheer Warrington,” zeide de muzikant. „Ik zou op dit zolderkamertje kunnen liggen zonder dat iemand naar mij omkeek, of er zich om bekommerde of ik levend of dood was.”

„Hoe? De Generaal óók niet, mijnheer Bows?” vroeg Warrington.

„De Generaal houdt meer van zijne whisky-flesch dan van iets anders ter wereld,” antwoordde Bows; „uit gewoonte en om het voordeel, wonen wij bij elkander; maar hij geeft om mij niet méér dan gij doet. Wat komt gij mij eigenlijk vragen, mijnheer Warrington? Ik weet zeer [145]goed, dat gij niet komt, om mij een bezoek te brengen. Niemand komt mij bezoeken. Het is om Fanny, de portiersdochter, dat gij gekomen zijt, – dat begrijp ik zeer goed. Wenscht mijnheer Pendennis, nu hij zijne gezondheid heeft teruggekregen, haar weer te zien? Is Zijne Hoogheid de sultan voornemens haar zijn zakdoek toe te werpen? Zij is doodziek geweest, mijnheer, sinds dien dag toen mevrouw Pendennis haar de deur uitzette, – zeer lief van eene dame, niet waar? Het arme meisje en ik, wij vonden den jongen heer in een ijlende koorts liggen, zonder dat hij iemand kende en met niemand anders tot oppassing dan zijne dronken waschvrouw. Zij waakte dag en nacht bij hem. Ik ging zijn oom halen. Mama komt en wijst Fanny dadelijk het vierkante gat. Oom komt en laat mij de vracht van de vigilante betalen. Doe mijn compliment aan de dames en aan mijnheer, en zeg, dat wij hun allebei zeer dankbaar, ten hoogste dankbaar zijn! Wel, eene gravin kon zich niet beter gedragen hebben, en voor de vrouw van een apotheker, zooals ik vernomen heb dat mevrouw Pendennis is geweest, is hare handelwijze buitengemeen aristocratisch en fatsoenlijk. Zij moest een dubbel vergulden stamper en vijzel in haar wapen voeren.”

Zeker moest Bows de afstamming van Pen vernomen hebben van Huxter, en zoo hij voor Pen partij trok tegen den jongen chirurgijn en Voor Fanny tegen mevrouw Pendennis, was het omdat het oude heertje in zulk een opgewonden stemming verkeerde, dat hij niet kon nalaten iedereen tegen te spreken.

Warrington’s nieuwsgierigheid werd gaande gemaakt, terwijl de bitterheid en gevoeligheid van den muzikant hem niet mishaagden. „Ik heb nooit van die dingen gehoord,” zeide hij, „of althans slechts een zeer gebrekkig verslag daarvan van majoor Pendennis ontvangen. Wat moest de dame doen? Ik houd het er voor (ik heb nooit met haar over de zaak gesproken), dat zij van meening was, dat het meisje en mijn vriend Pen op een – op een voet van – van vertrouwelijkheid stonden, die mevrouw Pendennis natuurlijk niet kon goedkeuren.

„Natuurlijk niet, mijnheer. Zeg maar ronduit uw gevoelen, mijnheer; zeg maar terstond wat gij meent; dat de jonge heer uit den Temple het meisje uit Shepherd’s Inn tot zijn slachtoffer had gemaakt, niet waar? En dus moest zij de deur worden uitgezet – of levend fijn gestampt worden in den dubbel vergulden vijzel en stamper, – bij den hemel! Neen, mijnheer Warrington, daar was niets van aan; er is geen slachtoffer geweest, – of was er een, dan was het mijnheer Arthur, en niet het meisje. Hij is een eerlijke kerel, ofschoon hij soms verwaand en fatterig is. Hij kan gevoelen als man, en als man de verzoeking ontvlieden. Dat beken ik, ofschoon ik er onder lijd, – dat beken ik. Hij heeft een hart, dat heeft hij, – maar het meisje niet, mijnheer. Dat meisje, mijnheer, zal alles doen om een man te winnen, en hem daarna zonder de minste gewetensknaging wegjagen. Indien zij zelve weggejaagd wordt, mijnheer, zal zij het wel gevoelen en het uitschreeuwen. Zij kreeg de koorts nadat mevrouw Pendennis haar de deur had uitgezet, en toen coquetteerde zij met den dokter, Dr. Goodenough, die haar kwam genezen. Nu heeft zij het weer met een anderen kerel – een anderen been afzetter aangelegd, – ha, ha! voor den duivel, mijnheer, zij houdt van den vijzel en den stamper, en zucht om de pillendoozen, zoozeer is zij er op verzot, en zoo heeft zij dan nu zoo’n kerel uit het Bartholomeushospitaal, die achter een mombakkes gezichten trekt tegen hare zusjes en hare zwaarmoedigheid verdrijft. Ga het zelf maar zien, mijnheer; waarschijnlijk zit hij op dit oogenblik in de portiersloge. Als gij iets [146]omtrent jufvrouw Fanny wilt weten, moet ge het aan huis bij den dokter vragen, mijnheer, – niet bij een ouden speelman, zooals ik ben. Ik wensch u goedendag, mijnheer; ik hoor mijn patiënt roepen.”

En op dat oogenblik hoorde men inderdaad eene stem, eene welbekende stem uit de slaapkamer van den kapitein roepende: „Bows, ik heb dorst ik zou wel iets willen drinken.” En misschien verblijd te vernemen, dat dit de staat van zaken was en dat het door Pen verlaten meisje zich wist te troosten, nam Warrington afscheid van den lichtgeraakten muzikant.

Het toeval wilde, dat Huxter, juist toen Warrington de portierswoning voorbijging, bezig was de kinderen met het masker, waarvan Bows gesproken had, bang te maken, terwijl Fanny flauwtjes om zijne grappen lachte. Op Warrington’s gelaat vertoonde zich een bittere lach. „Zijn alle vrouwen aan deze gelijk?” dacht hij. „Ik geloof dat er ééne bestaat, waarmee dit het geval niet is,” liet hij er met een zucht op volgen.

Terwijl George in Piccadilly op den omnibus naar Richmond wachtte, trof hij samen met majoor Pendennis, die ook daarheen wilde gaan, waarop hij den ouden heer vertelde wat hij van Fanny gehoord en gezien had.

Majoor Pendennis was zeer verblijd en maakte, gelijk men van zulk een wijsgeer verwachten mocht, dezelfde opmerking, die aan Warrington ontsnapt was. „Alle vrouwen zijn dezelfde,” zeide hij. „La petite se console. Wat drommel, reeds op school, als ik in Télémaque las: Calypso ne pouvait se consoler – en gij weet wat er volgt, Warrington – dan zeide ik, dat dit onzin was. Onzin! waarlijk, dat is het! En dus heeft het kleine portierstertje nu een anderen soupirant? Het was een verduiveld aardig meisje. Wat zal dit Pen treffen! denkt ge het ook niet, Warrington? Wij moeten hem er zachtkens op voorbereiden, of hij zal in zulk een vuur geraken, dat hij haar weer zal opzoeken. Wij moeten den jongen menageeren.

„Mij dunkt, dat mevrouw Pendennis behoort ingelicht te worden, dat Pen zich in die zaak zeer goed gehouden heeft. Zij acht hem blijkbaar schuldig, en echter heeft Arthur zich, volgens mijnheer Bows, braaf gedragen,” zeide Warrington.

„Beste Warrington,” zeide de majoor met een eenigszins ongerust gelaat: „in den geschokten toestand, waarin mevrouw Pendennis zich bevindt, geloof ik, dat het beste wat wij doen kunnen is, geen woord over de zaak tegen haar te reppen. Of wacht, laat het maar eens aan mij over: ik zal haar er over spreken; weet je, ik zal haar voorbereiden en wat meer van dien aard noodig is. Ik geef u mijn woord, dat ik het doen zal. En dus is Calypso al getroost, niet waar?”

Pen was zeer nieuwsgierig om van zijn afgezant te vernemen wat de uitslag van diens zending was geweest; en zoodra de beide jongelieden gelegenheid vonden elkander afzonderlijk te spreken, beantwoordde de ambassadeur de belangstellende vragen van Arthur.

„Gij herinnert u nog wel uw gedicht van Ariadne op Naxos, Pen? – ofschoon het ontegenzeglijk een verduiveld slecht vers was,” zeide Warrington.

„En verder?” vroeg Pen in groote spanning.

„Weet gij nog wat Ariadne weervoer, toen Theseus haar verlaten had, jonge heer?”

„Dat is eene leugen, eene leugen! Dat kunt gij niet meenen!” riep Pen uit en sprong op, terwijl zijn gelaat begon te gloeien.

„Ga zitten, uilskuiken,” zeide Warrington en duwde met twee vingers [147]Pen weer op zijn zetel neer. „Het is beter voor u, zooals het er nu mee staat, jongmensch,” liet hij er weemoedig op volgen, als antwoord op den toornigen gloed, die Arthur’s wangen kleurde.