[Inhoud]

ACHT EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

„Fairoaks te huur.”

Onze arme weduwe had (met bijstand van de trouwe Martha van Fairoaks, die vermaakt en verwonderd over de Duitsche manieren, het bestuur over de eenvoudige huishouding voerde) ter eere van de overkomst van majoor Pendennis een klein feestje aangericht, waaraan echter alleen de majoor en zijne beide jonge vrienden deel namen, daar Helena liet weten, dat zij zich te ongesteld gevoelde om aan tafel te verschijnen, terwijl Laura haar gezelschap wilde houden. De majoor voerde het woord voor allen en bemerkte niet of verkoos niet te bemerken, hoe somber en stil de beide andere deelnemers aan dit bescheidene diner waren. Het was avond eer Helena en Laura zich bij het in de zitkamer vergaderde gezelschapje voegden. De weduwe kwam op Laura’s arm geleund binnen, met haar rug naar het afnemende daglicht, zoodat Arthur niet kon zien hoe doodsbleek en onthutst haar gelaat stond, en toen zij naar Pen ging, dien zij den ganschen dag niet had gezien, en haar armenliefderijk om zijn hals sloeg en hem teeder kuste, liet Laura haar staan en begaf zich naar het ander eind van het vertrek. Pen bespeurde, dat de stem, ja, dat de gansche gestalte zijner moeder beefde, en hare hand was klam toen zij die op zijn voorhoofd legde en hem met een smartelijk gevoel omhelsde. Maar het gezicht van hare droefenis strekte alleen om de ontevredenheid en de opgewondenheid van den jonkman te vermeerderen. Hij beantwoordde ternauwernood den kus, dien de lijdende vrouw hem gaf; en hardvochtig en barsch was het gelaat, waarmee hij haar smeekenden blik bejegende. „Zij is het, die mij vervolgt,” dacht hij, „en zij nadert mij met het voorkomen van eene martelares.” – „Gij ziet er zeer slecht uit, mijn kind,” sprak zij, „ik zie u niet gaarne op die wijze staren.” En daarop ging zij naar eene sofa, terwijl zij eene zijner handen, die hij lijdelijk aan haar overliet, in hare tengere, kille vingers bleef klemmen.

„Er is veel, dat mij gehinderd heeft, moeder,” gaf Pen met haperende stem ten antwoord, en onder zijn spreken begon Helena’s hart zoo hevig te kloppen, dat zij halfdood en sprakeloos van schrik daarneder zat.

Warrington, Laura en majoor Pendennis hielden allen den adem in, overtuigd dat de storm op het punt stond van los te barsten.

„Ik heb brieven uit Londen ontvangen,” ging Arthur voort, „en daaronder één, die mij grooter smart heeft veroorzaakt dan ik nog ooit in mijn leven ondervonden heb. Ik zie daaruit, dat vroegere brieven van mij onderschept en achtergehouden zijn; dat – dat een jong schepseltje, hetwelk mij de grootste liefde en zorg betoond heeft, allerwreedaardigst behandeld is door – door u, moeder.”

„Houd om Gods wil op,” riep Warrington uit. „Zij is onwèl – ziet gij niet dat zij onwèl is?”

„Laat hem maar voortgaan,” zeide de weduwe met eene zwakke stem.

„Laat hem maar voortgaan en haar vermoorden!” riep Laura uit en snelde naar hare moeder toe. „Ga voort, mijnheer, als gij haar voor uw oogen wilt zien sterven.”

Gij zijt wreed,” riep Pen, nog meer verbitterd en nog woester, daar zijn van nature zacht en week hart vol van verontwaardiging in opstand [158]kwam over het onrechtvaardige van de smart, die hèm verweten werd. „Gij zijt wreed, die al dat verdriet aan mij wijt. Gij zijt wreed met uwe booze verwijten, uw boozen twijfel aan mijn eer, uwe booze vervolging van degenen, die mij liefhebben, – ja, die mij liefhebben en die alles voor mij verduren en die gij veracht en vertrapt, omdat zij van lager stand zijn dan gij. Wil ik u eens vertellen wat ik doen zal, – wat ik besloten heb te doen, nu ik weet wat gij gedaan hebt? – Ik zal terugkeeren naar dat arme meisje, hetwelk gij de deur hebt uitgezet, en haar verzoeken mee te gaan en mijn huis met mij te deelen. Ik zal den hoogmoed, die haar vervolgt, en de onbarmhartige achterdocht, waarmee men haar en mij beleedigt, neerslaan.”

„Bedoelt gij daarmee, Pen, dat gij –,” viel de weduwe hier met glinsterende oogen en uitgebreide handen in; doch Laura stuitte haaren riep: „Stil, lieve moeder, zwijg!” En de weduwe zweeg. Hoe woest Pen ook doorsprak, was zij maar al te begeerig om te hooren wat hij verder zou zeggen. „Ga voort, Arthur, ga voort, Arthur!” was al wat zij zeide, terwijl zij bij die woorden bijna in zwijm viel.

„Bij den hemel, hij zal niet voortgaan, of ik zal hem althans niet aanhooren, voor den drommel!” zeide de majoor, evenzeer van woede bevende. „Als gij, mijnheer, na al wat wij voor u gedaan hebben, na al wat ik zelf voor u heb gedaan, kunt goedvinden uwe moeder te beleedigen en uw naam te schandvlekken door eene laaggeboren dienstmeid te trouwen, ga dan uw gang maar, voor den drommel, – maar laten wij verder niets meer met hem te doen hebben, mevrouw! Ik trek mijne handen van u af, mijnheer; ik trek mijne handen van u af! Ik ben een oud man, ik zal niet lang meer op deze wereld zijn. Ik behoor tot eene familie, zoo oud en geëerd als eenige in geheel Engeland, en ik hoopte, dat de jongeling dien ik liefhad, dien ik groot gebracht, dien ik door het leven geleid heb, iets zou doen, bij den hemel, eer ik van hier ging, om te toonen dat onze naam, ja, de naam van Pendennis, ongeschonden zou achterblijven; maar als hij dat, voor den duivel, niet doen wil, dan zeg ik er amen op! Bij G–, mijn vader en mijn broeder Jack waren de fierste mannen in Engeland, en ik had nooit gedacht dat er schande over mijn naam zou komen, – nooit – en – en ik schaam mij, dat het Arthur Pendennis is, die dat doet!” De stem van den ouden man werd verder door snikken gesmoord; het was de tweede maal, dat Arthur tranen uit die gerimpelde oogleden deed vloeien.

Het geluid van zijne haperende stem stuitte oogenblikkelijk Pen’s toorn en hij hield op met de kamer op en neer te loopen, gelijk hij tot dusverre gedaan had. Laura stond bij Helena’s sofa, en Warrington was tot hiertoe een zwijgend, hoewel niet onverschillig toeschouwer van den familietwist gebleven. Onder het spreken der onderscheidene personen was het bijna donker geworden, en na de stilte, die op de hartstochtelijke ontboezeming van den majoor gevolgd was, hoorden de aanwezigen met geene geringe ontroering George’s zware stem, die thans door de schemerende kamer trilde.

„Wilt gij mij vergunnen, lieve vrienden, iets te verhalen wat mij zelven betreft?” vroeg hij. „Gij zijt zoo goed voor mij geweest mevrouw, – gij hebt mij zooveel vriendschap betoond, Laura (ik hoop, dat ik u zoo noemen mag), – mijn beste Pen en ik zijn zulke goede vrienden geweest, dat – dat ik u sinds lang mijne geschiedenis heb wenschen te verhalen zooals die is en die ik u reeds vroeger zou meegedeeld hebben, indien zij niet zoo treurig was en het geheim van een ander bevatte. Het kan echter voor Arthur nuttig zijn die te kennen, – en [159]het is wenschelijk, dat iedereen hier ze verneme. Het zal de gedachten van een onderwerp afleiden, dat, ten gevolge van een noodlottig misverstand, bij allen groote smart heeft veroorzaakt. Wilt gij het mij vergunnen, mevrouw Pendennis?”

„Spreek, als het u belieft,” was al wat Helena zeide. Eigenlijk boezemde het haar niet veel belang in; haar geest was vervuld met een ander denkbeeld, dat Pen’s woorden bij haar hadden opgewekt, en zij koesterde de onzekere hoop, dat, hetgeen hij had aangeduid, mocht zijn wat zij wenschte.

George schonk zich een glas wijn in, dat hij ledigde, waarna hij begon te verhalen. „Gij allen weet wat ik thans ben,” zoo ving hij aan, „een mensch zonder begeerte om in de wereld vooruit te komen, die geen moeite doet om naam te maken en die op een zolderkamertje woont en van den eenen dag op den anderen leeft, ofschoon ik vrienden en een naam en, ik durf zeggen, talenten bezit, die mij van nut zouden zijn, indien ik er lust toe gevoelde. Doch let wel, dat ik dien lust niet bezit. Waarschijnlijk zal ik op mijn zolderkamertje in eenzaamheid sterven. In mijn jongen tijd heb ik mij zelven aan dat lot vastgekluisterd. Wil ik u eens vertellen wat mij jaren geleden belangstelling voor Arthur deed opvatten en mij genegenheid voor hem inboezemde zoodra ik hem zag? De studenten van ons College te Oxbridge wisten te verhalen van die vroegere geschiedenis met de actrice te Chatteries, over wie Pen mij later zoo dikwijls onderhouden heeft, en die, zonder het beleid van den majoor, op dit oogenblik uwe schoondochter had kunnen zijn, mevrouw. Ik kan Pen thans in de duisternis niet zien, maar ik ben zeker dat hij er om bloost, en ik houd het er voor, dat jufvrouw Bell het ook doet; en mijn vriend majoor Pendennis lacht zeker, zooals hij wel doen mag, want – hij won het spel. Wat zou Arthur’s lot thans zijn, indien hij op zijn negentiende jaar verbonden ware geworden aan een onbeschaafde vrouw, die ouder was dan hij, terwijl zij met elkander geen hoedanigheden gemeen hadden, die den een tot een geschikt gezelschap voor de andere maakte, geen gelijkheid van stand, geen vertrouwen, geen liefde? Wat had hij anders kunnen zijn dan diep rampzalig? En toen hij zoo even van eene soortgelijke verbintenis sprak en daarmee dreigde, kunt gij zeker zijn dat dit eene bedreiging was, die uit zijn toorn voortsproot, hetgeen gij mij wel zult veroorloven te zeggen, mevrouw, dat van zijn kant zeer natuurlijk was, want na zijn edel en moedig gedrag, – laat ik, die zeer goed met den loop der zaak bekend ben, zeggen, dat het hoogst edel en moedig was en van groote zelfverloochening getuigde, wat zeldzaam bij hem is, – heeft hij van sommige zijner betrekkingen eene zeer kwetsende verdenking moeten ondergaan en heeft hij zich over de onheusche behandeling van een andere onschuldige te beklagen gehad, aan wie gij allen groote verplichting hebt, evenzeer als hij.”

Op deze woorden wilde de weduwe opstaan, en Warrington, die hare poging om op te staan zag, vroeg: „Verveel ik u, mevrouw?”

„O neen – ga voort – ga voort!” zeide Helena met opgeruimde stem, waarop Warrington zijn verhaal vervolgde.

„Hij beviel mij, begrijpt gij, om die gebeurtenis uit zijn vroeger leven, die mij aan de academie ter oore gekomen was, en omdat ik achting koester voor een man – indien gij mij veroorlooft dit te zeggen, jufvrouw Laura – die het bewijs levert, dat hij een innige – al is het ook onberedeneerde – liefde voor eene vrouw kan koesteren. Dat was de reden waarom wij vrienden werden – en hier allen vrienden [160]zijn – voor altijd, niet waar?” liet hij er zachter op volgen, terwijl hij zich tot haar overboog, „en Pen heeft veel troost opgeleverd en is een gewenscht gezelschap geweest voor een verlaten en ongelukkig man.

„Begrijpt mij wel, dat ik mij niet over mijn lot beklaag; want niemands lot is juist zooals hij het wenschen zou; en daar boven op mijn zolderkamertje, waar gij die bloemen hebt achtergelaten en ik mijn oude boeken en mijne pijp tot vrouw heb, ben ik tamelijk tevreden, en benijd ik slechts nu en dan andere mannen, die een schitterender levensloop hebben, of die hun tegenspoed kunnen temperen door datgeen, waarvan het noodlot en mijn eigen schuld mij beroofd heeft, – namelijk de genegenheid van eene vrouw, of een kind.” Op dit oogenblik liet zich in Warrington’s nabijheid uit de duisternis een zucht hooren en werd er eene hand naar hem uitgestoken, die zich echter dadelijk weer terugtrok, want onze dames zijn zoo preutsch, dat men haar leert aan haar zelve en de welvoeglijkheid te denken en bij de geringste aanleiding te blozen, voordat zij aan eenig gevoel lucht geven, of eenige vriendelijkheid of achting mogen betoonen. De zedigheid stuitte natuurlijk, gelijk betaamde, die natuurlijke opwelling en stelde zich in postuur; het vriendschappelijk gevoel deinsde terug en Warrington hervatte zijn verhaal. „Mijn lot is gelijk ik het gemaakt heb, en het is niet gelukkig voor mij, noch voor anderen, die er in betrokken zijn.

„Ook ik had een avontuur, eer ik naar de academie ging; en er was niemand om mij te redden zooals de majoor Pen gered heeft. Vergeef mij, jufvrouw Laura, dat ik deze geschiedenis ten uwen aanhoore vertel. Het is wenschelijk, dat gij allen mijne bekentenissen verneemt. Voordat ik naar de academie ging, als knaap van achttien jaren, woonde ik bij een huisonderwijzer, en daar vatte ik, evenals Arthur, genegenheid op – ten minste ik verbeelde mij dit – voor eene vrouw van veel lager stand en veel hooger leeftijd dan ik. Gij schrikt voor mij terug –”

„Neen, dat doe ik niet,” zeide Laura en nu kwam de hand vastberaden te voorschijn en legde zich in die van Warrington. Uit enkele vroegere gezegden, die hij zich had laten ontvallen, en uit de eerste woorden waarmee hij begonnen was, had zij zijne geschiedenis geraden.

„Zij was de dochter van een landman uit den omtrek,” zeide Warrington met eene vrij onvaste stem, „en ik verbeeldde mij – wat alle jongelieden zich verbeelden. Haar ouders wisten wie mijn vader was en lokten mij met allerlei lompe kunstgrepen en verraderlijke vleierijen, die ik thans doorzie, naar hun huis. Om haar recht te laten weervaren, moet ik bekennen, dat zij geen zier om mij gaf, maar door de bedreigingen en den aandrang van hare familie gedreven werd tot hetgeen er gebeurde. Gave God, dat ik niet misleid ware! maar in dergelijke zaken worden wij misleid, omdat wij dit zelf wenschen, en ik dacht dat ik het arme meisje beminde.

„Wat moesten de gevolgen van een dergelijk huwelijk zijn? Het duurde niet lang, of ik werd gewaar, dat ik met eene boerin getrouwd was. Zij kon geen enkele zaak vatten, die mij belang inboezemde. Hare domheid versufte mij en boezemde mij eindelijk walging in. En nadat deze rampzalige en heimelijke verbintenis eenigen tijd geduurd had – want ik wil u alles verhalen – vond ik ergens brieven (en wat voor brieven!) die mij het bewijs leverden, dat haar hart, voor zoover zij een hart had, nooit het mijne was geweest, maar altijd aan een persoon van haar eigen stand had toebehoord.

„Bij mijn vaders dood betaalde ik de schulden, die ik tijdens mijn verblijf aan de academie gemaakt had, en zette ik al wat mij overbleef [161]vast, tot een jaargeld voor – voor degenen, die mijn naam droegen, onder voorwaarde, dat zij zich verborgen zouden houden, zonder dien naam te voeren. Zij zijn die voorwaarde nagekomen, gelijk zij haar voor meer geld zouden verbreken. Indien ik naam of roem verworven had, zou die vrouw gekomen zijn om er haar deel van te eischen; indien ik voor mij zelven een naam had gemaakt, zouden zij, die er geen aanspraak op hadden, dien gedragen hebben; en zoo trad ik, God zij mij genadig, op mijn twintigste jaar zonder hoop en geheel geruïneerd het leven in! Ik was als knaap het slachtoffer van gemeene bedriegers, en eerst onlangs heb ik gevoeld hoe moeielijk het valt – o zoo moeielijk! – hun te vergeven. Reeds vroeger had ik u de moraal verteld, Pen; thans heb ik u de fabel meegedeeld. Zorg toch bovenal, dat gij niet buiten uw eigen stand trouwt. Ik geloof, dat ik voor een beter lot in de wieg was gelegd; maar God heeft mij het tegenwoordige toegewezen, – en aldus, ziet ge, is het mijne bestemming om toe te kijken en met een hart, zoo min mogelijk verbitterd, anderen voorspoedig en gelukkig te zien.”

„Wel drommel, mijnheer,” riep de majoor allervroolijkst uit, „ik had u aan jufvrouw Laura hier willen uithuwen.”

„En te drommel, meester Shallow, ik ben u duizend pond schuldig,” zeide Warrington.

„Wat spreekt gij van duizend pond? het zijn er maar vijf en twintig, mijnheer,” antwoordde de majoor onnoozel, hetgeen den ander in lachen deed uitbarsten.

Wat Helena betreft, zij was zoo opgetogen, dat zij opsprong met den uitroep: „God zegen’ u, mijnheer Warrington, God zegen’ u voor eeuwig!” zijne beide handen kuste, naar Pen toeliep en zich in zijn armen wierp.

„Ja beste moeder,” zeide hij, terwijl hij haar aan zijn hart drukte en haar vol teederheid en ontroering omhelsde en vergiffenis schonk. „Ik ben onschuldig, en mijne lieve, lieve moeder heeft mij verongelijkt.

„Ja, kind, ik heb u verongelijkt, – Goddank, ik heb u verongelijkt!” fluisterde Helena. „Kom mee, Arthur, – niet hier, –ik wil mijn kind en – en – mijn God om vergiffenis smeeken, en u zegenen en liefkoozen, mijn zoon.”

Hij leidde haar met wankelende schreden hare kamer binnen en sloot de deur, hetgeen de drie ontroerde toeschouwers van deze verzoening met genoegen en in stilte aanzagen. Voor altijd, voor altijd herinnerde de jonkman zich den teederen toon van die zwakke stem, die zacht zijn oor trof – den blik van die vrome oogen, die hem met onuitsprekelijke liefde tegenstraalden, – de trilling dier tot een smartelijken glimlach vertrokken lippen. En in zijne gelukkigste oogenblikken, en in zijn uren van beproeving en smart, en in zijne tijdperken van voorspoed en fortuin, zag het gelaat zijner moeder op hem neer en zegende het hem met dien innigen en reinen blik, zooals hij haar op dien avond zag, toen zij nog bij hem vertoefde, en toen zij, eer zij hem voorgoed verliet, een engel scheen, door de liefde herschapen en verheerlijkt. Laten wij knielen en onzen Vader danken voor die liefde, als voor de grootste gave, het grootste wonder van Gods zorg voor ons!

Ondertusschen was de maan opgegaan, en Arthur herinnerde zich later levendig, hoe zij het zachtzinnige en bleeke gelaat zijner moeder bescheen. Hun spreken – of liever het zijne, want zij kon ternauwernood een woord uiten – was teerder en vertrouwelijker dan het sinds jaren geweest was. Hij was weer de ronde en edelgezinde knaap van hare vroegere dagen en hare vroegere liefde. Hij verhaalde haar de [162]geschiedenis, welker verkeerde opvatting haar zooveel verdriet berokkend had, – zijn strijd om de verzoeking te ontvlieden, en zijne dankbaarheid, dat hij die had kunnen overwinnen. Hij zou het meisje nooit leed berokkenen, nooit, – noch zijn eigen eer benadeelen, of het reine hart zijner moeder grieven. Hij had de bedreiging, dat hij tot het meisje zou terugkeeren, in een oogenblik van verbittering geuit en nu berouwde het hem. Hij zou haar nooit weerzien. Maar zijne moeder zeide, dat hij dit wel moest doen; dat zij het was, die trotsch en schuldig was geweest, zoodat zij aan Fanny Bolton gaarne iets zou geven. Zij vroeg haar lieven zoon vergiffenis, dat zij den brief had geopend, – en zij zou aan het jonge meisje schrijven, indien – indien zij er den tijd toe had. Arme vrouw! was het niet natuurlijk, dat zij haar Arthur liefhad? En andermaal kuste en zegende zij hem.

Terwijl zij zoo spraken, sloeg de klok negen uur en herinnerde Helena hem, hoe zij, toen hij nog een kleine jongen was, op dat uur naar zijne slaapkamer placht te gaan, om hem het Onze Vader te laten opzeggen. En wederom – ach ja, wederom – viel de jonkman aan zijn moeders heilige knieën neer en stamelde snikkend het gebed, dat de Goddelijke Genade ons heeft voorgezegd, en dat sinds twintig eeuwen door millioenen zondige en verslagen menschen als een echo wordt herhaald. En toen de knaap de laatste woorden dezer smeekbede uitsprak, liet de moeder haar hoofd tegen het zijne zinken, haar armen omstrengelden hem en gezamenlijk herhaalden zij de woorden „in eeuwigheid, Amen.”

Eene korte poos, misschien een kwartieruurs later, hoorde Laura de stem van Arthur, die daar binnen riep: „Laura Laura!!” Zij ijlde er dadelijk heen en vond den jonkman nog altijd op zijne knieën liggen, met zijn moeders hand in de zijne. Helena’s hoofd was achterovergezonken en scheen in het maanlicht zoo wit als linnen. Vol ontzetting zag Pen rond. „Hulp, Laura, hulp!” zeide hij: „zij ligt in flauwte, – zij is –”

Laura gilde en zonk aan Helena’s zijde neer. Die kreet bracht Warrington, majoor Pendennis en de dienstboden in de kamer. De vrome vrouw was ontslapen. De laatste gewaarwording harer ziel hier op aarde was vreugde, die voortaan ongestoord en eindeloos wezen zou. Dat teedere hart klopte niet meer; het zou geen kwellingen, geen onzekerheden, geen smarten en beproevingen meer te verduren hebben. Zijn laatste aderslag getuigde van liefde, en Helena’s laatste ademtocht was eene zegenbede.

Het treurende gezelschap keerde spoedig huiswaarts, en Helena werd aan de zijde van haar echtgenoot in de oude kerk te Clavering, waar zij zoo dikwijls gebeden had, ter aarde besteld. Laura ging eenigen tijd bij doctor Portman logeeren, die, onder het snikken en de tranen der kleine vergadering rondom Helena’s graf, den lijkdienst voor zijne lieve afgestorvene zuster las. Er waren er niet velen, die zich om haar bekommerden of die, na haar verscheiden, nog over haar spraken. De menschen in het algemeen wisten van de vrome en zachtmoedige vrouw weinig meer dan van een non in het klooster. Eenige woorden onder de hutbewoners, die hare milddadigheid ondersteund had, eenige praatjes in de verschillende huizen te Clavering, waar de eene dame verhaalde dat hare buurvrouw aan eene hartziekte overleden was, en de andere narekende hoeveel de weduwe wel nagelaten had, en de derde benieuwd was, of Arthur Fairoaks zou verhuren of zelf betrekken, en daarbij voorspelde, dat het niet lang duren zou eer hij de erfenis had doorgebracht, [163]– dit was alles, en met uitzondering van een paar personen, die de goede ziel hadden liefgehad, was zij den volgenden marktdag reeds vergeten. Zoudt gij begeeren, dat de smart over uw verscheiden eenige weken langer duurde? en schijnt het „namaals” u minder eenzaam toe, wanneer onze namen, als wij tot de ruste zijn ingegaan, nog eene korte poos aan deze zijde des grafs blijven weerklinken en menschenstemmen nog altijd voor ons spreken? Die reine ziel, slechts door twee of drietal menschen bemind en gekend, was van hier gegaan.

De grootste leegte, die zij naliet, bestond in het hart van Laura, voor wie hare liefde alles geweest was en die nu alleen hare nagedachtenis had om te vereeren. „Ik ben verblijd, dat zij mij vóór haar verscheiden haar zegen gegeven heeft,” zeide Warrington tegen Pen; en wat Arthur betreft, met ootmoed erkende en bewonderde hij hare groote liefde en ternauwernood durfde hij den hemel bidden hem die waardig te maken, ofschoon hij gevoelde, dat eene heilige daar zijne voorspraak was.

Men vond al de zaken der overledene dame in volmaakte orde; hare kleine bezittingen waren gereed om overgedragen te worden aan haar zoon, voor wien zij die in bewaring had gehouden. Uit de papieren, die men in haar lessenaar vond, bleek, dat zij sinds lang kennis had gedragen van de kwaal, die haar ondermijnde, eene hartkwaal, die zij wist dat haar plotseling zou wegrukken; en men vond een geschreven gebed van hare hand, waarin zij de hoop uitdrukte, dat haar einde in de armen van haar zoon mocht zijn, gelijk dan ook geschied was.

Laura en Arthur riepen elkander hare woorden voor den geest, die het meisje zich alle met hartelijkheid herinnerde, wel eenigszins tot beschaming van den jonkman, wien het duidelijk was hoeveel grooter liefde zij Helena had toegedragen dan hij zelf. Hij verliet zich geheel op Laura ten aanzien van hetgeen Helena gewenscht zou hebben dat gedaan wierd, voor de armen die zij zou hebben willen ondersteunen en voor de legaten, of gedachtenissen, die zij zou gewenscht hebben uit te reiken. Zij pakten de vaas in, welke Helena in hare dankbaarheid aan Dr. Goodenough had toegedacht, en zonden die naar behooren aan den vriendelijken dokter; eene zilveren koffiekan, die zij gewoon was geweest te gebruiken, werd aan Portman aangeboden, en een diamanten ring met haar haar werd met een hartelijk woord aan Warrington geschonken.

Het moet een droevige dag voor de arme Laura geweest zijn, toen zij voor het eerst weer op Fairoaks kwam, en het kamertje betrad, dat zij bewoond had en hetgeen nu het hare niet meer was, en de ledige kamer der weduwe zelve, waar beiden zoo vele genoeglijke uren hadden doorgebracht. Daar hingen natuurlijk de kleederen nog in de kast, daar lag het kussen, waarop zij knielde om te bidden, daar hing de spiegel, die haar geliefd en weemoedig gelaat niet meer zou weerkaatsen. Toen zij daar eene poos vertoefd had, klopte Pen aan en leidde haar de trap weer af naar de voorkamer, waar hij haar een teugje wijn deed drinken. „God zegen’ u,” sprak hij, toen zij het glas aanraakte. „Er zal in uwe kamer niets veranderd worden,” liet hij er op volgen; „het is voor altijd uwe kamer – het is altijd de kamer mijner zuster. Mag dit niet zoo wezen, Laura?” en Laura zeide: „Ja!”

Onder de papieren der weduwe vond men een pakje, waarop zij geschreven had: Brieven van Laura’s vader, en dat Arthur aan Laura overhandigde. Het waren de brieven, die neef en nicht in vroegere dagen, eer een van beiden getrouwd was, met elkander gewisseld hadden. De inkt, waarmee zij geschreven waren, was verbleekt; de tranen, die beiden er wellicht over gestort hadden, waren opgedroogd; de smart, [164]welker bitterheid daar geboekstaafd stond, was nu gestild; de vrienden, wier scheiding op aarde aan beiden zooveel bitter verdriet had berokkend, waren nu ongetwijfeld vereenigd. En Laura leerde thans eerst ten volle den band kennen, die haar zoo teeder aan Helena hechtte; zij vernam eerst nu hoe trouw degene, die voor haar meer dan eene moeder was geweest, de nagedachtenis haars vaders in eere had gehouden, hoe waarachtig zij hem had liefgehad, hoe onderworpen zij afstand van hem had gedaan.

Pen herinnerde zich een legaat van zijne moeder, waarvan Laura geen kennis kon dragen, namelijk Helena’s wensch om Fanny Bolton een geschenk aan te bieden. Pen schreef haar dus en deed dien brief in een enveloppe aan Bows, met verzoek aan dien heer, om dat schrijven te lezen alvorens hij het aan Fanny gaf. „Waarde Fanny,” schreef Pen, „ik moet u de ontvangst van twee brieven van uwe hand berichten, van welke de eene gedurende mijne ziekte was zoek geraakt,” (Pen vond den eersten brief na het overlijden zijner moeder in haar lessenaar, en een zonderling gevoel beklemde hem toen hij dien las), „en daarbij moet ik u, lieve oppasster en vriendin, danken, dat gij mij gedurende mijn koortslijden zoo teeder verpleegd hebt. Ik moet er bijvoegen, dat de laatste woorden mijner lieve moeder, die niet meer tot de levenden behoort, getuigden van hare genegenheid en dankbaarheid jegens u, dat gij mij hebt opgepast. Zij zeide, dat zij u zou geschreven hebben, indien zij daartoe den tijd had gehad, dat zij u vergiffenis had willen vragen, indien zij u hard had behandeld, en dat zij u verzoeken wilde uwe vergevensgezindheid te toonen door een bewijs van vriendschap en achting van haar aan te nemen.” Pen eindigde met te zeggen, „dat eene kleine som onder het beheer gesteld was van zijn vriend den weledelgeboren heer George Warrington, van Lamb Court in den Temple, waarvan de interest haar zou uitbetaald worden tot zij meerderjarig werd of een anderen naam aannam in plaats van den haren, die altijd in toegenegene herinnering zou blijven bij haar dankbaren vriend A. Pendennis.” De som was werkelijk slechts gering, doch voldoende om Fanny Bolton tot eene erfdochter in het klein te maken; hare ouders werden er door tevreden gesteld, en haar vader verklaarde, dat mijnheer P. zich als een volmaakt gentleman gedroeg, – ofschoon Bows gromde, dat het gemakkelijk was sympathie te toonen door een bankbiljet bij wijze van pleister op een gewond hart te leggen, en de arme Fanny gevoelde maar al te duidelijk, dat Pen’s brief een afscheidsbrief was.

„Het zenden van bankbiljetten van honderd pond aan portiersdochters is drommels aardig,” zeide de oude majoor Pendennis tegen zijn neef (dien hij nu als eigenaar van Fairoaks en hoofd der familie met blijkbaar ontzag en beleefdheid behandelde), „en daar er wat geld in de bank stond en uw arme moeder het begeerde, kan het misschien ook geen kwaad. Doch houd altijd voor oogen, beste jongen, dat gij niet meer dan vijfhonderd pond ’s jaars bezit, ofschoon de wereld, hetgeen gij aan mij te danken hebt, gelooft, dat gij verduiveld veel rijker zijt, en nu smeek ik u, op mijne knieën, mijn jongen: spreek uw kapitaal niet aan. Zorg dat het bij elkander blijft, speculeer er niet mee, houd uw land goed bijeen en neem er geen hypotheek op. Tatham zegt mij, dat de Chatteries-zijtak van den spoorweg misschien, ja bijna zeker, door Chatteries zal loopen, en zoo men dien aan deze zijde van den Brawl kan krijgen, neefje, en door uwe landerijen heen, dan zullen die een heelen schep geld waard worden, en zullen uwe vijfhonderd ’s jaars, met één slag tot acht- of negenhonderd stijgen. Maar hoeveel het ook zij, [165]bezweer ik u het bijeen te houden. En mij dunkt, Pen, dat gij die slordige kamers in den Temple moest verlaten en omzien naar eene fatsoenlijke woning. Als ik u was, neef, zou ik een knecht nemen, om mij te bedienen; en een paar paarden voor stadsgebruik, als het Londensche seizoen aan den gang is. Dit alles zal echter nagenoeg uw gansche inkomen vereischen en ik weet dus, dat gij zuinig moet leven. Maar herinner u, dat gij eene zekere plaats in de maatschappij bekleedt en dus niet al te schraal voor den dag moogt komen. Wat zult gij in den wintertijd doen? Gij zijt toch zeker niet voornemens dan hier te blijven, of voort te gaan met schrijven voor dat – wat is het ook? – dat blad?”

„Ik ga met Warrington nog een poosje buitenslands, oom, en dan zullen wij zien wat er gedaan moet worden,” gaf Arthur ten antwoord.

„En Fairoaks zult gij natuurlijk verhuren? Er is eene goede school in den omtrek, het is eene goedkoope streek, en het is dus een drommels aardig plekje voor Indische kolonels, of familiën die stil willen leven. Ik zal er in de club eens over spreken; er zijn vele menschen in de club, die naar zulk een plaatsje uitzien.”

„Ik hoop, dat Laura er den winter zal doorbrengen en het als haar eigen huis zal beschouwen,” hernam Arthur; waarop de majoor begon te snuiven en te brieschen en uitriep, dat er voor den drommel kloosters voor Engelsche dames behoorden te wezen, en de hoop te kennen gaf, dat jufvrouw Bell zich niet met de beschikking der familie-aangelegenheden ingelaten had en dat zij zich in de eenzaamheid van die woning zou dood niezen.

Het zou dan ook inderdaad een zeer somber verblijf zijn geweest voor de arme Laura, die zich ook niet bijzonder gelukkig gevoelde in het huisgezin van doctor Portman, noch in de stad, waar maar al te veel omstandigheden haar aan de dierbare moeder herinnerden, die zij verloren had. Maar zoodra de oude Lady Rockminster, die met hare jonge vriendin Laura dweepte, uit de bladen het verlies vernam, door het meisje geleden, en tevens zag dat zij zich op het platteland bevond, kwam de oude dame haastig van Baymouth over, waar zij zich ophield, en drong er op aan, dat Laura zes maanden, twaalf maanden, haar leven lang bij haar zou blijven; en Martha van Fairoaks ging als kamenier met hare jonge meesteres naar de woning der lady mee.

Pen en Warrington zagen haar vertrekken. Men had moeielijk kunnen zeggen, wie van beiden haar het teerst scheen aan te zien. „Uw neef is verwaand en vrij onbeschaafd, liefje, maar hij schijnt een goed hart te bezitten,” zeide de kleine Lady Rockminster, die haar gevoelen over iedereen onbewimpeld te kennen gaf; „doch Blauwbaard bevalt mij het best. Zeg eens, is hij touché au coeur?

„Mijnheer Warrington is sedert lang – geëngageerd geweest,” zeide Laura en sloeg de oogen neer.

„Onzin, kind! En goede hemel, liefje, wat een mooi diamanten kruis! Waarom draagt gij dat bij uw ochtendgewaad?”

„Arthur – mijn broeder heeft het mij pas gegeven. Het was – het was –” zij was niet bij machte, den zin te voltooien. Het rijtuig rolde over de brug en door de lieve, lieve poort van Fairoaks – dat voor haar geen thuis meer zou zijn. [166]