Een tijdlang na deze voorvallen, bekommerde mijnheer Pen zich niet heel veel om Cicero en Euripides, en de eerzame Smirke had het bij zijn leerling zeer gemakkelijk. Rebekka was het dier, dat onder Pen’s tegenwoordigen gemoedstoestand het meeste leed, want, buiten de dagen dat hij er rond voor kon uitkomen dat hij naar Chatteries ging om schermles te nemen, en dus met voorkennis van zijne moeder daarheen reed, bediende de jonge guit zich van elke gelegenheid dat hij over een drietal uren vrij beschikken kon, om den weg naar Prior’s Lane in te slaan. Hij was even radeloos van spijt toen Rebekka kreupel werd, als koning Richard te Bosworth geweest was, toen zijn paard hem onder het lijf werd gedood; en hij geraakte diep in het krijt bij den stalhouder te Chatteries voor het verzorgen van zijn paard en het huren van een ander dier.
Maar dit was nog niet alles. Onder voorwendsel van een Grieksch tooneelstuk bij Smirke te bestudeeren, ging onze jonge losbol misschien ééns in de week op den tijd uit, dat de diligence Competitor hem kon opnemen, waarop hij een paar uren te Chatteries doorbracht, en met de diligence Rival, die des avonds ten tien uur naar Londen vertrok, terugkeerde. Eens werd zijn geheim bijna door Smirke’s onnoozelheid verklapt. Mevrouw Pendennis vroeg hem, of zij den vorigen avond een goed eind met lezen gevorderd waren, of iets van dien aard, en Smirke stond op het punt om naar waarheid te verklaren, dat hij mijnheer Pen in het geheel niet gezien had, toen de hiel van dezen laatste met kracht op den teen des hulppredikers onder tafel neerkwam, bij wijze van uitnoodiging om hem niet te verraden.
Natuurlijk hadden zij menig gesprek over het teedere onderwerp met elkander gevoerd. Het is (als men zelf niet bij het onderhoud betrokken is) heel aardig, twee mannen, die verliefd zijn, te hooren spreken. [51]Er moet altijd een vertrouwde zijn, aan wien men zijn hart kan uitstorten. De hulpprediker zeide met vrij wat ontroering, toen hij onder belofte van de onschendbaarste geheimhouding in Pen’s gemoedstoestand was ingewijd, „dat hij hoopte, dat het geen onwaardig voorwerp was, geene ongeoorloofde betrekking, die Pen had aangeknoopt,” – want ware dit het geval, dan meende de arme man, dat hij verplicht zou wezen zijn woord te breken en er Pen’s moeder kennis van te geven; en dan begreep hij – en het vervulde hem met eene akelige bezorgdheid – dat er een twist op volgen zou, en hij nooit weer gelegenheid zou hebben om datgeen te zien wat hij het liefst ter wereld zag.
„Ongeoorloofd, onwaardig!” Pen vloog op bij die vraag van den hulpprediker. „Zij is even rein als schoon; ik zou mijn hart aan geene andere vrouw schenken. Ik houd de zaak geheim voor mijne familie, omdat – omdat – er gewichtige redenen voor bestaan, die ik niet mag openbaren. Maar wie een woord ten nadeele van hare onschuld durft zeggen, tast haar en mij in onze eer, en – ik verzeker u, dat ik het niet verdragen zal.”
Met een flauw lachje antwoordde Smirke alleen: „Nu, nu, daag mij niet uit, Arthur, want gij weet, dat ik niet vechten mag!” maar door deze verklaring leverde de hulpprediker zich meer dan ooit in de macht van zijn leerling over, en het Grieksch en de wiskunde leden in evenredigheid daaronder.
Indien de eerwaarde heer veel doorzicht bezeten en de dichterskolom van de County Chronicle, die met de post van Woensdag aankwam, ingezien had, zou hij er elke week „Mevrouw Haller”, „Hartstocht en genie”, „Aan jufvrouw Fotheringay” en andere gedichten van den sombersten, treffendsten en hartstochtelijksten inhoud in gevonden hebben. Doch daar die verzen door hun sluwen schrijver niet meer nep, maar eros onderteekend waren, wist de leermeester evenmin als Helena, die goede ziel, die al de verzen van haar zoon uit het nieuwsblad knipte, dat Nep niemand anders was dan die brandende Eros, die in zulke krachtige tonen den lof der actrice bezong.
„Wie is die dame,” vroeg mevrouw Pendennis eindelijk, „die door uw mededinger aanhoudend in de County Chronicle bezongen wordt? Hij schrijft ongeveer in uw trant, lieve Pen, maar uwe verzen zijn veel beter. Hebt gij jufvrouw Fotheringay gezien?”
Pen zeide ja, en voegde er bij, „dat zij, dien avond toen hij Menschenhaat en berouw was gaan zien, als Mevrouw Haller was opgetreden. Ja, het was waar ook, zij zou hare benefice hebben en de rol van Ophelia vervullen – wij moesten dat eens gaan zien – van Shakespeare, weet ge, moeder? – wij kunnen wel paarden in het Wapen van Clavering krijgen.” De kleine Laura begon te dansen van pleizier, want zij zou zoo gaarne eens een tooneelstuk zien.
Pen sprak van „Shakespeare, weet ge” omdat de overleden heer Pendennis, gelijk een man van zijn stand betaamde, eene buitengewone achting voor den zanger van den Avon aan den dag gelegd had, in wiens werken, zeide hij – en hij kon het veilig zeggen – meer poëzie te vinden was dan in al de werken van de Engelsche dichters, door Johnson uitgegeven, bij elkander. En ofschoon mijnheer Pendennis de bedoelde werken niet veel las, vermaande hij zijn zoon toch ze te bestudeeren, en dikwijls verklaarde hij, dat het hem een groot genoegen zou zijn den knaap, zoodra hij den leeftijd had, met zijne moeder naar [52]de opvoering van eenige goede stukken van den onsterfelijken dichter mee te nemen.
De tranen welden op in de oogen der liefhebbende moeder, toen zij zich deze woorden van haar man herinnerde, die reeds tot de ruste was ingegaan. Zij kuste haar zoon hartelijk en beloofde, dat zij gaan zou. Laura huppelde van blijdschap. Wij zullen niet onderzoeken of Pen opgetogen, dan wel beschaamd was. Toen zijne moeder aan zijn hart lag, brandde hij van verlangen om haar alles te zeggen; maar hij bedwong zich. Hij wilde eerst zien hoe zij aan zijne moeder beviel; de benefice moest daartoe het middel zijn, en, gelijk Hamlet, zou hij zijne moeder door een tooneelstuk op de proef stellen.
In de goede luim, waarin Helena verkeerde, vroeg zij, of mijnheer Smirke ook niet van de partij wilde zijn? De geestelijke heer was te Clapham door eene liefhebbende moeder groot gebracht, die een afkeer van het tooneel had, zoodat hij nog nooit eene opvoering had bijgewoond. Maar Shakespeare! – met mevrouw Pendennis te rijden en een ganschen avond naast haar te zitten! – hij kon aan het vooruitzicht op zooveel genot geen weerstand bieden, en hield eene weinig beteekenende rede, waarin hij van verzoeking en erkentelijkheid sprak en eindelijk de allervriendelijkste uitnoodiging van mevrouw Pendennis aannam. Onder het spreken wierp hij haar een blik toe, die haar erg hinderde. Die blik had haar in den laatsten tijd meer dan eens getroffen. Met elken dag werd de hulpprediker hatelijker in de oogen der weduwe.
Wij zullen niet breedvoerig uitweiden over Pens minnarij met jufvrouw Fotheringay, want de lezer heeft reeds een staaltje van haar onderhoud gezien, waarvan wij dus gewis niet veel behoeven mee te deelen. Pen zat uren achtereen bij haar en stortte zijne oprechte, jeugdige ziel geheel voor haar uit. Hij vertelde haar al wat hij wist, hoopte, gevoelde, dacht of gelezen had. Nooit werd hij moe van praten en van bij haar te zitten. Naarmate de denkbeelden in zijn vurig brein opstegen, hulde hij ze in woorden en deelde ze aan haar mede. Hare rol bij het tête-à-tête bestond niet in spreken, maar in het aannemen van den schijn alsof zij begreep wat Pen uitbraakte (hetgeen tamelijk moeielijk was, want de jonge heer sloeg geen geringe hoeveelheid onzin uit); zij behoefde maar bovenmate lieftallig te zijn en veel belangstelling aan den dag te leggen. Terwijl Pen iets heel moois zeide – en, verbaasd over zijne eigen welsprekendheid, daarop misschien wel twintig minuten lang doordraafde – had de aanvallige Emily, die geen tiende gedeelte van al wat hij voor den dag bracht begrijpen kon (dit was het fijne van de zaak), gelegenheid om over hare eigen aangelegenheden na te denken, en te overleggen hoe zij het koude vleesch zou gereedmaken of hoe zij hare zwart satijnen japon zou keeren, of hoe zij met hare linten een hoed zou kunnen maken gelijk dien nieuwen van jufvrouw Thackthwaite, en meer van dien aard. Pen vloeide over van Byron en Moore, van hartstocht en poëzie: Emily vergenoegde zich, met hare oogen omhoog te slaan of ze een oogenblik op zijn gelaat te laten rusten en uit te roepen: „O hoe mooi! O hoe heerlijk! Och, zeg die regels nog eens op!” En dan stak de knaap weer van wal en keerde zij tot hare eigen gedachten terug over het kleedje, dat gekeerd, of het vleesch, dat gekookt moest worden.
Pen’s verliefdheid was inderdaad niet lang verborgen gebleven voor [53]Emily of haar vader, en bij zijn tweede bezoek viel zijne vurige bewondering beiden in het oog, zoodat de oude heer, toen hij vertrokken was, met een knipoogje over zijn glas grog heen tegen zijne dochter zeide: „Waarlijk, mijn schatje, ik geloof, dat gij dien jongen heer hebt aangehaakt.”
„Bah! het is nog maar een jongen, papalief!” antwoordde Emily. „Het is nog niet veel meer dan een kind.” Het zou Pen zeker veel pleizier gedaan hebben, als hij die verklaring gehoord had! Maar hij reed nu, uitgelaten van blijdschap, onder het aanhoudend uitroepen van haar naam, huiswaarts.
„Gij hebt hem zonder twijfel aangehaakt,” herhaalde de kapitein, „en ik verzeker u, dat het geen katvisch is. Ik heb er Tom in den George, en Flint, den kruidenier, die aan zijne moeder levert, naar gevraagd: – een belangrijk vermogen – houdt rijtuig – mooi park en land – Fairoaks Park – eenige zoon – al die bezittingen de zijne op zijn een en twintigste jaar: – gij zoudt lang kunnen zoeken, jufvrouw Fotheringay, om eene betere partij te vinden.”
„Die jongens praten meestal maar in de lucht,” zeide Milly zeer ernstig. „Gij weet nog wel hoe gij te Dublin over den jongen Poldoody hebt doorgeslagen, en ik heb een lessenaar vol met verzen, die hij mij schreef toen hij nog op de academie was; maar hij ging buitenslands en zijne moeder huwde hem uit aan eene Engelsche dame.”
„Lord Poldoody was een jong edelman, en van zulke heeren is dat natuurlijk. Gij stondt ook nog niet op het standpunt, dat gij thans inneemt, lieve Milly. Maar gij moet dezen jongen snaak niet te veel voet geven, want, waarachtig, Jack Costigan zou het niet dulden, dat men den draak met zijne dochter stak.”
„En dat zou zijne dochter ook niet, papa, daar kunt gij u op verlaten,” hernam Milly. „Nog een teugje punch? – ze is heel lekker. Ge behoeft u niet bezorgd te maken over dien jongen snaak – ik geloof, kapitein Costigan, dat ik oud genoeg ben om op mij zelve te passen.”
Pen kwam dus dag op dag en werd bij elk bezoek doller verliefd op het meisje. Soms was de kapitein bij hun onderhoud tegenwoordig; doch daar hij zijne dochter volkomen vertrouwde, liet hij het jonge paar dikwijls alleen, zette zijn hoed op één oor en ging, als Pen binnenkwam, eene boodschap doen. Wat waren dat zalige bijeenkomsten! De zitkamer van den Kapitein was een laag, met eikenhout beschoten vertrek, met een groot venster, dat in den tuin van den deken uitzag. Daar zat Pen dan te praten tegen Emily, die er bekoorlijk uitzag aan haar werk, en de zonneschijn viel door het groote venster binnen en verlichtte hare indrukwekkende trekken en gestalte. Te midden van het gesprek begon soms de groote klok te luiden, en hield Pen met een glimlach stil, en bleef hij het stilzwijgen bewaren tot de nagalm dier statige tonen weggestorven was. Soms gebeurde het ook wel, dat de kraaien in de olmen rondom de groote kerk tegen het ondergaan der zon een geweldig geschreeuw aanhieven, of de tonen van het orgel en van de koorzangers de stille lucht vervulden en Pen’s gepraat op zachte wijze tot zwijgen brachten.
In het voorbijgaan behoort hier vermeld te worden, dat jufvrouw Fotheringay elken Zondag, dien zij beleefde, gekleed met een eenvoudigen shawl, een eenvoudig hoedje en een sluier, ter kerk ging in gezelschap [54]van haar onvermoeiden vader, die bij den dienst de gebeden met een onmiskenbaar Iersch accent opdreunde, de psalmen en liederen meezong en zich op de voorbeeldigste wijze gedroeg.
De kleine Bows, de huisvriend der familie, was ijselijk boos bij het denkbeeld, dat jufvrouw Fotheringay in het huwelijk zou treden met een knaap, zeven of acht jaar jonger dan zij. Bows, die kreupel ging en toegaf dat hij een weinigje mismaakter was dan Bingley de regisseur en dus niet op het tooneel kon verschijnen, was een zonderling hartstochtelijk manneke van geen geringe talenten en veel humor. Na eerst door de schoonheid van jufvrouw Fotheringay aangetrokken te zijn, begon hij haar te leeren hoe zij spelen moest. Met zijne schorre stem zeide hij de rollen op, die zijne leerlinge van zijne lippen van buiten leerde en met hare fraaie stem nasprak. Hij gaf haar elke houding aan en bracht hare schoone armen in beweging. Wie deze groote actrice op het tooneel gezien heeft, zal zich herinneren, dat zij zich altijd letterlijk van dezelfde gebaren, blikken en stembuigingen bediende; dat zij op dezelfde plank van het tooneel in dezelfde houding stond, hare oogen op hetzelfde oogenblik en even ver liet rondgaan en met dezelfde hartverscheurende smart bij stipt hetzelfde treffende woord weende. Wanneer zij bevende van aandoening voor de toeschouwers opgetreden was en er zoo uitgeput en verbrijzeld uitzag, dat men zou gedacht hebben, dat zij uit overmaat van ontroering moest neerzinken, bond zij, zoodra zij achter de coulissen was, haar haar op en ging naar huis om een lamscôteletje en een glas zwaar bier te gebruiken; en wanneer de bezwarende arbeid van den dag over was, stapte zij in bed en snorkte zoo zwaar en regelmatig als een kruier.
Bows was dan verontwaardigd bij het denkbeeld, dat zijne leerlinge hare kans op fortuin zou verspelen, door hare hand te schenken aan een klein landjonkertje. Hij voorspelde, dat zij een engagement te Londen zou krijgen en grooten opgang maken, zoodra een Londensch tooneel-directeur haar zag. Maar het ongeluk was juist, dat de Londensche directeuren haar gezien hadden. Zij had drie jaar geleden te Londen gespeeld en toen door overmaat van domheid de neerlaag geleden. Daarna had Bows zich haar aangetrokken en haar de eene rol na de andere geleerd. Wat werkte en schreeuwde hij, wat spande hij zich in! wat herhaalde hij eindeloos de regels! en met welk een onverstoorbaar geduld en botheid volgde zij hem! Zij wist, dat hij eigenlijk haar maakte tot hetgeen zij was, en zij liet het zich welgevallen. Zij was niet dankbaar of ondankbaar, of onvriendelijk of netelig. Zij was niets anders dan dom, en Pen was dol op haar verliefd.
De postpaarden uit het Wapen van Clavering kwamen op den bepaalden tijd voor en brachten het gezelschap naar den schouwburg te Chatteries, waar het Pen genoegen deed te zien, dat een tamelijk groot getal toeschouwers waren opgekomen. De jonge heeren uit Baymouth hadden eene loge genomen, waar mijnheer Foker met zijn vriend Spavin, beiden in het sierlijkste avondtoilet gedost, voorin zaten. Zij groetten Pen op vertrouwelijke wijze en namen zijn gezelschap eens op, hetgeen hunne goedkeuring wegdroeg, want de kleine Laura was een aardig meisje met blozende wangen en dikke glanzig-bruine lokken, en mevrouw Pendennis in haar zwart fluweelen kleed met het diamanten kruis, dat zij bij staatsiegelegenheden droeg, zag er buitengemeen voornaam en lieftallig uit. Achter deze beiden zat mijnheer Arthur, en de zachtaardige [55]Smirke met de lok op zijn hoog voorhoofd en zijne witte das in de volmaaktste orde. Hij bloosde, dat hij zich op eene dergelijke plaats bevond – maar hoe gelukkig gevoelde hij zich, dat hij daar was! Hij en mevrouw Pendennis hadden de tekstboekjes van „Hamlet” meegebracht om het stuk te volgen, zooals bij eerzame plattelandsbewoners gebruikelijk is, wanneer zij in alle deftigheid naar den schouwburg gaan. Samuel, koetsier, palfrenier en tuinman van mijnheer Pendennis, nam plaats in het parterre, waar men ook den knecht van mijnheer Foker zag. Hier en daar ontwaarde men er tevens wachtmeesters van de dragonders, wier muziek, met welwillende vergunning van kolonel Swallowtail, naar gewoonte het orkest bezette; terwijl die zwaarlijvige en beroemde krijgsoverste zelf, met zijne Waterloo-medaille en een aantal zijner jonge officieren, eene mooie vertooning in de loges maakte.
„Wie is die oude heer, die tegen u buigt, Arthur?” vroeg mevrouw Pendennis aan haar zoon.
Pen bloogde tot achter de ooren. „Dat is kapitein Costigan, mama,” gaf hij ten antwoord, „een officier, die de veldtochten in Spanje meegemaakt heeft.” Het was werkelijk de kapitein in een nieuw pak kleeren en met groote wit-glacé handschoenen, met een van welke hij naar Pendennis wuifde, terwijl hij den andere over zijn hart en zijne roksknoopen streek. Pen liet zich niet verder uit. Hoe zou mevrouw Pendennis ook geweten hebben, dat mijnheer Costigan de vader van jufvrouw Fotheringay was?
De heer Hornbull van Londen vervulde de rol van Hamlet, en mijnheer Bingley stelde zich zedig tevreden met die van Horatio en bespaarde zijne wezenlijke krachten voor de rol van William, in het nastuk „de Zwart-oogige Susanna.”
Wij behoeven ons bij het stuk niet op te houden en zullen alleen zeggen, dat Ophelia er bekoorlijk uitzag en zich met bewonderenswaardig pathos van hare taak kweet; dat zij lachte, weende, verbijsterd rondstaarde, hare fraaie blanke armen zwaaide en in den wegslependsten waanzin bloemen strooide en stukken van liederen zong. Wat heerlijke gelegenheid om haar prachtig zwart haar langs hare schouders te laten golven! Zij was het bekoorlijkste lijk, dat men met oogen zien kon; en terwijl Hamlet en Laertes in haar graf streden, keek zij tusschen de coulissen nieuwsgierig naar de loge van Pen en de daar vergaderde familie.
Er ging maar ééne stem tot haar lof op. Mevrouw Pendennis was verrukt over hare schoonheid. De kleine Laura was verbijsterd door het treurspel en den geest en het stuk in het stuk (waarbij Pen, toen Hamlet aan Ophelias knieën lag, grooten lust gevoelde om mijnheer Hornbull te worgen), maar zij was onuitputtelijk in lofspraken over het schoone meisje. Pen stond opgetogen over den indruk, dien zij op zijne moeder gemaakt had – en de dominé was, wat hem betrof, geheel in vervoering.
Toen het scherm voor die groep van omgebrachte personages viel, die aan het slot van den „Hamlet” zoo spoedig aan hun einde komen en wier overlijden de kleine Laura niet weinig verbaasde, deed zich een vervaarlijk gejuich en handgeklap uit alle hoeken van de zaal hooren; de manmoedige Smirke klapte, in hevige opgewondenheid, in de handen en riep even hard: „Bravo! bravo!” als de dragonder-officieren zelven. Deze waren in de hoogste mate opgewonden, – ils s’agitaient [56]sur leurs bancs, om eene uitdrukking van onze buren te gebruiken. Onder gejuich werden zij in den slag gevoerd door den statigen Swallowtail, die zijne muts zwaaide, terwijl de wachtmeesters in het parterre natuurlijk hunne officieren onversaagd volgden. Het bravogeroep deed de zaal daveren, en Pen behoorde onder degenen, die het luidst: „Fotheringay! Fotheringay!” riepen, hetgeen de heeren Spavin en Foker uit hunne loge teruggalmden. Zelfs mevrouw Pendennis begon met haar zakdoek te wuiven, en de kleine Laura danste, lachte, klapte in de handen en zag met verwondering naar Pen omhoog.
Hornbull leidde de beneficiante onder nieuwe uitbarstingen van geestdrift op, en met het haar nog altijd langs hare schouders golvende, zag zij er zoo schoon en betooverend uit, dat Pen ternauwernood zijne verrukking bedwingen kon, maar, over den rug van zijn moeders stoel geleund, juichte en hoera riep en den hoed zwaaide. Hij moest bovenmenschelijke kracht aanwenden om zijn geheim nog voor zijne moeder verborgen te houden en haar niet toe te voegen: „Zie eens! Dat is nu die vrouw! Is zij niet weergaloos? Die is het nu, die ik bemin!” Maar hij smoorde die gevoelens onder een vreeselijk gebrul en hoerageschreeuw.
Wat jufvrouw Fotheringay betrof en de wijze waarop, zij zich gedroeg, verwijzen wij den lezer naar eene vroegere bladzijde. Zij deed letterlijk weer hetzelfde. Zij zag de zaal met een dankbaren blik rond, zij beefde, zij bezweek bijna van aandoening boven haar geliefkoosd valluik. Zij nam de bloemen op (Foker wierp haar een reusachtigen ruiker toe, en zelfs Smirke beproefde het flauwtjes met eene roos en bloosde geweldig toen die in het parterre viel), – zij nam dan de bloemen op en drukte ze aan haar kloppend hart, enz, enz., – met één woord wij verwijzen den lezer naar bladzijde 34 hierboven. De arme Pen zag op haar boezem een medaillon glinsteren, dat hij met den laatsten shilling, dien hij bezat, en een goudstuk, dat hij van Mirke had geleend, bij mijnheer Nathan in de Hoogstraat gekocht had.
Nu volgde „de Zwart-oogige Susanna,” een lief stukje, dat onze goedhartige vrienden bovenmate beviel en roerde, en waarin Susanna, met een bruin kleedje en een rood lintje op hare muts, er volmaakt even lieftallig uitzag als Ophelia. Bingley was groot in de rol van William. Goll, in de rol van den Admiraal, geleek op het beeld op den voorsteven van een fregat, en Garbetts, als kapitein Boldweather, een schelm, die het plan smeedt om de zwart-oogige Susanna te schaken en, onder het zwaaien van een onmetelijken steek, zegt: „Wat er ook gebeure, hij zal haar ongeluk zijn,” – deze allen vervulden hunne rollen met hun bekend talent; en met wezenlijke spijt zagen al onze vrienden het scherm vallen en dat lieve en aandoenlijke stukje eindigen.
Had Pen alleen bij zijne moeder in het rijtuig gezeten toen zij naar huis reden, hij zou haar nog dien zelfden avond alles bekend hebben, maar hij zat in den maneschijn op den bok eene sigaar te rooken naast Smirke, die zich met een pijpje verwarmde. De chais en lantaarns van mijnheer Foker vlogen de bedaarde Claveringsche paarden voorbij toen zij een paar mijlen op den terugweg gevorderd waren, en mijnheer Spavin begroette het rijtuig van mevrouw Pendennis met eenige niet onbelangrijke variatiën van Rule Britannia op de cornet à piston. [57]
Twee dagen na de boven beschreven vermakelijkheden gaf de eerwaarde deken van Chatteries ten zijnen huize een diner aan een aantal vrienden van den geestelijken stand. Het is hoogst waarschijnlijk, dat zij buitengewoon lekkeren portwijn dronken en aan het dessert kwaad spraken van den bisschop, maar daarmede behoeven wij ons voor het oogenblik niet in te laten. Onze vriend doctor Portman, van Clavering, behoorde onder de gasten van den deken, en daar hij een galant heer was en van zijne plaats aan tafel de vrouw van den deken de grasperken zag op- en neder wandelen, terwijl hare kinderen rondom haar speelden en eene paarsche parasol haar lief kopje beschermde, stapte hij door de glazen deur der eetzaal naar buiten op het perk, dat langs dat vertrek loopt, en liet de andere gestukadoorde halzen tegen mylord den bisschop uitvaren. De doctor bood aan mevrouw zijn arm en beiden begonnen dat antieke fluweelachtige perk, dat reeds voor ontelbare dekens afgemaaid en gladgerold is, op die bedaarde, stille en gemakkelijke wijze op- en neder te wandelen, waarop menschen van middelbare jaren en een kalm humeur gewoon zijn na een goed diner zich in den stillen, gouden zomeravond te vertreden, als de zon pas even achter de statige torens der groote kerk is weggezonken en de sikkelvormige maan elk oogenblik helderder in het hemelruim begint te blinken.
Nu lag, gelijk wij reeds vermeld hebben, het huis van jufvrouw Creed aan het einde van den tuin van den deken, en de vensters der kamer op de eerste verdieping stonden open, om de verkwikkelijke zomerlucht binnen te laten. Eene jonge dame van zes en twintig jaar, wier oogen volmaakt goed open waren, en een rampzalige jongeling van achttien jaar, die blind was van verliefdheid en dwaasheid, zaten in die kamer bij elkander, en daar wij die personen reeds op dezelfde plaats aangetroffen hebben, zal het den lezer niet moeielijk vallen mijnheer Arthur Pendennis en jufvrouw Costigan te herkennen.
De arme jongen had den sprong gewaagd. De arme Pen, die van hartstocht en ontroering trilde, wiens hart angstig klopte en zwoegde, wien de tranen in spijt van hem zelven uit de oogen sprongen, wiens stem van aandoening bijna in zijne keel bleef steken, had de woorden uitgesproken, die hij niet langer terughouden kon, en zijn hart en zijn ganschen schat van liefde, bewondering en vuur aan de voeten dezer rijpe schoone nedergelegd. Zou hij de eerste zijn, die dit gedaan heeft? Heeft niemand vóór of na hem al de schatten zijns leven voor een paar bedrieglijke oogen op het spel gezet, evenals een wilde zijn land en zijne bezittingen voor een teug van het vuurwater der blanken?
„Weet uwe moeder hiervan, Arthur?” vroeg jufvrouw Fotheringay langzaam. Op die vraag greep hij in driftige vervoering hare hand, die hij met duizend kussen bedekte en die zij niet terugtrok. „Weet de oude dame er van?” dacht jufvrouw Costigan bij zich zelve: „Misschien weet zij er wèl van,” en zij herinnerde zich daarbij het fraaie diamanten kruis, dat mevrouw Pendennis op den avond van hare benefice aanhad. „Zeker,” overpeinsde zij, „zal dat in de familie blijven.”
„Bedaar, Arthur-lief,” sprak zij op haar vollen, diepen toon en lachte hem zoet maar ernstig toe. Daarop streek zij met hare vrije hand zijn haar luchtig van zijn kloppend voorhoofd weg. Hij verkeerde in zulk eene vervoering, in zulk een zwijm van gelukzaligheid, dat hij ternauwernood spreken kon. Eindelijk bracht hij met moeite uit: „Moeder heeft u gezien en bewondert u ten hoogste. Zij zal u spoedig leeren [58]liefhebben, want wie zou anders kunnen? Zij zal van u houden, omdat ik van u houd.”
„Ja, waarlijk geloof ik, dat gij van mij houdt,” zeide jufvrouw Costigan, misschien met een soort van medelijden met Pen.
Zij geloofde het maar! Natuurlijk ging mijnheer Pen hier tot eene ontboezeming over, waarin wij, daar wij ons volkomen meester zijn, den knaap niet zullen volgen. Het spreekt van zelf, dat liefde, trouw en eeuwigheid er in voorkwamen, en dat er woorden gezocht maar niet gevonden werden om de vervaarlijke diepte van zijne genegenheid te peilen. Maar wij herhalen, dat wij met die redevoering niets te maken hebben. Zij was waarschijnlijk niet heel verstandig, maar welk recht hebben wij om ze af te luisteren? Laat den armen jongen zijn argeloos hart aan de voeten dier vrouw uitstorten en laten wij hem zacht beoordeelen. Op eene verstandige manier te beminnen, is ongetwijfeld het beste; maar op eene dwaze manier lief te hebben is beter dan in het geheel niet voor liefde vatbaar te zijn. Sommigen onzer zijn er niet vatbaar voor en beroemen zich op hunne onmacht.
Toen Pen’s rede gedaan was, kuste hij die vorstelijke hand nogmaals in vervoering, en ik geloof, dat het op dat zelfde oogenblik was, juist toen de vrouw van den deken en doctor Portman met elkander in gesprek waren, dat haar zoontje, de jonge heer Ridley Roset, haar aan de achterplooien van haar omvangrijk gewaad trok, met de woorden:
„Zeg eens, mama! kijk daar eens!” waarbij hij met zijn onschuldig kopje wenkte.
Ja waarlijk, dat was een gezicht uit den tuin van den deken, zooals zelden door dekens gezien – of in kapittels behandeld wordt. De arme Pen zat daar saluutschoten op de rozenvingeren van haar, die hem betooverd had, af te vuren, en zij van haar kant nam die hulde met onverstoorbare kalmte en gelijkmoedigheid aan. De jonge heer Ridley keek op en grinnikte, de jonge jufvrouw Rosa keek haar broeder aan en stond van verbazing met een open mond. Het gezicht, dat de vrouw van den deken zette, is niet te beschrijven, en doctor Portman stond van woede en verwondering versteend toen hij dat tafereel aanschouwde en zijn ouden gunsteling en beminden kweekeling Pen in het oog kreeg.
Mevrouw Haller werd op hetzelfde oogenblik het gezelschap daar beneden gewaar, deinsde even terug en begon te lachen. „Kijk eens, daar zijn menschen in den tuin van den deken,” riep zij uit en verwijderde zich met onverstoorbare bedaardheid, terwijl Pen, met een gezicht als eene kool vuur, wegvloog. Het gezelschap in den tuin was weer naar binnen gegaan toen hij het waagde andermaal naar buiten te kijken. De halve maan stond toen reeds helder aan den hemel te blinken, de sterren flikkerden, de klok der hoofdkerk sloeg negen uur, de gasten van den deken (één uitgezonderd, die zijn paard Dumpling had laten vóórkomen en reeds vroeg weggereden was) zaten een kopje thee met krentenbroodjes in de gezelschapszaal der vrouw van den deken te gebruiken – toen Pen van jufvrouw Costigan afscheid nam.
Pen kwam op een behoorlijken tijd thuis en wilde juist naar bed sluipen, want de arme jongen was zeer afgemat en van streek en zijne opgewondenheid grensde bijna aan waanzin, – toen John, de oude lakei, hem met een onheilspellend gelaat kwam berichten, dat zijne moeder hem beneden wenschte te spreken. [59]
Hij deed zijne das dus weer om en ging naar beneden, naar de gezelschapskamer. Daar zat niet alleen zijne moeder, maar ook haar vriend, de eerwaarde doctor Portman. Helena’s gezicht zag er bij het lamplicht zeer bleek uit, – dat van den doctor was daarentegen rood en trilde van toorn en ontroering.
Pen zag dadelijk in, dat de bom losgebarsten en de zaak ontdekt was. „Nu zal het er op aankomen,” dacht hij.
„Waar zijt gij geweest, Arthur?” vroeg Helena met bevende stem.
„Hoe durft gij die – die achtenswaardige dame en een christelijk predikant in de oogen zien, mijnheer?” viel de doctor uit, in weerwil van Helena’s smeekende blikken. „Waar was hij geweest? Daar, waar zijn moeders zoon zich had moeten schamen te komen. Want uwe moeder is een engel, mijnheer, een engel! Hoe durft gij dit huis bezoedelen, en die reine vrouw rampzalig maken door de gedachte aan uw misdrijf?”
„Mijnheer,” riep Pen uit.
„Spreek het niet tegen, mijnheer,” bulderde de doctor. „Voeg geen leugens, mijnheer, bij uwe andere schanddaden. Ik zelf heb u gezien, mijnheer! Ik heb u gezien uit den tuin van den deken. Ik zag u de hand kussen van die vervloekte geblankette –”
„Zwijg!” zeide Pen en sloeg met de gebalde vuist zoo krachtig op de tafel, dat de lamp er van schudde en hooger opvlamde. „Ik ben nog zeer jong, maar ik verzoek u in gedachte te houden, dat ik een gentleman ben. Ik wil geen kwaad hooren van die dame.”
„Dame, mijnheer!” riep de doctor uit. „Dat eene dame? Staat gij hier – hier – staat gij hier voor uwe moeder en durft gij die – die vrouw eene dame noemen?”
„Voor iedereen durf ik haar zoo te noemen,” schreeuwde Pen. „Zij zou overal op hare plaats wezen. Zij is zoo rein als eenige vrouw wezen kan; en zij is even deugdzaam als schoon. Als iemand anders dan gij haar belasterde, zou ik hem vertellen hoe ik daarover dacht; doch gij, als mijn oudste vriend, hebt zeker het recht om aan mijne eer te twijfelen.”
„Neen, neen, Pen, beste Pen!” riep Helena in overmaat van blijdschap uit. „Ik heb het u wel gezegd, doctor, dat hij degeen niet was waarvoor gij hem hieldt.” En bij die woorden kwam de teerhartige vrouw naar haar zoon en wierp zich aan zijn hals.
Pen gevoelde zich man, hij gevoelde zich opgewassen tegen al de dominé’s in de christenheid. Hij verheugde zich, dat het eindelijk tot deze verklaring gekomen was. „Gij hebt gezien hoe schoon zij was,” sprak hij tot zijne moeder met het geruststellend en beschermend voorkomen, dat Hamlet in het tooneelstuk tegenover Geertruida aanneemt. „En ik verzeker u, moeder, dat zij evengoed is. Als gij haar kent, zult gij het ook zeggen. Met uitzondering van u is zij de eenvoudigste, vriendelijkste, hartelijkste aller vrouwen. Waarom zou zij niet op het tooneel mogen komen? Zij onderhoudt haar ouden vader door middel van haar arbeid.”
„Een dronken oude schelm,” bromde de doctor, maar Pen hoorde het niet, of gaf er niet om.
„Als gij hadt kunnen zien, gelijk ik er toe in de gelegenheid ben geweest, welk een ordelijk leven zij leidt, hoe onberispelijk en godsdienstig zij leeft, – dan zoudt gij, evenals ik, – ja, evenals ik –” (en [60]hierbij wierp hij een woesten blik op den doctor), – „den lasteraar verachten, die haar durfde bezwalken. Haar vader was een officier, die zich in Spanje roemrijk onderscheidde. Hij was een vriend van zijne koninklijke hoogheid den hertog van Kent en een goede kennis van den hertog van Wellington en verscheidene der voornaamste officieren van ons leger. Hij gelooft, dat hij oom Arthur bij Lord Hill ontmoet heeft. Hij behoort tot eene der oudste en voornaamste familiën van Ierland, ja even aanzienlijk als de onze. De – de Costigan’s zijn koningen van Ierland geweest.”
„Wel, God bewaar me!” schreeuwde de doctor, niet wetende of hij lachen moest of boos worden, „gij wilt toch niet zeggen, dat gij van plan zijt haar te trouwen?”
Pen nam de houding aan van een prins en vroeg: „Wat zoudt gij denken, dat ik anders van plan was, Dr. Portman?”
De doctor, wiens aanval ten eenemale mislukt was en die door dezen plotselingen uitval van Pen weerloos was gemaakt, had nog slechts de kracht om met eene beklemde stem te zeggen: „Laat den majoor óverkomen, mevrouw Pendennis.”
„Den majoor laten óverkomen? met het grootste genoegen,” zeide Arthur, prins van Pendennis en groot-hertog van Fairoaks, met eene fiere handbeweging. En het gesprek eindigde met het schrijven van die twee brieven, welke in den aanvang dezer waarachtige historie van prins Arthur op de ontbijttafel van majoor Pendennis te Londen gelegd werden.