[Inhoud]

ZESTIGSTE HOOFDSTUK.

Opheldering.

Er is, gelijk de lezer zal opmerken, bijna een jaar heengegaan over eene gebeurtenis, die wij slechts weinige bladzijden geleden beschreven hebben. Arthur staat op het punt om zijn zwarten rok met een blauwen te verwisselen. Hij heeft in zijn persoon nog andere meer verblijdende en opmerkelijke veranderingen ondergaan. Hij heeft zijne pruik ter zijde gelegd en zijn haar, ofschoon wat dunner dan vroeger, is weer voor het publiek zichtbaar. Hij heeft de eer gehad ten hove te verschijnen in de uniform van tweeden luitenant van het Claveringsche eskadron der –shire schutterij te paard, waarbij hij aan den koning werd voorgesteld door den markies van Steyne.

Arthur’s oom had sterk, en als het ware met tranen in de oogen, op het doen van dien stap aangedrongen. De majoor had er niet van willen hooren, dat er nog een jaar zou voorbijgaan, eer zijn neef die voor ieder gentleman zoo noodzakelijke plechtigheid doorgestaan had. De oude heer oordeelde nu ook, dat zijn neef in eene voornamer club dan het Megatherium lid moest zijn, en had overal in de groote wereld zijne spijt te kennen gegeven, dat de erfenis van den jonkman niet zoo voordeelig was uitgevallen als hij reden had gehad te verwachten en nog beneden de vijftienhonderd pond ’s jaars bleef. [177]

Dit was de som, waarop Pen’s fortuin door de wereld geschat werd, – de som, krachtens welke zijn uitgevers veel meer eerbied voor hem begonnen te koesteren dan vroeger, en zelfs mama’s hem gansch niet ongenegen waren. Want, zoo de mooie dochters natuurlijk heeren van heel wat grooter fortuin moesten trouwen, was hij toch zeer geschikt voor de leelijke, en terwijl de geestige en bekoorlijke Myra bestemd is een graaf aan te klampen, moet de arme kleine Beatrice, die een scheeven schouder heeft, voor haar leven aan een of anderen sukkel gekoppeld worden, en waarom zou dan mijnheer Pendennis haar steun niet zijn? Den allereersten winter nadat Pen het fortuin zijner moeder verkregen had, zorgde mevrouw Hawxby, dat bare Beatrice het biljartspel van hem leerde, en door niemand anders dan hem in den hittenwagen gereden werd, omdat hij aan de letterkunde deed en hare Beatrice ook, en zij verklaarde, dat de jonkman, op aanhitsing van zijn verfoeielijken ouden oom, op de schandelijkste wijze met het hart van hare Beatrice gespeeld had. Het ware van de zaak is, dat de oude heer, die wist welk karakter mevrouw Hawxby had en welke snoode lagen zij aan argelooze jonge heeren legde, naar de bedoelde buitenplaats overgekomen was en Arthur buiten bereik van hare hinderlagen, doch niet van hare tong weggevoerd had. De oude Pendennis, had gewenscht, dat zijn neef een gedeelte van den Kersttijd te Clavering had doorgebracht, waarheen de familie teruggekeerd was; doch daartoe bezat Arthur den moed niet. Clavering lag te dicht bij het oude lieve Fairoaks, en daaraan waren te vele droevige herinneringen voor den jonkman verbonden.

Ook wij hadden de Clavering’s uit het gezicht verloren totdat zij bij de wedrennen te Epsom weder te voorschijn kwamen en moeten nu een kort verslag doen, hoe het hun in den tusschentijd gegaan was. Gedurende het afgeloopen jaar heeft de wereld geen enkel lid van de familie Clavering met bijzondere toegenegenheid behandeld. Lady Clavering, eene der goedhartigste vrouwen die ooit aan een goed diner eer bewezen, of fouten tegen de taal heeft gemaakt, zag haar eetlust en haar opgeruimdheid op eene zware proef stellen door familierampen en twisten van zulk een aard, dat de meesterstukken van den besten Franschen kok onsmakelijk en de zachtst gevulde sofa-kussens hard werden. „Ik zou liever, Strong, eene raap voor dessert hebben dan die ananas en al die muscadel-druiven van Clavering,” zegt de arme Lady Clavering, een blik op haar eettafel slaande, terwijl zij hare grieven aan haar trouwen vriend ontboezemt, „indien ik maar een weinigje rust had onder het eten. O, hoeveel gelukkiger was ik in mijn weduwstaat, eer al dat geld mij ten deel viel!”

De familie Clavering was inderdaad op eene verkeerde wijze in de wereld opgetreden, en had noch genoegen, noch aanzien, noch dank geoogst voor de gastvrijheid die zij bewees, noch zich op denzelfden vriendschappelijken voet zien behandelen door de menschen, die zij onthaald hadden. Het was twijfelachtig of zij eenigen opgang gemaakt hadden gedurende hun eerste Londensche seizoen, en hun latere val was onmiskenbaar. „Geen mensch bezat geduld genoeg, om Sir Francis Clavering uit te staan,” zeide de wereld. „Hij was al te gemeen vervelend, en laag. Men kon niet zeggen waarin het gelegen was, maar er was iets terugstootends in dat huis en al wat er toe behoorde. Wie was die begum, met haar geld en zonder hare h’s, en waar kwam zij vandaan? Wat een onverdraaglijke nuf was hare dochter, met hare Fransche manieren en hare in het oog loopende gemaaktheid, het was in het geheel geen gezelschap voor fatsoenlijke Engelsche meisjes. En welke [178]zonderlinge menschen behoorden er tot hunne omgeving! Sir Francis Clavering was een dobbelaar, die openlijk met oplichters en losbollen omging. Hely Clinker, die met hem in hetzelfde regiment gediend had, zeide, dat hij niet alleen een valsche speler, maar bovendien een lafaard was. Welke reden kon Lady Rockminster hebben, om zich die familie aan te trekken?” Maar na het eerste seizoen liet Lady Rockminster, die zich Lady Clavering aangetrokken had, haar weder varen; de groote dames wilden hare dochters niet naar de partijen, die de Claverings’s gaven, meenemen; de jonge heeren, die daar verschenen, gedroegen zich met de onbeschaamdste vrijheid en de meest minachtende familiariteit; en de arme Lady Clavering moest zelve bekennen, dat zij genoodzaakt was het „canaille” te ontvangen, omdat de grooten niet komen wilden.

De arme goede lady droeg aan het „canaille” volstrekt geen kwaad hart toe; zij was van nature in het geheel niet trotsch en koesterde geen denkbeeld hoegenaamd, dat zij beter dan haar naaste was; maar zij had blindelings de voorschriften gevolgd, die haar bij haar intrede in de wereld door hare maatschappelijke petemoei gegeven waren: zij wilde gaarne degenen kennen, die zij vraagde. Het „canaille” was inderdaad veel pleizieriger dan de zoogenaamde „groote wereld”; maar gelijk wij hiervoren reeds zeiden, dat het gemakkelijk valt eene geliefde te verlaten, hoewel het omgekeerd zeer pijnlijk is door haar verlaten te worden, zoo kan men de wereld laten varen zonder noemenswaardige smart, ja zelfs met een gevoel van verlichting bij het scheiden; terwijl, indien de wereld van ons afziet, de vernedering en de pijn zwaar te dragen zijn.

Wij hebben echter één jongmensch uit de voorname wereld genoemd van wien men mocht verwachten, dat hij onder al die trouweloozen getrouw zou zijn, en de weledelgeboren heer Henry Foker was inderdaad die man. Maar hij had de zaak niet voorzichtig aangelegd, en de ongelukkige liefde, die hij aanvankelijk aan Pen had geopenbaard, werd door de gansche stad bekend en bespot, en kwam zijne zwakke maar liefhebbende moeder ter oore, terwijl zij ook eindelijk ter kennis van den kaalhoofdigen en onbuigzamen Foker senior werd gebracht.

Toen de heer Foker deze onaangename tijding vernam, viel er tusschen hem en zijn zoon een hevig en verdrietig tooneel voor, hetgeen daarmee eindigde, dat het arme heertje voor den tijd van een jaar uit Engeland verbannen werd, met stellig bevel om daarna terug te keeren en zijne nicht te trouwen, of zich met driehonderd pond ’s jaars te vergenoegen en nooit meer een oog op zijn vader of op de brouwerij te slaan. Mijnheer Henry Foker vertrok dus en voerde die smart en zorg mee, die aan de strengste grenskantoren tolvrij doorgaat en, luidens het spreekwoord, den balling overal vergezelt; en met dat rouwfloers voor zijn oogen, scheen zelfs de Parijsche boulevard hem somber toe en de hemel van Italië zwart.

Voor Sir Francis Clavering was dit jaar allerongelukkigst. De gebeurtenissen, die wij in het vorige hoofdstuk beschreven, zetten de kroon op de rampen van dien jaarkring. Het was het jaar des Heeren, toen – onze lezers, die aan de wedrennen deel nemen, zullen het zich wel herinneren – het paard van Lord Harrowhill, die een klassiek jong edelman was en zijn ros dus een naam uit de Ilias gegeven had, – toen Podasokus den Derby-prijs won, tot ontzetting van de ingewijden, die den naam van het winnende paard op de wonderlijkste wijzen uitspraken, en gewed hadden op Borax, die bij den wedren geheel achteraangebleven was. Sir Francis Clavering, die met verscheidene der grootste schurken van de renbaan bekend was en natuurlijk berichten had, die hij goed [179]vertrouwen kon, had zwaar gewed tegen het winnende paard en vóór het paard hetgeen men onderstelde dat den prijs zou wegdragen, en de uitkomst zijner berekeningen was, gelijk zijn zoon zeer juist aan de arme Lady Clavering had opgegeven, dat hij de ronde som van zeven duizend pond verloren had.

Het was een zware slag voor de lady, die reeds vele malen de schulden van haar man vereffend had; die even dikwijls eeden en beloften van hem had ontvangen, dat hij zich verbeteren zou; die zijne geldschieters en paardenkoopers had betaald; die zijne huizen in de stad en op het land had gemeubeld, en die nu weer op staanden voet werd aangezocht om die ontzaglijke som, de straf voor de spilzucht van haar lafhartigen echtgenoot, te betalen.

Wij hebben reeds vroeger vermeld, dat de oude Pendennis de raadsman der familie Clavering was geworden en, in zijne hoedanigheid van vriend des huizes, elk vertrek daarvan gezien had, tot zelfs dat akelige kabinetje, hetgeen wij allen hebben en waarin, volgens het spreekwoord, het geraamte, dat de familie beangstigt, opgesloten is. Van de geldzaken van den baronet wist de majoor echter niets, omdat Clavering zelf er niets van wist en ze onder zulk een onoverkomelijken hoop van leugens voor zich zelven en anderen verborg, dat geen raadsman of rechtsgeleerde een juist inzicht in zijne zaken kon krijgen. Ten aanzien van Lady Clavering wist de majoor echter meer; en toen dat onzalige geval bij de wedrennen had plaats gehad, besloot hij zich nu volkomen en grondig met al hare middelen, van welken aard ook, bekend te maken. Hij werd dan nu in de bijzonderheden ingelicht van de groote en talrijke opofferingen, die de weduwe Amory zich voor haar tegenwoordigen echtgenoot getroost had.

Hij ontveinsde zijn gevoelen niet (waardoor hij niet weinig in de gunst van jufvrouw Blanche was gestegen), dat de dochter van Lady Clavering hard behandeld was, ten voordeele van haar zoon uit haar tweede huwelijk, en gaf in zijne gesprekken met mylady duidelijk te kennen, dat er, naar zijn gevoelen, voor Blanche gunstiger beschikkingen moesten gemaakt worden. Gelijk wij hebben meegedeeld, had hij der weduwe reeds te verstaan gegeven, dat hij al de bijzonderheden van hare vroegere ongelukkige geschiedenis kende, daar hij in Indië was op het tijdstip toen toen de smartelijke voorvallen hadden plaats gehad, die met hare scheiding van haar echtgenoot eindigden. Hij kon haar opgeven in welk nommer van het nieuwsblad van Calcutta het verslag van Amory’s proces stond, en hij verklaarde aan de begum (voor welke inschikkelijkheid zij niet weinig dankbaar was), dat, ofschoon hij alles wist van den rampspoed, die haar getroffen had, hij dit altijd voor zich had gehouden en de bestendige vriend van hare familie was geweest.

„Natuurlijk heb ik daarbij mijn eigen belang op het oog gehad, waarde Lady Clavering,” zeide hij. „Wij worden allen door eigenbelang geleid, en het mijne (ik wil het u niet verbergen) strekte, om een huwelijk tusschen mijn neef en uwe dochter tot stand te brengen.” En hierop zeide Lady Clavering, misschien wel eenigszins verwonderd, dat indien de majoor hare familie tot eene verbintenis met de zijne uitkoos, zij daartoe zeer gaarne hare „toestemming” zou geven.

„Maar, waarde mevrouw,” liet hij er rondborstig op volgen, „mijn jongen bezit slechts vijfhonderd pond ’s jaars, en eene vrouw met tien duizend pond tot gansche fortuin zou zijn omstandigheden niet noemenswaardig verbeteren. Hij kan, met uw verlof, eene betere partij doen, want hij is een verstandig en voorzichtig jongmensch, die thans zijne [180]wilde haver heeft uitgezaaid, die zeer veel talent en eerzucht bezit, en die, als hij trouwt, daardoor tot een beter standpunt in de wereld wil geraken. Indien gij en Sir Francis het verkozen (en Sir Francis, dat verzeker ik u op mijn woord, zal u niets weigeren), zoudt gij Arthur op weg kunnen helpen om het in de wereld zeer ver te brengen en te toonen wat hij kan. Wat heeft Clavering aan dat lidmaatschap van het parlement, waar hij zich ternauwernood vertoont of den mond opendoet? Ik heb van heeren, die mijn jongen te Oxbridge hebben gehoord, vernomen, dat hij daar een uitstekend redenaar was. Zet maar ééns zijn voet in den stijgbeugel en help hem te paard, en ik houd mij overtuigd, mevrouw, dat hij geen achterblijver zal wezen. Ik heb den knaap op den tand gevoeld en geloof dat ik hem vrij goed ken. Hij is een te gemakkelijke, zorgelooze en loszinnige kerel om een sukkeldrafje aan te nemen en, evenals de rechtsgeleerden, eerst op het laatst van zijn leven het gewenschte doel te bereiken! Maar help hem een handje en verschaf hem goede vrienden en de gewenschte gelegenheid, en ik geef u mijn woord, dat hij een naam zal maken waarop zijne zonen trotsch zullen mogen zijn. Ik zie voor iemand als hij is, geen ander middel om het tot iets te brengen dan het aangaan van een verstandig huwelijk, – niet met een ongelukkige erfdochter, waarmee hij zijn leven lang op een ellendige vijftienhonderd pond ’s jaars zou moeten blijven teren, – maar met iemand, die hij in de wereld kan vooruithelpen en die het hèm kan doen en aan welke hij een goeden naam en eene goede plaats in de maatschappij kan verschaffen, in ruil voor de voordeelen die zij hem aanbrengt. Het zou voor u beter zijn een geachten schoonzoon te bezitten, dan uw echtgenoot in het parlement te laten blijven, waar hij evenmin zich zelven als iemand anders tot nut is. Dit, ik herhaal het, zijn de redenen waarom ik mij uwe belangen heb aangetrokken en u iets voorstel wat ik geloof dat tot wederzijdsch voordeel zou kunnen strekken.”

„Gij weet, dat ik Arthur tegenwoordig bijna als een lid van de familie beschouw,” antwoordde de goedhartige begum; „hij komt en gaat naar goedvinden, en hoe meer ik aan zijne lieve moeder denk, des te meer zie ik in, dat weinige menschen zoo goed zijn en niemand is zoo goed voor mij. Ik heb geschreid toen ik haar overlijden vernam, en ik zou zelfs over haar in den rouw zijn gegaan, als het zwart mij niet zoo slecht stond. Ik weet wel wie zijne moeder wenschte dat hij trouwen zou. Laura namelijk, waarmee de oude Lady Rockminster zooveel opheeft. En geen wonder, want Laura is een liever meisje dan mijne dochter. Ik ken ze allebei; en mijne Betsy – ik meen Blanche – doet mij niet veel pleizier aan, majoor! Pen moest Laura maar trouwen.”

„Trouwen op vijfhonderd pond ’s jaars! Goede lieve mevrouw, dat kunt ge niet meenen!” zeide majoor Pendennis. „Overleg maar eens wat ik u gezegd heb. Doe ten opzichte van uwe zaken niets met uw ongelukkigen man zonder mij te raadplegen, en herinner u, dat de oude Pendennis altijd uw vriend is.”

Sedert eenigen tijd had Pen’s oom zich in denzelfden geest tegen jufvrouw Amory uitgelaten. Hij had haar aandacht gevestigd op de aanbevelenswaardige zijde van het huwelijk, dat hem zoozeer ter harte ging, en achtte zich verplicht er bij te voegen, dat weinig, neen niets, zoo goed was om op te trouwen als wederkeerig belang. „Let maar eens op die huwelijken uit liefde, mijn schatje. De lieden, die enkel uit liefde trouwen, staan bekend wegens het oneenige leven dat zij later leiden, en een meisje, dat met Jan naar Gretna Green vlucht, neemt altijd in [181]het vervolg met Piet de vlucht naar Zwitserland. Het voorname punt bij een huwelijk is, dat de beide partijen overeenkomen elkander zooveel mogelijk van nut te zijn. De dame brengt de middelen aan en de heer doet ze vruchten dragen. De vrouw van mijn jongen verschaft hem het paard, en Pen neemt daarmede deel aan den wedren en wint den prijs. Dat is wat ik een verstandig huwelijk noem. Zulk een paar heeft wat te behandelen als zij bij elkander zitten. Al hadden zij Cupido zelf om mee te praten – gesteld dat Blanche en Pen Cupido en Psyche waren – dan zouden zij al na weinige avonden beginnen te geeuwen wanneer, zij geen andere onderwerpen dan sentimentaliteiten hadden.”

Jufvrouw Amory van haar kant was vrij wel met Pen tevreden, zoolang zij niemand beters had. Hoeveel andere jonge dames gelijken haar wel? en hoeveel huwelijken uit liefde houden het tot het eind vol? en hoeveel sentimenteele firma’s gaan niet ten slotte bankroet? en hoeveel gloeiend liefdevuur verflauwt niet tot ergerlijke onverschilligheid of dooft niet geheel en al uit?

Volgens zijne gewoonte, prentte de majoor deze levensbeschouwingen en wijsgeerige opvattingen voortdurend aan Pen in, wiens doorzicht hem in staat stelde het voor en tegen van menig vraagstuk te zien; en terwijl hij begreep, dat een sentimenteel leven verre boven de bevatting van den braven majoor ging, kon hij het practische leven ook zeer goed begrijpen, en er zich in werkelijkheid of althans volgens zijne meening, naar schikken. Vandaar, dat de raadgevingen van zijn oom gedurende het voorjaar, dat op zijn moeders dood volgde, zeer veel invloed op hem hadden en hij in Lady Clavering’s huis als het ware zijn hoofdkwartier had opgeslagen; hij was in zekeren zin door jufvrouw Amory aangenomen zonder haar verklaarde minnaar te zijn en werd toegelaten zonder met haar geëngageerd te wezen. De jongelui waren uiterst vertrouwelijk, zonder bijzonder sentimenteel te zijn, en kwamen met elkander in gezelschap of scheidden met de meeste kalmte. „En dat ben ik nu,” dacht Pendennis, „die acht jaar geleden smoorlijk verliefd was, en nog verleden jaar in mijne koortsvlagen om Briseïs riep!”

En echter was het nog altijd dezelfde Pendennis, voor wien de tijd, gelijk voor ons allen, de gewone gevolgen en vertroostingen, en de gewone ontwikkeling had meegebracht. Wanneer wij zeggen, dat een man of eene vrouw niet meer zóó zijn als wij ons hen uit onze jeugd herinneren, en wij bij onze vrienden veranderingen waarnemen (natuurlijk om die te betreuren), dan nemen wij misschien niet genoeg in aanmerking, dat de omstandigheden sommige sluimerende gebreken of deugden alleen te voorschijn, maar niet in het leven roepen. De zelfzuchtige kalmte en onverschilligheid, die men heden aan den dag legt, nu men in het bezit is, zijn slechts gevolgen van den zelfzuchtigen ijver waarmee men gisteren naar dat bezit streefde; – de minachting en lusteloosheid, die uitroept „ijdelheid der ijdelheden,” is slechts de afmatting van een verflauwden smaak, die verzadigd is van vermaak; de overmoed van den gelukkigen parvenu is slechts de noodwendige voortzetting der loopbaan van den behoeftigen sukkelaar; de veranderingen van ons gemoed zijn, evenals onze grijze haren of rimpels, niets anders dan de vervulling der wet van den aanwas en het verval des lichaams; wat nu sneeuwwit is, was eenmaal glanzig zwart; wat heden trage zwaarlijvigheid is, was slechts weinige jaren geleden levende en frissche gezondheid; die kalme, welwillende, onderworpene en teleurgestelde berusting was voor weinige jaren brandende en hevige eerzucht, en is [182]slechts na menigen strijd en nederlaag tot lijdzame rust gekomen. Welzalig degeen, die zijne teleurstelling zoo dapper doorstaat en zijn gebroken zwaard met een onversaagd en nederig hart aan het Fatum, dat de overwinning behaalt, overgeeft! O welwillende lezer, die dit boek misschien opgenomen hebt om u een oogenblik te ontspannen, en het weer neerlegt om u aan ernstige gedachten over te geven! Zijt gij niet met ontzetting vervuld als gij overdenkt dat gij, die geslaagd zijt, of wel uw ondernemingen hebt zien mislukken, die misschien een aanzienlijken rang bekleedt, of wel eene hopelooze en onbekende plaats (aan u zelven alleen bekend) inneemt onder de duizenden, die van zooveel tegenspoed, geluk, misdaad of berouw kunnen getuigen; gij, die wellicht hebt liefgehad en koel zijt geworden, die, wie weet hoe dikwijls, geweend en wederom gelachen hebt, – wanneer gij overdenkt, herzeg ik, dat gij dezelfde zijt, dien gij u uit den tijd der kindsheid herinnert, voordat de levensreis een aanvang nam? Zij is voorspoedig geweest en gij loopt de haven binnen, terwijl de bemanning hoera roept en de kanonnen het saluut losbranden, en de gelukkige kapitein zijn groet brengt, zonder dat iemand weet van de zorg, die onder de ster op zijne borst huisvest; – of gij hebt schipbreuk geleden en zijt hopeloos, op een enkele plank vastgebonden, de zee ingedreven; de wegzinkende schepeling en de gelukkig geslaagde man denken waarschijnlijk ieder aan hun ouderlijk huis en herinneren zich den tijd toen zij kinderen waren; doch gij gevoelt u alleen, terwijl gij op de plank drijft, die geene redding aanbiedt, en buiten het gezicht van allen wegzinkt, evenals gij u alleen gevoelt te midden der menigte die u toejuicht.