[Inhoud]

TWEE EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.

Zooals het in de wereld gaat.

Korten tijd na het bijzondere geluk, hetwelk kolonel Altamont te Epsom weervaren was, ondernam die heer zijne voorgenomen buitenlandsche reis, en de dagblad-correspondent, die het nieuws uit de groote wereld opzamelt en zich naar de London Bridge begeeft om van de voorname lui, die dit land verlaten, afscheid te nemen, meldde, dat onder de passagiers, die verleden Zaterdag met de stoomboot Soho naar Antwerpen vertrokken waren, zich bevonden hadden „Sir Robert Hodge met zijne gemalin en zijne dochters, de beroemde advocaat Kews met echtgenoote en dochter, kolonel Altamont, majoor Coddy, enz.” De kolonel reisde met de staatsie, die een gentleman betaamt, vertoonde zich in een opzichtig reiscostuum, dronk gedurende den overtocht eene groote hoeveelheid grog, en was niet zeeziek, gelijk verscheiden andere passagiers. Hij werd bediend door zijn lijfknecht, den trouwen Ierschen soldaat, die reeds sinds eenigen tijd hem zelven en kapitein Strong op hunne kamers in Shepherd’s Inn gediend had.

De chevalier gebruikte een lekker afscheidsdiner te Blackwall met zijn vriend den kolonel en een paar anderen, die vele toasten op Altamont instelden, op kosten van dien vrijgevigen heer. „Strong, ouwe jongen,” zeide des chevaliers waardige kameraad, „als ge wat geld noodig hebt, dan moet ge er nu bij zijn. Ik ben uw man. Gij zijt een goede kerel en hebt mij goed behandeld en een bankje van twintig pond meer of minder kan mij niet schelen.” Doch Strong gaf ten antwoord, dat hij geen geld noodig had; hij had geld genoeg, – „dat wil zeggen, niet genoeg, Altamont, om u terug te betalen wat gij mij onlangs geleend hebt, maar genoeg om het nog eenigen tijd uit te houden,” – en in dier voege scheidden zij van elkander op vrij hartelijke wijze. Had het bezit van geld Altamont wezenlijk eerlijker en beminnelijker gemaakt dan hij tot nog toe geweest was, of was hij alleen daardoor beminnelijk in Strong’s oogen geworden? Het is wel mogelijk, dat hij wezenlijk verbeterd was en dat het geld hem beter had gemaakt. Misschien was het de schoonheid van den rijkdom, die Strong in de oogen blonk en hem ontzag inboezemde, maar in ieder geval dacht hij bij zich zelven: „Die arme drommel, die ongelukkige teruggekeerde gedeporteerde, is een tienmaal betere kerel dan mijn vriend, de baronet, Sir Francis Clavering. [195]Op zijne manier, is hij moedig en eerlijk. Hij zal een vriend getrouw blijven en een vijand onder de oogen durven zien. Clavering heeft nooit voor het eene noch het andere moed gehad. En wat is nu de misdaad, die zoo zwaar op den armen drommel drukt? Hij is een beetje onbesuisd geweest en heeft den naam van zijn schoonvader nagemaakt. Menigeen heeft veel erger dingen gedaan; maar is er desniettemin goed afgekomen, en houdt zijn hoofd fier omhoog. Dat is het geval met Clavering. Maar neen, die houdt het hoofd niet omhoog; dat heeft hij zelfs in zijne beste dagen niet gedaan.” En het berouwde Strong misschien wel, dat hij gelogen en den milden kolonel verzekerd had geen geld noodig te hebben; maar dat was dan toch eene leugen aan den eerlijken kant, en de chevalier kon zich niet vermannen om nu voor de tweede maal iets van zijn gebannen vriend te leenen. Bovendien, hij kon rondkomen. Clavering had hem wat geld beloofd; diens beloften waren wel niet veel te vertrouwen, doch de chevalier was altijd vol hoop en rekende op menige kans om zijn patroon aan zijn woord te houden en zich eenige van de remises en toevoeren toe te eigenen, die het zijn voornaamste werk was voor zijn principaal op te loopen.

Hij had er over gebromd, dat Altamont de kamers in Shepherd’s Inn met hem moest bewonen; maar hij vond die vertrekken thans somberder zonder zijn kameraad dan toen deze er nog was De eenzaamheid strookte niet met zijn gezelligen aard, en bovendien had hij kostbare en weelderige gewoonten aangenomen, daar hij een knecht ter beschikking had gehad om zijne boodschappen te doen, zijne kleeren in orde te houden en zijn maaltijd te bereiden. Het was thans een grootsch en aandoenlijk tooneel, dezen statigen en voornamen heer zijn eigen laarzen te zien poetsen, zijn eigen lamscôtelet te zien braden. Wij hebben reeds vroeger vermeld, dat de chevalier eene vrouw had; eene Spaansche dame uit Vittoria, die weer naar hare familie was teruggekeerd na eene echtverbintenis van weinige maanden met den kapitein, dien zij met een schotel een gat in zijn hoofd had gegooid. De chevalier werd na het vertrek van zijn vriend den kolonel melancholisch, of was, om zijn eigen beeldspraak te bezigen, „landerig.” Dergelijke oogenblikken van neerslachtigheid en tijden van tegenspoed komen aanhoudend in het leven van helden voor, getuige Marius te Minturnae, Charles Edward in de Schotsche Hooglanden en Napoleon vóór Elba. Welk groot man is niet genoodzaakt geweest aan kwade kansen het hoofd te bieden?

Van Clavering was een tijdlang geen ondersteuning te wachten. De vijf en twintig pond, die de voorbeeldige baronet van mijnheer Altamont ontvangen had, waren even snel door zijne vingers gedropen als alle vroegere gelden. Hij was de rivier afgezakt met een uitgezocht gezelschap van liefhebbers der edele bokskunst, die de politie misleidden en in het graafschap Essex aan wal stapten, waar zij Billy Bluck lieten vechten tegen Dick den koetsier, op wien de baronet wedde en die ook de overhand behield dertien achtereenvolgende malen dat de bokspartij hernieuwd werd, totdat Billy hem, door een ongelukkigen slag op de keel, dood ter aarde velde. „Het loopt mij altijd tegen, Strong,” zeide Sir Francis; „de weddenschappen stonden drie tegen één voor den koetsier, en ik achtte mij zoo zeker van dertig pond, alsof ik ze reeds op het zak had. En nu ben ik, voor den duivel, veertien pond aan mijn knecht Lightfoot schuldig, die hij mij geleend en voor mij betaald heeft; en hij maant mij er om, die verwenschte, onbeschaamde rekel; en ik wenschte dat ik maar middel wist om een wisseltje te disconteeren of mijne vrouw over de brug te doen komen! Ik zal u de helft geven, [196]Ned; bij mijn ziel en mijn eer, ik zal u de helft geven als gij een wisseltje van vijftig pond kunt plaatsen.”

Maar Ned antwoordde stuursch, dat hij zijn woord als gentleman aan Lady Clavering gegeven had, dat hij zich niet meer leenen zou tot verdere wisselzaken van haar man (die daartoe ook zijn woord van eer gegeven had), en de chevalier verklaarde, dat hij althans woord zou houden en liever zijn gansche leven zijn eigen laarzen zou poetsen dan zijne belofte ontrouw worden. En wat meer is, hij dreigde dat hij bij het eerste blijk, dat Sir Francis het aan mylady gegeven woord wilde breken, haar daarvan zou verwittigen.

Op die mededeeling begon Sir Francis Clavering volgens zijne gewoonte hevig te tieren en te vloeken. Hij zeide, dat de dood zijn eenige uitkomst was. Hij bezwoer en smeekte zijn lieven Strong, zijn besten vriend, zijn goeden ouden Ned, hem niet te verloochenen; doch toen hij zijn liefsten Ned verlaten had en de trap van Shepherd’s Inn afging, vloekte en schold hij hem als den gemeensten schurk, verrader, deugniet en lafaard onder de zon; hij wenschte Ned in het graf en in eene nog erger plaats, maar aan den anderen kant verlangde hij, dat die gemeene schelm in het leven zou blijven, totdat Frans Clavering zich op hem had kunnen wreken.

Op de kamer van Strong ontmoette de baronet een heer, die tegenwoordig, gelijk wij reeds hebben aangestipt, zeer drukke bezoeken in Shepherd’s Inn aflegde, namelijk mijnheer Samuel Huxter, van Clavering. Die jonge heer, die in zijne jeugd in Clavering Park okkernoten gekaapt had en den baronet met vier paarden door de straten van het landstadje had zien rijden en met steigerende paarden en gepoeierde lakeien voor de kerk stilhouden, koesterde een onbeschrijfelijken eerbied voor het parlementslid zijner stad en was verbazend opgetogen, dat hij kennis met hem mocht maken. Hij stelde zich zelven, erg blozende en bevende, aan hem voor als een inboorling van Clavering, – den zoon van mijnheer Huxter op de markt, – zijn vader had den boschwachter van Sir Francis, met name Coxwood, behandeld, toen deze door het springen van zijn geweer drie vingers had verloren; hij was bijzonder vereerd, kennis met Sir Francis te mogen maken. Deze geheele eigen voorstelling liet Sir Francis zich zeer minzaam welgevallen. De eerzame Huxter had vervolgens tegen zijne kameraden in het Bartholomeus-hospitaal den mond vol over Sir Francis en verzekerde aan Fanny, in de portiersloge, dat er toch niets boven zoo’n voornaam heer, zoo’n echt oud-Engelsch gentleman uit den ouden tijd ging! Fanny antwoordde daarop echter, dat zij Sir Francis een akeligen vent vond, – zij wist niet waarom, – maar zij kon hem niet uitstaan; zij hield zich overtuigd, dat hij slecht, gemeen en laag was, zij gevoelde dat hij dit was; en toen Sam daarop hernam, dat Sir Francis zeer vriendelijk was en op de minzaamste wijze een halven sovereign van hem geleend had, barstte Fanny in het lachen uit, trok Sam bij zijn lang haar (dat nog niet van onberispelijke zindelijkheid was), tikte hem op de kin, noemde hem een malloot, een ouwe malloot, en zeide, dat Sir Francis altijd geld van iedereen leende, dat ma het hem tweemaal had geweigerd en dat zij drie maanden had moeten wachten om zeven shillings terug te krijgen, die hij van ’aar had geleend.

„Gij moet niet zeggen van ’aar, maar van haar,” zeide Huxter, niet om aanmerking te maken op haar betoog, maar om eene taalfout te verbeteren.

„Nu dan: van haar, ouwe malloot,” hernam het meisje, en de leerlinge zette zulk een aardig gezichtje, dat de taalmeester dadelijk tevreden [197]was gesteld, en met genoegen op staanden voet nog honderd lessen zou hebben gegeven tegen den prijs, dien hij voor die ééne nam.

Natuurlijk was jufvrouw Bolton er bij, en ik denk dat Fanny en mijnheer Sam toen op een zeer gemeenzamen en vertrouwelijken voet stonden, en dat de tijd voor de eerstgenoemde troost had opgeleverd en zekere smarten gelenigd, die op het oogenblik, wanneer zij zich doen gevoelen, drommels bitter, maar, evenmin als kiespijn, of eenig ander leed, eeuwigdurend zijn.

Als ge u neerzet, omringd door eerbied en genegenheid; in uw ouden dag gelukkig, geëerd en gevleid; als men geduld heeft met uwe zwakheden, uwe laatste woorden welwillend ter harte neemt, uwe vervelende oude verhalen voor de honderdste maal met plichtmatig geduld en nimmer uitblijvende geveinsde lachjes aanhoort; als de vrouwen des huizes onvermoeid zijn in hare vleierijen, de jonge mannen stil en aandachtig zoodra gij begint te spreken, de dienstboden vol ontzag; wanneer de pachters, met de pet in de hand, gereed staan de plaats van mijnheers paarden in te nemen, als uwe genade verkiest te gaan rijden, – dan heeft het dikwijls bij u moeten opkomen, o nadenkende Rijkaard! dat al die eerbied, al dat eerbetoon voor het grootste gedeelte met het bezit van uw geld wordt overgedragen op uw opvolger, – dat de dienstboden uw zoon zullen bedienen en uwe pachters hem zullen toejuichen evenals u; dat de hofmeester hem den (door het liggen verbeterden) wijn zal brengen, die zich nu in uw kelder bevindt; en dat de zon van voorspoed en vleierij (even zeker als de morgen na en zonder u aanbreekt) op uw erfgenaam zal schijnen, wanneer uw nacht gekomen en het licht des levens voor u uitgebluscht is. De menschen komen zich koesteren in den gloed der effecten en landerijen, die allerwege van hem uitstraalt; de eerbied gaat te gelijk met het landgoed over, waarvan hij op zijne beurt de levenslange huurder wordt met al de voordeelen, de genoegens, de vereering en de klandizie. Hoe lang wenscht of verwacht gij, dat de menschen u zullen betreuren? Hoeveel tijd besteedt een mensch aan de droefenis, eer hij tot het genot overgaat? Een groot man moest zijn erfgenaam eene plaats bij zijne feesten geven als een levend memento mori. Indien hij zeer veel aan het leven hecht, moet de aanwezigheid van den ander hem een aanhoudende prikkel en vermaning zijn. „Maak u gereed om heen te gaan,” zegt de opvolger tegen uwe genade; „ik wacht; en ik kan het evengoed besturen als gij.”

Wat heeft deze toespraak tot een denkbeeldigen lezer met de personen uit deze geschiedenis te maken? Zouden wij het willen vergoelijken, dat Pen een witten hoed draagt en dat de rouw over zijne moeder lichter is geworden? De loop der jaren, de wisseling van het fortuin, de gebeurtenissen des levens, hoe sterk zij hem mogen bewegen of hoe krachtig ze hem opwinden, kunnen dat heilige beeld nimmer uit zijn hart verdrijven, noch die gewijde liefde uit haar heiligdom verbannen. Indien hij voor het kwade bezwijkt, zullen die dierbare oogen droevig op hem staren; indien hij goed doet, smart lijdt of de verzoeking overwint, zal die altijd tegenwoordige liefde, gelijk hij weet, hem goedkeuring schenken of met hem lijden; als hij valt, zal zij voor hem pleiten, als hij treurt, hem opbeuren; zij zal bij hem zijn en hem vergezellen totdat de dood voorbij is en smart en zonde niet meer bestaan. Zijn dit droomerijen, of zijn het nuttelooze zedepreeken van een luien romanschrijver? Mag ook niet de man van de wereld wel eens ernstig en nadenkend zijn? Vraag het aan uw eigen hart en uw eigen herinnering, broeder en zuster, of wij niet in de dooden leven, en (met eerbied gezegd) het bestaan van God bewijzen uit de liefde? [198]

Pen en Warrington spraken over deze onderwerpen in latere dagen in menig plechtig en vriendschappelijk onderhoud, en Pen vereerde zijne moeder in de herinnering en aanbad haar bijna, gelijk zulk eene heilige verdiende. Gelukkig degeen, die in zijn leven eenige weinige vrouwen van dien stempel leert kennen! Het was eene vriendelijke beschikking van den hemel, dat Hij er ons zoodanige toegezonden, en ons dat aandoenlijke en indrukwekkende tafereel van onschuld, liefde en schoonheid te bewonderen gegeven heeft.

Maar daar het zeker is, dat Arthur en Warrington, indien een vreemde, bij voorbeeld majoor Pendennis, in den loop dezer sentimenteele gesprekken Pen’s kamer ware binnengekomen, hun onderhoud gestaakt en een ander onderwerp gekozen zouden hebben, om te spreken over de opera, of de laatste debatten in het parlement, of het huwelijk van jufvrouw Jones met kapitein Smith, en zoo meer, – zoo zullen wij ons voorstellen, dat het publiek op dit oogenblik binnentreedt, aan het vertrouwelijk onderhoud tusschen den schrijver en den lezer een einde maakt, en ons verzoekt voort te gaan met onze opmerkingen over deze wereld, met welke wij beiden voorzeker beter bekend zijn dan met die andere, waarin wij zoo even een blik hebben geslagen.

In den eersten tijd toen Arthur Pendennis in het bezit van zijn erfdeel was gekomen, gedroeg hij zich zoo ingetogen en bedaard, dat zijn vriend Warrington hem prees, ofschoon Arthur’s oom zich eenigszins ergerde, dat zijn neef de kleingeestigheid had om geen grooter staat te voeren en geen meer vertoon te maken, nu hij in de heerschappij over zijn koninkrijk was opgevolgd. Hij had gewenscht, dat Arthur fraaie kamers zou nemen, en dagelijks met schoone paarden in het park of in een sierlijk rijtuig door de stad rijden. „Ik ben te onoplettend om zelf te mennen door Londen.” gaf Arthur lachend ten antwoord; „de omnibussen zouden mij overrijden, of ik zou met den kop van mijn paard de glazen der rijtuigen, waarin de dames zaten, verbrijzelen; en gij zoudt toch niet verlangen, oom, dat ik door mijn knecht gereden werd, gelijk een apotheker?” Neen, majoor Pendennis wilde, om geen geld ter wereld, dat zijn neef een apotheker zou schijnen; zoo diep moest de doorluchtige vertegenwoordiger van het huis Pendennis zich niet vernederen. En toen Arthur schertsende voortging: „En toch geloof ik, oom, dat vader heel blij was toen hij voor het eerst een sjeesje kon houden,” kuchte de oude majoor, en er kwam een blos op zijn gerimpeld gelaat toen hij antwoordde: „Herinner u, neef, dat Bonaparte zeide: il faut laver son linge sale en famille. Gij behoeft er niet op te pochen, dat uw vader een – een geneesheer was. Hij stamde uit een overoud hoewel verachterd geslacht, en was verplicht het fortuin der familie weer op te richten, zooals menig man van goede familie vóór hem heeft gedaan. Gij zijt gelijk aan dien man van wien Sterne spreekt, neef, – den markies, die zijn degen kwam terugvragen. Uw vader heeft den uwen voor u teruggekregen. Gij zijt, voor den drommel, een grondbezitter en een gentleman, neef, – vergeet nooit, dat gij gentleman zijt!”

Maar daarop keerde Arthur het argument, dat hij den ouden heer dikwijls ten opzichte van hem zelven had hooren bezigen, zeer behendig tegen zijn oom. „Wie bekommert zich, in de kringen, die ik ten gevolge van uwe introductie de eer heb te bezoeken, om mijn onbeduidende middelen of mijn gering aanzien, oom?” vroeg hij. „Het zou dwaas van mij zijn met de groote lui te willen wedijveren, en al wat zij van ons kunnen vergen, is, dat wij fatsoenlijk praten en goede manieren hebben.” [199]

„Maar desniettemin, mijnheer, zou ik zorgen lid te worden van een paar betere clubs,” hernam zijn oom; „ik zou nu en dan eens een diner geven en mijne vrienden met zorg kiezen; en ik zou van dien akeligen zolder in den Temple af komen, mijnheer.” Daarop gaf Arthur van zijn kant wat toe, door naar de tweede verdieping in Lamb Court af te dalen, ofschoon Warrington zijn oude vertrekken bleef bewonen, en de beiden vrienden vast besloten waren niet van elkander te scheiden. Houd die vriendschapsbanden uwer jeugd zorgvuldig in stand, waarde lezer; het is alleen in dien edelaardigen leeftijd, dat zij aangeknoopt worden. Hoe geheel anders is de vriendschap van latere jaren! en wat is de druk van uw eigen hand minder krachtig nadat zij gedurende twintig jaren omgangs met de wereld geschud is en duizend even onverschillige handen heeft gedrukt en losgelaten! Evenals gij, na uw twintigste jaar, er zelden in zult slagen uw mond een andere taal te leeren spreken, zoo begint het hart zeer spoedig te weigeren eene nieuwe vriendschap te sluiten: het wordt te hard, om indruk op zich te laten maken.

Pen dan bezat vele kennissen, en daar hij van vroolijken en inschikkelijken aard was, kreeg hij er nog dagelijks nieuwe bij; maar hij vond geen vriend meer gelijk Warrington: en beiden waren bijna even veel in elkanders gezelschap als de Tempelridders; zij reden op een zelfde paard (want dat van Pen stond ter beschikking van Warrington) en hadden hunne kamers en hun bediende gemeen.

Mijnheer Warrington had kennis gemaakt met Pen’s vrienden in Grosvenor Place gedurende hun laatste rampspoedige seizoen in Londen, en was even weinig als het groote publiek over Sir Francis Clavering en de dochter van mylady gesticht. „Ten aanzien van die menschen heeft de wereld gelijk,” zeide George. „De jonge heeren lachen en spreken bij en over die dames met de meeste vrijmoedigheid. Dat meisje gaat om met menschen, die zij niet moest kennen, en spreekt met mannen, met welke geen meisje zich behoorde op te houden. Hebt gij die twee losbollen, die onlangs in het park over Lady Clavering’s rijtuig heen leunden, wel onder jufvrouw Blanche’s hoed zien gluren? Geen goede moeder zou veroorloven dat hare dochter die twee mannen kende, noch hen in haar huis toelaten.”

„De begum is de onschuldigste en goedhartigste ziel die er leeft,” viel Pen hem in de rede. „Zij heeft nooit iets kwaads van kapitein Blackball gehoord en het verslag van dat proces, waarin Charley Lovelace eene rol gespeeld heeft, nooit gelezen. Denkt gij, dat fatsoenlijke dames de chronique scandaleuse zoo goed lezen en zich herinneren als gij, oude knorrepot?”

„Zoudt gij goedvinden, dat Laura Bell die kerels kende?” vroeg Warrington, terwijl hij een weinigje bloosde. „Zoudt gij dulden, dat de vrouw, die gij liefhadt, door hun gezelschap beleedigd wierd? Ik twijfel er niet aan, dat die arme begum onkundig is van hunne levensgeschiedenis; ik geloof dat zij nog zeer vele betere dingen ook niet weet. Het komt mij voor, Pen, dat uw eerzame begum geen lady is. Het is buiten twijfel hare schuld niet, dat zij de opvoeding eener dame niet gehad en de fijne beschaving eener dame niet geleerd heeft.”

„Zij is even fatsoenlijk als Lady Portsea, die jan en alleman op hare bals ontvangt, en even beschaafd als mevrouw Bull, die zeer plat spreekt en een half dozijn hertogen bij zich aan het diner ziet,” gaf Pen vrij bits ten antwoord. „Waarom zouden gij en ik nuffiger zijn dan de geheele wereld? Waarom zouden wij de zonden der vaderen aan dit welwillende schepsel, dat niemand kwaad doet, bezoeken? Zij heeft noch [200]u noch eenig ander sterveling iets anders dan vriendschap bewezen. Zij doet haar best, zooveel in haar vermogen staat. Zij geeft zich niet uit voor iets meer dan zij is. Zij verschaft u de beste diners, die zij koopen kan, en het beste gezelschap, dat zij krijgen kan. Zij betaalt de schulden van haar schavuit van een echtgenoot. Zij bederft haar zoon, gelijk de deugdzaamste moeder in Engeland. Haar oordeel over letterkundige zaken, dat beken ik, heeft niet veel te beteekenen; en ik ben zeker, dat zij nooit een regel van Wordsworth gelezen en nooit in haar leven van Tennyson gehoord heeft.”

„Dat heeft vrouw Flanagan de waschvrouw ook niet,” bromde Pen’s Mentor, „en Betty de werkmeid evenmin, en het zal niet in mij opkomen, haar dat kwalijk te nemen. Maar een man van fijn gevoel kiest dezulken niet tot zijne vriendinnen; een gentleman kiest ze niet tot zijne gezellinnen, en indien hij het doet, berouwt het hem in later tijd bitter. Zoudt gij, die voor een man van de wereld en een wijsgeer wilt doorgaan, mij diets willen maken, dat het verzwelgen van drie services en het dineeren op zilver het doel des levens is? Durft gij u zelven bekennen, dat goede wijn het toppunt uwer eerzucht is, en dat gij met iedereen wilt dineeren, onverschillig wien, indien gij maar van een vetten os te eten krijgt? Gij noemt mij cyniek, – doch wat is het een monsterachtig cynicisme, hetwelk gij en de overige mannen van de wereld verkondigt. Ik zou liever rauwe rapen eten en in de woestenij gaan leven, of een wildeman worden, dan mij tot dit peil van beschaving te verlagen, en te bekennen, dat een Fransche kok het hoogste is waarvoor men leven kan.”

„Omdat gij van rauwe biefstuk en daarna van een pijpje houdt,” viel Pen uit, „neemt gij eene meerderheid aan boven menschen, die een fijneren smaak bezitten en zich niet schamen over de wereld in welke wij leven. Wie is er, die bijzondere bewondering, achting, vriendschap of dankbaarheid aan den dag legt, zelfs voor de menschen welke men iederen dag ontmoet? Indien A. mij ten zijnent noodigt en mij het beste voorzet wat hij bezit, neem ik zijne goede gaven aan voor hetgeen zij waard zijn en voor niets meer. Ik beweer niet, dat ik het hem terug zal betalen in vriendschap, maar wel in de conventioneele munt der maatschappij. Als wij van elkander gaan, scheiden wij zonder smart. Wanneer wij elkander weer ontmoeten, zijn wij matig verheugd elkander weer te zien. Indien ik enkel met mijne vrienden moest omgaan, zou uw zwarte snuit, ouwe George, het eenige gezicht wezen, dat ik zien zou.

„Gij zijt de waardige pupil van uw oom en spreekt als een wereldling,” zeide Warrington min of meer weemoedig.

„En waarom niet?” vroeg Pendennis, „waarom zou ik niet meedoen met de wereld, op welke ik rondwandel, en geen vrede hebben met de inrichting der maatschappij in en door welke wij leven? Ik ben ouder dan gij, George, ondanks uwe grijzende bakkebaarden, en heb veel meer van de wereld gezien dan gij hier op uw zolder, waar gij met uwe boeken, uwe mijmeringen en uwe denkbeelden van een een-en-twintigjarig jongeling ingemetseld hebt gezeten. Ik zeg nogmaals, dat ik de wereld neem gelijk zij is, en, daar ik tot haar behoor, mij niet over haar zal schamen. Ben ik geroepen of sterk genoeg om de wereld, als zij in de war is, weer in orde te brengen?”

„Neen, waarlijk, ik geloof niet dat een van beide het geval met u is,” bromde Pen’s vriend.

„Al betwijfel ik, of ik beter ben dan mijn naaste,” ging Arthur voort, [201]„al erken ik, dat ik niets beter ben, zoo twijfel ik evenzeer of hij beter is dan ik. Ik zie, dat menschen, die met voornemens van een algeheele hervorming de wereld intraden en, reeds voordat hunne baarden uitgebot waren, zich grootsche plannen voor de herschepping der menschheid hadden voorgesteld, hunne ontwerpen na eenige jaren van vruchteloos gepraat en van ijdele pogingen om hunne medemenschen te leiden, opgeven, en, wanneer zij bevonden hebben, dat de menschen niet meer naar hen willen luisteren (gelijk zij dan ook nooit waard waren dat men naar hen luisterde), stilletjes weer in den grooten hoop wegzinken en erkennen dat hunne oogmerken onbereikbaar waren, of dankbaar zijn dat die nooit in toepassing zijn gebracht. De vurigste hervormers bedaren en schikken zich eindelijk in de dingen gelijk zij zijn; de luidste schreeuwende radicale redenaars worden stomme, onderworpen ambtenaren, de gloeiendste liberalen worden alledaagsche conservatieven wanneer zij buiten het bewind zijn, of onuitstaanbare tirannen of despoten zoodra zij de teugels der regeering in handen hebben. Let maar een op Thiers en Guizot, wanneer zij òf in de oppositie zijn, òf op het kussen zitten! Let maar op de Whig’s wanneer zij het volkophitsen, en op de Whig’s wanneer zij het bewind voeren! Zoudt gij willen beweren, dat die mannen zich verraderlijk gedragen, zooals de radicalen bazelen, die op hunne beurt eveneens zouden handelen, indien hunne beurt ooit kwam? Neen, zij plooien zich slechts naar omstandigheden, die sterker zijn dan zij, – zij streven naar hervorming, gelijk de wereld daarnaar streeft, maar met den stap, die aan de wereld eigen is (en de bewegingen van zulk een ontzaglijk lichaam als de wereld moeten noodwendig langzaam zijn); zij laten het eene plan varen als onuitvoerbaar, uithoofde van de oppositie, – het andere als ontijdig, omdat het strijdt met de inzichten der meerderheid! zij zijn genoodzaakt zoowel de nadeelen en de bezwaren te berekenen, als aan hervorming en vooruitgang te denken, en ten slotte zien zij zich gedwongen te wijken, te wachten en te modderen.”

„Zijn excellentie de heer Arthur Pendennis zou niet beter kunnen spreken, niet méér over zich zelven voldaan kunnen zijn, indien hij kanselier der schatkist ware,” zeide Warrington.

„Over mij zelven voldaan? Waarom dat?” ging Pen voort. „Het schijnt mij toe, dat mijne twijfelzucht eerbiediger en bescheidener is dan het revolutionaire vuur van andere menschen. Menig patriot van achttien jaar, menig redenaar in eene volksclub zou morgen de bisschoppen uit het Hoogerhuis willen verdrijven en de lords na de bisschoppen, om eindelijk, na de pairs en de rechterlijke macht, den troon in den Theems te werpen. Is zulk een man bescheidener dan ik, die deze instellingen aanneem gelijk ik ze vind, en die afwacht dat de tijd en de waarheid ze zullen ontwikkelen, versterken of (zoo gij wilt) vernietigen? Een academisch onderwijzer of een gouverneur van een adellijk jong heer, die op een fraaien dag te voorschijn komt als de hoogeerwaarde heer bisschop in een zijden gewaad en met een breedgeranden hoed en die dan een zalvenden toon tegen mij aanneemt, is nog altijd dezelfde man dien wij ons uit Oxbridge herinneren, toen hij de voorname jongelui naar de oogen keek, of de arme groenen in de collegezaal kwelde. Een erfelijk wetgever, die zijn tijd met stalknechts en oplichters en danseressen doorbrengt en gerechtigd is mij en zijn andere meerderen te regeeren, omdat zijn grootvader gelukkig in de fondsen gespeculeerd, of eene kolen- of tinmijn op zijne goederen gevonden heeft, of omdat zijn domme voorvader toevallig het bevel voerde over tien duizend manschappen [202]even dapper als hij zelf, die twaalf duizend Franschen of vijftig duizend Indianen versloegen, – zulk een man boezemt mij niet meer eerbied in dan de verbitterdste democraat voor hem kan koesteren. Doch zooals hij is, maakt hij een deel uit van de oude maatschappij tot welke wij behooren; en ik onderwerp mij met kalmte aan zijne lordschap, die aan alle diners de plaats boven ons inneemt, en daar zijn tijd verbeidt. Ik verlang zijn hoofd niet onder de guillotine af te houwen, noch hem op straat met modder te werpen. Wanneer men zulk een man eene schandvlek van zijn stand noemt, en den eeretitel van sieraad van zijn stand schenkt aan een ander, die vriendelijk en zachtzinnig, beschaafd en edelmoedig is, die zijn rijkdom bezigt om al wat goed en weldadig is, al wat tot de verfijning en veraangenaming des levens kan bijdragen, op de voorkomendste en hulpvaardigste wijze te ondersteunen, – dan wordt in beide gevallen het nut en de wenschelijkheid van den stand zelven niet ter sprake gebracht. Hij bestaat onder ons als een bestanddeel onzer volkszeden, als de afgod van velen onder ons, als een werk der eeuwen en het zinnebeeld van een zeer ingewikkelden voormaligen toestand, – daar staan mylord de bisschop en mylord de erfelijke wetgever, beiden des transactions, zooals de Franschen zeggen; zij vertegenwoordigen in hunne hedendaagsche gedaante geharnaste baronnen en kampvaardige aanvoerders (van welke hunne erfelijke lordschappen voor het meerendeel niet afstammen), en priesters, die voorgaven in het bezit te zijn van de volstrekte waarheid en van eene macht, die op goddelijke wijze op hen overgedragen was, welke absolute waarheid onze voorouders op den mutserd verbrandden en daar loochenden, en welke goddelijke, erfelijke macht nog altijd gedrukt staat – en naar verkiezing geloofd, of niet geloofd kan worden. Van dit alles zeg ik, dat ik er in berust, omdat het bestaat, en meer niet. Indien men zegt, dat deze instellingen, die in het leven getreden waren eer de boekdrukkunst uitgevonden, of de kracht van den stoom ontdekt was; toen de gedachte als een kind behandeld, bang gemaakt en afgestraft werd en de waarheid door haar opzieners werd gesmoord, onderdrukt en geblinddoekt en hare stem niet mocht verheffen, niet mocht opzien en zich niet in het openbaar vertoonen mocht; voordat de menschen met elkander mochten vergaderen, of handelen, of spreken; – ik herhaal, indien iemand zegt (en verscheidene trouwhartige zielen doen dat,) dat die inrichtingen bestemd zijn om eeuwig te duren, en, ofschoon zij aanhoudend veranderd en gewijzigd zijn, nu niet meer aan ontwikkeling of verval zijn onderworpen, dan lach ik en laat dien man praten. Maar ik wensch, dat men die meeningen eerbiedige, evenals ik het voor mijn eigen gevoelens verlang; en indien die instellingen moeten uitsterven, dan zou ik liever zien, dat zij een voegzamen en natuurlijken, dan een plotselingen en gewelddadigen dood ondergingen.”

„Gij zoudt aan Jupiter geofferd hebben,” zeide Warrington, „indien gij tijdens de vervolging der Christenen geleefd hadt.”

„Misschien wel,” zeide Pen met zekere droefgeestigheid. „Misschien ben ik een bloodaard, misschien wankelt mijn geloof; maar dit gaat mij zelven aan. Wat ik hier zeggen wilde, is, dat ik een afkeer van vervolging heb. Zoodra men een geloof of een leerstuk als de volstrekte waarheid voorstelt, vloeit daar logisch vervolging uit voort, en verbrandt Dominicus een jood, of Calvijn een Ariaan, of Nero een Christen, of Elizabeth of Maria een papist of een protestant; of haar vader verbrandt van beide soorten, naar de ingeving van zijne luim en niet alleen zonder het minste gewetensbezwaar, maar zelfs met de innige overtuiging [203]van zijn plicht vervuld te hebben. Maakt men een leerstuk tot de volstrekte waarheid, dan wordt het aandoen of ondergaan van den dood gemakkelijk en noodzakelijk, en zijn de soldaten van Mohammed, die met den kreet: „Het paradijs! het paradijs!” op de lippen, onder de lanssteken der Christenen sterven, niet meer of minder prijzenswaardig dan wanneer die zelfde mannen eene stad vol joden uitmoorden, of de hoofden van alle gevangenen afhouwen, die niet erkennen willen dat er slechts één profeet van God is geweest.”

„Slechts kort geleden, jonge heer,” zeide Warrington, nadat hij de ontboezemingen van zijn vriend zonder goed- of afkeuring had aangehoord, want hij helde tot beide over, „hebt gij mij gevraagd, waarom ik mij buiten den strijd des levens hield, en den zwaren arbeid mijner medemenschen aanzag, zonder zelf eenig deel aan het gevecht te nemen? Wel, erkent gij niet zelf, bij deze belijdenis van twijfel aan alles, een bloot dilettant en een onverschillig toeschouwer te zijn! Gij zijt zes en twintig jaar oud en zoo blasé als een losbol van zestig. Gij hoopt niet veel, gij bekommert u niet om veel, gij gelooft niet veel. Gij twijfelt evenzeer aan anderen als aan u zelven. De wereld zou onuitstaanbaar zijn, indien zij bestond uit zulke onverschilligen als gij; en ik zou liever in eene wildernis met apen leven en mij hun gesnater getroosten, dan in eene maatschappij van menschen, die alles loochenden.

„Indien de wereld uit St. Bernards of St. Dominicus’en bestond, zou zij even akelig zijn,” merkte Pen aan, „en na eenige dozijnen jaren zelfs geheel uitsterven. Zoudt gij willen, dat ieder man zijn hoofd kaal schoor, dat iedere vrouw in een klooster ging, en dat zij de voorschriften van het kluizenaarsleven in den volsten omvang opvolgden? Zoudt gij willen, dat elke straat van elke stad der wereld van psalmen weergalmde? Zoudt gij willen, dat alle vogelen des wouds op éénen toon zongen en een zelfde gevederte hadden? Gij noemt mij een twijfelaar, omdat ik aanneem hetgeen bestaat; en als ik dat aanneem, hetzij een sijsje of een leeuwerik, een priester of een dominé, kortom een der onnoemelijk vele verscheidenheden onder de schepselen van God (wiens blooten naam ik met eerbied uitspreek en nooit zonder een heilig ontzag op de lippen neem), dan zeg ik, dat de studie en het inzicht van die verscheidenheid onder de menschen inzonderheid onzen eerbied en onze bewondering verhoogt voor den Schepper, den Beheerscher en den Ordenaar van al deze zoo verschillende en toch zoo overeenstemmende gemoederen, die in eene gemeenschappelijke aanbidding samenstemmen en elk, volgens zijn ontwikkeling en zijne middelen, om tot het Goddelijke middelpunt van alles te naderen, Hem lof en eere toebrengen; en wel (om het beeld van den vogel nog eens te gebruiken) ieder op den hem aangeboren toon.”

„Zoodat, Arthur, het loflied van een heilige, of de ode van een dichter, of het liedje van een dief in Newgate, in het oog uwer wijsbegeerte alle nagenoeg op hetzelfde neerkomen,” zeide George.

„Zelfs die spot zou weerlegd kunnen worden, indien hij iets ter zake deed,” antwoordde Pendennis, „maar dat doet hij niet. Ik zou u kunnen antwoorden, dat de meest wijze en verhevenste van alle leermeesters die wij ooit gekend hebben, de onvermoeide Versterker en Vertrooster, zelfs den beklagenswaardigen moordenaar aan het kruis eene barmhartige verhooring en eene vaste hoop toezeide. Lofzangen van heiligen! oden van dichters! Wie zijn wij, dat wij de kansen en gelegenheden, de middelen om goed of kwaad te doen, of zelfs te beoordeelen, die aan de menschen geschonken zijn, zouden kennen, en een regel zouden [204]stellen om hun straffen of belooningen toe te deelen? Wij zijn even voorbarig en onnadenkend in het beoordeelen van de zedelijkheid der menschen als van hun verstand. Wij bewonderen den een als een groot wijsgeer en verklaren den ander voor een domkop, zonder te weten hoeveel waarheid er bij ieder hunner huist, of zeker te wezen dat de waarheid ergens te vinden is. Wij zingen een Te Deum voor dezen held, die een slag heeft gewonnen, en een De Profundis voor dien andere, die uit zijne gevangenis gebroken, maar door de dienders weer bij den kraag gevat is. Onze maatstaf van belooningen en straffen is zeer partijdig en onvolledig, bespottelijk onevenredig en ten eenemale wereldsch, en wij zouden dien ook in de wereld hier namaals wenschen toegepast te zien. Wij trachten de menschen ook in die aanstaande en ontzagwekkende wereld te vervolgen en hun onze machtelooze en partijdige vonnissen van veroordeeling of vrijspraak na te zenden. Wij nemen onze nietswaardige maatstokjes op, om die aan den onmetelijken hemel te leggen, alsof, wanneer wij daarmede in vergelijking treden, de geest van Newton, of Pascal, of Shakespeare verhevener ware dan de mijne; alsof de straal, die van de zon uitgaat, spoediger tot mij kwame, dan tot den man die mijne laarzen poetst. Bij die hoogte vergeleken, zijn de grootste en de kleinste onder ons zoo gering en zoo jammerlijk onbeduidend, dat wij er maar geen berekening van moeten maken en het belachelijk is, het verschil na te rekenen.”

„Op dit punt gaat uw betoog mank, Arthur,” zeide de ander, die nu beter in zijn humeur kwam: „indien wij zelfs met onze gewone rekenkunst bijna tot in het oneindige kunnen vermenigvuldigen evenzeer als deelen, moet de Groote Rekenaar op allen acht slaan, en tegenover Zijn oneindigheid is het kleine niet klein en het groote niet groot.”

„Ik trek die berekeningen niet in twijfel,” hernam Arthur: „alleen zeg ik maar, dat de uwe onvolledig en voorbarig zijn, en daardoor valsch in de gevolgen, zoodat de fout, bij elken stap verder, grooter wordt. Ik veroordeel den man niet, die Socrates vermoordde, of over Galileo het vonnis uitsprak. Ik zeg alleen, dat Galileo veroordeeld en Socrates vermoord is.”

„En echter hebt gij slechts een oogenblik geleden gezegd, dat men in het bestaande en, naar ik dus vooronderstel, ook in alle andere tirannieën moet berusten.”

„Neen, maar ik heb gezegd, dat, indien ik door een tegenstander bedreigd word, van wien ik mij zonder bloedstorting of geweld ontdoen kan, ik hem liever door talmen en uithongeren dan door vechten tot de overgave wil dwingen. Fabius bestreed Hannibal op sceptische wijze. Wie was zijn Romeinsche medeveldheer, van wien wij als jongens in Plutarchus lazen, die met het talmen van den ander spotte, diens moed in twijfel trok, den vijand aantastte en, gelijk hij verdiende, geslagen werd?”

In deze beschouwingen en ontboezemingen van Arthur zal de lezer wellicht toespelingen zien op vraagstukken, die zonder twijfel hem zelf hebben beziggehouden en verontrust, en die hij op geheel andere wijze beantwoord heeft dan door de slotsommen, waartoe onze jeugdige vriend geraakt was. Wij staan niet in voor de juistheid zijner meeningen, die de lezer zich gelieve te herinneren dat in dramatischen vorm gegoten zijn, daar de schrijver hiervoor evenmin verantwoordelijk is als voor de meeningen, die de andere personen dezer geschiedenis uiten. Wij hebben ons alleen ten doel gesteld de voortgaande ontwikkeling te volgen in het gemoed van een wereldsch en zelfzuchtig, maar niet onedel, [205]gevoelloos noch waarheidschuwend man. En men zal zien, dat het beklagenswaardige standpunt, waartoe zijne logica hem tot dusverre gebracht heeft, dat is van een algemeen scepticisme en van spottende berusting in de wereld gelijk zij is; of, indien men het liever zoo noemen wil, een geloof, getemperd door twijfel aan al het bestaande. De smaak en de gewoonte van zoodanig iemand beletten hem een luidruchtig demagoog te zijn, en zijne liefde tot de waarheid en zijn afkeer van huichelarij weerhouden hem van het opperen van de dwaze stellingen, waarmee vele opgewonden hervormers dadelijk gereed staan, en nog veel meer van het uiten van rechtstreeksche onwaarheden in het aanvoeren van bewijsgronden of het weerleggen van zijne tegenstanders; want hij zou liever sterven dan daarvan gebruik maken. De aard van onzen vriend maakte hem onbekwaam om zekere soorten van leugens te vertellen, en evenmin bezat hij kracht genoeg om anders dan met een beleefd, doch ongeloovig glimlachje tegen zekere andere te protesteeren, daar het zijn stelregel was, dat hij alle wetten moest gehoorzamen, zoolang zij niet waren ingetrokken.

En waartoe wordt een man door dit inschikkelijke en sceptische leven gebracht? Onze vriend Arthur was een Sadduceër. De Dooper mocht in de wildernis de armen aanroepen, die met alle macht en kracht naar de donderende toespraken van den prediker en zijne verkondiging van toorn, of wee, of verlossing luisterden; maar onze vriend de Sadduceër zou schouderophalend en glimlachend zijne ranke ezelin van de volksmenigte afwenden en huiswaarts keeren, om onder het lommer op zijn terras na te denken over den prediker en diens gehoor, en zijne boekrol van Plato ter hand te nemen, of zijn onderhoudend Grieksch liederenboek, dat van honig en Hybla en nimfen en fonteinen en liefde beuzelde. Waartoe, vragen wij dus, leidt dit scepticisme? Het leidt den mensch tot eene schandelijke eenzaamheid en zelfzucht – des te schandelijker omdat zij zoo tevreden is, zoo zonder geweten, zoo onbewolkt. Het geweten wat is het geweten? Waarom zou men zich om wroeging bekreunen? Wat is algemeen of bijzonder geloof? Altemaal verdichtselen, in een oceaan van overleveringen gedompeld. Wanneer gij, Arthur, de leugens der wereld ziende en herkennende – gelijk gij ze met eene maar al te noodlottige duidelijkheid zien kunt, – u daaraan zonder eenig ander protest dan een lachje onderwerpt; indien gij, zelf aan zinnelijk genoegen overgegeven, de gansche rampzalige wereld kermende langs u heen laat trekken zonder er door geroerd te zijn; indien er voor de waarheid gestreden wordt en alle mannen van eer gewapend op het slagveld staan geschaard aan de eene of de andere zijde, en gij alleen over uw balkon uwe pijp ligt te rooken, ver van alle gedruis en gevaar, – dan zou het beter zijn, dat gij gestorven waart, of nooit bestaan hadt, dan zulk een aan het genot verslaafd lafaard te wezen.

„De waarheid, beste vriend!” zeide Arthur met onverstoorbare kalmte: „waar is de waarheid? Toon mij die eens aan. Dat is hier de vraag. Ik zie de waarheid aan beide zijden: ik zie haar aan de conservatieve zijde van het parlement, en onder de radicalen, en zelfs op de ministerieele zetels. Ik zie haar in dien man, die, volgens de voorschriften der wetten, aanbidt en daarvoor beloond wordt met een zijden gewaad en vijf duizend pond ’s jaars, in dien man, die, door de onbarmhartige logica van zijn geloof onweerstaanbaar voortgedreven, van alles afstand doet, van vrienden, van roem, van de dierbaarste banden, van het eerzuchtigste streven, van den eerbied van een gansch leger van kerkelijke personen en den erkenden rang van aanvoerder, en door de [206]waarheid gedreven, overloopt naar den vijand, in wiens gelederen hij voortaan als gewoon en onbekend soldaat zal dienen. Ik zie de waarheid in dien man, gelijk ik haar zie in zijn broeder, wiens logica hem tot eene geheel verschillende slotsom brengt en die, na zijn gansch leven besteed te hebben aan ijdele pogingen om een boek, dat voor geen overeenstemming vatbaar is, met zich zelven in overeenstemming te brengen, het eindelijk wanhopig neersmijt en met tranen in de oogen en de handen omhoog geheven verklaart, dat hij er zich niet mee vereenigen kan en er afstand van doet. Indien de waarheid bij deze allen berust, waarom zou ik dan partij kiezen voor een van hen? Sommigen gevoelen zich geroepen om te preeken: laat hen dan preeken. Onder die preekers zijn er mijns inziens wat te veel, die zich verbeelden dat zij de gave ontvangen hebben. Maar wij kunnen niet allen dominé’s zijn in de kerk; dat is duidelijk. Sommigen moeten stilzitten en luisteren, en dutten misschien in. Hebben wij niet ieder onze plichten? De oudste weeshuisjongen trapt het orgel, de meester ranselt de andere jongens op de orgelgalerij, de koster zegt Amen voor den lessenaar, en de kerkbode met zijn staf doet de deur open voor zijn weleerwaarde, die in ruischende zijde naar den kansel treedt. Ik zal de jongens niet ranselen, noch altijd Amen zeggen, noch als kampioen der kerk optreden onder de gedaante van den kerkbode met zijn staf, maar ik zal in de kerk mijn hoed afnemen en daar ook bidden en den dominé de hand geven als hij daar buiten over het gras stapt. Ik weet immers, dat zijn aanwezigheid aldaar een compromis is en dat het eigenlijk eene rijkswet is die voor mij staat? Dat de kerk, waarin hij optreedt, voor een ander soort van eeredienst gebouwd was? Dat de methodistische kapel in de nabijheid is, en dat Bunyan de ketellapper daar ginds op het weiland over de verdoemenis staat te redekavelen? Ja, ik ben een Sadduceër, en neem de dingen zooals ik ze vind, en de wereld en de wetten der wereld voor hetgeen zij zijn, en gelijk ik voornemens ben eene vrouw te nemen indien ik er eene vind, – niet om smoorlijk op haar verliefd te zijn en als een dwaas aan hare voeten te liggen, – niet om haar te vereeren als een engel, of te verwachten dat zij er een zijn zal, – maar om welwillend en beleefd jegens haar te zijn en daartegen welwillendheid en een aangenamen omgang van haar te genieten. En zoo gij dus ooit verneemt, George, dat ik getrouwd ben, verlaat er u dan maar op, dat het geen romaneske liefde van mijn kant zal zijn; en als gij eens van een goed baantje hoort, dat de regeering te begeven heeft, dan heb ik, voor zoover ik weet, geen bijzondere bedenkingen, die mij zouden beletten van uw aanbod gebruik te maken.”

„O schelm van een Pen! ik weet wat gij zeggen wilt,” barstte Warrington hier los. „Dat is nu de zin van uw scepticismus, uw quietismus en uw atheismus, jongetje! Gij wilt u zelven verkoopen. De hemel sta u bij! Gij wilt een koop sluiten, die u zal verlagen en voor uw leven ongelukkig maken, en alle praten daarover is nutteloos. Indien gij uw zin op iets gezet hebt, kan de duivel het u niet beletten.”

„Integendeel, hij is op mijne hand; vindt ge het ook niet, George?” zeide Pen lachend. „Wat zijn dat lekkere sigaren! Ga mee dineeren in de club; de chef is weer in de stad en zal wel wat lekkers voor mij klaarmaken. Niet? gaat ge niet mee? Wees niet boos ouwe jongen, ik ga morgen naar – naar buiten!” [207]