Het groote huis in Clavering Park, waar het zoo melancholisch was geweest vóór het huwelijk van Sir Francis Clavering, toen de verarmde eigenaar nog genoodzaakt was in vreemde landen eene schuilplaats te zoeken, zag er niet veel vroolijker uit toen de baronet er kwam wonen. De meeste vertrekken waren afgesloten en de baronet nam slechts eenige kamers van de benedenverdieping in gebruik, waar de huishoudster en hare handlangster uit het portiershuisje bij het groote hek der buitenplaats, den rampspoedigen heer in zijne gedwongen afzondering bedienden en een gedeelte van het wild toebereidden, met welks jacht hij de vervelende morgens doorbracht. Zijn kamerdienaar Lightfoot was in mylady’s dienst overgegaan en had, gelijk Pen uit een brief van mijnheer Smirke vernam, die de plechtigheid had voltrokken, gevolg gegeven aan zijn verstandig besluit om mylady’s kamenier, jufvrouw Bonner, te trouwen, die in hare gevorderde jaren door de bekoorlijkheden van een jonkman betooverd was en hem met hare spaarpenningen en hare meer dan rijpe persone begiftigd had. Beider hoogste eerzucht was kastelein en kasteleines van het Wapen van Clavering te worden, en er was overeengekomen, dat zij tot het volgende kwartaal in dienst van Lady Clavering zouden blijven, om daarna bezit te nemen van hun hotel. Pen had welwillend beloofd dáár zijn verkiezingsdiner te zullen geven, als de baronet zijn lidmaatschap ten gunste van den jonkman neerlegde; en gelijk met zijn oom was afgesproken, aan wien de baronet niets scheen te kunnen weigeren, kwam Arthur in September ten bezoek op Clavering Park, welks eigenaar zeer verheugd was over een metgezel, die afwisseling in zijn eenzaamheid zou brengen en hem misschien wat klinkende specie leenen kon.
Pen voorzag, een paar dagen na zijne komst op Clavering, zijn gastheer van dien gewenschten toevoer; en nauwelijks had Sir Francis dit geringe bedrag op zak of hij herinnerde zich, dat hij te Chatteries en in de omliggende badplaatsen moest zijn, van welke het graafschap er vele telt. Hij ging daarheen voor zijne zaken, die, gelijk te verwachten was, op de renbanen en in de biljartkamers afgedaan werden. Arthur kon zich zeer wel alleen vermaken, daar hij vele uitwegen en genoegens op verstandelijk gebied kende, waarbij hij geen gezelschap van anderen noodig had; des morgens zwierf hij met den jager rond, en voor de avonden was er een overvloed van boeken en werk voor een letterkundig genie gelijk mijnheer Arthur, die niet meer dan eene sigaar en een paar vellen papier noodig had, om den avond aangenaam door te brengen. Om de waarheid te zeggen, hij vond Sir Francis Clavering’s gezelschap reeds in een paar dagen onuitstaanbaar, zoodat hij met ondeugende voorkomendheid aan Clavering den geringen geldelijken bijstand aanbood, dien deze, volgens zijne gewoonte, verzocht, en hem de middelen verschafte om zijn eigen huis te ontvluchten.
Bovendien moest onze slimme vriend de gunst der inwoners van Clavering en der kiezers van het district, dat hij wenschte te vertegenwoordigen, trachten te verwerven; en hij wijdde zich met te meer ernst aan die taak, daar hij zich herinnerde hoe impopulair hij vroeger in Clavering geweest was en zich voorgenomen had den afkeer te overwinnen, [233]welken hij aan die eenvoudige lieden had ingeboezemd. Zijn gevoel voor humor deed hem behagen scheppen in die taak. Van nature teruggetrokken en stil, zoodra hij zich in het publiek bevond, werd hij plotseling zoo spraakzaam en handelbaar en prettig als kapitein Strong. Hij lachte met iedereen, die tegen hem wilde lachen, gaf handjes rechts en links, met hetgeen men eene behendige hartelijkheid had kunnen noemen, verscheen op de markt en aan de boerentafel, en gedroeg zich kortom als een volleerd schijnheilige en zooals heeren van de hoogste geboorte en de onberispelijkste braafheid zich gedragen wanneer zij zich bij hunne kiezers aangenaam willen maken, of het een of ander van de landbewoners wenschen te verkrijgen. Hoe komt het, dat wij ons door eene gladde tong, een gullen lach en ronde manieren zoo spoedig niet laten misleiden, maar innemen? Wij weten meerendeels, dat het valsche munt is, en desniettemin nemen wij die aan; wij weten, dat het vleierijen zijn, die niets kosten, al deelt men ze aan iedereen uit, en evenwel willen wij die liever ontvangen dan missen. Onze vriend Pen gaf zich op zijne wandelingen door Clavering alle moeite om zich heel natuurlijk voor te doen en met alles ingenomen te zijn, en was een geheel ander wezen dan de hooghartige en tamelijk stuursche jonge dandy, dien de inwoners zich van tien jaar vroeger herinnerden.
De pastorie was gesloten, want doctor Portman had zich met zijne jicht en zijne familie naar Harrowgate begeven, – een omstandigheid, door Pen diep betreurd in zijn brief aan den doctor, in welken hij met eenige weinige innemende en ongekunstelde woorden zijn leedwezen betuigde, dat hij zijn ouden vriend niet had mogen aantreffen, wiens raad hij zoo gaarne had ingewonnen en wiens hulp hij wel te eeniger tijd kon noodig hebben; maar Pen troostte zich over de afwezigheid van den doctor door kennis te maken met mijnheer Simcoe, den predikant der tegenpartij, en met de beide deelgenooten in de lakenfabriek te Chatteries, en met den dominé van de vrije gemeente aldaar, die hij allen ontmoette in het Athenæum van Clavering, door de liberale partij opgericht naar de eischen van den verlichten geest der eeuw en misschien ook als tegenwicht voor het oude leesmuseum, waar de Edinburgh Review vroeger slechts met moeite onder de tijdschriften opgenomen was en geen winkelier tot lid werd aangenomen. Hij kreeg den jongsten compagnon der lakenfabriek op zijne hand, door hem familiaar ten eten te vragen op het Park; hij vereerde mevrouw Simcoe (de freule) met hazen en patrijzen uit die zelfde plaats en met een verzoek om de laatste preek van haar man ter lezing, en toen de schavuit op zekeren dag zich een weinig ongesteld gevoelde, maakte hij van die gelegenheid gebruik om zijne tong aan mijnheer Huxter te laten zien, die hem daarop eenige geneesmiddelen zond en den volgenden morgen een bezoek bij hem kwam afleggen. Wat zou de oude Pendennis zich over zijn leerling verheugd hebben! Pen zelf had pleizier in het spel dat hij dreef, en de opgang, dien hij maakte, vervulde hem met een soort van ondeugend vermaak.
En toch, als hij des avonds Clavering verliet, na eene vergadering van het Athenæum gepresideerd te hebben, of den namiddag te hebben doorgebracht bij mevrouw Simcoe, die evenals haar man onder den indruk der reputatie van den jongen Londenaar gebukt ging en gehoord had van den opgang, dien hij in de wereld had gemaakt; en wanneer hij de oude welbekende brug over den klaterenden Brawl overging en het gedruis der wateren daarbeneden hoorde, hetgeen hij zich nog zoo goed herinnerde, en zijn eigen huisje Fairoaks tusschen het geboomte zag liggen, welks donkere omtrekken zoo duidelijk tegen den met sterren bezaaiden [234]hemel afstaken, – dan rezen er ongetwijfeld wel andere gedachten in den geest van den jonkman op en verwekten daar gevoelens van smart en schaamte. Er placht nog altijd een licht te schijnen uit de vensters der kamer, die hem zoo helder voor den geest stond en waarin de heilige, die hem zoo had liefgehad, zoo menig uur in zorg en verlangen en gebed had doorgebracht. Hij wendde zijn oog van het flauwe licht af, dat hem met verwijtenden glans scheen te volgen, alsof het de geest zijner moeder was, die op hem lette en hem waarschuwde. Wat was de nacht helder! wat flikkerden de sterren! wat schoot het water rusteloos voort! de oude bekende boomen ruischten, en wuifden zachtkens met de donkere kruinen en takken boven het dak van het huisje. Ginds, onder den flauwen sterrenglans, lag het terras waar hij in zijne jongensjaren, vol vuur en goed vertrouwen, onbevlekt, onbeproefd, onbekend met twijfelzucht en hartstocht, tot nog toe aan den reinen en zorgenden boezem zijner liefhebbende moeder tegen de besmetting der wereld beveiligd, op de zomeravonden rondwandelde … De klok der naburige stad, wier krachtige slagen het middernachtsuur verkondigen, stoort de mijmeringen van onzen reiziger en doet hem met versnelde schreden door de portierswoning aan den ingang van Clavering Park en onder de donkere booggewelven der ruischende lindeboomen naar de plaats, waar hij overnachten zal, voortspoeden.
De volgende maal dat hij zijn ouderlijk huis weerziet, prijkt het in den gloed der ondergaande zon: de vensters der slaapkamers, waar den vorigen avond licht brandde, staan open; en Pen’s huurder, kapitein Stokes van de Indische artillerie (wiens moeder, de oude mevrouw Stokes, te Clavering woont) ontvangt zijn huisheer zeer hartelijk ten bezoek. Hij laat hem den tuin zien en den vijver, dien hij in het achterste gedeelte bij den stal heeft aangelegd; hij spreekt vertrouwelijk met hem over het dak en de schoorsteenen, en verzoekt mijnheer Pendennis zelf maar een dag te willen bepalen wanneer hij den kapitein en mevrouw Stokes het genoegen zal willen doen, enz. Pen, die zich reeds sinds veertien dagen op het land bevindt, vraagt verschooning den kapitein niet eerder bezocht te hebben, en komt er rond voor uit, dat hij daartoe den moed niet bezat. „Ik begrijp u volkomen mijnheer,” zegt de kapitein, en nu op dit oogenblik komt mevrouw Stokes, die weggeslopen was toen er gescheld werd (wat kwam het Pen zonderling voor, zelf hier aan te schellen!), in haar beste gewaad en door hare kinderen omringd, naar beneden. De kleintjes klauteren tegen Stokes op; de jongen springt op een armstoel. Het was de armstoel van Pen’s vader, en Arthur herinnerde zich den tijd zeer goed, toen hij het evenmin in de gedachte zou hebben gekregen op dien stoel te gaan zitten, als den troon des konings te gaan beklimmen. Hij vraagt aan de jonge jufvrouw Stokes, die het evenbeeld harer moeder is, of zij spelen kan? dan zou hij wel iets op die piano willen hooren. Daarop speelt zij. Hij hoort de door ouderdom verzwakte tonen der piano nu weder, maar luistert niet naar de speelster. Hij luistert naar Laura, zooals zij in de dagen hunner jeugd zat te zingen, en ziet hoe zijne moeder, onder het slaan van de maat, zich over den schouder van het meisje heenbuigt.
Het diner, dat ter eere van Pen door zijn huurder op Fairoaks gegeven en door de oude mevrouw Stokes, kapitein Glanders, jonker Hobnell en den dominé van Tinckleton met diens vrouw bijgewoond werd, was voor Pen zeer vervelend en melancholisch, tot de dienstknecht uit Clavering (die den stalknecht van den kapitein en den bottelier van mevrouw Stokes hielp), dien Pen nog als straatjongen gekend had en die [235]nu barbier in het genoemde plaatsje was, een schotel over Pen’s schouder liet vallen, waarop mijnheer Hobnell (die hem nu en dan ook in dienst had) uitriep: „Zeg eens, Hodson! uwe handen zijn zeker glibberig van de pommade. Hij smijt altijd het aardewerk aan stukken, die Hodson – ha, ha!” Hodson begon te blozen en zag er zoo verlegen uit, dat Pen begon te schateren, en van nu af waren genoegen en vroolijkheid aan de orde van den avond. Als second service kreeg men een haas en patrijzen aan het boven- en benedeneinde van de tafel, en toen Pen, nadat de bedienden zich verwijderd hadden, tegen den predikant van Tinckleton zeide: „Mij dunkt, mijnheer Stooks, gij hadt Hodson maar moeten verzoeken (op den haas wijzende) haar te snijden,” werd de woordspeling dadelijk met gelach beantwoord door den dominé, waarop de kapiteins Stokes en Glanders binnen weinige minuten volgden, en eindelijk mijnheer Hobnell, heel wat later, met een daverenden schaterlach er ook mee instemde.
Terwijl mijnheer Pen zich ten platten lande op de bovengenoemde wijze bezig hield, kwam de dame van zijne keuze, zoo niet van zijn hart, van de villa te Tunbridge naar Londen, om aankoopen in winkels te doen, of andere belangrijke zaken te verrichten. Zij was vergezeld van de oude jufvrouw Bonner, haar moeders kamenier, die sedert Blanche’s kindsheid aanhoudend met haar geleefd en gekrakeeld had, en die, nu zij op het punt stond den dienst van Lady Clavering met den huwelijksstaat te verwisselen, als eene hartelijke ziel gaarne een bewijs van eerbiedige genegenheid aan haar oude en jonge meesteres wilde aanbieden, alvorens die beiden geheel te verlaten en haar post als vrouw van Lightfoot en kasteleines van het Wapen van Clavering te gaan bekleeden.
De brave vrouw riep de hulp van jufvrouw Amory’s smaak in, bij de keuze van het souvenir, dat zij mylady wilde schenken, terwijl zij de schoone Blanche uitnoodigde zelve iets naar haar eigen zin uit te kiezen, hetgeen haar kon blijven herinneren aan haar oude min, die in menigen onrustigen nacht, bij het krijgen van menig gevaarlijk tandje, bij menigen aanval van koorts in de kinderjaren, bij haar gewaakt en haar bijna als haar eigen kind bemind had. De aankoopen werden gedaan, en daar de min volstrekt een kolossalen bijbel voor Blanche wilde koopen, gaf de jonge dame in overweging of Bonner niet het groote Woordenboek van Johnson voor hare mama zou aanschaffen. Elk der beide dames had voorzeker heel wat nut kunnen trekken uit het geschenk.
Vervolgens kocht jufvrouw Bonner eenig linnen, dat zij in het Wapen van Clavering kon noodig hebben, en eene roode en gele das, zooals Blanche dadelijk begreep, voor mijnheer Lightfoot bestemd. Jufvrouw Bonner beschouwde dien jonkman, die ten minste vijf en twintig jaar jonger was dan zij zelve, met zoowel moederlijke als echtelijke teederheid en schikte hem gaarne met allerlei sieraden op, zoodat hij steeds schitterde van spelden, ringen, hemdsknoopjes, kettingen en snuisterijen, alle op kosten van het goede schepsel aangeschaft.
Jufvrouw Bonner deed hare aankoopen in het Strand, met behulp van jufvrouw Blanche, die dit heel aardig vond, en toen de oude jufvrouw alles gekocht had wat zij begeerde en den winkel verliet, vroeg Blanche met een innemend lachje en eene vriendelijke buiging aan een der winkelbedienden: „Zoudt ge zoo goed willen zijn, mijnheer, ons eens te zeggen, welken weg wij naar Shepherd’s Inn moeten inslaan?”
Daar Shepherd’s Inn slechts weinige ellen ver en Old Castle Street dichtbij was, wees de elegante jeugdige winkelbediende den hoek aan, [236]welken de jonge dame moest omslaan, waarop deze met hare gezellin den tocht voortzette.
„Shepherd’s Inn! Wat hebt gij in Shepherd’s Inn te doen, Blanche?” vroeg jufvrouw Bonner. „Daar woont mijnheer Strong. Moet gij den kapitein spreken?”
„Ik zou den kapitein zeer gaarne eens zien. Ik houd wel van den kapitein. Maar ik ga hèm niet opzoeken. Ik moet een lief goed meisje gaan zien, dat heel vriendelijk is geweest voor – voor mijnheer Arthur, toen hij verleden jaar zoo ziek was, en die als het ware zijn leven heeft gered. Ik wil haar daarvoor bedanken en vragen of ik haar met iets helpen kan. Ik heb heden morgen opzettelijk verscheidene mijner kleedjes uitgezocht, Bonner!” en daarbij keek zij Bonner aan op eene wijze, alsof zij aanspraak op bewondering mocht maken en eene buitengewoon deugdzame daad verricht had. Blanche hield zeer veel van bonbons; zij zou die aan de armen te eten hebben gegeven, als zij er genoeg had gehad, en eene boerenmeid eene harer baljaponnen hebben geschonken, wanneer zij die had afgedragen en er niet meer van gediend beliefde.
„Een lief meisje – eene lieve jonge vrouw!” mompelde jufvrouw Bonner. „Ik weet wel, dat ik geene lieve jonge vrouwen in de nabijheid van Lightfoot zal laten komen;” en te gelijk bevolkte zij in hare verbeelding het Wapen van Clavering met een harem van de afschuwelijkste werkmeiden en buffetjufvrouwen.
Blanche was met haar paarsch en blauw, hare veeren en snuisterijen (de châtelaine, die verbazende uitvinding, was nog niet bekend, anders kan men zeker zijn, dat zij er een zou gedragen hebben), met haar zijden kleed met weerschijn, een prachtigen mantel en een beeldje van een parasol, zulk eene sierlijke en schoone verschijning, dat zij de oogen van jufvrouw Bolton verblindde, die den vloer der portierswoning van Shepherd’s Inn schrobde, terwijl Betsy-Jane en Amalia-Anna verrukt opkeken.
Blanche zag met een lachje van onbeschrijfelijke lieftalligheid en hoogheid op allen neer, gelijk Rowena, die Ivanhoe ging bezoeken, gelijk Marie Antoinette, toen zij gedurende den hongersnood de armen opzocht, gelijk de markiezin van Carabas, toen zij met haar rijtuig met vier paarden aan de deur van den armen boer stilhield en van Jan No. 2 het pakje Engelsch zout ten behoeve van den zieke overnam, om het met haar eigene vorstelijke hand in de ziekenkamer te brengen. Blanche achtte zich eene koningin, die van haar troon afdaalt om een onderdaan te bezoeken, en verkeerde in de volle overtuiging, dat zij eene goede daad verrichtte.
„Vrouwtje? Ik zou Fanny wel eens willen spreken, – Fanny Bolton. Is die hier?”
Blanche’s prachtig voorkomen deed plotseling de verdenking bij jufvrouw Bolton oprijzen, dat zij eene tooneelspeelster of nog iets ergers moest zijn.
„En wat moet gij van Fanny hebben, hè?” vroeg zij dus.
„Ik ben de dochter van Lady Clavering – gij hebt Sir Francis Clavering toch wel hooren noemen? En ik zou Fanny Bolton heel gaarne spreken.”
„O, kom dan als het u belieft binnen, jufvrouw. Betsy-Jane, waar is Fanny?”
Betsy-Jane antwoordde, dat Fanny de trap van No. 3 opgegaan was, waarop jufvrouw Bolton verklaarde, dat zij zich dan waarschijnlijk op de kamers van Strong zou bevinden, en het kind gelastte te gaan zien, of zij inderdaad dáár was. [237]
„Op de kamer van kapitein Strong! O, laten wij naar kapitein Strong’s kamer gaan!” riep jufvrouw Blanche uit. „Ik ken hem heel goed. Kom, kindlief, wijs ons den weg eens naar kapitein Strong!” vervolgde jufvrouw Blanche; want de vloer rook naar het schrobben, en de godin hield niet van reuk van groene zeep.
Toen zij de trap opgingen, maakte een heer met name Costigan, die over het plein drentelde en een schelmschen blik onder Blanche’s hoed sloeg, bij zich zelven de opmerking: „Dat is eene verduiveld mooie meid, voor den drommel, die daar naar Strong en Altamont gaat; die twee hebben altijd mooie meisjes op hunne trap.”
„Hola – wat is dat?” riep hij een oogenblik later uit, naar de vensters opkijkende, door welke een schel gegil naar buiten drong.
Op het geluid der stem van eene vrouw, die in nood verkeerde, rende de onversaagde Cos de trap op, zoo snel als zijn oude beenen hem dragen konden, maar hij werd bijna omvergeloopen door Strong’s bediende, die de trap afsnelde. Cos vond de buitendeur van Strong’s apartementen dicht en begon donderende slagen met den klopper te geven. Na een aantal van die krachtige slagen werd de binnendeur gedeeltelijk opengedaan en keek Strong eventjes om den hoek.
„Ik ben het, beste jongen. Wat beteekent dat leven, Strong?” vroeg Costigan.
„Loop naar den duivel!” was het antwoord, waarop de deur weer voor Costigan’s eerbiedwaardigen rooden neus werd dichtgesmeten. Onder het mompelen van bedreigingen van wraak over de beleediging, die hem was aangedaan, en zwerende dat hij voldoening zou moeten hebben, ging hij de trap af. Ondertusschen zal de lezer, gelukkiger dan kapitein Costigan, het voorrecht genieten, bekend te worden gemaakt met het geheim, dat voor dien officier verborgen werd gehouden.
Wij hebben reeds vermeld van welk een vrijgevig karakter mijnheer Altamont was, en met welk eene milde hand hij zijn geld besteedde, zoodra hij er van voorzien was. Daar hij ook een gastvrijen aard bezat, kende hij geen grooter genoegen dan met anderen te drinken, zoodat te Greenwich en te Richmond niemand méér welkom was dan de afgezant van den nabob van Lucknow.
Nu wilde het toeval dat de kolonel, op den dag toen Blanche en jufvrouw Bonner de trap naar de kamer van Strong in Shepherd’s Inn beklommen, jufvrouw Delaval van den koninklijken schouwburg van – en hare moeder, mevrouw Hodge, uitgenoodigd had tot een tochtje op de rivier met bepaling, dat zij op zijne kamers zouden bijeenkomen, om dan gezamenlijk op een aanlegplaats in het naburige Strand aan boord eener stoomboot te gaan. Toen derhalve jufvrouw Bonner en Mes Larmes aan de deur kwamen, zeide Grady, Altamont’s bediende, die daar op post stond, met de meeste voorkomendheid: „Gaat binnen, dames,” en leidde haar het vertrek in, dat versierd was alsof zij verwacht werden. Wezenlijk stonden twee ruikers, dien morgen in Covent Garden gekocht, als bewijzen van Altamont’s kiesche galanterie, zijne gasten op de tafel te wachten. Blanche rook aan een der bouquetten, stak er haar aardig nuffig neusje in, trippelde de kamer rond, en keek achter de gordijnen, en naar de boeken en prenten, en naar den plattengrond van het landgoed Clavering, die aan den muur hing; zij had den knecht naar kapitein Strong gevraagd, maar diens bestaan bijna weer vergeten, evenals het doel waarmee zij hier gekomen was, namelijk Fanny Bolton te bezoeken, – zoo ingenomen was zij met dit nieuwe [238]avontuur en het malle, zonderlinge, aardige, kluchtige ideetje van zich op de kamers van een ongehuwd heer in zulk een wonderlijk oud hoekje van de stad te bevinden!
Intusschen was Grady met een paar groote verlakte laarzen in zijn meesters kamer verdwenen. Blanche had ternauwernood opgemerkt hoe groot die laarzen waren en hoe weinig zij op die van Strong geleken.
„De vrouwen zijn gekomen,” zeide Grady, toen hij de laarzen aan zijn meester overhandigde.
„Vraag haar, of zij niet een glaasje van het een of ander willen gebruiken,” zeide Altamont.
Grady kwam nu buiten en zeide tegen de dames: „Hij vraagt of gij een borreltje wilt hebben?” waarop Blanche, die deze vraag heel aardig vond, in een lachje uitbrak en aan jufvrouw Bonner vroeg: „Willen wij een glaasje nemen?”
„Nu, gij kunt het nemen of niet, naar keuze,” zeide Grady, die zijn aanbod geminacht waande en wien de hooge manieren der nieuw aangekomenen niet bevielen, zoodat hij haar alleen liet.
„Zullen wij een glaasje nemen?” vroeg Blanche andermaal en brak wederom in lachen uit.
„Grady!” riep eene stem uit de andere kamer, eene stem, die jufvrouw Bonner verschrikt deed opzien.
Grady gaf geen antwoord. Men hoorde hem veraf zingen in de keuken op de bovenverdieping, waar hij zijn werk met zijne muziek begeleidde.
„Grady, mijn rok!” schreeuwde de stem uit de belendende kamer.
„Dat is de stem van mijnheer Strong niet?” zeide de sylphide, nog altijd half lachende. „Grady, mijn rok! – Bonner, wie is „Grady mijn rok?” Ik geloof, dat het beter zou zijn als wij heengingen.”
Bonner keek nog altijd zeer ontsteld over het geluid der stem, die zij gehoord had.
Op dit oogenblik ging de deur der slaapkamer open en kwam de persoon, die: „Grady, mijn rok!” geroepen had, zonder dat kleedingstuk te voorschijn.
Hij knikte de dames toe en ging de kamer door met de woorden: „Ik vraag excuus, dames. Grady, breng me mijn rok! Een mooie dag, dames, en wij zullen een prettig tochtje maken –”
Maar verder kwam hij niet, want op dit oogenblik riep jufvrouw Bonner, die hem met verschrikte oogen had aangestaard, plotseling uit: „Amory! Amory!” en zonk gillende en in zwijm op haar stoel neer.
De man, die aldus aangesproken werd, keek de vrouw een oogenblik aan, en snelde toen naar Blanche, die hij omhelsde en kuste „Ja, Betsy,” sprak hij, „bij den hemel, ik ben het. Mary Bonner heeft mij herkend. Wat zijt ge een mooi meisje geworden! Maar onthoud wel, dat het een geheim is. Ik ben dood, al ben ik uw vader. Uw arme moeder weet niets van mij. Wat zijt ge lief opgegroeid! Geef mij een kus – een stevigen kus, Betsy. Voor den drommel, ik heb u lief; ik ben uw ouwe vader!”
Betsy – of Blanche scheen ten eenemale verbijsterd en begon ook te gillen – eenmaal, tweemaal, driemaal; en het waren hare doordringende kreten, die kapitein Costigan hoorde, toen hij beneden op het plein wandelde.
Toen de ontstelde vader dat gillen hoorde, wrong hij zijne handen (zijne manchetten hingen open, en daardoor zag men op zijn eenen gebruinden arm zekere blauwe letters, die er in geprikt waren), snelde [239]zijne kamer binnen, kwam weer terug met een eau-de-cologne-flesch uit zijne groote zilveren toiletdoos en begon jufvrouw Bonner en Blanche overvloedig met den inhoud te besprenkelen.
Het gillen der vrouwen lokte de andere bewoners van het apartement naar de kamer; Grady uit zijne keuken en Strong uit zijn vertrek op de bovenverdieping. De laatste zag aan het voorkomen der beide vrouwen dadelijk wat er gebeurd was.
„Grady, ga naar beneden op het plein wachten,” zeide hij, „en als er iemand komt – ge begrijpt mij?”
„Ja, ook de actrice met hare moeder?” vroeg Grady.
„Ja – loop naar den drommel – zeg dat er niemand thuis is en dat de partij wordt uitgesteld.”
„Moet ik dat zeggen, mijnheer? nadat ik die bouquetten gekocht heb?” vroeg Grady aan zijn meester.
„Ja,” zeide Amory, op den grond stampende, en toen Strong zich naar de deur begaf, kwam hij er juist bijtijds om kapitein Costigan, die de trap opgeklommen was, buiten te houden.
Dien dag werden de dames van het tooneel niet te Greenwich onthaald en legde Blanche haar bezoek bij Fanny Bolton niet af; en Cos, die de gelegenheid waarnam om op eene majestueuse wijze aan Grady te vragen wat voor ongeluk er gebeurd was en wie daar gilde, kreeg ten antwoord, dat het eene vrouw en nog een andere vrouw was, en dat de vrouwen, naar Grady’s oordeel, de oorzaak waren van bijna al het onheil, dat op aarde plaats had.