[Inhoud]

ZEVEN EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.

Waarin Pen aan zijne verkiezing begint te twijfelen.

Terwijl Pen aldus in zijn eigen graafschap zijne zelfzuchtige plannen en parlementaire vooruitzichten trachtte te verwezenlijken, ontving hij de tijding, dat Lady Rockminster te Baymouth was aangekomen en onze vriendin Laura had meegebracht. Toen Pen vernam, dat zijne zuster Laura zich in zijne nabijheid bevond, beving hem een gevoel van schuld. Hij wenschte wellicht in haar achting hooger te staan dan in die van iemand anders ter wereld. Zij was hem, als het ware, door zijne moeder gelegateerd. Hij moest in zekeren zin haar bestuurder en beschermer zijn. Hoe zou zij het nieuws opnemen, dat hij haar had mee te deelen, en hoe zou hij haar de plannen uiteenzetten, die hij koesterde? Hij nam een gevoel bij zich waar, alsof noch hij noch Blanche Laura’s schitterenden en kalm onderzoekenden blik zou kunnen uithouden, en alsof hij zijne wereldsche verwachtingen en vooruitzichten niet aan die reine ziel zou durven bekennen. Zoodra zij te Baymouth was aangekomen, schreef hij haar een brief vol mooie uitdrukkingen en betuigingen van genegenheid en met eene goede hoeveelheid luchtigen spot en scherts; doch onder dat alles kon mijnheer Pen zich niet ontveinzen, dat hij zeer beducht was voor hetgeen komen zou en dat hij zich als een schelm en schijnheilige gedroeg.

Hoe kan een eenvoudig landmeisje bij zulk een voorbeeldig gentleman als mijnheer Pen, vrees en siddering verwekken? Hij gevoelde, dat zijne wereldsche berekeningen en plannen, zijne satirieke levensbeschouwing [240]en zijne wereldkennis den toets van hare reinheid niet konden doorstaan. En hij moest bekennen, dat zijne voornemens van dien aard waren, dat hij aan dat brave meisje de waarheid niet openbaren kon. Toen hij van Clavering naar Baymouth reed, gevoelde hij zich zoo schuldig als een schooljongen die zijne les niet kent en straks tegenover den gevreesden meester zal staan. Want de waarheid is immers altijd de meesteres, die de macht bezit en het boek in de hand houdt?

Laura had, onder de hoede van Lady Rockminster, hare welgezinde doch eenigszins willekeurige en gebiedende beschermster, in het afgeloopen jaar het een en ander gezien, zich eenige nieuwe bekwaamheden eigen gemaakt en uit de lessen der wereld veel nut getrokken. Menig meisje, gewoon aan de al te groote vertroeteling, aan Laura vroeger ten deel gevallen, zou ongeschikt zijn geworden voor het leven, dat zij thans moest leiden. Helena aanbad hare beide kinderen en dacht, gelijk vrouwen, die nooit iets van de wereld gezien hebben, doorgaans doen, dat het heelal voor hen geschapen was, of eerst na hen in aanmerking kwam. Zij verzorgde Laura met eene waakzaamheid en eene liefde, die haar nooit verliet. Had het meisje hoofdpijn, de weduwe was zoo ontsteld, alsof nooit iemand anders ter wereld hoofdpijn had gehad. Zij sliep en ontwaakte en leerde en bewoog zich onder haar moeders liefderijk oppertoezicht, waarvan zij nu beroofd was, evenzeer als van die teedere vrouw zelve, wier zorgvolle hart niet meer kloppen zou. En Laura zal ongetwijfeld smartelijke oogenblikken van verdriet en neerslachtigheid hebben gekend, toen zij zich alleen in de groote onverschillige wereld bevond. Niemand sloeg acht op hare smart of haar eenzaamheid. Zij stond in maatschappelijken rang geenszins gelijk met de dame tot wier gezelschap zij strekte, of met de vrienden en betrekkingen der heerschzuchtige, doch welgezinde oude douairière. Er waren er waarschijnlijk wel, die haar geen goed hart toedroegen; sommigen behandelden haar misschien wel eens met mindere achting; de bedienden bejegenden haar somtijds en de vrouw des huizes dikwijls met zekere ruwheid. Laura woonde niet zelden familiebijeenkomsten bij, waar zij gevoelde dat het vertrouwen en de gemeenzaamheid door haar aanwezigheid verstoord werd, en hare gevoeligheid werd natuurlijk gekwetst door de gedachte, dat zij hinder zou geven of ondervinden. Hoe vele gouvernantes zijn er in de wereld, dacht de opgeruimde Laura – hoevele dames, die, door de omstandigheden gedwongen, slavinnen en gezelschapsjufvrouwen van beroep zijn! Hoeveel kwade humeuren en grove bejegeningen moeten deze niet verduren! Hoe oneindig gelukkiger is mijn lot bij deze wezenlijk vriendelijke en hartelijke menschen, dan dat van duizenden meisjes, die in de wereld alleen staan! Met dezen gewilligen geest schikte zich onze jonge dame in hare nieuwe positie en bood met een vertrouwelijk lachje aan de Fortuin het hoofd.

Hebt ge ooit iemand gekend, die de Fortuin aldus te gemoet ging en op wien die godin niet vriendelijk neerzag? Worden zelfs slechte menschen niet eindelijk gewonnen door een onverstoorbare goede luim en een rein en toegenegen hart? Toen de kinderen in het bosch, waarvan de ballade spreekt, zoo lief en vertrouwelijk opzagen naar de verfoeilijke schelmen, die hun oom gehuurd had om de kleinen van kant te maken, weten wij allen, dat een dier schavuiten vermurwd werd en den ander uit den weg ruimde, daar hij den moed niet bezat om zooveel onschuld en schoonheid wreed te behandelen. O, zalig degenen, die deze onverstoorbare goede gedachte van de wereld en dit zoete en opgeruimde vertrouwen op haar bezitten, en geen kwaad vreezen, omdat zij geen [241]kwaad denken! Jufvrouw Laura Bell was een van die bevoorrechte wezens, en droeg buiten het diamanten kruisje van de liefderijke weduwe, hetwelk Pen, gelijk wij gezien hebben, haar geschonken had, een flikkerenden en schitterenden kohinoor in haar hart, nog kostbaarder dan die beroemde steen; want voor den eigenaar is die niet slechts een schat hier op aarde, maar hij behoudt dat kleinood ook in eene betere wereld, waar men zegt dat diamanten niets meer waard zijn, en het is en blijft een talisman tegen het kwade en verlicht de duisternis des levens, gelijk de vermaarde steen van Copia Hassan.

Dientengevolge was er, eer jufvrouw Bell een jaar ten huize van Lady Rockminster had vertoefd, geen enkel persoon onder dat dak, wiens genegenheid zij niet door het gebruik van dien talisman had gewonnen. Laura had de welwillendheid en vriendelijke gezindheid van iedereen, van de oude dame tot de geringste persoon in haar dienst, verworven. Met eene meesteres van zulk een humeur kon men niet verwachten, dat mylady’s kamenier (die hare mevrouw veertig jaren verdragen had en gedurende al dien tijd dag en nacht was gehavend, uitgescholden en beleedigd) zelve een goed humeur zou hebben, en dus was zij in den beginne boos tegen jufvrouw Laura, gelijk zij het tegen de vijftien vroegere gezelschapsjufvrouwen van mylady geweest was. Doch toen Laura te Parijs ziek lag, wilde deze oude vrouw haar oppassen in spijt van hare meesteres, die bang was de koorts te krijgen, en vocht letterlijk met Martha van Fairoaks, die nu tot kamenier van jufvrouw Laura bevorderd was, om de eer van de geneesmiddelen aan de patiënte te mogen toedienen. Toen zij aan de beterhand was, scheelde het weinig of Grandjean, de chef, had haar vermoord met de vele lekkernijen, die hij voor haar gereedmaakte, en toen zij haar eerste stukje kip at, weende hij van vreugde. De Zwitsersche majordomo der huishouding bezong jufvrouw Bell’s lof in bijna alle Europeesche talen, die hij alle even slecht sprak; de koetsier was verheugd haar te mogen rijden; de page schreide toen hij hoorde dat zij ziek lag; en Calverley en Coldstream (die twee lakeien, die zoo lang, doorgaans zoo kalm en altijd zoo moeielijk te roeren waren) braken op de tijding van hare beterschap in een ongehoorde vroolijkheid los, en maakten den page in een wijnhuis beschonken, om haar herstel te vieren. Zelfs Lady Diana Pynsent (onze oude kennis, mijnheer Pynsent, was in den tusschentijd getrouwd), die een tijdlang veel afkeer van Laura had gekoesterd, geraakte zoo zeer in geestdrift, dat zij verklaarde, dat zij jufvrouw Bell een heel aardig meisje vond en dat grootmama eene groote trouvaille in haar had gedaan. Al die welwillendheid en vriendschap had zich Laura noch door list of vleierij verworven, maar enkel door de kracht van haar goed humeur en door de kostbare gave om te behagen en zich behaaglijk te gevoelen.

Bij de twee of drie gelegenheden toen onze jonge vriend Lady Rockminster had ontmoet, was de oude dame, die niet met hem was ingenomen, zeer hoog en kortaf tegen hem geweest, en misschien verwachtte Pen, toen hij te Baymouth kwam, dat hij Laura in mylady’s huis zou aantreffen in de hoedanigheid van eene geringe gezelschapsjufvrouw, die niet beter behandeld werd dan hij zelf. Toen zij hoorde, dat hij er was, kwam zij de trap afsnellen, en ik zou niet durven verzekeren, dat zij hem niet ten aanschouwe van Calverley en Coldstream omhelsde, hoewel die heeren het niet ruchtbaar hebben gemaakt; indien de fractus orbis ware ineengestort, indien Laura, in plaats van Pen te kussen, hare schaar had uitgetrokken en zijn hoofd afgeknipt had, zouden Calverley en Coldstream het bedaard hebben aangezien, zonder te dulden [242]dat een enkel korreltje poeier door het ongeval van hunne pruiken wierd opgejaagd.

Laura zag er zooveel gezonder en beter uit dan vroeger, dat Pen niet nalaten kon haar met bewondering te aanschouwen. Uit de oprechte en vriendelijke oogen, die de zijne ontmoetten, straalde de gezondheid, en de wang, op welke hij zijn kus drukte, prijkte met den schoonsten blos. Terwijl hij haar zoo eenvoudig en bevallig, zoo rein en oprecht voor zich zag, meende hij haar nog nooit in zulk een bloei der schoonheid gezien te hebben. Waarom merkte hij die schoonheid thans zoo duidelijk op, en verwonderde hij zich, dat hij die niet vroeger waargenomen had? Hij greep hare blanke, vertrouwelijke hand en kuste die met innigheid; hij zag haar in de schitterend heldere oogen en las er dien vriendelijken welkomstgroet in, dien hij altijd zeker was er in te vinden. Hij gevoelde zich aangedaan en getroffen door haar teederen toon en haar reinen blik, welks onschuldige uitdrukking hem beschaamd maakte en ontroerde.

„Wat zijt gij goed voor mij, Laura, mijne zuster!” zeide Pen. „Ik verdien niet, dat gij – dat gij zoo lief voor mij zijt.”

„Mama heeft u aan mij achtergelaten,” sprak zij, voorovergebogen en snel met hare lippen zijn voorhoofd rakende. „Gij weet wel, dat gij tot mij zoudt komen als gij in ongelegenheid waart, of wel het mij zoudt meedeelen als gij u zeer gelukkig gevoeldet; dat was de afspraak, Arthur, van verleden jaar, toen wij scheidden. Zijt gij nu zeer gelukkig, of zit gij in den nood? wat van beide?” en daarbij zag zij hem met een schalkschen, vriendelijken blik aan. „Verlangt gij naar de plaats in het parlement? Zijt gij voornemens u daar te onderscheiden? Wat zal ik ongerust zijn, als gij uw eerste redevoering moet houden!”

„Weet gij dan iets van dat plan ten aanzien van het parlement?” vroeg Pen.

„Weten! De heele wereld weet het! Ik heb er reeds dikwijls over hooren spreken. De dokter van Lady Rockminster bracht het vandaag nog op het tapijt. Ik ben zeker, dat het morgen in het blad van Chatteries zal staan. Het geheele graafschap spreekt er van, dat Sir Francis Clavering, van Clavering, zal aftreden ten behoeve van mijnheer Arthur Pendennis van Fairoaks; en dat de jonge en schoone jufvrouw Blanche Amory zal –”

„Wat? Dat óók al?” vroeg Pendennis.

„Dat óók, waarde Arthur. Tout se sait, zooals zeker iemand zou zeggen, van wie ik voornemens ben heel veel te houden, en die ik weet dat zeer geestig en lief is. Ik heb een brief van Blanche gehad, een allerliefsten brief. Zij spreekt met zooveel vuur over u, Arthur! Ik hoop, of liever ik weet, dat zij inderdaad gevoelt wat zij schrijft. Wanneer moet het plaats hebben, Arthur. Waarom hebt gij er mij niets van verteld? Ik mag toch immers bij u beiden komen wonen, niet waar?”

„Mijn huis en al wat ik bezit is het uwe, lieve Laura,” gaf Pen ten antwoord. „Ik had het u niet verteld, omdat – omdat – ik weet eigenlijk niet waarom; maar voor het oogenblik is er nog niets vast bepaald. Er zijn geen geloften tusschen ons gewisseld. Maar gelooft gij niet, dat Blanche gelukkig met mij zou kunnen zijn? Het is geen romaneske liefde, dat begrijpt gij wel. Ik geloof, dat ik geen hart meer bezit, en dat heb ik haar verklaard; het is eene heel kalme verbintenis; ik wensch mijne vrouw aan de eene en mijne zuster aan de andere zijde van mijn haard te zien; ik wensch het parlement in den tijd van de zittingen waar te nemen en Fairoaks gedurende de vacantie te bewonen en mijne [243]Laura altijd bij mij te zien, tot er iemand komt, die het recht heeft haar weg te voeren.”

Iemand die het recht heeft! Waarom begon Pen, terwijl hij het meisje aanzag en die woorden langzaam uitsprak, boos en jaloersch te worden op dien onzichtbaren iemand, die het recht zou hebben haar weg te voeren? Pen, die nog pas eene minuut geleden bevreesd was hoe zij de tijding van zijne waarschijnlijke verbintenis met Blanche zou opnemen, gevoelde zich in zekere mate gekwetst, dat zij het nieuws zoo kalm vernam en overtuigd was dat hij gelukkig zou zijn.

„Tot er iemand komt,” zeide Laura lachend, „zal ik bij u blijven wonen en tante Laura heeten, en op de kinderen passen wanneer Blanche in gezelschap is. Ik heb alles reeds overlegd. Ik ben een uitmuntende huishoudster. Weet gij wel, dat ik te Parijs met jufvrouw Beck naar de markt ben geweest, en les bij Monsieur Grandjean heb genomen? En ik heb mij te Parijs ook eenige lessen in het zingen laten geven, van het geld dat gij mij, beste jongen, gezonden hebt; ik kan dus nu veel beter zingen, en ik heb ook leeren dansen, ofschoon niet zoo goed als Blanche, en wanneer gij minister wordt, moet Blanche mij ten hove voorstellen,” en daarop maakte zij, met een ondeugende vroolijkheid, de laatste Parijsche nijging voor hem.

Juist onder die nijging kwam Lady Rockminster binnen en reikte Arthur een vinger toe, welken hij aannam, en waarover hij heenboog, zoo goed het ging, wat inderdaad niet best gelukte.

„En dus gaat gij trouwen, mijnheer!” zeide de oude dame.

„Beknor hem maar eens, Lady Rockminster, dat hij er niets van verteld heeft,” zeide Laura, terwijl zij zich verwijderde, waarop de oude lady ook dadelijk daartoe overging.

„En dus gaat gij trouwen, en de plaats van dien deugniet Sir Francis Clavering in het parlement bekleeden? Ik had gewenscht, dat hij die plaats aan mijn kleinzoon afgestaan had; waarom gaf hij zijne plaats niet aan mijn kleinzoon? Ik hoop, dat gij eene flinke som met jufvrouw Amory zult krijgen; ik zou haar niet zonder een belangrijk kapitaal willen nemen.”

„Sir Francis Clavering heeft genoeg van het parlementaire leven,” zeide Pen geprikkeld, „en – en ik zou wel lust hebben die loopbaan te beproeven. Het overige der geschiedenis is minst genomen voorbarig.”

„Ik verwonder mij, dat gij, terwijl gij Laura thuis hadt, u verslingeren kondt aan zulk een gemaakt en onnatuurlijk schepsel als dat,” vervolgde de oude dame.

„Het spijt mij zeer, mevrouw, dat jufvrouw Amory de eer niet heeft, u te behagen,” zeide Pen met een glimlach.

„Gij wilt eigenlijk zeggen, dat het mij niet aangaat en ik het niet ben die haar trouwen moet. Neen, dat moet ik ook niet, en daarom ben ik zeer blij. Dat akelige nufje! Als ik bedenk, dat iemand haar boven mijne Laura verkiezen kon, dan maak ik mij boos, en dat zeg ik u ronduit, mijnheer Arthur Pendennis.”

„Het verheugt mij, dat gij Laura met zulk een gunstig oog beschouwt,” zeide Pen.

„Het verheugt u, en het spijt u. Wat komt het er op aan, mijnheer, of gij blij of verdrietig zijt? Een jonkman, die aan jufvrouw Amory de voorkeur geeft boven jufvrouw Bell, heeft geen recht om spijtig of verheugd te zijn. Een jonkman, die, na mijne Laura gezien te hebben, zich aan zulk een krom, verwaand schepsel als die kleine Amory verbindt (want [244]krom is zij, dat verzeker ik u), heeft geen recht, ooit zijn hoofd weer op te steken. Waar is uw vriend Blauwbaard, die lange man, – Warrington geloof ik, dat hij heet? Waarom komt hij niet over, om Laura te trouwen? Wat is de reden, waarom de jongelieden zulk een meisje niet huwen? Allen trouwen zij tegenwoordig om het geld. Gij zijt allen egoïsten en lafaards. In mijn tijd gingen wij met elkander op den loop en sloten dwaze huwelijken. Ik erger mij over de tegenwoordige jongelui! Toen ik dezen winter te Parijs was, vroeg ik al de drie attaché’s der Engelsche ambassade, waarom zij niet op jufvrouw Bell verliefden? Zij begonnen te lachen en zeiden, dat zij geld noodig hadden. Gij zijt allemaal egoïsten – allemaal lafaards!”

„Ik hoop,” zeide Pen met zekere warmte, „dat gij, alvorens jufvrouw Bell aan de attaché’s aan te bieden, haar de eer hebt bewezen haar gevoelen daarover in te winnen?”

„Jufvrouw Bell bezit maar een klein kapitaal. Jufvrouw Bell moet spoedig trouwen. De een of de ander moet haar aan een man helpen, mijnheer, en een meisje kan zich zelve niet aanbieden,” zeide de oude douairière met groote deftigheid. „Laura-lief, ik heb aan uw neef verklaard, dat al de jongelui egoïsten zijn, en dat er geen greintje romaneskheid meer onder hen te vinden is. Hij is even slecht als de rest.”

„Hebt gij Arthur gevraagd waarom hij mij niet wil trouwen?” zeide Laura met een schalkschen glimlach, toen zij terugkwam, en greep de hand van haar neef. (Het kan wel zijn, dat zij zich verwijderd had om eenige sporen van ontroering te verbergen, die zij niet door anderen wilde opgemerkt hebben). „Hij gaat iemand anders trouwen, en ik neem mij voor, heel veel van haar te houden, en bij hen te gaan wonen, mits hij dan maar niet aan ieder ongehuwd heer, die hem komt bezoeken, vraagt waarom hij mij niet trouwt?”

Daar Pen’s gewetensknaging aldus gestild en zijn verhoor voor Laura zonder verwijten van hare zijde afgeloopen was, begon hij te gevoelen, dat plicht en neiging hem aanhoudend naar Baymouth dreven, waar Lady Rockminster hem meedeelde, dat er altijd eene plaats voor hem aan hare tafel zou opengehouden worden. „En ik geef u den raad, dikwijls te komen,” zeide de oude dame, „want Grandjean is een uitmuntende kok, en de omgang met Laura en mij zal u manieren leeren. Men ziet duidelijk, dat gij altijd aan u zelven denkt. Bloos en stamel maar niet, – bijna alle jongelieden denken altijd aan zich zelven. Met mijne zonen en kleinzonen was dit altijd het geval, totdat ik het hen afleerde. Kom maar hier; dan zullen wij u leeren, u fatsoenlijk te gedragen. Gij zult niet behoeven voor te snijden; dat wordt aan het buffet gedaan. Hecker zal u zooveel wijn schenken als goed voor u is; en op de dagen dat gij heel gezeglijk en onderhoudend zijt zult gij ook een glaasje champagne krijgen. Hecker, onthoud wat ik u zeg. Mijnheer Pendennis is mejufvrouw Laura’s broeder; maak het hem aangenaam, maar zorg, dat hij niet te veel wijn drinkt, noch mij komt storen als ik mijn middagslaapje doe. Gij zijt egoïstisch, en ik ben voornemens u daarvan te genezen. Gij kunt hier komen dineeren als gij nergens elders genoodigd zijt, en als het regent, doet gij het best met in het hotel te overnachten.” Wanneer de goede dame maar heerschen kon over allen, die haar omringden, was zij niet ongemakkelijk, en al de slaven en onderdanen van haar kleine hof beefden voor haar, maar hadden haar te gelijk lief.

Zij zag niet veel, noch zeer schitterend gezelschap. De dokter was natuurlijk een bestendig en trouw bezoeker. Op hare partijen ontving [245]de oude dame den dominé en diens hulpprediker en bij plechtige gelegenheden ook de vrouw en de dochters van den dominé, alsmede eenige der badgasten van Baymouth; doch meestal was het gezelschap slechts klein, en dronk mijnheer Arthur zijn wijn in eenzaamheid, wanneer Lady Rockminster zich verwijderd had om haar dutje te gaan doen en zich na het diner door Laura in slaap te doen zingen en spelen.

„Moet ik niet blij wezen,” sprak het goedhartig meisje, „indien ik haar met mijne muziek een oogenblikje rust kan bezorgen, dat ik daardoor van dienst kan zijn? Lady Rockminster slaapt ’s nachts zeer weinig, en ik was gewoon haar ’s avonds voor te lezen, tot ik te Parijs ziek werd, en sedert dien tijd wil zij er niet meer van hooren, dat ik laat zou opblijven.”

„Waarom hebt gij mij niet geschreven toen gij ziek waart?” vroeg Pen blozende.

„Waarin hadt gij mij van nut kunnen zijn? Ik had Martha tot mijn oppassing, en elken dag den dokter. Gij hebt het te druk, om aan vrouwen te schrijven of te denken. Gij hebt uwe boeken en nieuwsbladen, uwe politiek en uwe spoorwegen om u bezig te houden. Ik heb geschreven zoodra ik weer beter was.”

Pen zag haar aan en bloosde weer, bij de herinnering, dat hij, gedurende hare gansche ziekte, haar geen enkele maal geschreven en ternauwernood aan haar gedacht had.

Uit hoofde van de familiebetrekking had Pen de vrijheid aanhoudend met zijne nicht te gaan wandelen en rijden, en in den loop van die uitstapjes en ritjes had hij de beste gelegenheid om de beminnelijke oprechtheid van haar karakter en de trouw, de eenvoudigheid en de minzaamheid van haar rein en vlekkeloos hart te leeren waardeeren. Tijdens het leven hunner moeder hadden zij nooit zoo vrij en hartelijk gesproken als thans. Ten gevolge van de begeerte der arme Helena, om eene verbintenis tusschen hare beide kinderen tot stand te brengen, had Laura zekere terughouding jegens Pen in acht genomen waarvoor, nu, in de veranderde omstandigheden, geen noodzakelijkheid meer bestond. Hij was met een ander meisje verloofd, en Laura werd nu dadelijk zijne zuster, – die de bedenkingen, welke zij tegen zijne keuze mocht hebben, verborg of uit haar hart verbande. Zij trachtte de toekomst met opgeruimdheid te gemoet te zien en koesterde de beste wenschen voor zijn voorspoed, terwijl zij zich voornam alles te doen wat de genegenheid vermocht, om haar moeders troetelkind gelukkig te maken.

Dikwijls spraken zij over hunne ontslapen moeder. En uit de duizend verhalen, die Laura deed, vernam Arthur hoe onvermoeid en alles omvattend die stille moederlijke toewijding was geweest, die hem in zijn bijzijn of afzijn door het leven gevolgd en pas met den laatsten ademtocht der lief hebbende moeder opgehouden had. Op zekeren dag zagen de bewoners van Clavering een jongen een paar rijpaarden bij het kerkhof vasthouden, en het gerucht verspreidde zich door het plaatsje, dat Pen en Laura te zamen Helena’s graf hadden bezocht. Arthur had er zich een paar maal heen begeven, sedert hij ten platten lande vertoefde; maar het aanschouwen van den gewijden lijksteen verschafte hem geen troost. Welk recht op deze heilige plek had een schuldig man, die eene slechte daad verrichtte, een bloot speculant, die trouw en eer tegen een fortuin en eene wereldsche loopbaan verruilde, en die bekende, dat zijn leven niets anders dan eene smadelijke nederlaag was? Wat baatte het hem in de wereld, in welke hij leefde, dat anderen niet beter waren dan hij zelf? Arthur en Laura reden de poort van Fairoaks [246]voorbij, waar hij de boerenkinderen, die op het gras en op het terras speelden, de hand drukte, terwijl Laura onafgewend staarde naar den muur van het huis en het klimop boven den ingang en de magnolia, die tot aan haar venster groeide. „Mijnheer Pendennis is vandaag met eene dame voorbijgereden,” vertelde een der jongens aan zijne moeder, „en heeft stilgehouden, om met ons te spreken. Hij vroeg om een takje kamperfoelie van de poort, en gaf het aan de dame. Ik kon niet zien of zij mooi was, want haar sluier hing neer. Zij reed op een paard van Cramp te Baymouth.”

Terwijl zij de duinen tusschen het ouderlijk huis en Baymouth overtrokken, sprak Pen niet veel, hoewel zij dicht naast elkander reden. Hij overdacht welk eene begoocheling het leven toch is en hoe de menschen het geluk weigeren wanneer zij het zouden kunnen genieten; of, wanneer zij het bezitten, het van zich stooten; of het, met open oogen, tegen wat verachtelijk geld of nietswaardige eer verruilen. En daarop volgde de gedachte, wat het er voor het korte levensbestek op aankwam? Het leven van de besten en braafsten onder ons wordt verteerd met ijdele wenschen en eindigt in teleurstelling, gelijk het geval is geweest met de lieve vrouw, die in haar graf daar ginds sluimert. Zij had evenzeer haar eerzuchtige bedoelingen als Cesar, en stierf zonder de vurige begeerte van haar gansche leven verwezenlijkt te zien. De grafzerk overdekt al onze hoop en onze nagedachtenis. In onze woonplaats kent men ons niet meer. „De kinderen van andere menschen spelen op het gras,” barstte hij eensklaps met luider stemme uit, „waar gij en ik plachten te spelen, Laura. En gij ziet hoe hoog die magnolia, welke ik geplant heb, sedert onzen tijd opgegroeid is. Ik ben een paar van die hutten langs gegaan, waar mijne moeder bezoeken aflegde. Zij is weinig meer dan een jaar van ons heengegaan, en de menschen, aan welke zij hare weldaden besteedde, bekommeren zich weinig meer om haar dood dan om dien van koningin Anna. Wij zijn allen zelfzuchtig; de wereld is zelfzuchtig en er bestaan maar weinig uitzonderingen zooals gij, mijne waardste, die door goede daden in eene booze wereld uitblinken en de duisternis daardoor nog dieper maken.”

„Ik hoor u niet gaarne op die wijze spreken, Arthur,” zeide Laura terwijl zij de oogen neersloeg en haar hoofd over het takje kamperfoelie op hare borst boog. „Toen gij dien kleinen jongen verzocht mij dit te geven, waart gij niet zelfzuchtig.”

„Ik offerde veel op, om het voor u te krijgen!” zeide hij spottend.

„Uw hart was toch vriendelijk en liefderijk gezind toen gij het deedt. Men kan niet meer dan liefde en vriendelijkheid verlangen, en al denkt gij nederig over u zelven, Arthur, wordt daardoor die liefde en vriendelijkheid niet verminderd, – niet waar? Ik heb mij dikwijls verbeeld, dat onze dierbare moeder u thuis bedierf, door u zoo steeds naar de oogen te zien; en dat hare te groote teederheid – indien gij zijt wat gij zegt te zijn, want ik spreek het woord ongaarne uit – heeft medegewerkt om u dat te maken. En wat de wereld betreft in welke de mannen uitgaan, ik vooronderstel, dat die niet anders dan zelfzuchtig wezen kan. Gij moet voor u zelven strijden en zelf zien vooruit te komen en een naam te maken. Mama en uw oom moedigden beiden die eerzucht bij u aan. Indien het eene ijdele zaak is, waarom staat gij er dan naar? Ik verbeeld me, dat zulk een knap man als gij, voornemens is zeer nuttig te zijn voor zijn vaderland, door plaats te nemen in het [247]parlement; anders zoudt ge er niet naar verlangen. Wat zijt gij voornemens te doen, als gij zitting hebt in het Lagerhuis?”

„Vrouwen hebben geen verstand van de politiek, mijne waardste,” zeide Pen, met zich zelven onder het spreken den gek scherende.

„Maar waarom helpt gij ons dan niet aan dat verstand? Ik heb nooit kunnen begrijpen waarom mijnheer Pynsent er zoo gaarne in wilde zijn. Hij is niet knap –”

„Zeker is hij geen genie, die Pynsent,” zeide Pen.

„Lady Diana zegt, dat hij den ganschen dag in commissiën zit, dat hij dan weer den ganschen avond naar het parlement gaat; dat hij altijd stemt zooals hem voorgeschreven wordt; dat hij er nooit zijn mond opendoet; dat hij nooit iets anders dan een ondergeschikt ambt zal vervullen, en dat hij, zooals zijne grootmoeder van hem zegt, een dor routinemensch is. Zijt gij voornemens die zelfde loopbaan te volgen, Arthur? Wat voor bekoorlijks toch is daaraan, dat gij er zoo begeerig naar zijt? Ik zou liever zien, dat gij thuis bleeft om boeken te schrijven – goede boeken, lieve boeken, met zachte en liefelijke denkbeelden, zooals gij er hebt, lieve Arthur, en die de menschen met genoegen zouden lezen. En indien gij geen roem behaalt, wat dan? Gij bekent, dat het ijdelheid is en dat gij, zonder dat, zeer gelukkig kunt leven. Ik moet mij niet aanmatigen raad te geven; maar ik houd u aan uw eigen woord wat de wereld betreft; en daar gij bekent, dat zij boos is en u verveelt, vraag ik u waarom gij haar niet verlaat?”

„En wat zoudt gij dan willen dat ik deed?” vroeg Arthur.

„Ik zou willen, dat gij met uwe vrouw op Fairoaks gingt wonen, om daar te studeeren en zooveel mogelijk goeds te doen. Ik zou willen, Arthur, dat uw eigen kinderen daar op het grasperk speelden, en dat wij nog eens te zamen in de kerk onzer moeder mochten bidden, waarde broeder. Zoo de wereld eene verzoeking is, hebben wij immers leeren bidden niet daarin geleid te worden?”

„Zoudt gij denken, dat Blanche eene goede vrouw voor een onbeduidend landjonker zou zijn? of dat ik bijzonder geschikt zou wezen voor die loopbaan, Laura?” vroeg Pen. „Vergeet niet, dat de verzoeking zoowel langs de heggen als door de straten sluipt, en dat lediggang de grootste van alle verleiders is.”

„Wat zegt mijnheer – mijnheer Warrington er van?” vroeg Laura, wier wang gekleurd werd door een blos, waarvan Pen den gloed zag, hoewel Laura haar sluier liet vallen om dien te verbergen.

Een tijdlang reed Pen stilzwijgend aan Laura’s zijde voort. Door de vermelding van George’s naam was hij in het verledene teruggevoerd en herinnerde hij zich de gedachten weer, die hij eenmaal ten opzichte van George en Laura had gekoesterd. Waarom ontroerden hem die weer opkomende gedachten, terwijl hij toch wist, dat hunne verbintenis onmogelijk was? Waarom was hij er nieuwsgierig naar, of Laura, gedurende den tijd hunner kennismaking, genegenheid voor Warrington gekoesterd had? George had van dien tijd af tot op het tegenwoordige oogenblik nooit op zijne geschiedenis gezinspeeld, en thans schoot het Arthur ook te binnen, dat George sedert dien tijd Laura’s naam bijna geen enkele maal op de lippen had genomen.

Eindelijk naderde hij zeer dicht tot haar en sprak: „Zeg mij eens iets, Laura?”

Zij sloeg den sluier weer op en zag hem aan. „Wat dan, Arthur?” vroeg zij, ofschoon zij het, naar het beven harer stem te oordeelen, zeer goed kon gissen. [248]

„Zeg mij eens: zoudt gij, als George dat ongeluk niet had gehad – ofschoon ik er hem voor of na dien dag nooit over heb hooren spreken – zoudt gij hem hebben toegestaan, wat gij mij hebt geweigerd?”

„Ja, Pen,” gaf zij ten antwoord en barstte in tranen uit.

„Hij was u meer waardig dan ik,” kermde de arme Arthur met onbeschrijfelijke smart. „Ik ben niets dan een ongelukkig egoïst, en George is beter, edeler en trouwhartiger dan ik. God zegene hem!”

„Ja, Pen,” hernam Laura en reikte haar neef de hand toe, waarop hij zijn arm om haar middel sloeg en zij een oogenblik op zijn schouder lag te snikken.

Het lieve meisje had een geheim gehad en het nu geopenbaard. Tijdens de laatste reis der weduwe van Fairoaks en toen zij zich met hare moeder naar Arthur’s ziekbed spoedde, had zij een andere verklaring afgelegd, en eerst toen Warrington zijn eigene geschiedenis verteld en zijn eigen hopeloos leven beschreven had, ontdekte zij welk eene verandering hare gevoelens ondergaan hadden en met welke teedere sympathie, eerbied, genoegen en bewondering zij begonnen was den vriend van haar neef te beschouwen. Vóór het oogenblik dat zij inzag, dat zekere plannen, over welke zij wellicht gemijmerd had, onmogelijk te verwezenlijken waren en dat Warrington misschien in haar hart gelezen en zijn treurig verhaal medegedeeld had om haar te waarschuwen, had zij zich zelve niet afgevraagd of het mogelijk was, dat hare genegenheid wijziging kon ondergaan, zoodat zij onthutst en verschrikt stond toen zij de waarheid ontdekte. Hoe had zij die aan Helena kunnen mededeelen en hare schande bekennen? De arme Laura gevoelde zich tegenover hare vriendin schuldig aan het geheim, dat zij haar niet durfde toevertrouwen, het was haar alsof zij zich afschuwelijk trouweloos jegens Pen gedragen had, door hem die liefde te ontnemen, die het hem zelfs de moeite niet waard was te aanvaarden; en ook ten aanzien van Warrington gevoelde zij zich beschaamd en vol berouw, bij de gedachte, dat zij hem wellicht door overmaat van sympathie aangemoedigd, of hem de voorkeur getoond had, die zij ten zijnen opzichte begon te koesteren.

De ramp, die Laura uit hare woning verdreef, en de smart en zielskwellingen, die de dood harer moeder haar veroorzaakte, liet haar weinig tijd voor meer zelfzuchtige gedachten, en toen zij eindelijk dat zware verdriet te boven kwam, was de kleinere wond bijna geheeld.

Slechts een kort oogenblik had zij eenige hoop op Warrington gekoesterd. De bewondering en de eerbied, die zij hem toedroeg, bleven even sterk als ooit bij haar; doch het teedere gevoel, hetwelk zij wist dat zij voor hem had opgevat, was tot zulk eene kalme berusting teruggebracht, dat het als het ware dood was en voorbij. Het nablijvende gevoel was verootmoediging en berouw. „O, wat was ik slecht en hoogmoedig tegenover Arthur,” dacht zij; „wat was ik vol van zelfvertrouwen, maar ontbloot van vergevensgezindheid! Nooit heb ik uit den grond mijns harten vergiffenis geschonken aan dat arme meisje, dat zooveel van hem hield, of aan hem, omdat hij hare liefde aanmoedigde; en ik ben nog veel schuldiger geweest dan zij, dat arme, eenvoudige schepseltje! Ik, die beweerde één man lief te hebben, luisterde maar al te gretig naar een anderen, en terwijl ik zelve wispelturig was en ontrouw, kon ik die verandering in Arthur’s gevoelens niet vergeven.” En het arme meisje, dat zich zoo vernederde en hare zwakheid erkende, zocht sterkte en troost op de wijze zooals zij gewoon was die te zoeken.

Zij had geen kwaad gedaan, maar er zijn menschen, die wegens den [249]geringsten misstap evenzeer lijden, als anderen, wier krachtig geweten zich onder misdaden van de grootste zwaarte kan staande houden, en de arme Laura vond goed, zich te verbeelden, dat zij in deze kiesche omstandigheden als eene groote misdadigster gehandeld had. Zij maakte zich diets, dat zij jegens Pen een groot onrecht had bedreven door hem die liefde te onttrekken, welke zij, onder vier oogen met hare moeder, hem toegewijd had; dat zij ondankbaar was geweest jegens haar overledene weldoenster door ooit aan een ander te denken of hare gelofte te willen schenden; en dat, wanneer zij haar eigene enorme misdaden in aanmerking nam, zij zeer zachtmoedig moest zijn in haar oordeel over anderen, die waarschijnlijk in veel grooter verzoeking verkeerden en wier beweegredenen zij niet begrijpen kon.

Een jaar geleden zou Laura met verontwaardiging vernomen hebben, dat Arthur voornemens was Blanche te trouwen, en haar fiere geest zou in opstand zijn gekomen bij de gedachte, dat hij, om wereldsche belangen, zich tot zulk een onwaardige zou neerbuigen. Thans, nu haar bericht werd, dat zoo iets tot de mogelijkheden behoorde (zij vernam het van de oude Lady Rockminster, wier mededeelingen altijd recht op den man af geschiedden en zoo onverwacht kwamen als een slag in het aangezicht), sidderde het vernederde meisje wel een weinig bij dien schok, maar zij droeg hem kalm en met wanhopige berusting. „Hij heeft het recht om te trouwen; hij weet veel meer van de wereld dan ik,” overlegde zij bij zich zelve. „Blanche is wellicht zoo wuft niet meer als zij scheen, en op welken grond zou ik haar mogen vonnissen? Het zal zeker heel goed zijn, dat Arthur lid wordt van het parlement en zich onderscheidt, en mijn plicht is het, alles wat ik vermag, te doen om hem en Blanche bij te staan en zijn huis tot een gelukkig huis te maken. Ik zal voorzeker wel bij hen mogen wonen. Als ik peettante word over een van hunne kinderen, zal ik het mijne drie duizend pond vermaken!” En dadelijk daarop begon zij te bedenken wat zij Blanche uit haar kleinen schat zou geven en hoe zij het best hare genegenheid zou kunnen winnen. Terstond schreef zij haar een vriendelijken brief, waarin natuurlijk geen melding werd gemaakt van de ontworpen plannen, maar waarin Laura aan den ouden tijd herinnerde en hare goede gezindheid betuigde; en daarop ontving zij een onverwijld antwoord van Blanche, waarin geen enkele lettergreep van een huwelijk gerept werd, doch mijnheer Pendennis werd twee of driemaal genoemd, en zij zouden altijd zijn de liefste Laura en de liefste Blanche, hartelijk liefhebbende zusters, enz.

Toen Pen en Laura, na de bekentenis van deze laaste, weer thuis kwamen (het hart van het meisje klopte, toen Pen zoo oprecht zijn eigene minderheid verklaarde en zoo edelmoedig zijne genegenheid voor Warrington betuigde, wat de tranen, die zij op zijn schouder weende, dubbel bitter maakte), toen lag er in de vestibule een klein dun briefje op jufvrouw Bell te wachten; zij beefde alsof zij zich schuld bewust was toen zij het lak verbrak, en Pen bloosde toen hij het herkende, want hij zag dadelijk dat het van Blanche kwam.

Laura deed het haastig open en liet er snel haar oogen over gaan, terwijl Pen de zijne op de blozende Laura liet rusten.

„Zij schrijft uit Londen,” zeide Laura. „Zij is daar met de oude Bonner, Lady Clavering’s kamenier geweest. Bonner gaat met Lightfoot den bottelier trouwen. Waar denkt ge, dat Blanche geweest is?” riep zij levendig uit.

„Naar Parijs, naar Schotland, naar het Casino?”

„Naar Shepherd’s Inn, om Fanny te bezoeken; maar Fanny was niet [250]thuis en Blanche wil een geschenk voor haar achterlaten. Is dat niet vriendelijk van haar bedacht?” En bij die woorden reikte zij het briefje aan Pen over, die het volgende las:

„Ik zag Madame mère, die den vloer schrobde en mij aankeek met oogen alsof zij mij ook wilde schrobben; doch la belle Fanny was niet au logis, en daar ik vernam, dat zij zich op de kamers van kapitein Strong bevond, klom ik met Bonner au troisième, om die beroemde schoonheid te zien. Weer eene teleurstelling; alleen de chevalier Strong en een vriend waren op die kamer, en wij moesten dus na al die moeite heengaan zonder de betooverende Fanny gezien te hebben.

Je l’envois mille et mille baisers. Wanneer zal er toch een einde aan die akelige bemoeiingen met de kiezers komen? Men draagt tegenwoordig lange mouwen enz., enz., enz.”

Na het diner zat de dokter de Times te lezen. „Een jongmensch, dien ik acht of negen jaar geleden, toen hij zich hier bevond, behandelde, heeft een mooi fortuin geërfd,” zeide hij. „Ik zie hier, dat de heer John Henry Foker, van Logwood Hall, den 15den van verleden maand te Pau in de Pyreneën overleden is.”