[Inhoud]

ACHT EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.

Waarin men den majoor om de beurs of het leven vraagt.

Iedereen, die de herberg Fortuna’s rad bezocht heeft, waar men zich herinneren zal dat de club van mijnheer James Morgan vergaderde en waar Sir Francis Clavering een onderhoud met majoor Pendennis had, weet, dat er gelijkvloers drie kamers voor bezoekers zijn, behalve het buffet, waarin de kasteleines gezeten is. De eene is de gelagkamer voor het publiek; de andere strekt tot plaats van bijeenkomst voor de heeren in livrei, en de derde, op welker deur het woord Societeit geschilderd staat, is afgehuurd door de club der Vertrouwden, van welke de heeren Morgan en Lightfoot leden waren.

De stille Morgan had het gesprek tusschen Strong en majoor Pendennis op de kamer van dezen laatste afgeluisterd en daardoor veel vernomen dat hem stof tot denken gaf. Uit weetgierigheid volgde hij dus zijn meester, toen de majoor naar Fortuna’s rad ging, en nam bedaard plaats in de societeitskamer, terwijl Pendennis en Clavering hun gesprek in het belendende vertrek hielden. Nu was er een hoekje in de societeitskamer waar men bijna alles kon hooren wat er in de andere kamer gesproken werd, en daar het onderhoud der beide heeren vrij scherp was en op luiden toon gevoerd werd, had Morgan het genoegen het bijna geheel te hooren, en wat hij hoorde, versterkte hem in de meening, die hij reeds vroeger had opgevat.

„Ei, ei! hij herkende dus Altamont dadelijk, toen hij hem te Sidney zag? En Clavering is dus evenmin met mylady getrouwd als ik! Altamont is haar man; Altamont is een veroordeelde; de jonge Arthur komt in het parlement, en dan belooft de ouwe, dat hij niet klappen zal. Verduiveld, wat is die ouwe toch slim! Geen wonder, dat hij zoo gaarne een huwelijk tusschen Arthur en Blanche wil tot stand brengen. Wel! zij zal honderd duizend pond krijgen, voor het minst, en haar man, op den koop toe, nog eene plaats in het parlement aanbrengen.” Niemand [251]zag het gezicht van mijnheer Morgan, maar een gelaatskenner zou pleizier gehad hebben het te aanschouwen, toen dit verbazende nieuws hem duidelijk werd. „Ware het niet om mijn leeftijd en die verwenschte maatschappelijke vooroordeelen,” zeide hij, terwijl hij zich in den spiegel bezag, „dan zou ik, James Morgan, voor den drommel haar zelf wel kunnen trouwen.” Doch zoo Morgan jufvrouw Blanche en haar fortuin niet krijgen kon, begreep hij toch, dat hij zijn vermogen kon vermeerderen door middel van de kennis, die hij nu verkregen had, en dat hem hierdoor uit zeer vele bronnen voordeelen konden toevloeien. De meeste personen, die in het geheim betrokken waren, zouden niet gaarne willen, dat het ruchtbaar wierd. Sir Francis Clavering, bij voorbeeld, wiens fortuin op het spel stond, zou liefst wenschen dat het wierd stilgehouden; kolonel Altamont, wiens hals er gevaar door liep, zou het natuurlijk gaarne willen smoren; en die jonge verwaande rekel van een Arthur, die door middel van dat geheim in het parlement wilde komen en zoo trotsch was als een hertog met een half millioen ’s jaars (het spijt ons te moeten zeggen, dat dit Morgan’s gevoelen, omtrent zijn meesters neef was), zou liever elken prijs willen betalen dan bekend te zien worden, dat hij met de dochter van een veroordeelden misdadiger getrouwd en lid van het parlement was geworden door op diens geheim te speculeeren. En Lady Clavering, dacht Morgan, zal, als Clavering haar ergert en zij van hem ontslagen wil zijn, zeker wel betalen; als zij bang is voor de toekomst van haar zoon en dien kleinen schavuit liefheeft, zal zij ook betalen; en jufvrouw Blanche zal zich zeker niet ondankbaar betoonen jegens den man, die haar in haar recht herstelt, waarvan zij, zonder twijfel, onbillijk beroofd is. „Wel verduiveld,” zoo eindigde de knecht, toen hij nadacht over de voordeelige kansen, die het geluk hem geschonken had: „met zulke kaarten in de hand, James Morgan, is uw fortuin gemaakt. Het is voor mij zoogoed als eene lijfrente. Ieder hunner moet zich voor zijn aandeel verbinden. En met hetgeen ik reeds overgelegd heb, kan ik mijn beroep laten varen, mijn ouwe den dienst opzeggen, een heer worden en zelf een bediende houden, voor den drommel!” Ofschoon mijnheer Morgan zich met dergelijke berekeningen bezig hield, die wel in staat waren iemand de kalmte van geest te benemen, legde hij eene zeer groote mate van zelfbeheersching aan den dag door bedaard te schijnen en te zijn, en zich in de vervulling zijner plichten niet door zijne vooruitzichten te laten belemmeren.

Een der meest bij deze zaak betrokken personen, kolonel Altamont, had Londen verlaten op het tijdstip toen Morgan op de door ons vermelde wijze diens geschiedenis had leeren kennen. De kamerdienaar kende de schuilhoek van Sir Francis Clavering in Shepherd’s Inn en begaf zich, een paar uren na het gesprek van den baronet met Pendennis, derwaarts op weg. Doch de vogel was gevlogen; kolonel Altamont had geïnd wat hij bij de wedrennen gewonnen had en was naar het vasteland overgestoken. Het ergerde mijnheer Morgan ontzettend, dat hij er niet meer was. „Hij zal al dat geld aan de speelbanken aan den Rijn verliezen,” dacht hij, „en ik had een goed deel daarvan kunnen hebben. Het is verduiveld onaangenaam, dat hij weg is; had hij niet eenige dagen kunnen wachten?” Triomf of uitstel van verwachtingen, eerzucht of teleurstelling, overwinning of geduldig uitzien, Morgan droeg alles met hetzelfde kalme gelaat. Tot op den beslissenden dag werden des majoors laarzen gepoetst en de lokken zijner pruik gekruld, werd ’s morgens vroeg zijn kop thee aan zijn bed gebracht, werden zijne [252]vloeken, verwijtingen en knorrige buien door Morgan altijd met dezelfde stilzwijgendheid, gedienstigheid en getrouwheid verduurd. Wie zou gedacht hebben, als hij Morgan zijn meester zag verzorgen, diens koffers en pakken vervoeren, hem nu en dan aan tafel bedienen op de buitenplaatsen waar de majoor logeerde, dat Morgan rijker dan zijn heer was en de geheimen van dezen en anderen kende? Onder zijn ambtgenooten werd mijnheer Morgan zeer vereerd en bewonderd; zijn naam van rijkdom en verstand verschafte hem grooten invloed aan de meeste bediendentafels de jonge heeren zeiden, dat hij een domkop, een kerel zonder pit, in één woord een ouwe pruik was; maar geen van allen zou niet Amen gezegd hebben op het vurige gebed van sommige der ernstigst gestemde heeren van die klasse: „Moge mijn boedel, als ik sterf, er zoo goed uitzien als die van Morgan Pendennis!”

Majoor Pendennis sleet, gelijk een man van de wereld betaamde, het najaar achtereenvolgens bij diegenen zijner vrienden ten platten lande, die zich op hunne buitenplaatsen ophielden en hem konden ontvangen, en indien de hertog naar het buitenland was, of de markies zich in Schotland bevond, verwaardigde hij zich wel tot een bezoek bij Sir John, of bij den eenvoudigen landjonker. Om de waarheid te zeggen, de glorie van den ouden heer was eenigszins aan het tanen; velen van zijn leeftijd waren allengs gestorven, en de tegenwoordigen bewoners van hunne kasteelen en bezitters van hunne titels kenden majoor Pendennis niet, en gaven weinig om zijn overleveringen aangaande den „lossen prins en Poyns” en de helden der voorname wereld, die er niet meer waren. Als de goede man menige deur in Londen voorbijging, moet de herinnering hem smartelijk getroffen hebben, hoe zelden zij zich tegenwoordig voor hem opende, en hoe dikwijls hij daar vroeger had aangeklopt, hoeveel feestmalen hij er twintig jaren geleden had bijgewoond. Hij begon te gevoelen, dat hij niet meer tot den tegenwoordigen tijd behoorde, en een flauw vermoeden te koesteren, dat de jongelui hem uitlachten. Bij menigen Pall Mall philosoof moeten zulke melancholische overdenkingen zijn opgerezen. De menschen, denkt hij, zijn niet meer wat zij in zijn tijd waren; de oude deftige manieren en hoffelijkheid van den omgang zijn verloren gegaan; wat zijn Castlewood House en de tegenwoordige Lord Castlewood in vergelijking met het oude kasteel en zijn vroegeren eigenaar? De vorige lord reisde naar Londen met vier reiskoetsen en zestien paarden; aan den grooten weg liepen allen uit, om dien optocht te zien, en zelfs op de Londensche straten bleven de menschen staan als de stoet voorbijtrok. De tegenwoordige lord reist met vijf bedienden, die op zijne bagage passen, in een spoorweg-rijtuig, sluipt weg van het station en zit in een brougham eene sigaar te rooken. De vorige lord zorgde, dat Castlewood in het najaar vol gasten was, die tot middernacht aan den wijn zaten; de tegenwoordige verbergt zich in eene hut op een berg in Schotland, en brengt de Novembermaand op twee of drie kamertjes in een entresol te Parijs door, waar zijn uitspanningen in een diner in een koffiehuis en eene loge in een der kleine schouwburgen bestaan. Welk een contrast tusschen zijne Lady Lorraine, de Lady Lorraine uit den tijd van den regent, en de kleine Lady van den tegenwoordigen tijd! Hij herinnert zich de eerste, hoe schoon zij was, hoe indrukwekkend, hoe prachtig met hare diamanten en haar fluweel, hoe sterk geblanket, terwijl de geestigste heeren ter wereld (die oude geestige heeren, die oude fijne gentlemen – niet het canaille van tegenwoordig met zijne straattaal en zijn tabaksrook, die van de kleeren [253]uitwasemt) aan hare voeten geknield lagen; en denkt dan aan de Lady Lorraine van heden – een klein vrouwtje in eene zwart zijden japon als eene gouvernante, die over de sterrekunde, de arbeidende klassen, de landverhuizing en de drommel weet wat niet al meer spreekt, en die ’s morgens ten acht ure naar de kerk sluipt. Abbot’s Lorraine, hetwelk de voornaamste buitenplaats in het graafschap was, is in een klooster herschapen, letterlijk een la Trappe. Men drinkt er ternauwernood een paar glazen wijn na het diner, en om den anderen is elke gast aan tafel een dorpsdominé met eene witte das, die over niets weet te praten dan de vorderingen, die Polly Higson op school maakt, en de rheumatiek van de weduwe Watkins. „En de andere jongelui, die luierende garde-officieren en groote vadsige dandy’s – die over sofa’s en biljarten hangen, en wegkruipen om pijpen te rooken op elkanders slaapkamers, die om niets geven, die voor niets eerbied koesteren, zelfs voor een oud gentleman, die hunne vaders en hunne meerderen gekend heeft, zelfs niet voor eene schoone vrouw, – wat een verschil tusschen deze mannen, die zelfs het open veld met hun tabak verpesten, en de gentlemen van onzen tijd!” denkt de majoor; „dat ras is uitgestorven en kan geen goed meer doen; het is vervangen door een troep van die verwenschte katoenspinners en zoogenaamde practische menschen, en jonge dominé’s met sluik haar. Ik word oud; zij wassen mij boven het hoofd en lachen ons oude knapen uit,” dacht de oude Pendennis. En hij was niet ver bezijden de waarheid; de tijden en manieren, voor welke hij met bewondering vervuld was, waren nagenoeg voorbij; de vroolijke jongelui bekeken hem oneerbiedig, terwijl de godsdienstige jongelieden hem beklaagden en zich over hem verwonderden, hetgeen den ouden heer, indien hij dit ten volle geweten had, nog zwaarder te verduren zou zijn gevallen. Maar hij was tamelijk onwetend; zedelijke vraagstukken had hij nooit zeer diep ingezien; tot misschien in den allerlaatsten tijd, was nooit het denkbeeld bij hem opgerezen, dat hij iets anders dan een zeer aanzienlijk en vrij gelukkig man was. Is er geen andere ouderdom dan de zijne, die oneerbiedig bejegend wordt? Heeft de dwaze jeugd nooit andere kale kruinen bespot? Gedurende de laatste twee, drie jaren was hij begonnen te bemerken, dat zijn tijd zoo wat voorbij was en dat de mannen van het nieuwe geslacht de teugels des bewinds hadden aanvaard.

Na een tamelijk ongenoeglijk najaar, gedurende hetwelk hij door mijnheer Morgan trouw bediend was, en terwijl zijn neef Arthur zich gelijk wij gezien hebben, te Clavering ophield, kwam majoor Pendennis in de sombere laatste dagen van October, wanneer de mist en de advocaten naar de hoofdstad wederkeeren, voor eene poos te Londen terug. Wie heeft niet met belangstelling naar die hoog beladen cabs met opgestapelde koffers en samengepakte kinderen gezien, die op de mistige October-avonden door de straten rolden en aan donkere huizen stilhouden, waar zij min en kind, dochters, moeder en vader, wier vacantie afgeloopen is, ontladen? Gisteren nog had men Frankrijk en den zonneschijn, of Broadstairs en de vrijheid; heden komt het werk en de gele mist; en o goden! wat een hoop rekeningen ligt er op mijnheers kamer! De klerk heeft de papieren van den procureur gebracht; de letterkundige weet, dat de drukkersjongen over een half uur bij hem in den gang zal staan; en mijnheer Smith, die een voorgevoel had, dat gij komen zoudt, is er reeds met zijn rekeningetje geweest (dat heel kleine rekeningetje) en heeft de boodschap achtergelaten, dat hij morgenochtend om tien uur zal terugkomen. Wie onzer heeft niet [254]vaarwelgezegd aan zijne vacantie, zich weer naar Londen en zijn levenslot teruggespoed, den blik over zijn werk en zijne schulden laten weiden, en gevoeld, dat hij dat onvermijdelijke kleine rekeningetje vereffenen moet? Smith met zijne kleine rekening op den volgenden morgen is het zinnebeeld van plichten, bezwaren en strijd, die wij hopen, vriend, dat gij moedig en eerlijk het hoofd zult bieden. En gij denkt nog aan hem, als de kinderen weer in hunne eigen bedjes liggen te sluimeren en uwe wakker liggende vrouw zich uit meewarigheid houdt alsof zij slaapt.

De oude Pendennis had den volgenden morgen geen bijzondere werkzaamheden of rekeningen te wachten, evenmin als er thuis iemand, die hem genegenheid toedroeg, op hem zat te wachten om hem te troosten. Hij had in zijn lessenaar altijd geld genoeg voor zijne behoeften, en daar hij van aard en door de gewoonte vrij onverschillig was voor de behoeften van anderen, liep hij niet veel gevaar, dat deze laatste zijne rust zouden verstoren. Doch een gentleman kan zeer wel uit zijn humeur zijn, al is hij niemand een duit schuldig; en al is hij nog zoo’n egoïst, moet hij zich toch nu en dan wel eens neerslachtig en eenzaam gevoelen. Hij had op de buitenplaats, waar hij logeerde, twee of drie aanvallen van jicht doorgestaan; de vogels waren wild en schuw en het loopen over de omgeploegde velden had hem verbazend vermoeid; de jongelui hadden hem uitgelachen, zoodat hij een paar maal knorrig was geworden; er was ’s avonds geen gelegenheid geweest voor zijn partijtje whist; kortom, hij had zich verheugd toen hij vertrekken kon. Telkens wanneer hij met zijn knecht Morgan in aanraking kwam, was hij vreeselijk barsch en ontevreden geweest. Hij had sinds geruimen tijd tegen hem gevloekt en hem uitgescholden. Morgan had te Swindon zijn meesters mond verschroeid met soep, die te heet was, en diens paraplu in den spoortrein vergeten, over welke laatste onachtzaamheid de majoor zoo woedend werd, dat hij erger dan ooit tegen Morgan raasde en tierde. De beide schoorsteenen op zijne kamers rookten als keten, en toen hij de vensters liet openzetten, vloekte hij weer zoo onuitstaanbaar, dat Morgan lust begon te gevoelen hem uit het geopend venster te werpen en hem verwenschte, toen Pendennis de straat opging om zich naar zijne club te begeven.

Bij Bays was het in het geheel niet aangenaam. Het gebouw was pas geverfd en rook naar vernis en terpentijn en de oude heer kreeg eene breede streep witte verf op den rug zijner overjas met den kraag van bont. Het diner deugde niet en hij werd gekweld met het gezelschap der drie onuitstaanbaarste wezens van gansch Londen: den ouden Hawkshaw, wiens hoest, met de bijkomende omstandigheden, iedereen met afkeer vervulde; den ouden kolonel Gripley, die zich van al de couranten meester maakte; en dien onbeschrijfelijk vervelenden ouden Jawkins, die aan tafel naast Pendennis kwam dineeren en hem al de logementsrekeningen, die hij op zijne buitenlandsche reis betaald had, opsomde. Ieder van deze onaangename personen en voorvallen in het bijzonder en alle gezamenlijk hadden medegewerkt om majoor Pendennis in eene misnoegde stemming te brengen, waarbij nog kwam, dat de knecht, die hem de koffie bracht, op zijne teenen trapte. De Onsterfelijken verschijnen nimmer alléén; de Furiën houden altijd gezamenlijk hare jacht, en vervolgden Pendennis van zijn huis naar de club en van de club naar zijn huis.

Terwijl de majoor uit was, zat Morgan in de kamer der hospita rijkelijk brandewijngrog te drinken en over jufvrouw Brixham’s hoofd een [255]gedeelte van de scheldwoorden uit te storten, die hij op de bovenkamers van zijn meester ontvangen had. Jufvrouw Brixham was Morgan’s slavin; hij was de huisheer zijner huisjufvrouw. Hij had het huis gekocht, dat zij gehuurd had, en haar en haar zoon genoodzaakt acceptatiën en eene akte van verkoop te onderteekenen, die hem tot eigenaar van de meubelen der rampzalige weduwe verklaarde. De jonge Brixham was klerk op een assurantie-kantoor en Morgan kon hem elk oogenblik, als hij maar wilde, in moeielijkheden wikkelen. Jufvrouw Brixham was de weduwe van een dominé en wanneer mijnheer Morgan zijne plichten op de eerste verdieping vervuld had, schepte hij er behagen in, zich door de oude jufvrouw den laarzentrekker en zijne pantoffels te doen brengen. Zij was zijne slavin. De kleine silhouetten van haar zoon en hare dochter, zelfs de afbeelding van het kerkje te Tiddlecot, waar zij getrouwd was en waar haar arme lieve Brixham geleefd en den adem uitgeblazen had, dit alles was nu, gelijk het daar boven den schoorsteenmantel in de achterkamer hing, Morgan’s eigendom. Morgan zat in die achterkamer der weduwe, in den ouden paardenharen studeerstoel van den voormaligen dominé, en liet door jufvrouw Brixham zijn avondeten gereedmaken en zijn glas herhaaldelijk vullen.

De arme weduwe had den drank met haar eigen penningen moeten koopen, en daarom gebruikte Morgan er des te rijkelijker van. Juist had hij zijn avondmaal genuttigd en ledigde hij zijn derde glas, toen de oude Pendennis uit zijne club terugkwam en de trap opging naar zijne kamers. Mijnheer Morgan vloekte als een razende Roeland over Pendennis en diens schel, toen hij deze laatste hoorde klinken, en dronk bedaard zijn glas grog uit, eer hij op die aanmaning naar boven ging.

Stilzwijgend verdroeg hij de vloeken, die hij weer over zijne trage komst ontving, en het was beneden de waardigheid van den majoor, de woede, die den man bezielde, in diens gloeiend gelaat en vlammende oogen te lezen. Het voetbad voor den ouden heer stond bij den haard en zijne kamerjapon en pantoffels lagen hem te wachten. Morgan knielde neer, om met passende ondergeschiktheid Pendennis’ laarzen uit te trekken, en terwijl de majoor hem van boven vervloekte, bromde Morgan eene reeks van verwenschingen aan zijne voeten. Toen dus Pendennis uitriep: „Voor den duivel, kerel, let op die souspieds: – wel vervl–, trek mij den voet niet af!” toen drukte Morgan sotto voce den wensch uit, om hem te worgen, te verdrinken, of hem de hersens in te slaan.

Nadat de laarzen waren uitgetrokken, was het noodig den heer Pendennis van zijn rok te ontdoen, en daarvoor moest de bediende natuurlijk zeer dicht bij zijn meester komen, zoo dicht, dat Pendennis wel moest opmerken waarmee mijnheer Morgan zich het laatst had beziggehouden, hetgeen de majoor in die eenvoudige en krachtige taal te kennen gaf, waarmee heeren soms gewoon zijn hunne bedienden te bejegenen, door Morgan te verwijten, dat hij een dronken zwijn was en naar den brandewijn rook.

Nu echter verloor de knecht zijn geduld, sloeg alle ondergeschiktheid in den wind, en brak los: „Ei! ben ik dronken? Ei! ben ik een zwijn? Ei! ben ik verd–? jou gemeene ouwe schelm! Wat let mij, jou de hersens in te slaan of je in een emmer water te verdrinken. Denk je, dat ik nog langer je verwenschte brutaliteit zal verduren, ouwe Pruikenburg? Knars maar niet de tanden, grijzende ouwe baviaan! Kom maar op, als ge een man zijt en een man staan durft! Ha, lafaard een mes! een mes!” [256]

„Als ge een stap nader komt, steek ik het je tusschen de ribben,” zeide de majoor terwijl, hij een mes opnam, dat in zijne nabijheid op tafel lag. „Ga naar beneden, dronken beest, en verlaat het huis; stuur morgenochtend om uw boekje en uw loon, en kom mij met uw brutale gezicht nooit meer onder de oogen. Uw verd– onbeschaamdheid is in de laatste maanden aanhoudend toegenomen. Gij zijt te rijk geworden en niet meer geschikt om mij te dienen. De kamer uit en het huis uit!”

„En waar zou ik dan buitenshuis heen moeten?” vroeg de knecht. „Zou het morgenochtend niet evengoed gaan? – toetafée meme sjose, siveplée, mesjeu.”

„Zwijg, ellendeling, en ga heen!” schreeuwde de majoor.

Morgan begon op onheilspellende wijze te lachen. „Luister eens, Pendennis,” zeide hij en ging daarbij zitten, „sedert ik op de kamer ben gekomen, hebt ge mij zwijn, beest en hond genoemd, en mij verd–, niet waar? Hoe denkt gij, dat zulke taal den eenen man van den anderen smaakt? Hoeveel jaren heb ik u gediend, en hoeveel vervloekingen hebt gij mij nevens mijn loon geschonken? Houdt gij een mensch voor een hond, dien gij op deze manier kunt toespreken? Waarom zou ik niet een weinigje drinken, als ik daartoe lust gevoel? Ik heb in mijn tijd menig gentleman dronken gezien en het misschien van hen geleerd. Ik ben niet van plan dit huis te verlaten, ouwe jongen; en wil ik je eens vertellen waarom niet? Het huis is mijn huis, elk meubelstuk behoort mij toe, behalve uwe oude lorren en uw stortbad en uwe pruikedoos. Ik zeg u nog ééns, dat ik door eigen vlijt en spaarzaamheid dit huis heb kunnen koopen. Voor elke vijftig pond, die gij of uw verwenschte verwaande neef kan toonen, kan ik er u honderd laten zien. Ik heb u eerlijk gediend en de nu verloopen twaalf jaren alles voor u gedaan; en moet ik nu een hond zijn? Moet ik nu een zwijn wezen? Dat is taal voor gentlemen, maar niet voor menschen van onzen stand. Ik wil het nu niet langer verdragen. Ik zeg u den dienst op, want ik heb er genoeg van; ik verzeker u, dat ik lang genoeg uw oude pruik gekamd en uw oude lendebanden aangegespt heb. Kijk mij maar zoo woest niet aan! op mijn eigen stoel, in mijn eigen kamer, zit ik u de waarheid te zeggen. Ik wil niet langer uw zwijn en uw beest en uw hond zijn, gepensioneerd majoor Pendennis!”

Toen de woede van den ouden heer op het plotselinge verzet van zijn bediende stuitte, werd zij door dien schok getemperd en bekoeld, zoo goed alsof er een stortbad of een emmer koud water onverwacht over hem ware uitgestort. Toen die uitwerking teweeggebracht en zijne drift gestild was, had Morgan’s toespraak hem belangstelling ingeboezemd en begon hij zelfs een zeker ontzag voor zijn tegenstander en diens moed om hem het hoofd te bieden, te koesteren, gelijk hij in vroegere dagen in de schermzaal de tegenpartij zou bewonderd hebben, die hem geraakt had.

„Gij zijt niet langer in mijn dienst,” zeide de majoor, „en het huis kan u toebehooren; maar deze kamers heb ik gehuurd en gij zult wel zoo goed zijn die te verlaten. Morgenochtend zal ik, zoodra wij onze rekening vereffend hebben, andere kamers betrekken. In den tusschentijd wensch ik te slapen en heb ik niet de minste begeerte naar uw verder gezelschap.”

„Wij zullen tot eene vereffening komen, wees daarover maar niet bezorgd,” zeide Morgan en stond op; „want ik heb nog niet afgedaan met u, noch met uwe familie, noch met de familie Clavering, majoor Pendennis, en dat zult gij gewaar worden.” [257]

„Wees zoo goed de kamer te verlaten, mijnheer, ik ben vermoeid,” zeide de majoor.

„Ha, gij zult nog wel vermoeider worden eer gij van mij af zijt,” antwoordde de man met een spottenden grijns en ging de kamer uit, terwijl hij den majoor alleen liet om na dit buitengewone tooneel weer zoo goed hij kon tot bedaren te komen.

Hij ging in het hoekje van den haard over de vroegere gebeurtenissen en over de verwenschte onbeschaamdheid en ondankbaarheid der bedienden zitten mijmeren en overlegde hoe hij een nieuwen knecht zou krijgen; hoe drommels onpleizierig het was voor een man op zijn leeftijd en met zijne gewoonten, van een kerel te moeten scheiden aan wien hij gewend was; hoe Morgan een recept voor schoensmeer bezat, dat onvergelijkelijk beter en gemakkelijker was, dan eenig mengsel, dat hij ooit beproefd had; hoe goed hij bouillon kon maken, en hoe trouw hij hem bij ziekte oppaste. „Het is drommels hard zulk een kerel te verliezen, maar hij moet weg,” dacht de majoor. „Hij is rijk en sedert dien tijd onbeschaamd geworden. Wat was hij van avond vreeselijk dronken en brutaal! Wij moeten scheiden en ik moet deze kamers verlaten. Het spijt mij wel, want zij bevallen mij en ik ben er aan gewoon. Op mijn leeftijd te moeten verhuizen is zeer onpleizierig.” In dier voege peinsde de oude heer voort. Het stortbad had hem goedgedaan; zijne korzeligheid was overgegaan, en hij had het verlies der paraplu en den verfreuk in de club vergeten door de later gevolgde grootere spanning. „Die brutale rekel!” dacht de oude heer. „Hij wist juist wat ik behoefde en was de beste knecht in geheel Engeland.” Hij dacht over zijn bediende zooals iemand over een paard denkt, dat hem lang en goed gedragen heeft, maar nu met hem gestort is en niet langer te vertrouwen is. Hoe drommel zal hij het vervangen? Waar zal hij een tweede dier van dien aard vinden?

De majoor zat naast zijn vuur in dit somber gepeins verdiept, na zelf zijne kamerjapon aangetrokken, zijn zakdoek om zijn hoofd gewonden en zijne pruik afgezet te hebben (waarin mijnheer Truefitt onlangs wat grijs had gebracht, hetgeen den majoor een zeer natuurlijk en achtbaar voorkomen bijzette), toen er bedeesd aan zijne deur geklopt en deze onmiddellijk daarop door zijne huisjufvrouw geopend werd.

„Heere bewaar me! jufvrouw Brixham!” riep de majoor uit, vol schrik dat eene dame hem in het simple appareil van zijn nachtgewaad zag. „Het is – het is al zeer laat, jufvrouw Brixham.”

„Zou ik u een oogenblik mogen spreken, mijnheer?” vroeg de jufvrouw op zeer klaaglijken toon.

„Zeker over Morgan? Heeft hij zich onder de pomp bekoeld? Ik kan hem niet weer in mijn dienst nemen, jufvrouw Brixham. Onmogelijk. Ik had reeds vroeger besloten hem te ontslaan, toen ik vernam dat hij zich met geldschieten ophield. Daarvan hebt ge toch zeker ook wel gehoord, jufvrouw Brixham? Mijn knecht is een kapitalist, voor den drommel!”

„O, mijnheer,” antwoordde jufvrouw Brixham, „dat weet ik tot mijn ongeluk. Vijf jaren geleden leende ik een sommetje van hem, en ofschoon ik hem dat reeds vele malen terugbetaald heb, ben ik geheel in zijne macht. Hij heeft mij geruïneerd, mijnheer. Al wat ik bezat, behoort hem toe. Het is een verschrikkelijk mensch.”

„Ei, ei, jufvrouw Brixham? Tant pis, – het spijt mij, dat gij er zoo bij staat, en dat ik, na hier zoo lang gewoond te hebben, uw huis moet verlaten. Maar er is niets aan te doen; ik moet vertrekken.” [258]

„Hij zegt, dat wij er allen uit moeten, mijnheer,” snikte de rampzalige weduwe. „Hij kwam zoo even naar beneden – hij had gedronken en dan is hij altijd zeer kwaadaardig – en zeide, dat gij hem beleedigd en voor een hond uitgescholden en hard behandeld hadt; en hij zwoer dat hij wraak zou nemen, en – en ik ben hem honderd twintig pond schuldig, mijnheer – en hij heeft een bewijs van eigendom van al mijne meubelen – en zegt, dat hij mij uit het huis zal zetten en mijn armen George in de gevangenis werpen. Die man is de ruïne van mijne familie geweest.”

„Het spijt mij verduiveld, jufvrouw Brixham. Ga zitten. Wat kan ik voor u doen?”

„Zoudt gij onze voorspraak niet bij hem willen wezen? George zal de helft van zijn salaris afstaan en mijne dochter kan ook iets zenden. Als gij maar wildet blijven, mijnheer, en een vierendeel jaars huur vooruitbetalen –”

„Lieve jufvrouw, daartegen zou ik volstrekt geen bezwaar hebben, indien ik hier bleef wonen. Maar dat kan ik niet doen, en ik ben niet rijk genoeg om twintig pond weg te werpen, jufvrouw-lief. Ik ben een arm gepensioneerd officier, en heb elken duit noodig, dien ik bezit, waarlijk. Als eene kleine som helpen kan – een pond of vijf bij voorbeeld – dan wil ik er mij niet aan onttrekken en zal het mij genoegen doen als ik u van dienst kan zijn. Ik zal het u morgenochtend gaarne geven; maar – het wordt laat en ik heb eene reis met den spoortrein achter den rug.”

„Gods wil geschiede, mijnheer,” zeide de arme vrouw, hare tranen drogende, „ik moet mijn lot dragen.”

„En het is verduiveld hard. Ik beklaag u van harte, jufvrouw Brixham. Nu, als ge er niets tegen hebt, zal ik – zal ik er tien pond van maken. Goedennacht!”

„Toen Morgan beneden kwam, mijnheer, en ik hem verzocht medelijden met mij te hebben en hem verweet dat hij mijn gezin geruïneerd had, zeide hij iets, dat ik niet volkomen begreep, namelijk, dat hij iedereen hier in huis zou ruïneeren, dat hij iets wist hetgeen u ook te gronde zou richten, – en dat hij u uwe brutaliteit zou betaald zetten. Ik moet u bekennen, mijnheer, dat ik mij voor hem op de knieën heb geworpen, en toen zeide hij mij, met een zwaren vloek tegen u, dat hij u ook nog voor hem op de knieën zou doen vallen.”

„Mij? – Bij den hemel, dat is al te kluchtig! Waar is de gemeene fielt?”

„Hij is uitgegaan, mijnheer, en zeide, dat hij u morgenochtend wel zou spreken. O, tracht hem toch tot bedaren te brengen, en mij en mijn armen jongen te redden!” En met die bede ging de weduwe heen om den nacht door te brengen zoo goed het gaan wilde en met schrik den morgen te gemoet te zien.

De laatste woorden, die majoor Pendennis betroffen hadden, ergerden hem zoo zeer, dat hij door het nadenken over zijn eigene omstandigheden geheel en al de rampen van jufvrouw Brixham vergat.

„Mij op de knieën doen vallen?” dacht hij, toen hij in bed stapte: „die onbeschaamde vlegel! Wie heeft mij ooit op mijne knieën zien liggen? Wat duivel weet de kerel? Ik heb in de laatste twintig jaren geen enkele affaire gehad. Ik tart hem.” En daarop keerde de oude krijgsman zich om en viel in een zeer gezonden slaap. De voorvallen van den dag – den laatsten, zoo besloot hij, dien hij in Bury Street zou hebben doorgebracht – hadden hem geprikkeld en vermaakt. „Het [259]is onmogelijk te blijven wonen met een knecht, die den baas wil spelen, en eene hospita, die bankroet is. Wat kan ik ten voordeele van die arme vrouw doen? Ik zal haar twintig pond geven – daar zijn de twintig pond van Warrington, die hij juist betaald heeft; maar waartoe zal het dienen? Zij zal aanhoudend meer noodig hebben, en die roofvogel van een Morgan zal alles opzwelgen. Neen, voor den drommel, ik ben niet rijk genoeg om arme lui te kennen; en morgen zeg ik allen, zoowel jufvrouw Brixham als mijnheer Morgan, vaarwel.”