[Inhoud]

NEGEN EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.

Waarin de majoor noch zijne beurs noch zijn leven afstaat.

Den volgenden morgen vroeg werden Pendennis’ vensterluiken door Morgan opengezet, die, naar gewoonte, met een ernstig en eerbiedig gezicht verscheen en de kleeren, de kannen water en de omslachtige toiletbehoeften van den ouden heer meebracht.

„Zoo! zijt gij het?” riep de oude man van zijn bed. „Ik kan u niet terugnemen; dat begrijpt ge toch wel.”

„Ik heb niet de minste begeerte om teruggenomen te worden, majoor Pendennis,” antwoordde mijnheer Morgan met kalme waardigheid, „noch om u of iemand anders te dienen. Maar daar ik wensch, dat gij op uw gemak zult zijn zoolang gij u in mijn huis bevindt, ben ik boven gekomen om het noodige te verrichten.” En nogmaals, en thans voor de laatste maal, plaatste mijnheer James Morgan de zilveren toiletdoos op tafel en zette het blinkende scheermes aan.

Na deze diensten bewezen te hebben, richtte hij zich met onbeschrijfelijke deftigheid tot den majoor en voegde hem toe: „Daar ik dacht, dat gij waarschijnlijk een fatsoenlijk man zoudt noodig hebben tot gij met een bediende slagen kunt, heb ik er gisterenavond een jonkman over gesproken, die nu hier is.”

„Wezenlijk?” riep de krijgsman uit zijne tent.

„Hij heeft bij de eerste familiën gediend en ik kan voor zijne fatsoenlijkheid instaan.”

„Gij zijt verbazend beleefd,” grinnikte de oude majoor. Om de waarheid te zeggen, had Morgan, na het gebeurde van den vorigen avond, zich naar zijne club begeven, en toen hij daar Frosch aantrof, een koerier en kamerdienaar, die juist van eene buitenlandsche reis met den jongen Lord Cubley teruggekeerd en voor het oogenblik buiten dienst was, aan Frosch verteld, dat hij „een verduiveld standje met zijn ouwe had gehad” en het vak nu geheel liet varen, zoodat Frosch, indien hij een noodhulpdienst verlangde, dezen waarschijnlijk zou kunnen bekomen door zich in Bury Street aan te melden.

„Gij zijt zeer beleefd en uw aanbeveling is natuurlijk van veel gewicht,” zeide de majoor.

Morgan bloosde, want hij gevoelde, dat zijn meester hem voor den gek hield. „Die man heeft u reeds vroeger bediend, mijnheer,” zeide hij zeer deftig. „Lord de la Pole, mijnheer, heeft hem aan zijn neef den jongen Lord Cubley meegegeven en met hem heeft hij buitenslands gereisd: doch daar Frosch niet wilde meegaan naar Fitzurse Castle, omdat hij eene zwakke borst heeft en de kille lucht van Schotland niet [260]verdragen kan, is hij in de gelegenheid al dan niet in uw dienst te treden, naar uwe verkiezing.”

„Ik zeg nog eens, mijnheer, dat gij uitstekend beleefd zijt,” hernam de majoor. „Kom binnen, Frosch – gij staat mij nog al aan. Mijnheer Morgan, zoudt gij de bijzondere goedheid willen hebben –”

„Ik zal hem zeggen wat hij doen moet, mijnheer, en hoe gij het gewoon zijt. Verkiest gij hier te ontbijten, of in de club, majoor Pendennis?”

„Als gij het mij veroorlooft, zal ik hier ontbijten, en daarna zullen wij onze kleine rekening vereffenen.”

„Als het u belieft, mijnheer.”

„Wilt ge mij nu het genoegen doen, mijne kamer te verlaten?”

Morgan verwijderde zich. De bovenmatige beleefdheid van zijn gewezen meester kwetste hem bijna even diep als diens bitterste scheldwoorden hadden gedaan. En terwijl de oude heer zijn geheimzinnig toilet maakt, zullen ook wij ons bescheiden verwijderen.

Na het ontbijt hield majoor Pendennis zich, met zijn nieuwen adjudant, met toebereidselen tot het vertrek bezig. De boedel van den ouden vrijgezel was niet zeer omslachtig. Hij belastte zich met geen nuttelooze kleeren. Zijne letterkundige en kunstverzamelingen bestonden uit een Bijbel (dien van zijne moeder), een reisgids, Pen’s roman (sierlijk in leder gebonden) en de Depèches van den hertog van Wellington, benevens eenige prenten, kaarten en portretten van dien beroemden veldheer, van verschillende vorsten en vorstinnen van dit land, en van den generaal onder wien majoor Pendennis in Indië gediend had. Hij kon dus altijd binnen weinige uren marschvaardig zijn, en de kisten, waarmee hij vijftien jaar geleden zijne goederen naar deze kamer vervoerd had en die nu op zolder stonden, waren nog altijd ruim genoeg om zijn geheelen inboedel te bergen. Die kisten bracht het meisje, dat het huiswerk verrichtte en door hare meesteres Betty, maar door Morgan Slaafje genoemd werd, uit hare bergplaats te voorschijn en stofte en reinigde die onder het oog van den verschrikkelijken Morgan. Hij gedroeg zich bedaard en deftig; vooralsnog had hij tegen jufvrouw Brixham geen woord verder over zijne bedreigingen van den vorigen avond gesproken, maar hij zag er wel naar uit alsof hij die zou vervullen, en sidderend wachtte de arme weduwe haar lot af.

Met zijn rotting in de hand hield de oude Pendennis het toezicht over het inpakken zijner goederen en voorwerpen door mijnheer Frosch, terwijl Slaafje de papieren verbrandde, die hij niet wilde bewaren; hij wierp de deuren en kastjes open, om te zien of alles ledig was; en thans waren alle kisten en koffers gesloten, met uitzondering van zijn lessenaar, die gereed stond om de laatste rekeningen van mijnheer Morgan te ontvangen.

Deze verscheen daarop, bracht zijne boekjes mede, en zeide bij het binnentreden: „Daar ik u afzonderlijk wensch te spreken, zult gij misschien wel zoo goed willen zijn, Frosch naar beneden te zenden.”

„Haal als het u belieft een paar vigilanten, Frosch – en blijf beneden wachten tot ik om u schel,” zeide de majoor. Morgan wachtte tot Frosch beneden was, keek hem langs de straat na toen hij zijne boodschap ging doen en bracht zijne boekjes en rekeningen ter tafel, die van zeer eenvoudigen aard en dus spoedig vereffend waren.

„En thans, mijnheer,” zeide hij, na het wisseltje, dat zijn gewezen meester hem gaf, op zak gestoken en met mooie krulletters gequiteerd te hebben, „nu de rekening tusschen ons afgesloten is, mijnheer,” vervolgde hij, „wil ik eens tot u spreken als de eene man tot den anderen” [261](Morgan hoorde gaarne zijn eigen stem en voerde dus, hetzij in de club, hetzij in de huishoudsterskamer het woord, telkens als er maar gelegenheid toe was) „en moet ik u zeggen, dat ik van goederhand ingelicht ben.”

„En mag ik vragen waarover gij ingelicht zijt?” zeide de majoor.

„Het zijn inlichtingen van groot belang, majoor Pendennis, zooals gij zeer goed weet. Ik weet van een huwelijk, dat geen huwelijk is – van een baronet, die evenmin getrouwd is als ik, en wiens vrouw met een ander gehuwd is, gelijk gij evenzeer weet, mijnheer.”

Pendennis doorzag oogenblikkelijk alles. „Ha! dit is dan de sleutel van uw gedrag. Gij hebt zeker aan de deur staan luisteren, mijnheer,” zeide de majoor, zeer uit de hoogte; „ik vergat naar het sleutelgat te kijken in die herberg; anders had ik wel kunnen vermoeden wie er achter stond.”

„Ik mag toch zeker wel mijne bedoelingen hebben, gelijk gij de uwe?” antwoordde Morgan. „Ik mag evengoed als iemand anders berichten inwinnen, en mij daarnaar regelen en er partij van trekken? Een arme knecht mag immers toch ook wel eens een buitenkansje hebben, evenals een gentleman? Trek maar zulk een voornaam gezicht niet, mijnheer, en tracht niet tegen mij den aristocraat te spelen. Dat is met mij altemaal verloren moeite. Ik ben een Engelschman, dat ben ik, evengoed als gij.”

„Waar wilt gij voor den duivel heen? Ik zou wel willen weten in welk opzicht het geheim, dat gij ontdekt hebt, mij aangaat,” zeide majoor Pendennis met groote majesteit.

„In welk opzicht het mij aangaat! Men zou zeggen! Wat houden wij ons onnoozel! In welk opzicht gaat het onzen neef misschien aan? en zijne plaats in het parlement? en de medeplichtigheid aan bigamie? Wat gaat u dit alles aan? Zoudt gij de eenige man zijn, die een geheim bezat en er gebruik van maakte? Waarom zouden wij niet deelen, majoor Pendennis? Ik heb het ook ontdekt. Luister eens! ik wil niet onredelijk zijn. Beloon mij goed en ik houd het voor mij. Laat Arthur zijn lidmaatschap en zijne rijke vrouw hebben, als gij dat goedvindt; ik heb geen lust haar te trouwen. Doch ik wil mijn deel; zoo zeker als mijn naam James Morgan is. En als ik het niet krijg –”

„En als gij het niet krijgt, mijnheer, – wat dan?” vroeg majoor Pendennis.

„Als ik het niet krijg, dan klap ik en vertel alles. Ik zal Clavering te gronde richten en hem met zijne vrouw wegens dubbel huwelijk te recht doen staan, – dat zal ik doen, zoo waarlijk helpe mij – ! Ik werp het huwelijk van den jongen windbuil in duigen, en stel u en hem ten toon, dat gij van dit geheim gebruik hebt gemaakt, om Sir Francis eene plaats in het parlement en zijne vrouw een fortuin te ontfutselen.”

„Mijnheer Pendennis weet even weinig van deze zaak als een pasgeboren kind.” riep de majoor met ontzetting uit, „evenmin als Lady Clavering en jufvrouw Amory.”

„Maak dat de poes wijs, majoor,” antwoordde de knecht; „die vlieger gaat bij mij niet op.”

„Twijfelt gij aan mijn woord, fielt?”

„Geen schelden, als het u belieft. Het is mij glad onverschillig, of gij al dan niet de waarheid spreekt. Ik zeg u, dat ik mij voorgenomen heb, majoor, dat dit geval mij een aardige lijfrente zal opbrengen, want ik heb u allen in de knip en zal niet zoo dwaas zijn u te laten ontsnappen. Het komt mij voor, dat gij onder elkander gemakkelijk [262]vijfhonderd pond ’s jaars kunt bijeenbrengen. Pas mij het eerste kwartaal op staanden voet neer en ik ben stom als een visch. Geef mij maar een papiertje voor honderd vijf en twintig pond; uw bankiersboek ligt daar nog op uw lessenaar.”

„En dit ligt er ook nog, schelm,” riep de oude heer uit. In den lessenaar namelijk, waarop de knecht wees, lag een klein pistool met dubbelen loop, dat aan Pendennis’ ouden chef, den Indischen opperbevelhebber, toebehoord en hem gedurende menigen veldtocht vergezeld had. „Als gij nog een woord spreekt, schurk, schiet ik u als een dollen hond neer. Wacht – bij den hemel, ik zal het nu maar dadelijk doen! Zoudt gij mij durven aanranden? Zoudt gij, leugenachtige lafaard, een oud man willen slaan? Kniel neer en doe uw gebed, mijnheer, want bij God, gij zult sterven!”

De majoor keek met woedende blikken zijne tegenpartij aan, die hem een oogenblik ontzet aanzag en toen onder het geroep van: „Moord!” naar het open venster sprong, onder hetwelk juist een agent van politie heen en weer liep. „Moord! Diender!” bulderde mijnheer Morgan.

Tot zijne verbazing schoof majoor Pendennis de tafel op zijde, ging naar het andere raam, dat ook openstond, en wenkte den agent. „Kom eens boven, agent,” riep hij en plaatste zich vervolgens voor de deur.

„Ellendige huichelaar,” voegde hij Morgan toe: „dit pistool is in geen vijftien jaar geladen geweest, zooals gij zeer wel hadt kunnen weten, als gij niet zulk een lafaard waart. De politieagent komt daar aan, en ik zal hem naar boven laten gaan om uwe koffers te doorzoeken, want ik heb reden om u voor een dief te houden, mijnheer. Ik weet, dat gij een dief zijt, en ik zal zweren, dat de voorwerpen mij toebehooren.”

„Gij hebt ze mij gegeven – gij hebt ze mij gegeven!” riep Morgan.

De majoor begon te lachen en zeide: „Wij zullen zien,” en de schuldige knecht herinnerde zich eenige fraaie overhemden met linnen borsten, zekeren rotting met een gouden knop en een tooneelkijker, dien hij vergeten had weer naar beneden te brengen, en dien hij zich had toegeëigend met en benevens zekere kleedingstukken van zijn meester, die de oude dandy niet meer gebruikte en waarnaar hij ook niet vroeg.

Diender X. trad binnen, gevolgd door de ontstelde jufvrouw Brixham en hare dienstmeid, die aan de deur had gestaan en deze slechts met moeite had kunnen sluiten voor den neus der straatslijpers, die gaarne wilden zien wat er gaande was. De majoor nam dadelijk het woord op.

„Ik heb dezen dronken schelm uit mijn dienst moeten ontslaan,” zeide hij. „Gisterenavond en heden morgen heeft hij mij beleedigd en aangerand. Ik ben een oud man en heb een pistool opgenomen. Gij ziet, dat het niet geladen is, en deze lafaard schreeuwde voordat hij geslagen werd. Het verheugt mij, dat gij gekomen zijt. Ik beschuldigde hem, dat hij zich goederen van mij toegeëigend heeft, en wilde zijne koffers en zijne kamer doorzoeken.”

„Den fluweelen mantel hebt gij in drie jaar niet gedragen, en de vesten ook niet, en ik dacht, dat ik de hemden wel hebben mocht, en – en ik kan zweren, dat ik den tooneelkijker weer wilde terugbrengen,” schreeuwde Morgan, van woede en vrees krimpende.

„De man erkent, dat hij een dief is,” zeide de majoor kalm. „Hij is vele jaren in mijn dienst geweest en ik heb hem op de vriendelijkste en vertrouwelijkste wijze behandeld. Wij zullen naar boven gaan, om zijne koffers na te zien.”

Mijnheer Morgan bewaarde dingen in die koffers, welke hij liefst aan het algemeen oog wilde onttrekken. Morgan, de geldschieter, leverde [263]zoowel goederen als geld aan zijne klanten. Hij voorzag jonge verkwisters van snuifdoozen, spelden, juweelen, prenten en sigaren, en die sigaren, juweelen en prenten waren van zeer dubbelzinnige hoedanigheid. Hunne overbrenging op een politiebureau, de bekendwording van zijne geheime zaken en de vertooning der goederen van den majoor, die hij eer tot zich genomen dan wel gestolen had, zou niet hebben bijgedragen tot verhooging van mijnheer Morgan’s reputatie. Hij was dus het beklagenswaardigste toonbeeld van ontzetting en teleurstelling.

„Hij zou mij te gronde richten? Ei?” dacht de majoor. „Ik zal hem verbrijzelen en voorgoed met hem afrekenen.”

Doch hier bedacht hij zich even. Hij zag jufvrouw Brixham’s ontstelde gezicht en overwoog tevens, dat die man, als hij tot het uiterste gebracht en in de gevangenis geworpen werd, zaken kon openbaren, die het beter was geheim te houden, zoodat het raadzaam was een kerel, die niets ontzag, niet te hard aan te tasten.

„Wacht eens, agent,” zeide hij. „Ik zal nog even met dezen mensch spreken.”

„Levert gij mijnheer Morgan aan mij over?” vroeg de politieagent.

„Ik heb nog geene bepaalde beschuldiging tegen hem ingebracht,” antwoordde de majoor, met een veelbeteekenenden blik op zijn knecht.

„Ik dank u, mijnheer,” fluisterde Morgan zeer zacht.

„Wilt ge even naar buiten gaan, agent, en daar wachten? – Nu, Morgan, gij hebt een spelletje met mij gespeeld, en zijt er niet goed afgekomen, vriendje. Neen, voor den drommel, gij zijt er niet goed afgekomen, ofschoon gij veel op mij vóór hadt; en nu moet gij ook betalen, schelm.”

„Ja, mijnheer,” zeide de man.

„Ik heb eerst verleden week de zaken leeren kennen, die gij drijft, schurk. De jonge De Boots, van het Blauwe regiment, herkende u als den man, die in de kazerne zaken is komen doen, een derde in geld, een derde in Eau de Cologne en een derde in Fransche prenten, verwenschte schijnheilige oude zondaar! Ik had niets gemist noch mij bekommerd om hetgeen gij tot u genomen hadt, aap; ik schoot maar in den wilde, maar ik raakte toch – ik raakte het wit, voor den drommel. Verduiveld, mijnheer, ik ben een oude vos!”

„Wat wilt gij van mij, mijnheer?”

„Dat zal ik u zeggen. Ik vooronderstel, dat gij uwe papieren in dat groote zakboek bij u draagt; is het zoo niet? Wilt gij het stuk van jufvrouw Brixham verbranden?”

„Mijnheer, ik ben niet voornemens mijn eigendom te vernietigen,” snauwde Morgan.

„Vijf jaar geleden hebt gij haar zestig pond geleend. Zij en die arme duivel van een klerk, haar zoon, hebben u sedert dien tijd elk jaar vijftig pond betaald; en gij hebt nog een akte van overdracht van hare meubelen en een acceptatie van honderd vijftig pond van haar gekregen. Dat heeft zij mij gisterenavond verteld. Bij den hemel, mijnheer, gij hebt die arme vrouw genoeg uitgezogen.”

„Ik geef het niet over,” zeide Morgan. „Als ik het doe, mag ik –”

„Agent!” riep de majoor.

„Gij zult het stuk hebben,” zeide Morgan. „Gij zult toch geen geld van mij eischen, – gij, een gentleman?”

„Ik zal u over eenige oogenblikken noodig hebben,” zeide de majoor tegen X., die binnenkwam, maar zich daarop weer verwijderde.

„Neen, waarde heer,” vervolgde de oude gentleman; ik wensch geen verdere geldzaken met u te hebben; maar wij zullen een klein papiertje [264]opstellen, dat gij de goedheid zult hebben te teekenen. Neen, wacht! – gij moet het zelf schrijven; gij zijt in den laatsten tijd ontzaglijk vooruitgegaan in de schrijfkunst en hebt nu eene zeer goede hand. Ga zitten, en schrijf, als het u belieft – daar, aan die tafel – zoo – laat eens zien – wij moeten er den juisten datum bij zetten. Schrijf: „Bury Street, St. James, 21 October 18–.”

En Morgan schreef, gelijk hem bevolen was en hetgeen de onbarmhartige oude majoor hem verder voorzeide:

„Ik ondergeteekende, James Morgan, die doodarm ben gekomen in den dienst van den weledelgeboren heer Arthur Pendennis, van Bury Street in St. James’s, majoor in harer majesteits dienst, beken, dat ik vijftien jaren lang een ruim loon en kostgeld van mijn meester ontvangen heb. – Hiertegen zult gij wel niets in te brengen hebben,” zeide de majoor.

„Ontvangen heb,” schreef Morgan.

„Gedurende welken tijd ik, door mijn eigen beleid en spaarzaamheid,” dicteerde de ander voort, „genoeg geld heb weten bijeen te brengen, om het huis te koopen, waarin mijn meester woont, en bovendien nog nadere spaarpenningen over te leggen. Onder andere personen, van welke ik geld ontvangen heb mag ik mijne tegenwoordige huurster, jufvrouw Brixham, noemen, die, voor zestig pond, welke ik haar vijf jaar geleden geleend heb, mij de som van tweehonderd vijftig pond sterling heeft terugbetaald en mij bovendien een acceptatie van honderd twintig pond gegeven, die ik haar op verlangen van mijn gewezen meester majoor Arthur Pendennis teruggeef, terwijl ik te gelijk hare meubelen, van welke ik een akte van overdracht bezat, van het verband onthef. – Hebt gij dat geschreven?”

„Ik geloof dat ik jou, als dat pistool geladen was, voor den kop zou schieten,” zeide Morgan.

„Neen, dat zoudt gij niet. Gij stelt veel te veel prijs op uw eigen kostbaar leven, vriendje,” antwoordde de majoor. „Laten wij voortgaan en een nieuwen zin beginnen.

„„En daar ik mijn meesters welwillendheid vergolden heb door goederen van hem te stelen, die ik beken, dat boven op mijne kamer in mijne koffers liggen, en lasteringen ten opzichte van hem en andere geachte familiën heb verspreid, betuig ik bij deze, uit erkentelijkheid voor zijne goedertierenheid jegens mij, mijn leedwezen, dat ik die leugens verspreid en zijne goederen gestolen heb, en verklaar ik, dat ik geen geloof verdien en dat ik hoop – ja, voor den drommel, dat moet er in – „dat ik hoop mij in het vervolg te beteren.” Onderteeken dat nu, James Morgan.””

„Ik mag verd– worden als ik dat onderteeken,” zeide Morgan.

„Goede vriend, dat zal u toch weervaren, of gij het teekent of niet,” zeide de oude heer, zeer opgetogen over zijn eigen geestigheid. „Ik beloof u, ik zal dat stuk niet gebruiken dan wanneer ik, dat begrijpt ge, daartoe genoodzaakt word. Ik houd mij overtuigd, dat jufvrouw Brixham en onze vriend de diender tot getuigen zullen willen strekken, zonder het te lezen; en ik zal de oude jufvrouw haar acceptatie teruggeven en er bijvoegen, hetgeen gij bevestigen zult, dat ge quitte met elkander zijt. Ik zie daar, dat Frosch met de vigilante voor mijne koffers teruggekomen is: ik zal naar een logement gaan. – Kom maar binnen, agent; ik heb met mijnheer Morgan onzen kleinen twist geschikt. Als jufvrouw Brixham dit papier wilde teekenen, en gij, agent, dit ook wildet doen, zou ik u beiden zeer verplicht zijn. Jufvrouw Brixham, gij zijt niets meer schuldig aan uw achtenswaardigen huisheer, mijnheer Morgan. Ik [265]wensch u toe, dat gij veel pleizier van hem moogt hebben. Laat Frosch binnenkomen en het overige van den boedel bijeenpakken.”

Onder het kalme toezicht van mijnheer Morgan droeg Frosch, door Slaafje bijgestaan, de koffers van majoor Pendennis naar de rijtuigen, die stonden te wachten; en jufvrouw Brixham kwam, toen haar vervolger niet in de nabijheid was, nogmaals binnen en bad ’s hemels zegen af op den majoor, haar redder en te gelijk den stilsten en vriendelijksten van alle heeren op kamers. Na haar een vinger gereikt te hebben, voor welken de nederige vrouw eene nijging maakte en boven welken zij eene met tranen afgewisselde toespraak wilde houden, sneed de majoor die afscheidsrede af en verliet het huis, om zich naar het hotel in Jermyn Street te begeven, dat niet ver van Morgan’s woning lag.

De laatstgenoemde keek onderwijl het venster uit en zond zijn vertrekkenden huisgenoot alles behalve zegenbeden na; doch de onversaagde oude heer was voor Morgan niet bang en wierp hem een blik van de grootste verachting en spotzucht toe, terwijl hij, op zijn rotting steunende, wegstrompelde.

Majoor Pendennis had zijne woning in Bury Street nog slechts weinige uren verlaten en mijnheer Morgan genoot zijn otium op deftige wijze en bekeek den avondmist onder het rooken eener sigaar op zijne stoep, toen de weledelgeboren heer Arthur Pendennis, de held dezer geschiedenis, zich aan die welbekende deur vertoonde.

„Oom is zeker uit, Morgan?” vroeg hij aan den knecht, daar hij zeer goed wist, dat het rooken in de nabijheid van den majoor met verraad gelijk stond.

„Majoor Pendennis is uit, mijnheer,” antwoordde Morgan met eene statige buiging, maar zonder het sierlijke mutsje aan te raken, dat hij ophad. „Majoor Pendennis heeft vandaag dit huis verlaten, mijnheer, en ik heb de eer niet meer in zijn dienst te zijn, mijnheer.”

„Wezenlijk? En waar is hij dan nu?”

„Ik geloof, dat hij voor het oogenblik kamers genomen heeft in het hotel van Cox in Jermyn Street,” zeide mijnheer Morgan en liet er, na een oogenblik zwijgens, op volgen: „Blijft gij eenigen tijd in de stad, mijnheer? Woont gij nog in den Temple? Ik zou gaarne de eer hebben u daar een bezoek te brengen, en ik zou u zeer dankbaar zijn indien gij mij een kwartiertje te woord wildet staan.”

„Wenscht gij, dat oom u weer zou terugnemen?” vroeg Arthur op den man af, maar alleen uit goedhartigheid.

„Neen, dat verlang ik in het geheel niet; ik zou hem liever –,” en bij die woorden keek de man hem eenige oogenblikken woest aan, doch hield zich in. „Neen, mijnheer, ik dank u,” zeide hij op zachter toon; „ik wenschte u alleen te spreken over zekere zaken, die u betreffen, en misschien zoudt gij mij het genoegen willen doen van binnen te komen.”

„Als het niet te lang duurt, wil ik u wel aanhooren, Morgan,” zeide Arthur en dacht bij zich zelven: „Ik denk, dat de kerel zich in mijne gunst wil aanbevelen,” waarop hij het huis binnentrad. Er stond reeds een papier voor het venster aan de straat, met het bericht dat er kamers te huur waren, en na mijnheer Pendennis in de eetkamer gelaten en hem een stoel aangeboden te hebben, nam Morgan er zelf een en begon hem zekere zaken mede te deelen, die de lezer reeds vernomen heeft. [266]