Onze oude kennis, majoor Arthur Pendennis, verscheen op den bepaalden tijd te Fairoaks, na een vervelenden nacht in de diligence te hebben doorgebracht, waar een dikke passagier, door een aantal overjassen tot een onnatuurlijken omvang uitgezet, hem in een hoek gedrongen en door ongemanierd snorken wakker gehouden had; waar eene dame in den rouw, die tegenover hem zat, niet alleen door het ophalen van de glazen der portieren de versche lucht afgesloten, maar den wagen met den geur van Jamaica-rum vervuld had, waarvan zij telkens teugjes nam uit eene flesch, die zij in haar mandje borg; waar de arme majoor, wanneer hij een oogenblikje insluimerde, door het toeten op den hoorn bij de slagboomen, of het heen- en weer schuiven van zijn omslachtigen buurman, die hem nog dichter inmetselde, of het trappen van de voeten der weduwe op zijne eigene gevoelige teenen, telkens weer gewekt werd tot het bewustzijn van de ellende en de werkelijkheid van het leven – van een leven, dat thans voorbijgegaan en te niet gedaan is en alleen nog in de belangstellende herinnering leeft. Acht mijlen in het uur, en dit vier- of vijf en twintig uren achtereen, eene benauwde diligence, harde zitplaatsen, aanvechtingen van jicht, aanhoudende afwisseling van koetsiers, die bromden omdat uwe fooi niet groot genoeg was, een medepassagier, die te veel van grog hield, – wie heeft die ellende in den goeden ouden tijd niet doorstaan? Hoe konden de menschen bij zulk een staat van zaken reizen? En toch deden zij het, en waren nog vroolijk op den koop toe. Nabij het venster en [61]naast den bediende van den majoor boven op de diligence, zaten een paar schooljongens, die naar huis gingen om de zomervacantie door te brengen.
Majoor Pendennis zag hen met verbazing in het logement te Bagshot soupeeren, waar zij eene hoeveelheid ham, eieren, pastei, zuur, thee, koffie en gekookt vleesch naar binnen zonden, waarover de arme majoor ontzet stond, die een kopje zeer slappe thee dronk, en met stille smart overdacht, dat juist op dit zelfde oogenblik Lord Steyne’s diner aan den gang was. De onbewimpelde gretigheid der jongens vermaakte echter den majoor, die zeer goedhartig was en nog meer belangstelling voor hen opvatte, toen hij ontdekte, dat de knaap, die met hem in de diligence reisde, de zoon van een lord was, wiens edele vader Pendennis natuurlijk in de voorname wereld, waarin hij verkeerde, ontmoet had. De kleine lord sliep den ganschen nacht door, in weerwil van de benauwde plaats en van het hoorngetoet en van de weduwe, en zag er zoo gezond als een visch uit, (gelijk hij zich ook, volgens zijne verklaring, gevoelde), toen de majoor met een geel gezicht, een ruigen baard, eene pruik uit de krul en pijnlijke rheumatische schoten door verschillende leden van zijn vermoeid lichaam, aan de kleine portierswoning te Fairoaks afstapte, waar hij door de portierster en tuinmansvrouw eerbiedig, en nog eerbiediger door mijnheer Morgan, zijn knecht, begroet werd.
Helena stond aan het venster en zag den gast, dien zij verwachtte, komen. Doch zij kwam hem niet dadelijk begroeten, want zij wist, dat de majoor niet gaarne overvallen werd en zich eerst wat moest opknappen, eer hij gezien wilde worden. Toen Pen nog een kleine jongen was, had hij zich de hoogste ongenade van den majoor op den hals gehaald, door van diens toilettafel een marokijnen doosje weg te nemen, hetwelk wij bekennen moeten, dat des majoors kiezen bevatte, die hij natuurlijk uit zijn mond liet zoolang hij in de botsende diligence zat, maar zonder welke hij zich niet vertoonen wilde. Zijn knecht Morgan maakte een diep geheim van zijne pruiken, krulde die op verborgene plaatsen en bracht ze heimelijk in zijn meesters kamer: en ook zonder zijn hoofdhaar wilde de majoor geen lid zijner familie, geen zijner kennissen ontmoetten. Hij ging dus naar het voor hem bestemde vertrek en verhielp die gebreken; en hij gromde en bromde en zuchtte en verwenschte Morgan gedurende dat toilet, zooals een oud jong heer, die den geheelen nacht door de rheumatiek is wakker gehouden en eene vervelende taak in het vooruitzicht heeft, licht doet. Toen hij eindelijk zijn rijglijf aanhad, zijne pruik had gekruld en recht op was gezet, ging hij met eene deftige en indrukwekkende houding, gelijk iemand voegde, die te gelijk een man van zaken en een man van de wereld was, naar de gezelschapskamer.
Pen was er echter niet; alleen Helena en de kleine Laura, die aan hare knieën zat te naaien en wie hij nooit meer dan zijn voorvinger gaf, gelijk hij nu, na zijne schoonzuster gegroet te hebben, ook weder deed. Laura nam dien vinger bevende aan, liet hem weer vallen en – pakte zich uit de kamer weg. Majoor Pendennis wilde haar volstrekt niet in de kamer, noch zelfs in het huis houden en had zijne eigen redenen waarom hij niet van haar hield en die wij misschien later wel eens zullen vermelden. Laura verdween dus en zwierf op het buitentje rond, om Pen te zoeken, dien zij spoedig in den boomgaard vond, waar hij in [62]ernstig gesprek met mijnheer Smirke de paden op- en neer wandelde. Hij had het zoo druk, dat hij niet hoorde hoe Laura hem met haar helder stemmetje riep, tot Smirke hem aan zijne jas trok en naar het meisje wees, dat kwam aanloopen.
Toen zij bij hem was, legde zij hare hand in de zijne. „Kom mee, Pen!” sprak zij; „er is iemand gekomen. Oom Arthur is er.”
„Is hij er? is hij er?” riep Pen uit, waarbij zij voelde, dat hij haar handje kneep. Met ongewone fierheid zag hij naar Smirke, alsof hij zeggen wilde, dat hij hem of ieder ander zou staan. Mijnheer Smirke, sloeg echter als naar gewoonte de oogen omhoog en slaakte een deemoedig zuchtje.
„Ga maar vooruit, Laura,” zeide Pen, op een half verbolgen, half lachenden toon. „Ga vooruit, en zeg dat ik bij oom zal komen.” Doch hij lachte, om zijn grooten angst te verbergen, en verzamelde inwendig al zijn moed om de vuurproef, die hem wachtte, te doorstaan.
Sinds de beide laatste dagen had Pen mijnheer Smirke in zijn vertrouwen genomen en na de uitbarsting, die op de ontdekking van doctor Portman volgde, en gedurende elk der acht en veertig uren, welke hij in Smirke’s gezelschap had doorgebracht, over niets anders tegen zijn leermeester gesproken dan over jufvrouw Fotheringay – jufvrouw Emily Fotheringay – Emily enz., naar al welk gepraat Smirke zonder weerzin luisterde, daar hij ook verliefd was, op allerhande wijze Pen’s gunst trachtte te winnen, en bovendien zelf hoog liep met de bekoorlijkheden van die godin, wier gelijke hij nooit gezien had, daar hij nog nooit van zijn leven in den schouwburg was geweest. Pen’s geestdrift en spraakzaamheid, zijne vurige welsprekendheid en rijke dichterlijke beelden en vergelijkingen, zijn manhaftig, welwillend, warm en hoopvol hart, dat geene gebreken wilde zien in de persoon, die hij liefhad, en geene bezwaren, die hij niet zou kunnen overwinnen, – dit alles had mijnheer Smirke half overtuigd, dat de schikking, die mijnheer Pen ontworpen had, zeer uitvoerbaar en verstandig was, en dat het zeer wenschelijk zou zijn, dat Emily op Fairoaks gevestigd, kapitein Costigan voor zijn leven in de Gele Zaal onder dak gebracht en Pen op zijn achttiende jaar getrouwd zoude zijn.
Het is maar al te waar ook, dat de knaap in die twee dagen zijne moeder bijna bepraat en al hare tegenwerpingen de eene na de andere wederlegd had met die verontwaardiging en dat gezond verstand, die dikwijls het toppunt van dwaasheid zijn; en dat hij haar bijna in de stelling had doen berusten, dat, indien dit huwelijk in den hemel besloten was, daaraan niets te veranderen viel, en dat, indien het jonge meisje braaf was, zij van haar kant niets meer te eischen had; zoodat zij nu min of meer opzag tegen het bezoek van den oom en voogd, die, zooals zij voorzag, op eene geheel andere dan de eenvoudige, romaneske, nuchtere en hoogst ongerijmde wijze, waarop de weduwe reeds geneigd was zaken van dezen aard op te nemen, Pen’s huwelijk beschouwen zou.
Want, als in de oude fabel van het gouden en zilveren schild, waarover de twee ridders twistten, heeft ieder gelijk, naar gelang van den kant, waarvan hij de zaak beschouwt. Zoo is het ook met het huwelijk; de vraag of het dwaas of verstandig, wijs of het omgekeerde is, hangt af van het oogpunt, waaruit men het beziet. Indien het een lief huis op een deftigen stand beteekent, en mooie dinertjes en eene aardige equipage om in het Park te rijden, en een voldoend inkomen niet enkel [63]voor het jonge paar, maar ook voor de telgen, die misschien te verwachten zijn, – indien dit de behoeften des levens zijn (en voor vele fatsoenlijke lieden zijn zij dat inderdaad), dan is het eene ongerijmdheid van iets anders te spreken; dan is bijv. liefde in een hutje – eene kinderachtige genegenheid, waarbij men geen rijtuig kan betalen, noch er eene fatsoenlijke modemaakster op kan nahouden – niets dan onverantwoordelijke dwaasheid en een kinderlijk droombeeld. Indien gij aan den anderen kant van meening zijt, dat menschen zonder een vast bestaan, maar met goede vooruitzichten om er een te krijgen, en met hoop, gezondheid en vurige genegenheid als prikkels, eene kans met de Fortuin om lief of leed kunnen wagen, dan wordt de fatsoenlijke theorie op hare beurt eene dwaasheid; ja, erger dan eene dwaasheid, bijna eene oneerbiedigheid degens het Opperwezen, een twijfel aan de voorzienigheid; en de man, die de vrouw zijner keuze niet gelukkig wil maken voordat hij haar in een mooi rijtuig met een paar paarden naar de kerk kan rijden, is niets anders dan een lafaard of beuzelaar, die liefde noch fortuin waardig is.
Ik zeg niet, dat de stedenbewoners geen gelijk hebben, maar Helena Pendennis was op het platteland groot gebracht, en in het boek des levens, gelijk zij het verstond, las zij eene andere geschiedenis dan de bladzijde bevat, die in de steden gelezen wordt. Gelijk de meeste zachtzinnige en sentimenteele vrouwen, waren hare gedachten voor een groot gedeelte aan het beramen van huwelijken gewijd, en ik houd mij overtuigd, dat zij overwogen had hoe haar zoon eenmaal zou verliefd worden en trouwen, lang voor dat dit denkbeeld in het brein van den jongen heer zelven opgerezen was. Met dat weemoedige genoegen, hetwelk sommige vrouwen smaken bij de gedachte, dat zij zich opofferen, peinsde zij over den dag wanneer zij alles zou overgeven aan Pen, als hij zijne vrouw in huis bracht, wanneer zij de sleutels zou overhandigen en de beste slaapkamer afstaan, wanneer zij onder aan de tafel zou zitten en hem gelukkig zien. Wat kon zij anders in het leven verlangen dan dat het haar gegeven mocht worden den jongen gelukkig te zien? Terwijl eene keizerin volstrekt niet te goed voor hem zou zijn en zich vereerd moest achten mevrouw Pen te worden, zou de moeder aan den anderen kant, indien hij de nederige Esther in plaats van koningin Vashti koos, zich tevreden stellen met de keus van mylord. Onverschillig hoe onaanzienlijk of arm het meisje mocht zijn, hetwelk die ongeloofelijke eer zou genieten, was mevrouw Pendennis bereid voor haar te buigen, haar het welkom toe te roepen en haar de eerste plaats af te staan. Maar eene actrice – eene vrouw van jaren, die sinds lang niet meer blozen kon dan door middel van blanketsel wanneer zij voor duizenden nieuwsgierige oogen stond – eene onkundige en slechtopgevoede vrouw, die waarschijnlijk in lichtvaardig gezelschap verkeerd en ongepaste taal gehoord had, – o, het was hard, dat zulk eene vrouw de uitverkorene zou zijn en dat de matrone van haar rang ontzet zou worden om plaats te maken voor zulk eene sultane!
Al deze bedenkingen had de weduwe in de twee dagen, die noodwendig vóór de komst van zijn oom moesten verloopen, aan Pen voorgehouden, die ze echter met die beminnelijke rondheid en luchthartigeid, welke aan een jong heer in dat tijdperk des levens eigen zijn, besproken en zijn moeders tegenwerpingen tot zijne eigene onbeschrijfelijke voldoening weerlegd had. Jufvrouw Costigan was een toonbeeld van [64]deugd en fijn gevoel; zij was zoo kiesch als het beschroomdste meisje; zij was zoo rein als pas gevallen sneeuw; zij bezat de beschaafdste manieren, de lieftalligste geestigheid en genie, de bekoorlijkste verfijning en juistheid van oordeel in alle zaken van smaak; zij had het beminnelijkste humeur en was de onderdanigste dochter voor haar vader, een goed oud heer van aanzienlijke familie, maar gering vermogen, die echter in de beste gezelschappen van Europa verkeerd had: hij had geen haast en kon een onbepaalden tijd wachten – tot zijn een en twintigste jaar. Doch hij gevoelde (en hier nam zijn gelaat eene ontzettende en zielroerende plechtstatigheid aan), dat dit de eenige hartstocht van zijn leven was en dat alleen DE DOOD er een einde aan kon maken.
Helena verzekerde hem met een droevig glimlachje, terwijl zij haar hoofd schudde dat men die hartstochten overleefde, en wat lange engagementen tusschen jonge mannen en oude vrouwen betrof, wist zij door een voorbeeld in hare eigen familie – het voorbeeld van Laura’s armen vader – hoe noodlottig die waren.
Mijnheer Pen had echter besloten, dat de dood zijn lot moest zijn ingeval van teleurstelling, en liever dan het zoover te laten komen (of, in waarheid, liever dan hem verdriet te doen), zou deze dame zich elke opoffering of kwelling getroost, en knielend eene Hottentotsche schoondochter den voet gekust hebben.
Arthur kende de macht, die hij over de weduwe bezat, en de jonge tiran was geroerd, terwijl hij die uitoefende. In die twee dagen bracht hij haar bijna tot onderwerping en behandelde haar met genadige welwillendheid. Hij bracht den eenen avond bij de bekoorlijke pasteimaakster te Chatteries door, waarbij hij op zijne macht over zijne moeder snoefde; en den anderen avond besteedde hij aan het opstellen van een hartstochtelijk en hoogdravend vers aan zijne godin, waarin hij gelijk Montrose zwoer, dat hij haar door zijn degen vermaard en door zijne pen beroemd zou maken, en dat hij haar beminnen zou zooals geene sterfelijke vrouw sinds de schepping van het vrouwelijk geslacht aangebeden was.
Dien zelfden avond, lang na het middernachtsuur, zag de slapelooze Helena, terwijl zij op hare teenen voorbij de kamer van haar zoon sloop, een lichtstraal door de reet der deur in den donkeren gang vallen en hoorde zij Pen in zijn bed woelen en draaien en verzen mompelen. Zij bleef eene poos voor de deur staan en bezorgd naar hem luisteren. Menigen nacht in vroeger tijd had de goede ziel aldus op wacht gestaan, wanneer hij als kind in koortsen lag of als knaap ziek was. Zij draaide daarop het slot zeer zacht om en trad zoo onhoorbaar binnen, dat Pen haar eenige oogenblikken lang niet ontwaarde, want zijn gezicht was van haar afgewend. Zijn lessenaar was bestrooid met papieren en op zijn bed lagen er nog meer. Hij beet op een potlood en bedacht rijmen en verbeeldde zich allerlei dwaze en hartstochtelijke dingen. Hij was Hamlet, die in Ophelia’s graf sprong; hij was de vreemdeling, die mevrouw Haller in zijne armen nam, de schoone mevrouw Haller met de gitzwarte lokken over hare schouders golvende. Wanhoop en Byron, Thomas Moore en de Liefde der Engelen, Waller en Herrick, Béranger en al de minneliederen, die hij ooit gelezen had, woelden en kookten in het brein van dezen jongen heer, en hij verkeerde juist in de hevigste vlaag van opgewondenheid, toen zijne moeder hem kwam bezoeken. [65]
„Arthur,” riep zij met hare zachte zilveren stem, waarbij hij opsprong en zich omkeerde, eenige papieren greep en die onder zijn hoofdkussen wegstopte.
„Waarom gaat gij niet slapen, beste jongen?” vroeg zij met een zoet en teeder lachje, terwijl zij zich op zijn bed nederzette en eene zijner gloeiende handen in de hare nam.
Pen zag haar een oogenblik met verwilderde blikken aan, „Ik kon niet slapen,” gaf hij ten antwoord; „ik – ik was – ik was aan het schrijven.” En daarop, zijne armen om haar hals slaande, riep hij uit: „O moeder! ik heb haar zoo lief, zoo lief!” Hoe kon zulk eene teedere ziel als mevrouw Pendennis was, iets anders doen dan hem sussen en beklagen? De lieve vrouw deed haar best daartoe, en dacht met verwondering en teederheid, dat het, als het ware, pas gisteren was, dat hij als kind in dat bed lag en zij op zon- en feestdagen bij hem placht te komen bidden vóór zijn ontwaken.
Het waren zonder twijfel zeer treffende verzen, ofschoon jufvrouw Fotheringay ze niet begreep; doch de oude Cos zeide met een knipoogje en veelbeteekenenden vinger tegen zijn neus: „Berg ze maar bij de andere verzen weg, Milly, mijn schatje. Poldoody’s gedichten zijn niets daarbij.” En Milly sloot dus de manuscripten weg.
Toen nu de majoor gekleed en vertoonbaar was, vervoegde hij zich bij mevrouw Pendennis en ontdekte binnen tien minuten, dat de arme weduwe niet alleen bedroefd was over het huwelijk, dat Pen in den zin had, maar nog bedroefder bij de gedachte, dat de knaap er zelf niet over op zijn gemak was en met zijn oom eene heftige woordenwisseling over die zaak zou hebben. Zij bezwoer majoor Pendennis, om Arthur toch zacht te behandelen. „Hij draagt het hart zeer hoog en kan geene onvriendelijke woorden verdragen,” gaf zij te verstaan. „Doctor Portman heeft hem onlangs vrij ruw toegesproken – en ik moet bekennen onrechtvaardig – want mijn lieve jongen is zoo nauwlettend op zijne eer als zijne moeder wenschen kan – maar toch schrikte ik van Pen’s antwoord, zoo verontwaardigd was hij. Bedenk, dat hij thans een man is, en wees heel – heel voorzichtig,” besloot de weduwe en legde hare fraaie, tengere hand op den arm van den majoor.
Hij nam die hand, drukte er galant een kus op en zag met verwondering en met eene minachting, die hij te beleefd was om te toonen, in haar ontsteld gelaat. „Bon Dieu!” dacht de oude diplomaat, „de knaap heeft haar reeds bepraat, en zij zou hem eene vrouw bezorgen gelijk zij hem aan een stuk speelgoed zou helpen, als de jonge heer er om schreide. Waarom hebben wij geen lettres de cachet en geene Bastille voor jongelui van geboorte!” De majoor verkeerde in zulk goed gezelschap, dat men hem lichtelijk vergeven zal, dat hij de begrippen van een edelman had. Hij kuste de schuchtere hand der weduwe, drukte die in zijne beide handen en legde ze weder op tafel met eene der zijne er overheen, terwijl hij glimlachte en haar in de oogen keek.
„Beken maar,” sprak hij, „dat gij overlegt hoe gij het met uw geweten overeen kunt brengen, om den jongen zijn zin te geven.”
Op die woorden bloosde en ontroerde zij, zooals vrouwen dat gewoon zijn. „Ik geloof, dat hij zeer ongelukkig is – en ik ben bang –”
„Om hem tegen te gaan of hem zijn zin te geven?” vroeg de ander, en liet er inwendig met groote zelfvoldoening op volgen: „Ik mag – zijn, als hij het doen zal!” [66]
„Het is treurig er aan te denken, dat hij zulk eene dwaze, onaangename en noodlottige minnarij heeft aangeknoopt,” zeide de weduwe, „die niet anders dan nadeelig kan afloopen, wat er ook het einde van zij.”
„Maar het einde zal geen huwelijk zijn, zusjelief,” zeide de majoor vastberaden. „Een Pendennis, het hoofd van zijn huis, zal geen reizende kunstenmaakster uit eene kermistent trouwen. Neen, neen, wij zullen ons niet met de kermisklanten verzwageren, mevrouw.”
„Wanneer de verbintenis plotseling afgebroken wordt,” kwam de weduwe er tusschen, „weet ik niet wat de gevolgen zullen zijn. Ik ken Arthur’s driftigen aard, de innigheid, waarmee hij lief heeft, zijne diepe droefheid wanneer hij te leur wordt gesteld, en ik beef voor deze teleurstelling, – als het er toe komen moet. Wezenlijk, het moet hem niet plotseling treffen.”
„Mevrouw-lief,” hernam de majoor met een gezicht, dat de diepste meewarigheid moest uitdrukken, „ik twijfel er niet aan, of Arthur zal verschrikkelijk veel te doorstaan hebben eer hij dezen kleinen tegenspoed te boven komt. Maar gelooft gij, dat hij de eenige is, die een dergelijk ongeluk heeft ondervonden?”
„Neen, waarlijk niet,” antwoordde Helena met neergeslagen oogen want zij dacht aan hare eigen geschiedenis; zij was op dat oogenblik weer zeventien jaar en zoo rampzalig mogelijk.
„Ik zelf,” fluisterde haar schoonbroeder, „heb in mijn jongen tijd zulk eene teleurstelling ondergaan. Eene jonge dame met vijftien duizend pond, nicht van een graaf, allerliefst schepseltje; – met een derde van haar geld zou ik in een ommezien promotie gemaakt hebben en op mijn dertigste jaar luitenant-kolonel geweest zijn; maar het mocht niet wezen. Ik was maar een arme luitenant; hare ouders kwamen er tusschen, en ik vertrok naar Indië, waar ik de eer had secretaris bij Lord Buckley te worden toen hij opperbevelhebber was – zonder haar. Hoe ging het? wij zonden elkaar onze brieven terug en onze haarlokken” (bij die woorden streek de majoor met de vingers door zijne pruik), „wij leden er onder – maar wij kwamen het weer te boven. Zij is nu de vrouw van een baronet en heeft dertien volwassen kinderen; zij is wel is waar veranderd, maar hare dochters herinneren mij er aan hoe zij er uitzag, en de derde daarvan wordt in de volgende week ten hove voorgesteld.”
Helena gaf geen antwoord. Nog altijd dacht zij aan den ouden tijd. Ik geloof, dat, al wierd men honderd jaar oud, er sommige voorvallen uit onze jeugd zijn, welker herinnering ons altijd in het verledene zou terugvoeren, en dat Helena aan één daarvan dacht.
„Denk maar eens aan mijn eigen broeder, lief kind,” vervolgde de majoor op galante wijze; „hij ondervond zelf, dat weet gij, eene kleine teleurstelling toen hij zich pas als – als geneeskundige nederzette. Er deed zich eene goede partij op. Jufvrouw Balls, ik herinner mij den naam nog zeer goed, was de dochter van een apoth – een geneeskundige met eene zeer groote praktijk, en mijn broeder was in zijn aanzoek bijna geslaagd. Maar er rezen bezwaren; er volgde eene afwijzing en – ik moet bekennen, dat hij geen reden had om de teleurstelling, die hem deze hand verschafte, te betreuren,” eindigde de majoor, terwijl hij nogmaals met wellevendheid Helena’s vingers drukte.
„Die huwelijken tusschen menschen van zoo verschillenden stand en leeftijd zijn akelige dingen,” zeide Helena. „Ik heb gezien hoeveel ellende [67]zij teweegbrengen. Laura’s vader, mijn neef, die – die met mij werd groot gebracht,” voegde zij er op zachten toon bij, „was er een voorbeeld van.”
„Hoogst onverstandig!” viel de majoor in. „Ik weet voor een man niets pijnlijker dan eene vrouw te trouwen, die boven hem staat in jaren, of beneden hem in rang. Verbeeld u eens eene vrouw van lagen stand te huwen en uw huis vol te zien loopen met hare verwenschte schooierige familie! Verbeeld u eens, dat uwe vrouw eene moeder heeft, die de h’s weglaat, of Miet zegt in plaats van Maria! Hoe kunt gij haar in fatsoenlijk gezelschap brengen? Lieve mevrouw Pendennis, ik zal geen namen noemen, maar ik heb mannen in de beste kringen te Londen de pijnlijkste folteringen zien ondergaan, ik heb gezien, dat men hen ontweek en dat zij ten eenemale verloren gingen, enkel omdat hunne vrouwen van zoo gemeene afkomst waren. Wat denkt gij, dat Lady Snapperton verleden jaar op haar déjeuner dansant na het gemaskerd bal deed? Zij duwde Lord Brouncker toe, dat hij zijne dochters kon meebrengen, of ze zenden mocht onder behoorlijk geleide, maar dat zij Lady Brouncker niet ontvangen wilde, die de dochter van een drogist, of iets dergelijks was. Goede hemel, wat zou de onbeduidende smart van eene dadelijke scheiding beteekend hebben, in vergelijking met de aanhoudende foltering van eene mésalliance en omgang met gemeene lui?”
„Zeker niet veel,” antwoordde Helena, half geneigd om te lachen, maar die aanvechting onderdrukkende, omdat zij zich herinnerde hoe verbazend veel ontzag haar overleden echtgenoot altijd voor majoor Pendennis en zijne geschiedenissen uit de groote wereld aan den dag had gelegd.
„Verder is dit verwenschte vrouwmensch tien jaar ouder dan die onnoozele jonge schavuit van een Arthur. Wat gebeurt er in zulke gevallen, mevrouw-lief? Ik schroom niet u te zeggen, nu wij alleen zijn, dat ellende, hopelooze ellende daarvan in de hoogste standen der maatschappij het gevolg is. Let eens op als Lord Clodworthy eene kamer binnentreedt met zijne vrouw – wel, goede hemel, men zou haar voor zijne moeder aanzien! Wat is er gebeurd tusschen Lord en Lady Willowbank, van wie het algemeen bekend is, dat zij uit liefde gehuwd zijn? Hij heeft haar reeds tweemaal afgesneden, nadat zij zich uit jaloerschheid op mademoiselle de Sainte Cunegonde, de danseres, opgehangen had, en let eens op mijne woorden, goede hemel, dat er een dag zal komen, dat hij de oude vrouw niet afsnijdt! Neen, mevrouwlief, gij verkeert niet in de wereld, maar ik wel; gij zijt een weinigje romanesk en sentimenteel (dat weet gij ook wel – vrouwen met zulke mooie groote oogen zijn het altijd); laat die zaak maar aan mijne ondervinding over. Die vrouw trouwen! Een knaap van achttien met eene actrice van dertig – bah! bah! – hij zou evengoed kunnen rondzien in de keuken en de meid trouwen!”
„Ik weet hoe ongelukkig overhaaste engagementen zijn,” zuchtte Helena. Daar zij in den loop van het medegedeelde gesprek niet minder dan driemaal hierop gezinspeeld heeft; daar zij zoo doordrongen schijnt van het nadeelige van lange engagementen en ongelijke huwelijken, en daar hetgeen wij gaan mededeelen datgeen zal ophelderen, waarnaar misschien sommigen nieuwsgierig zijn, namelijk wie de kleine Laura is, die reeds meer dan eens voor ons verscheen, zoo zat het niet ongepast zijn dit in een nieuw hoofdstuk te behandelen. [68]