[Inhoud]

DRIE EN ZEVENTIGSTE HOOFDSTUK.

Mijnheer en mejufvrouw Sam Huxter.

„Lieve Blanche,” schreef Arthur, „zijt gij, die altijd kleine dramaatjes en boeiende romannetjes in het werkelijke leven leest en droomt, nu bereid in één daarvan eene rol te spelen? En niet de aangenaamste rol, lieve Blanche, niet die der heldin, die haar vaders paleis en schatten in bezit neemt en, wanneer zij haar echtgenoot aan de trouwe volgelingen en verkleefde vasallen voorstelt,” hem toespreekt met de woorden: „Dit alles is het mijne en het uwe,” – maar dat andere karakter, dat der rampspoedige vrouw, die plotseling gewaar wordt dat zij niet de echtgenoote van den prins, maar die van Claude Melnotte den bedelaar is; dat van Alnaschar’s vrouw, die juist binnenkomt op het oogenblik dat haar man het porselein omgeschopt heeft, hetwelk zijn fortuin zou gemaakt hebben. – Maar wacht even: Alnaschar, die het porselein omschopte, was niet getrouwd, maar had zijn oog op de dochter van den vizier laten vallen, en deze hoop ging met de verbrijzelde kommen en kopjes te gronde.

„Wilt gij de dochter van den vizier wezen en Alnaschar afwijzen en uitlachen, dan wel de dame van Lyon zijn en den doodarmen Claude Melnotte liefhebben? Verkiest gij het, dan zal ik die rol spelen. Ik zal u wederkeerig naar mijn best vermogen liefhebben. Ik zal alles inspannen om uw stil leven gelukkig te maken; want stil zal het zijn: er bestaat althans weinig kans op een anderen afloop; wij zullen op een armoedige, prozaïsche, alledaagsche wijze leven en sterven. De held onzer geschiedenis heeft geene ridderorden en epauletten te wachten. Ik zal nog een paar romans schrijven, die spoedig zullen vergeten zijn. Ik zal tot advocaat gepromoveerd worden en in dat beroep trachten vooruit te komen; en als ik zeer gelukkig ben en zeer hard werk (hetgeen te dwaas is om te verwachten), zal ik misschien eenmaal een ambt in de koloniën bekomen en zult gij wellicht de echtgenoote van een Indisch rechter zijn. In den tusschentijd zal ik de Pall Mall Gazette koopen; sedert den dood van den armen Shandon zouden de uitgevers er zich gaarne van willen ontdoen en het blad zal dus voor een geringen prijs te krijgen zijn. Warrington zal mijne rechterhand wezen en ten gevolge van zijn artikelen zullen wij een goed getal abonné’s vinden. Ik zal u in kennis brengen met den onderredacteur Finucane, en ik weet wel wie ten slotte mevrouw Finucane zal worden – een allerliefst zacht schepseltje, dat met lijdzaamheid een ongelukkig leven heeft doorgeworsteld, – en zoo zullen wij voortsukkelen, op betere tijden wachten en op eene fatsoenlijke wijze ons brood verdienen. Gij zult de vrijbiljetten voor de opera hebben, en het toezicht houden over het nieuws uit de groote wereld, en uw hartje kunnen breken in de kolommen, die het blad beschikbaar stelt voor verzen. Willen wij boven het bureau der [285]courant gaan wonen? – daar zijn vier zeer goede kamers, eene keuken, en een zolderkamertje voor Laura, alles in Catherine Street in het Strand; of zoudt gij liever op Waterloo Road wonen? het is daar heel pleizierig, behalve dat men aan de Waterloo-Brug een halven stuiver tol moet betalen als men er over gaat. De jongens kunnen naar het King’s-College gaan, niet waar? Heeft dit alles in uw oogen niet het aanzien van eene grap?

„Ach, Blanche-lief, het is geen grap, en ik ben nuchter en spreek de eenvoudige waarheid. Onze heerlijke verwachtingen zijn in rook vervlogen. Ons rijtuig is, gelijk dat van Asschepoetster, uit het gezicht verdwenen! ons huis in Belgravia is door een boozen genius weggegoocheld, en ik ben evenmin lid van het parlement als bisschop in het Hoogerhuis, of een hertog met den Kouseband om de knie. Gij weet tamelijk goed hoeveel mijn vermogen en uw eigen klein fortuin bedraagt; wij hebben waarschijnlijk genoeg om er met ons beiden fatsoenlijk en aangenaam van te leven, somtijds eene vigilante te nemen als wij vrienden gaan bezoeken, en ons het genoegen van een plaatsje in den omnibus niet te ontzeggen wanneer wij vermoeid zijn. Maar dat is alles: is dat genoeg voor u, mijn kieskeurig dametje? Ik twijfel er soms aan of gij het leven zult kunnen uithouden, dat ik u aanbied; ten minste is het billijk, dat gij weet wat het zijn zal. Als gij zegt: „Ja, Arthur, ik wil uw lot met u deelen, waarheen gij ook gaat, en eene trouwe en liefhebbende vrouw voor u zijn, om u bij te staan en op te beuren,” – kom dan tot mij, lieve, Blanche, en God zal mij helpen mijn plicht jegens u te vervullen. In het tegenovergestelde geval en wanneer gij naar een hooger standpunt in de maatschappij uitziet, dan mag ik uw fortuin niet in den weg staan; ik zal mij onder de menigte mengen en mylady ten hove zien gaan als zij voorgesteld wordt, en gij zult mij dan wel een lachje uit uw rijtuig schenken. Het vorige seizoen zag ik Lady Mirabel naar de receptie ten hove rijden; haar gelukkige gemaal aan hare zijde schitterde van sterren en ordelinten. Al de bloemen uit den tuin bloeiden op de borst van den koetsier. Wilt gij deze en het rijtuig hebben, dan wel te voet gaan en de kousen van uw man stoppen?

„Ik kan u thans niet meedeelen – ofschoon het later zou kunnen geschieden, indien de dag mocht komen dat wij geen geheimen voor elkander zullen hebben – wat er in de laatste uren is voorgevallen, dat aan al mijne vooruitzichten in het leven een andere wending heeft gegeven; doch het is zóó met de zaak gelegen: ik heb iets vernomen, hetwelk mij noodzaakt af te zien van de plannen, die ik beraamd, en de vele ijdele en eerzuchtige verwachtingen, aan welke ik toegegeven had. Ik heb een brief aan Sir Francis Clavering gezonden, om hem te melden, dat ik zijne plaats in het parlement eerst na mijn huwelijk kan innemen. Eveneens kan en wil ik met u geen grooter fortuin ontvangen dan dat u steeds heeft toebehoord sedert den dood van uw grootvader en de geboorte van uw halven broeder. Uwe goede moeder is onkundig van de redenen, die mij tot dit zonderlinge besluit noodzaken, en ik hoop, dat zij ze nimmer zal leeren kennen. Zij zijn het gevolg van smartelijke omstandigheden, aan welke niemand onzer schuld heeft; doch nu zij eenmaal bestaan, zijn zij zoo onoverkomelijk en onherstelbaar als die schok, die het porselein van den eerzamen Alnaschar in scherven deed vallen en zijne gansche hoop reddeloos in duigen wierp. Ik schrijf opgeruimd, omdat het beweenen van zulk een hopeloozen tegenspoed tot niets dient. Wij hebben niet den hoogsten prijs uit de loterij getrokken, lieve Blanche; maar ik zal er tevreden onder zijn, indien [286]gij het ook kunt wezen; en ik herhaal het uit den grond mijns harten, dat ik mijn best zal doen om u gelukkig te maken.

„En welke nieuwtjes zal ik u nu meedeelen? Mijn oom is zwaar ziek en neemt het mij zeer kwalijk, dat ik de plaats in het parlement weiger; de oude heer had dat op touw gezet en betreurt nu natuurlijk het mislukken van zijn plan. Maar ik heb met Warrington en Laura een krijgsraad belegd; zij kennen het vreeselijke geheim en steunen mij in het genomen besluit. Gij moet George lief hebben, gelijk gij alles wat edelmoedig, oprecht en braaf is liefhebt; en wat Laura betreft, – die moet onze zuster zijn, Blanche, onze beschermheilige en onze beschermengel. Wat behoeven wij, als wij twee zulke vrienden binnen onze muren hebben, te vragen hoe het in de buitenwereld gaat, of wie de afgevaardigde van Clavering is, of wie op de groote bals van het seizoen genoodigd of thuis gelaten is?”

Op deze openhartige mededeeling volgde de brief van Blanche aan Laura en een brief aan Pen zelven, die wellicht door zijn eigen schrijven gerechtvaardigd werd. „Gij zijt door de wereld bedorven,” schreef Blanche; „gij bemint uwe arme Blanche niet zooals zij bemind zou willen worden, of gij zoudt niet zoo lichtvaardig hebben aangeboden haar te nemen, of haar te laten varen. Neen, Arthur, gij hebt mij niet lief; als een man van de wereld hebt gij mij uw woord gegeven en zijt gij bereid het na te komen; maar die onverdeelde genegenheid, die volkomene en duurzame liefde, waar – waar is die hersenschim mijner jeugd? Ik zal slechts uw tijdverdrijf zijn, en ik wenschte uw Alles te wezen – slechts eene voorbijgaande gedachte, in plaats van uwe gansche ziel. Ik wenschte, dat onze beide harten één waren; maar ach, mijn Arthur, wat is het uwe eenzelvig! wat geeft gij er mij weinig van! Gij spreekt van onze scheiding met een glimlach op uwe lippen, – van ons wederzien, en echter legt gij geene begeerte aan den dag om dit te bespoedigen! Is het leven dan niets meer dan een ontgoocheling, en zijn de bloemen uit onzen tuin verwelkt? Ik heb geweend – ik heb gebeden ik heb slapelooze uren doorgebracht – ik heb bittere, bittere tranen over uw brief geschreid! Voor u stort ik de overstroomende poëzie van mijn leven uit – de begeerte mijner ziel, die zucht om bemind te worden – die naar liefde, liefde, liefde boven alles haakt! – die zich aan uwe voeten werpt en uitroept: „Heb mij lief, Arthur!” Uw hart klopt niet sneller, als ik op mijne knieën u om liefde smeek! – uw trotsch oog wordt door geen traan van deelneming verduisterd! – gij neemt de schatten mijner ziel aan, alsof ze slijk en niet de paarlen uit de onpeilbare diepte mijner genegenheid, de diamanten uit de mijngroeven van mijn hart waren! Gij behandelt mij als eene slavin en gebiedt mij voor mijn meester te knielen! Is dit een geschenk voor eene fiere maagd, het loon voor de liefde van een gansch leven? Ai mij! is het ooit anders gegaan? Wanneer heeft ooit de liefde iets anders dan teleurstelling geoogst? Kon ik – minnend, maar verdwaasd meisje – verwachten een uitzondering op het lot van mijn geslacht te maken, en mijn kloppend hoofd te mogen doen rusten aan een hart, dat het mijne begreep? Dwaas meisje als ik was! Eén voor één zijn al de bloemen van mijn jeugdig leven verdord; en deze laatste, zoetste, liefste, die ik zoo innig, zoo buitensporig liefhad, zoo hartstochtelijk beminde – waar is zij nu? Doch niets meer hiervan. Sla geen acht meer op mijn bloedend hart. Wees gezegend, altijd gezegend, Arthur!

„Ik zal nader schrijven, als ik bedaarder ben. Mijn gloeiend hoofd [287]maakt mij het denken bijna onmogelijk. Ik smacht naar Laura. Zij zal toch dadelijk bij ons komen, als wij van het land terugkeeren, niet waar? En gij, koel schepsel?

„B.”

De bewoordingen van dezen brief waren volkomen duidelijk en met Blanche’s netste hand op geparfumeerd papier geschreven; en echter was de zin van dit opstel voor Pen zeer duister. Nam Blanche beleefd zijn aanbod aan, of wees zij het van de hand? Haar uitdrukkingen konden zoowel beteekenen, dat Pen haar niet meer liefhad en zij nu ook niet meer van hem wilde weten, als dat zij hem aannam en zich, hoewel hij zoo koel was, aan hem opofferde. Hij lachte spottend om den brief en om de zaak, die er aanleiding toe had gegeven. Hij lachte bij de gedachte hoe de Fortuin hem in den steek had gelaten en hoezeer hij het verdiende, dat zij hem ontglipte. Hij keerde het op snee vergulde en van muskus doortrokken raadsel om en om. Het maakte zijn humor gaande en hij had er pleizier van, alsof het een grap ware.

Terwijl hij aldus neerzat en, inwendig bitter spottend, het zonderlinge geschrift door zijne handen liet gaan, kwam zijn bediende binnen met het kaartje van een heer, die hem bijzonder gaarne wilde spreken. Ware Pen buiten in den gang gegaan, hij zou daar zijn ouden bekende mijnheer Samuel Huxter gevonden hebben, die met rollende oogen en alle kenteekenen van gejaagdheid aan den knop van zijn rotting stond te zuigen.

„Mijnheer Huxter – over eene zaak van bijzonder belang! Wel, verzoek mijnheer Huxter binnen te komen,” zeide Pen, die er zich mee vermaakte, vooral toen de arme Sam in zijne tegenwoordigheid verscheen.

„Neem een stoel, mijnheer Huxter,” zeide Pen op zijn neerbuigendste manier. „In welk opzicht kan ik u van dienst zijn?”

„Ik zou liever niet in het bijzijn van dien ke– dien man vertellen, mijnheer Pendennis,” op welk sein mijnheer Arthur’s bediende de kamer verliet.

„Ik zit in den brand,” zeide mijnheer Huxter somber.

„Wezenlijk?”

„Zij heeft mij tot u gezonden,” vervolgde de jonge chirurgijn.

„Hoe? Fanny? gaat het goed met haar? Ik was voornemens geweest haar eens te bezoeken, maar ik heb het sedert mijne terugkomst te Londen zeer druk gehad.”

„Ik heb door mijn ouwe en door Jack Hobnell het nieuws omtrent u vernomen,” viel Huxter hem in de rede. „Ik wensch u veel geluk, mijnheer Pendennis, zoowel met het lidmaatschap van het parlement als met de dame, mijnheer. Ook Fanny laat u hare gelukwenschen aanbieden,” liet hij er met een flauw blosje op volgen.

„De zaak is nog niet beklonken! Wie weet, mijnheer Huxter, wat er nog gebeuren kan, of wie in het volgend jaar als afgevaardigde van Clavering in het parlement zal optreden!”

„Gij kunt alles van mijn ouwe gedaan krijgen,” ging mijnheer Huxter voort. „Gij zijt het, die hem de klandizie op Clavering Park hebt bezorgd. De ouwe heer was zeer opgetogen, mijnheer, dat gij hem liet roepen. Zoudt gij den ouwe niet eens voor mij willen spreken, mijnheer Pendennis?”

„En wat moet ik hem vertellen?”

„Ik ben er eindelijk toe gekomen, mijnheer,” antwoordde Huxter met een zeer bijzonderen blik. [288]

„Gij – gij wilt toch niet zeggen, dat gij – dat gij dat lieve schepseltje eenig leed berokkend hebt, mijnheer?” riep Pen uit en vloog in de hoogste verbolgenheid op.

„Dat hoop ik niet,” zeide Huxter met een benauwden blik; „maar ik heb haar getrouwd. En ik weet, dat er daarover thuis een ongemakkelijk standje wezen zal. Er was afgesproken dat ik, na voltooiing van mijne studiën, compagnon zou worden en dat de firma „Huxter en Zoon” zou wezen. Maar ik wilde mijn eigen zin volgen. De kogel is nu door de kerk en de ouwe heeft mij geschreven, dat hij naar Londen komt, om een voorraad geneesmiddelen op te doen; hij zal morgen hier zijn en dan moet alles uitkomen.”

„En wanneer is het gebeurd?” vroeg Pen, waarschijnlijk niet bijzonder gestreeld, dat een meisje, hetwelk eenmaal eenigszins met zijne koninklijke gunst vereerd was geworden, hare trouw aan een ander had durven verpanden en zich over zijn verlies getroost had.

„Verleden Donderdag is het vijf weken geweest; het was twee dagen na een bezoek, dat jufvrouw Amory in Shepherd’s Inn had afgelegd,” gaf Huxter ten antwoord.

Pen herinnerde zich, dat Blanche geschreven en van dat bezoek melding gemaakt had. „Ik werd geroepen,” zeide Huxter. „Ik was in de Inn, om naar het been van den ouden Cos te zien, en ook wel naar nog iets anders; en toen ontmoette ik Strong, die mij verhaalde, dat er op de kamers eene vrouw onpasselijk was geworden, waarop ik naar boven ging, om haar met mijne wetenschap van dienst te zijn. – Het was de oude jufvrouw, die bij jufvrouw Amory dient – hare huishoudster of iets dergelijks. Zij had een toeval en ik vond haar geweldig slaande en gillende op Strong’s kamer, in het bijzijn van Strong en van kolonel Altamont, en jufvrouw Amory stond te schreien en was zoo wit als een doek; en Altamont was aan het razen – kortom, het was een spektakel. Zij bleven twee uren op die kamers, en eindelijk werd de oude vrouw schreiende met eene vigilante weggebracht. Zij was er veel erger aan toe dan de jonge dame. Den volgenden dag ging ik naar Grosvenor Place, om te zien of ik nog van nut kon zijn; maar zij waren vertrokken, zonder mij zelfs te bedanken; en den dag daarna had ik eigen zaken – zaken, waarmee ik nu in het nauw zit,” zeide mijnheer Huxter op neerslachtigen toon. „Maar dat is eenmaal geschied en kan niet ongedaan gemaakt worden, en wij moeten nu trachten er zoo goed mogelijk uit te komen.”

„Zij heeft de geschiedenis sinds eene maand geweten,” dacht Pendennis, met eene zeer pijnlijke gewaarwording en eene sombere sympathie; „dit heldert haar brief van heden op. Zij wil er haar vader niet in betrekken en zijn geheim niet openbaren; zij wenscht mij van het huwelijk te ontslaan en heeft daartoe een voorwendsel gevonden – dat edelaardige meisje!”

„Weet gij wie die Altamont is, mijnheer?” vroeg Huxter, na eene poos stilzwijgens, gedurende welke Pen zijn eigen aangelegenheden overdacht had. „Ik heb er met Fanny dikwijls over gesproken, en wij houden het er voor, dat hij jufvrouw Lightfoot’s eerste man is, die weer te voorschijn is gekomen nu zij juist een tweeden getrouwd heeft. Misschien zal Lightfoot er niet zeer verdrietig over zijn,” zuchtte Huxter en keek Arthur woest aan, want de duivel der jaloerschheid heerschte nog altijd in zijne ziel; en thans, meer dan ooit, verbeeldde zich de arme kerel, dat Fanny’s hart aan zijn mededinger behoorde.

„Laten wij over uwe zaken spreken,” zeide Pen. „Leg mij maar eens [289]uit, Huxter, op welke wijze ik u van dienst kan zijn. Ik wensch u geluk met uw huwelijk. Het verheugt mij, dat Fanny, die zulk een goed, bekoorlijk, vriendelijk schepseltje is, een braaf man en een gentleman heeft aangetroffen, die haar gelukkig zal maken. Zeg mij nu wat ik doen kan om u te helpen.”

„Zij zegt, dat gij dat kunt, mijnheer,” zeide Huxter en nam de hand aan, die Pen hem toereikte, „en ik ben u zeer verplicht voor uwe welwillendheid. Ik wenschte, dat gij met mijn vader wildet spreken, om hem en mijne moeder, die altijd zulk eene hooge borst zet, omdat zij de dochter van een dominé is, het gebeurde mee te deelen; Fanny is van geen deftige familie, dat erken ik, en staat in opvoeding en dergelijke zaken niet met ons gelijk – maar zij is nu eene Huxter.”

„De vrouw krijgt natuurlijk den rang van haar man,” zeide Pen.

„En als zij een weinig aan den maatschappelijken omgang gewend is,” ging Huxter voort, zijn stok in den mond houdende, „zal zij zich zoo goed kunnen voordoen als het beste meisje uit Clavering. Gij moest haar eens hooren zingen en pianospelen! Dat heeft de oude Bows haar geleerd. En zij zou op het tooneel ook goed voldoen, als de ouwe zijne hand van mij aftrok; maar daar zou ik haar toch niet gaarne zien. Zij is van nature coquet, mijnheer Pendennis; dat kan zij niet helpen. Te drommel, mijnheer, ik zou durven wedden, dat er op dit oogenblik twee of drie kameraden uit het Bartholomeus-hospitaal, die ik zelf bij ons gebracht heb, bij haar zitten; zelfs Jack Linton, dien ik voor den besten hield, is even slecht als de overigen, en zij blijft maar voor hem zingen en hem lonkjes geven. Het is juist zooals Bows zegt: als er, onder twintig mannen in een vertrek, één was die geen acht op haar sloeg, zou zij niet rusten eer ook die twintigste haar het hof maakte.”

„Gij moest hare moeder bij haar nemen,” zeide Pen lachend.

„Die moet op de portiersloge passen. Zij kan ook zooveel niet met hare familie blijven omgaan als vroeger. Gij begrijpt, mijnheer, dat ik, mijn stand in aanmerking genomen, met die menschen niet verkeeren kan,” en bij die woorden bracht Huxter eene zeer onzindelijke hand aan zijne kin.

Au fait,” zeide mijnheer Pen, die zich ontzaglijk vermaakte, en van wien (natuurlijk van niemand anders ter wereld) mutato nomine dezelfde fabel verteld had kunnen worden.

Terwijl de beide heeren in het midden van dit onderhoud waren, werd er wederom aan de deur geklopt en diende zijn knecht onmiddellijk daarop mijnheer Bows aan. De oude man, wiens bleek gelaat een blos vertoonde, kwam langzaam binnen, en zijne hand beefde een weinig, toen hij die van Pen vatte. Hij hoestte en wischte zich het gelaat met zijn geruiten katoenen zakdoek af en zat daar met zijne handen op de knieën, terwijl de zon zijn kale hoofd bescheen. Pen beschouwde die eenvoudige gestalte met veel sympathie en welwillendheid. „Ook deze man heeft zijne smarten en zijne wonden,” dacht Arthur. „Ook deze man heeft zijn genie en zijn hart aan de voeten eener vrouw gelegd, die ze verachtte. De kans is hem tegengeloopen en dat wezen ginds heeft den prijs gewonnen.” Fanny’s man, tot wien aldus stilzwijgend het woord gericht werd, had ondertusschen geknipoogd tegen den ouden Bows en boorde met zijn geliefkoosden stok gaten in den vloer.

„En dus hebben wij het spel verloren, mijnheer Bows, en daar zit de gelukkige overwinnaar,” zeide Pen, den ouden man sterk aanziende.

„Daar zit de gelukkige overwinnaar, mijnheer – gelijk gij zeer juist aanmerkt.” [290]

„Gij komt zeker van mijn huis?” vroeg Huxter, die, na Bows met het ééne oog toegewenkt te hebben, Pen met een knipoogje van het andere vereerde – een wenk, waarmee hij scheen te willen zeggen: „Ingebeelde oude man – begrijp je – tot over de ooren op haar verliefd – arme oude dwaas!”

„Ja, ik ben daar geweest zoolang gij weg waart. Uwe vrouw is het, die mij u heeft nagezonden, dewijl ze zeide te vreezen, dat gij weer wat doms zoudt uitrichten – zoo iets als gij gewoon zijt, Huxter.

„Er zijn even groote gekken als ik,” bromde de jonge chirurgijn.

„Misschien wel eenigen, maar, laten wij hopen, niet veel,” zeide de oude man. „Ja, zij heeft mij u nagezonden, uit vrees, dat gij mijnheer Pendennis zoudt beleedigen en ik ben overtuigd dat zij het er voor hield, dat gij hem hare boodschap niet zoudt overbrengen, namelijk haar uitnoodiging om haar eens te komen bezoeken, en daarentegen wist zij, dat ik die opdracht zou nakomen. Heeft hij u die boodschap overgebracht, mijnheer?”

Huxter werd gloeiend rood en ontveinsde zijne verlegenheid met een vloek. Pen lachte er om, want dit tooneel begon meer en meer met zijne bittere gemoedsstemming te strooken.

„Ik ben overtuigd, dat mijnheer Huxter op het punt stond het mij mee te deelen,” zeide Arthur, „en het zal mij veel eer zijn, mijn opwachting bij zijne vrouw te maken.”

„Het is in Charterhouse Lane, boven den bakker, rechts als gij van St. John’s Street komt,” vervolgde Bows zonder het minste mededoogen. „Gij weet wel waar Smithfield is, mijnheer Pendennis? St. John’s Street loopt op Smithfield uit. Doctor Johnson is die straat menigmaal opgegaan met een pakje kopij voor het Gentleman’s Magazine. Gij letterkundige heeren zijt tegenwoordig vrij wat beter af, niet waar? Gij rijdt thans en draagt gele glacéleeren handschoenen.”

„Ik heb zooveel lofwaardige en brave menschen schipbreuk zien lijden en zooveel kwakzalvers en bedriegers zien slagen, dat gij u vergist, als gij denkt dat ik door mijn eigen geluk opgeblazen ben, oude vriend,” zeide Pen op droefgeestigen toon. „Denkt gij, dat de prijzen in het leven door de meest verdienstelijken worden weggedragen? en gelooft gij, dat de verdienste met den lagen maatstaf van den voorspoed moet worden gemeten? Gij moet de overtuiging koesteren, dat gij zoo goed zijt als ik. Ik, voor mij, heb daaraan nooit getwijfeld. Maar gij verzet u korzelig tegen de grillen der Fortuin en misgunt anderen het geluk, dat hun ten deel valt. Het is niet de eerste maal, Bows, dat gij mij onrechtvaardig beschuldigd hebt.”

„Misschien hebt gij niet geheel ongelijk, mijnheer,” zeide de oude man en wischte zijn kaal voorhoofd af. „Ik denk over mij zelven en grom; de meeste mannen doen het, wanneer zij dit onderwerp behandelen. Dit is de man, die den prijs uit de loterij gewonnen heeft; dit is de gelukkige jonge heer.”

„Ik weet niet waar gij naar toe wilt,” zeide Huxter, die niet veel van de opmerkingen, door de beide anderen gewisseld, begrepen had.

„Dat is wel mogelijk,” antwoordde Bows droogjes. „Jufvrouw Huxter heeft mij hierheen gezonden om op u te passen en te zorgen dat gij die boodschap aan mijnheer Pendennis overbracht, hetgeen gij niet gedaan hebt, zoodat ge ziet dat zij gelijk had. Dat hebben de vrouwen altijd; zij hebben steeds voor alles eene reden. Ja mijnheer,” vervolgde hij en wendde zich met een ironisch gelaat tot Pen, „zij had zelfs eene reden om mij die boodschap op te dragen! Ik zat rustig en op mijn gemak bij [291]haar, Huxter, toen gij vertrokken waart; ik van mijn kant praatte en zij zat uw overhemden te herstellen, toen onze beide jonge vrienden, Jack Linton en Bob Blades, van het Bartholomeus-hospitaal komende, binnentraden, en toen herinnerde zij zich, dat deze boodschap moest overgebracht worden. Gij behoeft u niet te haasten, want zij heeft u thuis nog niet noodig; ik weet zeker, dat die beiden nog wel twee uren zullen blijven.”

Op die tijding stond Huxter zeer ontroerd op, stak zijn stok in den zak zijner paletot en nam zijn hoed.

„Gij komt ons dus eens bezoeken, niet waar?” zeide hij tegen Pen.

„En gij zult den ouwe trachten over te halen, niet waar, mijnheer, dat ik van hier mag vertrekken en naar Clavering komen?”

„En dan belooft gij van uw kant, dat gij mij kosteloos behandelen zult, als ik ooit de Clavering ziek word, niet waar, Huxter?” antwoordde Pen goedhartig. „Ik zal alles voor u doen wat ik kan. Ik zal mejufvrouw Huxter zonder verwijl komen bezoeken, en dan zullen wij gezamenlijk overleggen wat er te doen is.”

„Ik dacht wel, dat dit hem zou wegjagen,” zeide Bows, die zich weer op zijn stoel liet neerzakken zoodra de jonge chirurgijn het vertrek verlaten had. „En het is alles waar, mijnheer – letterlijk waar. Zij wenscht, dat gij weer zult terugkomen en zendt dus haar man naar u uit. Die kleine heks weet iedereen in te nemen. Zij beproeft dat op u, op mij, op den armen Costigan, op de studenten uit het Bartholomeus-hospitaal. En indien er niemand van dien aard bij de hand is, dan past zij het toe op den ouden Duitschen bakker, die beneden woont, of coquetteert met den smerigen straatvegersjongen aan den hoek.”

„Houdt zij veel van haar man?” vroeg Pen.

„Over den smaak is niet te oordeelen,” gaf Bows ten antwoord. „Ja, zij houdt van hem, en toen zij zich dit eenmaal in het hoofd had gezet, rustte zij niet voordat zij met hem getrouwd was. Hunne geboden werden in de St.-Clementskerk afgekondigd en niemand hoorde of wist van eenig rechtmatig beletsel tegen het huwelijk. En op zekeren dag sloop zij de portiersloge uit en de knoop werd gelegd, en zij deed met haar Lothario een uitstapje naar Gravesend, terwijl zij een briefje voor mij achterliet, met verzoek om de geheele zaak eens aan hare ma uit te leggen. Heere! bewaar me! de oude vrouw wist het even goed als ik, ofschoon zij zich hield, alsof zij er geheel onkundig van was. En aldus is zij heengegaan en ben ik weer alleen. Ik mis haar, mijnheer, zooals zij over het pleintje trippelde en zangles bij mij kwam nemen; en ik heb tegenwoordig het hart niet om aan de portiersloge naar binnen te zien, die nu zonder dat kleine coquette schepseltje er zoo verlaten uitziet. Doch als een oude dwaas zit en dwaal ik rondom hare woning. Zij houdt echter alles goed in orde, herstelt Huxter’s overhemden en kleederen, bereidt zijn bescheiden maal, en zingt onder al dat werk als eene lijster. Waartoe zou het dienen, dat ik boos ware? Ik leende hun drie pond, om voor het oogenblik te kunnen rondkomen, want zij krijgen geen duit zoolang zij het niet eens zijn met den ouden heer, die morgen verwacht wordt.”

Nadat Bows vertrokken was, begaf Pen zich met den brief van Blanche en het nieuws, dat hij zoo even vernomen had, naar zijne gewone raadgeefster Laura. Het was verwonderlijk in hoeveel opzichten mijnheer Arthur, die doorgaans zijn eigen zin volgde, nu den raad van iemand anders noodig had. Hij kon ternauwernood een vest bestellen, zonder eerst het gevoelen van jufvrouw Bell in te winnen; als hij een paard wilde koopen, [292]moest hij weten hoe jufvrouw Bell er over dacht; al welke blijken van achting de slimme oude dame, bij welke jufvrouw Bell inwoonde en wier plannen met hare beschermelinge wij reeds hebben aangeduid, ten hoogste vermaakten

Arthur legde dus Blanche’s brief aan Laura over en verzocht haar, dien te verklaren. Laura was zeer ontroerd en stond met den inhoud verlegen.

„Het schijnt mij toe,” sprak zij, „alsof Blanche niet oprecht te werk ging.”

„En aan de zaak zulk eene wending tracht te geven, dat zij mij kan nemen of laten varen. Vindt ge het ook niet?”

„Ik vrees, dat wij hier met eene soort van dubbelhartigheid te doen hebben, die voor uw toekomstig geluk niet veel goeds voorspelt; en die eene slechte vergelding is, Arthur, voor uw eigene rondborstigheid en rechtschapenheid. Ik geloof, dat – neen, ik durf haast niet zeggen wat ik geloof,” zeide Laura met een hoogen blos, doch natuurlijk gaf de blozende jonge dame aan den aandrang van haar neef toe en openbaarde wat zij dacht. „Het maakt den indruk op mij, Arthur, alsof er – alsof er iemand anders in het spel ware,” zeide Laura en bloosde andermaal.

„En indien dat zoo is,” riep Arthur uit, „en ik wederom vrij ben, wil dan de beste en liefste der vrouwen –”

„Gij zijt niet vrij, waarde broeder,” zeide Laura kalm. „Gij behoort een andere toe, van wie het mij spijt, dat ik kwaad moet denken. Maar ik kan niet anders. Het is zeer vreemd, dat zij in dezen brief niet bij u aandringt haar de reden mee te deelen, waarom gij eene schikking verbroken hebt, die voor u zoo voordeelig zou zijn geweest, en dat zij de behandeling van dat onderwerp ontwijkt. Zij schijnt te schrijven alsof zij haar vaders geheim kent.”

„Ja, zij moet het kennen,” zeide Pen, en deed verslag van het gebeurde in Shepherd’s Inn, dat hij zoo even van Huxter vernomen had.

Zij heeft de ontmoeting niet op die wijze beschreven,” zeide Laura en haalde uit haar lessenaar den brief te voorschijn, in welken Blanche haar bezoek in Shepherd’s Inn verhaalde: „Weer eene teleurstelling; alleen de chevalier Strong en een vriend waren op die kamer.” Meer had Blanche niet meegedeeld. „Maar zij was verplicht haar vaders geheim te bewaren. Pen,” liet Laura er op volgen. „En toch – toch is het zeer raadselachtig.”

Het raadsel bestond hierin, dat Blanche drie weken lang na deze gewichtige ontdekking maar al te veel belangstelling voor haar dierbaarsten Arthur had aan den dag gelegd; en dat zij, zoo sterk als de zedigheid toeliet, had aangedrongen op het voltrekken der plechtigheid, die haar voor altijd tot de zijne zou maken; terwijl het thans scheen alsof er iets tusschen gekomen was, dat die plannen verstoorde, alsof Arthur in armoede niet zoo aangenaam aan Blanche was als Arthur in rijkdom en gezeteld in het parlement, – kortom alsof hieronder eenig geheim school. Eindelijk zeide Laura:

„Tunbridge Wells ligt niet ver, niet waar, Arthur? Zoudt gij niet wel doen met haar zelf eens te gaan bezoeken?”

Zij waren eene gansche week in de stad geweest, en echter had geen van beiden tot nog toe aan dien eenvoudigen maatregel gedacht! [293]