[Inhoud]

VIER EN ZEVENTIGSTE HOOFDSTUK.

Waarin men zien zal, dat Arthur liever een retourbiljet had moeten nemen.

De trein voerde Arthur maar al te snel naar Tunbridge over, ofschoon hij tijd had op dien korten tocht al de voorvallen zijns levens te herdenken en in te zien welke smartelijke gevolgen zijne zelfzucht en eigenzinnigheid hem berokkend hadden. „Nu is het uit met verwachtingen en wenschen, met romaneskheid en eerzucht!” dacht hij. „Of ik toegeef, dan of ik mij verzet, altijd ben ik even ongelukkig. Mijne moeder smeekt mij een engel te nemen, en ik weiger. Maar gesteld, ik had haar genomen, dan zou Laura, mij aldus opgedrongen, toch nooit een engel voor mij geweest zijn. Ik zou haar mijn hart niet op aansporing van een ander hebben kunnen schenken; nooit zou ik haar hebben leeren kennen zooals zij is, indien iemand anders mij hare goede eigenschappen had moeten verklaren, of op hare deugden opmerkzaam maken. Ik geef toe aan de vermaningen van mijn oom, en aanvaard, op zijne verzekeringen, Blanche, eene plaats in het parlement, rijkdom, eer en eene schitterende loopbaan; en zie, daar komt de Fortuin en berooft mijne vrouw van den bruidschat, dien ik mij in plaats van een hart had laten welgevallen. Waarom was ik niet eerlijker, of waarom ben ik niet minder eerlijk? Mijn arme oude oom zou geen bedenking gemaakt hebben Blanche’s fortuin aan te nemen, van waar dat ook afkomstig ware; hij kan de gemoedsbezwaren, die mij doen weigeren, zelfs niet begrijpen en is bitter verontwaardigd en bijna verpletterd door dien slag. Ik neem iedereen tegen mij in. Ik schijn een hulpeloos, zwak, weifelmoedig wezen, dat nergens tegen opgewassen is. Ik maak mij zelven niet gelukkig en niemand die met mij in betrekking staat. Welke zijn de vooruitzichten voor dit arme wufte meisje, dat mijn onbekenden naam zal aannemen en mijn lot deelen? Ik bezit zelfs geen eerzucht die mij kan prikkelen, geen genoegzaam gevoel van eigenwaarde om mij, en nog veel minder haar, over mijn val te troosten. Als ik een boek schreef, dat twintig drukken beleefde, zou ik zelf de eerste zijn, om met mijne reputatie den draak te steken. Al maakte ik opgang als advocaat en verzamelde ik een fortuin door getuigen af te snauwen en getuigenissen te verdraaien, is dat dan de roem, die mijne vurige begeerte zou bevredigen, of een beroep, waarin mijn leven welbesteed zou mogen heeten? Ik wenschte, dat ik die priester daar tegenover mij ware, die de oogen niet van zijn brevier heeft opgeslagen, behalve in de tunnel van Reigate, waar hij niet zien kon; of die oude heer naast hem, die over zijne courant heen hem met boosaardige oogen zit te begluren. De priester houdt zijn oogen voor de wereld gesloten, maar vestigt al zijne gedachten op het boek, dat zijn wegwijzer naar eene betere wereld is. Zijn buurman haat hem als een monster, een tiran, een vervolger, en stelt zich voor, dat er martelaars verbrand worden, en dat dit bleeke gelaat het staat te aanschouwen en door de vlammen beschenen wordt. Deze beiden koesteren geen twijfel, maar stappen, met de vracht hunner logica op de schouders, recht vooruit.

„Wilt gij het blad niet eens inzien, mijnheer?” vroeg de dikke heer op dit oogenblik (de courant bevatte juist een gloeiend artikel tegen de orde, waartoe de zwartgerokte heer, die met hen in het spoorwegrijtuig [294]zat, behoorde). Pen nam het in dank aan en zette zijne mijmeringen voort, zonder twee volzinnen van het blad te lezen.

„En zoudt gij, echter het geloof van een dier beiden, met al zijne gevolgen, willen aannemen?” dacht hij. „Ach, gij moet uw eigen last dragen, uw eigen geloof vestigen, uw eigen gedachten koesteren en uw eigen gebed opzeggen. Aan welk sterfelijk oor zou ik alles kunnen toevertrouwen, als ik dit voornemens was? of wie zou alles kunnen begrijpen? Wie kan de tekortkomingen van een ander, de gelegenheden, die hij heeft laten voorbijgaan, opsommen, wie kan de hartstochten beoordeelen, die de rede overmeesteren, de gebreken, die haar machteloos maken? – welke mate van waarheid en rechtvaardigheid is in staat zijn buurmans geest te doorgronden en zich dien duidelijk voor te stellen? – welk onbekend en vergeten voorval, welke jeugdige schrik, welke gunst of ongunst der Fortuin kan niet den geheelen loop van een leven veranderd hebben? Eene zandkorrel kan er een andere richting aan geven, eveneens als een steen er een einde aan kan maken. Wie is er, die de omstandigheden, de driften, de verzoekingen kan wegen, die voor ons te goeder of te kwader rekening zullen geschreven worden, uitgenomen Eén voor wiens ontzagwekkende wijsheid wij de knie buigen en van wiens barmhartigheid wij vrijspraak van zonden smeeken? Hiermee is het uit,” dacht Pen; „heden morgen zal de rekening mijner jeugd afgesloten worden; een ontmoedigende terugblik, helaas! eene droevige geschiedenis, waarvan ik menige bladzijde liefst niet zou herlezen! Maar wie is niet moede geworden of gevallen, wie is zonder wonden uit dien strijd gekomen?” Het hoofd van den jongeling zonk op zijne borst, en hij stortte zijn hart ootmoedig en verslagen voor dien Troon uit, op welken wijsheid en liefde en barmhartigheid voor allen zetelen, en legde er zijne bekentenis af. „Wat komt er roem of armoede op aan!” dacht hij. „Moge ik, indien ik die vrouw huw, welke ik gekozen heb, de kracht en den wil hebben om haar trouw te zijn en haar gelukkig te maken. Indien ik kinderen krijg, moge God mij leeren naar waarheid in hun midden te handelen en te spreken, en hun een eerlijken naam na te laten. Luister zal er bij mijn huwelijk niet zijn. Verdient mijn leven dien ook wel? Ik vang een nieuw tijdperk aan; de hemel geve, dat het beter moge zijn dan het afgeloopene!”

De trein hield te Tunbridge stil, terwijl Arthur zich met deze overdenkingen bezig hield. Hij gaf de courant aan zijn reisgenoot terug, van wien hij afscheid nam, terwijl de vreemde geestelijke in den tegenoverliggenden hoek nog altijd de oogen op zijn boek gevestigd hield. Pen sprong vervolgens met zijn valies in de hand het rijtuig uit, vast besloten zijne Fortuin onder de oogen te zien.

Eene vigilante bracht hem snel van het station naar Lady Clavering’s huis, en onder het rijden ontwierp Pen eene kleine toespraak aan Blanche, eene rede zoo deugdzaam, oprecht en welwillend als ooit iemand van zijn karakter en in zijn omstandigheden zou hebben kunnen houden. Zij was in hoofdzaak van den volgenden inhoud: „Blanche, ik kan uit uw laatsten brief niet opmaken wat gij bedoelt, en of mijn oprecht en eerlijk voorstel door u aangenomen wordt of niet. Ik houd het er voor, dat gij de reden kent, die mij van de wereldsche voordeelen doet afzien, welke eene verbintenis met u mij zou opleveren, en die ik geloof niet te kunnen aannemen zonder mij te onteeren. Indien gij aan mijne genegenheid twijfelt, sta ik gereed die te bewijzen. Laat Smirke ontboden worden en ons hier op staanden voet in den echt verbinden, en dan neem ik mij van ganscher harte voor, mijne gelofte te [295]houden en u mijn leven lang lief te hebben en een trouw en liefhebbend echtgenoot voor u te zijn.”

Arthur steeg uit het rijtuig en ging naar de huisdeur, waar hij een bediende ontmoette, dien hij niet kende. Deze man scheen verwonderd over de verschijning van den heer met het valies en maakte geene beweging om hem dit af te nemen. „Mylady is niet thuis, mijnheer,” zeide de knecht.

„Ik ben mijnheer Pendennis,” antwoordde Arthur. „Waar is Lightfoot?”

„Lightfoot is weg.” hernam de man. „Mylady is uit, en ik had order –”

„Ik hoor de stem van jufvrouw Amory in de zaal,” zeide Arthur. „Daar, bezorg dat valies ergens, als het u belieft,” en den knecht voorbijgaande, stapte hij rechtdoor naar het genoemde vertrek, waaruit, toen hij de deur opende, het liefelijk geluid eener melodieuse stem naar buiten drong.

Onze kleine sirene zat uit alle macht en met al hare tooverkunstjes aan de piano te zingen. De jonge heer Clavering lag, ongevoelig voor de muziek, op de sofa te slapen; doch in Blanche’s nabijheid zat een heer, in verrukking verzonken over haar zang, die van een hartstochtelijk en weemoedig karakter was.

Toen de deur openging, sprong die heer met een „hola!” op; de zangeres staakte hare muziek met een klein gilletje; Frans Clavering werd op de sofa wakker, en Arthur trad vooruit met de woorden: „Hoe? Foker hier? Hoe gaat het, Foker?” Toen hij zijn blik op de piano liet vallen, zag hij dáárop, naast jufvrouw Amory, juist zulk een purper marokijnen doosje staan als hij drie dagen geleden in Henry’s hand had gezien, toen de erfgenaam van Logwood uit een juwelierswinkel op Waterloo Place kwam. Het stond open en daarbinnen kronkelde zich, rondom een wit satijnen kussentje, o zulk een prachtige armband in de gedaante van eene slang, met een schitterenden robijnen kop en een diamanten staart!

„Hoe gaat het. Pendennis?” vroeg Foker. Blanche trok aanhoudend de schouders op en neer en gaf teekenen van nieuwsgierigheid en ontroering. Zij wierp haar zakdoek over den armband en trad toen vooruit om Pen eene hand, die sterk beefde, toe te reiken.

„Hoe vaart mijne liefste Laura?” vroeg zij. Het gelaat, dat Foker in zijn diepen rouw vertoonde – dat erg ontstelde en zoo verlegen gelaat, moet de lezer zelf zich in zijne verbeelding trachten af te schilderen, en evenzeer dat van den jongen heer Frans Clavering, die, na een uiterst veelbeteekenenden blik op de drie belangwekkende personen, slechts tijd had om schielijk uit te roepen: „Dat zal een ongemakkelijk standje geven!” en zich giggelend uit de voeten maakte.

Pen had zich tot op dat oogenblik ingehouden; doch toen hij Foker bleef aanzien, die tot achter de ooren bloosde, schoot hij in zulk een woesten en luiden lach, dat hij er Blanche meer schrik mee aanjoeg dan hij door de ernstigste houding zou gedaan hebben.

„En dus was dit het geheim? Bloos maar niet en wend u niet af, Foker, mijn beste jongen. Wel man, gij zijt een toonbeeld van getrouwheid. Zou ik mij tusschen Blanche en zulk eene standvastigheid, tusschen jufvrouw Amory en vijftien duizend pond ’s jaars kunnen plaatsen?”

Dat is het niet, mijnheer Pendennis,” zeide Blanche met groote deftigheid. „Geld, rang, goud is het niet, dat invloed op mij heeft; maar het is inderdaad standvastigheid, getrouwheid, een geheel en oprecht liefhebbend hart, hetwelk ik op prijs stel – ja, op prijs stel!” En bij die woorden wilde zij haar zakdoek gaan halen, maar herinnerde zich [296]wat daaronder lag en bleef stilstaan. „Ik ontken niet, ik ontveins niet – mijn leven is boven veinzerij verheven – dat mijn hart voor dengeen, aan wien ik het schenk, geheel moet blootliggen, – dat ik eenmaal meende u te beminnen, – ja, meende dat ik ook door u bemind werd. Dat erken ik. Wat klemde ik mij vast aan die gedachte! Wat streed en bad en smachtte ik, om dat te gelooven. Maar uw dagelijksch gedrag, uw eigen koele, hardvochtige, onvriendelijke woorden hebben mij de oogen geopend. Gij hebt het hart van een arm meisje tot uw speelbal gebruikt! Gij hebt mij minachtend het woord teruggeworpen, dat ik u verpand had! Ik heb alles, alles verhaald aan – mijnheer Foker.”

„Dat hebt gij,” zeide mijnheer Foker, met oogen waarin men zijne toewijding en overtuiging lezen kon.

„Hoe? alles?” vroeg Pen, met een veelbeteekenenden blik op Blanche. „Ik ben het zeker, die de schuld draag? Welnu, Blanche, dat zij zoo. Ik zal van uw vonnis niet in beroep komen, maar het stilzwijgend dragen. De hemel is mij tot getuige, dat ik hier kwam met geheel andere verwachtingen en met een hart, dat oprecht en vriendelijk gezind was. Ik wensch, dat gij zoo gelukkig moogt zijn met een ander, als het, op mijn woord, mijn wensch was u te maken; en ik hoop, dat mijn brave oude vriend hier eene vrouw zal hebben, zooals zijne rechtschapenheid, standvastigheid en verliefdheid die verdienen. Inderdaad, zij verdienen de achting van elke vrouw – zelfs van jufvrouw Blanche Amory. Geef mij de hand, Henry, en kijk mij zoo schuins niet aan! Heeft iemand u verteld, dat ik valsch en hardvochtig was?”

„Ik houd u voor een, –” begon Foker in zijne gramschap, maar Blanche stuitte hem.

„Geen woord, Henry! – Laten wij elkander vergiffenis schenken.”

„Gij zijt een engel; bij den hemel, gij zijt een engel!” zeide Foker, waarop Blanche als een engel haar oogen naar de kamerkroon opsloeg.

„In weerwil van het gebeurde en om den wille van het gebeurde, moet ik Arthur altijd als een broeder beschouwen,” ging de engel voort; „wij hebben elkander vele jaren gekend, dezelfde beemden betreden, te zamen dezelfde bloemen geplukt. Arthur! Henry! Ik bezweer u, geeft elkander de hand en zijt vrienden! Vergeeft elkander! – Ik vergeef u, Arthur, van ganscher harte. Zou ik dat niet doen, nu gij mij zoo gelukkig maakt?”

„Er is slechts één van ons drieën, dien ik beklaag, Blanche,” zeide Arthur ernstig, „en ik zeg nogmaals, dat ik hoop, dat gij dezen goeden, braven en loyalen jongen gelukkig zult maken.”

„Gelukkig! O hemel!” zeide Henry. Meer kon hij niet uitbrengen. Zijn geluk straalde hem uit de oogen. „Zij weet niet – zij kan niet weten hoeveel ik van haar houd, en – en wie ben ik? een ellendig ventje, en zij neemt zich mijner aan, en zegt, dat zij zal trachten mij l-l-lief te hebben! Zooveel zaligheid ben ik niet waardig. Geef mij uwe hand, ouwe jongen, daar zij u uw hardvochtig gedrag vergeeft en zegt, dat zij u nog liefheeft. Ik heet u welkom, want ik heb iedereen lief, die haar liefheeft. Bij den hemel, indien zij mij beval den grond te kussen, ik zou het doen. Zeg maar, dat ik den grond moet kussen! Ik smeek u, beveel het mij maar. O, ik heb u zoo lief Gij ziet hoe lief ik u heb!”

Blanche sloeg andermaal een engelenblik omhoog. Haar teedere boezem zwoegde. Zij strekte eene hand uit, als om Henry te zegenen, en veroorloofde hem toen, als eene vorstin, die te kussen. Vervolgens nam [297]zij haar zakdoek op en hield dien voor haar oogen, terwijl de andere blanke hand aan den armen Henry werd overgelaten, die ze schreiende drukte.

„Het moet een schelm zijn, die zulk een aanminnig schepseltje misleidt,” zeide Pen.

Blanche legde den zakdoek neer, en plaatste hand No. 2 zachtkens op Foker’s hoofd, dat over hand No. 1 gebogen was, die hij weenend kuste. „Malle jongen!” sprak zij. „Hij zal bemind worden zooals hij het verdient; wie zou zulk een onnoozel ventje niet liefhebben?”

Op dit oogenblik kwam Frans Clavering het sentimenteele trio storen.

„Zeg eens, Pendennis!”

„Wel, Frans?”

„De koetsier wil zijn geld hebben en wegrijden. Hij heeft een glas bier gehad.”

„Ik ga weer met hem mee,” zeide Pen „Vaarwel, Blanche. God zegen je, Foker, ouwe vriend! Gij zult mij toestemmen, dat geen van u beiden bijzonder op mijn gezelschap gesteld is.” Inderdaad haakte Arthur zelf naar een onverwijld vertrek.

„Wacht eens, ik moet u nog even spreken. Een enkel woordje onder vier oogen, als het u belieft,” zeide Blanche. „Gij vertrouwt ons toch te zamen wel, niet waar, Henry?” De toon, waarop zij dien naam Henry uitsprak, en die vertrouwelijke toespraak vervulde Foker met verrukking. „U vertrouwen!” zeide hij. „O, wie zou u niet vertrouwen! Ga mee, Frans, beste jongen.”

„Laten wij eene sigaar opsteken,” zeide Frans, toen zij in de vestibule waren.

„Zij heeft het niet gaarne,” zeide Foker nederig.

„Kom, gekheid! zij kan er wel tegen Pendennis rookte hier altijd,” zeide de rondborstige jonge heer.

„Ik heb maar een enkel woord te zeggen,” voegde Blanche met groote kalmte aan Pen toe, zoodra zij alleen waren. „Gij hebt mij nooit bemind, mijnheer Pendennis.”

„Ik heb u gezegd in hoeverre,” zeide Arthur. „Ik heb u nooit misleid.”

„Nu zult gij zeker wel dadelijk terugkeeren en Laura trouwen?” vervolgde Blanche.

„Is het dit, wat gij te zeggen hadt?” vroeg Pen.

„Ik weet zeker, dat gij nog dezen zelfden avond naar haar toe gaat. Dat kunt gij niet tegenspreken. Gij hebt nooit iets om mij gegeven.”

Et vous?

Et moi, c’est different. Ik ben reeds vroeg bedorven. Ik kan niet buiten de wereld, niet buiten opwekking leven. Het zou vroeger mogelijk geweest zijn, maar thans is het te laat. Indien ik geen aandoeningen kan genieten, moet ik in de wereld genieten. Gij wildet mij noch het eene, noch het andere schenken. Gij zijt blasé ten aanzien van alles, zelfs van de eerzucht. Er lag eene loopbaan voor u open, en gij hebt die niet willen betreden. Gij ziet er van af – waarom? – om eene bêtise, een dwaas gemoedsbezwaar. Waarom wildet gij die plaats in het parlement niet hebben, maar liever den puritein uithangen? Waarom weigerdet gij wat mij rechtmatig – entendez-vouz? rechtmatig – toekomt?”

„Gij weet dus alles?” vroeg Pen.

„Pas sedert eene maand. Maar ik heb het vermoed sedert dat geval te Baymouth – n’importe sedert wanneer. Het is zoogoed alsof hij nooit bestaan had, en nog kunt gij een aanzienlijke plaats in de wereld verkrijgen. Waarom zoudt gij geen zitting nemen in het parlement, van [298]uwe talenten partij trekken, en aan u zelven en uwe vrouw eene plaats in de maatschappij verschaffen? Ik neem celui-là. Il est bon. Il est riche. Il est – vous le connaissez autant que moi enfin. Denkt gij, dat ik niet liever un homme qui fera parler de moi zou hebben? Als het geheim uitlekt, ben ik riche à millions. Wat verandert dit aan mij? Het is mijne schuld niet. Het zal nooit uitkomen.”

„Gij zult Henry toch alles vertellen, niet waar?”

Je comprends. Vous refusez,” zeide Blanche gramstorig. „Ik zal het Henry ter gelegener tijd vertellen, als wij getrouwd zijn. Gij zult mij toch immers niet verraden? Gij, die het geheim van een hulpeloos meisje in uwe macht hebt, zult u niet tegen mij keeren en er gebruik van maken? S’il me plaît de le cacher, mon secret, pourquoi le donnerai-je? Je l’aime, mon pauvre père, voyez-vous. Ik zou liever met dien man, dan met ulieden, flauwe intriganten der groote wereld, leven. Ik heb behoefte aan aandoeningen – il m’en donne. Il m’écrit. Il écrit très bien, voyez-vous – comme un pirate – comme un Bohémien, – comme un homme. Ware dat niet het geval geweest, ik zou tegen mijne moeder gezegd hebben: Ma mère! quittons ce lâche mari, cette lâche société – retournons à mon père.”

„De zeeschuimer zou u even spoedig als al de overigen verveeld hebben,” zeide Pen.

Eh! Il me faut des émotions,” zeide Blanche. Pen had, in al de jaren zijner bekendheid met haar, nooit zooveel gezien en geweten als hij nu zag en vernam, ofschoon, hij meer zag dan er in werkelijkheid bestond. Want deze jonge dame was niet bij machte eenige aandoening werkelijk te ondervinden, maar had eene voorgewende geestdrift, een voorgewenden haat, eene voorgewende liefde, een voorgewend verdriet, die allen voor een oogenblik allerhevigst gloeiden en flikkerden, maar spoedig verflauwden en voor eene volgende geveinsde aandoening plaats maakten.