[Inhoud]

VIJF EN ZEVENTIGSTE HOOFDSTUK.

Handelt over huwelijken.

Aan het station te Tunbridge stond Pen zich te ergeren en te verbijten tot de aankomst van den avondtrein naar Londen, een vol half uur, dat hem wel zes uren scheen te duren; maar zelfs die oneindige tijd ging voorbij, de trein kwam aan en zette zich weer in beweging, de lichten van Londen kwamen in het gezicht, en een heer, die zijn valies in het spoorwegrijtuig vergat, snelde naar eene vigilante en zeide tegen den koetsier: „Rijd zoo hard als uwe paarden loopen kunnen naar Jermyn Street.” De koetsier, ofschoon de voerman van een „hansom,” betuigde zijn dank voor de fooi, die hem in de hand werd gestopt, en Pen vloog in het hotel de trap naar de vertrekken van Lady Rockminster op. Laura zat in de gezelschapskamer alleen en met een bleek gelaat bij het lamplicht te lezen. Dat bleeke gezicht keek op, toen Pen de deur opendeed. Mogen wij hem volgen? De groote oogenblikken in het leven zijn toch slechts oogenblikken gelijk alle andere. Uw vonnis is in één, twee woorden geveld. Een enkele blik der oogen, een bloote druk der hand – of der lippen, ofschoon deze niet kunnen spreken – kan beslissend zijn.

[299]

Nu Lady Rockminster na haar middagslaapje opstaat en zich naar haar zitvertrek begeeft, mogen wij toch wel met mylady binnentreden.

„Wel heb ik ooit – jongelui!” zijn de eerste woorden die zij spreekt, en hare kamenier kijkt nieuwsgierig over haar schouder. En wel mag zij dien uitroep doen, wel mag de kamenier groote oogen opzetten, want de jongelui „poseeren”, en Pen vertoont zich in eene houding, waarvan elke jonge dame, die dit leest, heeft hooren spreken, of die zij gezien heeft, en hoopt, of in ieder geval verdient te zien.

Kortom, zoodra Pen binnentrad, ging hij naar Laura met het bleeke gezichtje, die zelfs den tijd niet had, om uit te roepen: „Hoe? reeds zoo spoedig terug?” greep haar uitgestrekte en bevende hand juist toen zij opstond, wierp zich voor haar op de knieën en riep uit: „Ik heb haar gezien. Zij heeft zich met Henry Foker geëngageerd – en – en nu, Laura?”

De hand beantwoordt den druk der zijne, uit de oogen straalt een antwoord – op de trillende lippen zweeft een woord, maar zij blijven sprakeloos. Pen’s hoofd zinkt op den schoot van het meisje neer, en hij snikt. „Kom dierbare moeder, zegen ons,” en wederom omstrengelen hem armen, zoo teer als die van Helena.

Het is op dit oogenblik, dat Lady Rockminster binnentreedt en zegt: „Wel heb, ik ooit, – jongelui! Beck, ga de kamer uit. Wat behoeft gij uw neus hierin te steken?”

Pen springt met een zegevierenden blik op en zegt, nog altijd Laura’s hand vasthoudende: „Zij troost mij in mijn ongeluk, mevrouw.”

„Wat beteekent het, dat gij haar de hand kust? Wie weet wat gij nog meer doen zult!”

Daarop kuste Pen ook de hand van mylady en zeide op tragischen toon: „Ik ben naar Tunbridge geweest, om jufvrouw Amory te zien, en heb daar bevonden, dat – een schelm mij haar hart ontstolen heeft.”

„Is dat alles? Laagt gij daarover op uwe knieën te schreien?” vroeg de oude dame, boos wordende. „Dat nieuws hadt gij wel tot morgen kunnen bewaren.”

„Ja, een ander heeft mij den voet gelicht,” vervolgde Pen; „maar waarom zou ik hem een schelm noemen? Hij is braaf, standvastig, jong, rijk en mooi.”

„Wat praat gij toch voor onzin?” riep de oude dame uit. „Wat is er gebeurd?”

„Jufvrouw Amory heeft mij mijn ontslag gegeven en den weledelgeboren heer Henry Foker haar jawoord gegeven. Zij zat liedjes voor hem te kweelen, terwijl hij aan hare voeten lag; en sedert de laatste tien dagen waren er geschenken en geloften gewisseld. Henry was de rheumatiek der oude mevrouw Planter, die hare liefste Laura buiten het huis hield. Hij is de standvastigste en edelmoedigste man, die men zien kan. Hij heeft de predikantsplaats te Logwood aan den echtgenoot van Lady Anna beloofd en haar een prachtig huwelijksgeschenk gegeven, en daarop is hij, zoodra hij wist dat hij vrij was, naar Blanche geijld en heeft zich aan hare voeten geworpen.”

„En daar gij nu Blanche niet kunt krijgen, zult gij u met Laura vergenoegen; is het zoo niet, mijnheer?” vroeg de oude dame.

„Hij heeft edel gehandeld,” zeide Laura.

„Ik heb gehandeld zooals zij mij beval te doen,” hernam Pen; „vraag er niet naar op welke wijze, Lady Rockminster, maar ik heb het naar mijn beste weten en vermogen gedaan. Bedoelt gij, dat ik Laura niet [300]waardig ben? Dat weet ik ook en ik bid den hemel mij te verbeteren; en indien de liefde en het bijzijn van het beste en reinste wezen ter wereld dit kan doen, zal mij ten minste die hulp niet ontbreken.”

„Hm! hm!” gaf de oude dame daarop ten antwoord en zag met een tamelijk tevreden blik de jongelieden aan. „Het is alles heel wel, maar ik zou de voorkeur aan Blauwbaard gegeven hebben.”

En thans herinnerde zich Pen, ten einde het gesprek van een onderwerp af te leiden, hetwelk voor eenige der aanwezigen pijnlijk begon te worden, zijn onderhoud met Huxter dien morgen en Fanny Bolton’s aangelegenheden, die hij onder den aandrang zijner eigen zaken vergeten had. En hij vertelde aan de dames, dat Huxter Fanny tot den rang zijner vrouw verheven had en nu in doodelijken angst zat voor de komst van zijn vader. Hij beschreef dat tooneel zeer humoristisch en zorgde vooral wel te drukken op dat gedeelte van het verhaal, hetwelk Fanny’s coquetterie en onweerstaanbare begeerte om de mannen te bekoren, betrof, waarmede hij eigenlijk wilde zeggen: „Ge ziet wel, Laura, dat ik in dat vroegere geval zoo heel schuldig niet was; het meisje legde het op mij toe en ik was het, die weerstand bood. Nu ik er niet langer bij ben, wendt die kleine sirene hare kunstgrepen en verlokkingen op anderen aan. Wees dus zoo goed die gansche zaak maar uit uw hoofd te zetten, of mij zoo zacht mogelijk voor mijn afdwaling te straffen.”

Laura doorzag zeer goed in zijne levendige uiteenzetting wat hij bedoelde. „Indien gij kwaad gedaan hebt, lieve Pen, dan hebt gij er berouw over gehad, sprak zij, en gij weet,” voegde zij er met veelbeteekenende blikken en blosjes bij, „dat ik geen recht heb u daarover hard te vallen.”

„Hm!” bromde de oude lady, „ik zou toch liever Blauwbaard gehad hebben.”

„Het verledene is vergeten; de dag van morgen ligt voor ons. Ik zal mijn best doen, dien voor u gelukkig te maken, lieve Laura,” zeide Pen. Zijn hart was door het vooruitzicht van zijn geluk verootmoedigd; het werd met ontzag vervuld bij de aanschouwing van hare zachtmoedigheid en reinheid. Hij had er zijn aanstaande des te liever om, dat zij dat voorbijgaande gevoel voor Warrington bekend en haar edel hart voor hem blootgelegd had. En zij, van haar kant, dacht waarschijnlijk: „Hoe zonderling toch, dat ik ooit voor een ander man iets gevoeld heb; het ergert mij bijna, dat ik zoo weinig om hem geef en zoo weinig bedroefd ben, dat hij weg is. O, wat heb ik Arthur in deze beide laatste maanden leeren liefhebben! Ik bekommer mij om niets dan om hem; wakend en slapend denk ik aan hem: hij is altijd bij mij. En te mogen gelooven, dat hij de mijne, de mijne zal zijn en dat ik hem trouwen zal en niet zijne dienstmaagd zal behoeven te wezen, zooals ik nog heden morgen verwachtte; want ik zou Blanche op mijne knieën gesmeekt hebben, mij bij hem te laten wonen. En nu – O, het is te veel! O moeder, moeder, waart gij nu hier!” En werkelijk was het haar, alsof Helena tegenwoordig was – inderdaad bij haar, ofschoon onzichtbaar: Een lichtgloed van zaligheid straalde van haar uit. Zij ging met een anderen tred en prijkte met nieuwe schoonheid. Arthur zag die verandering in haar en de scherpe oogen der oude Lady Rockminster merkten het ook op.

„Wat zijt gij toch een sluw klein nest geweest,” fluisterde zij Laura toe, terwijl Pen opgewonden en lachende van Huxter vertelde, „en wat hebt gij uw geheim goed bewaard!”.

„Hoe kunnen wij het jonge paar helpen?” zeide Laura, want natuurlijk [301]stelde zij belang in alle jonge paren, gelijk edelaardige minnaars altijd andere minnaars liefhebben.

„Wij moeten hen gaan bezoeken,” zeide Pen.

„Natuurlijk moeten wij hen gaan bezoeken,” antwoordde Laura. „Ik zal nog heel veel van die Fanny gaan houden. Laten wij dadelijk gaan. Mag ik het rijtuig hebben, Lady Rockminster?”

„Zoudt gij nu willen gaan, kindlief? Het is al elf uur. Ik houd het er voor, dat mijnheer en jufvrouw Huxter hunne slaapmuts ophebben. En het is voor u ook tijd om naar bed te gaan. Goedennacht, mijnheer Pendennis.”

Arthur en Laura verzochten nog tien minuten uitstel.

„Dan zullen wij morgenochtend gaan Ik zal u met Martha komen afhalen.”

„Eene gravenkroon op den wagen,” zeide Pen, die er zeker zelf mee ingenomen was, „zal in Lamb Court en Smithfield groot opzien baren. Wacht even wilt gij ons helpen in eene kleine samenzwering, Lady Rockminster?”

„Wat bedoelt gij met eene samenzwering, jonge heer?”

„Zoudt gij zoo goed willen zijn, morgen een weinigje ongesteld te wezen en mij te vergunnen den ouden heer Huxter bij u te roepen, zoodra hij in de stad komt? Als hij reeds opgetogen is wanneer hij op het land bij een baronet geroepen wordt, hoeveel indruk zal dan niet eene gravin op hem maken! Wanneer hij vermurwd, wanneer hij geheel week is, zullen wij hem het geheim openbaren, het jonge paar binnenbrengen, hem zijn vaderzegen afpersen en een einde aan het kluchtspel maken.”

„Allemaal gekheid,” zeide de oude dame. „Neem uw hoed, mijnheer. Kom mee, juffer. Daar – ik kijk een anderen kant uit. Goedennacht, jongelui.” En wie weet of de oude lady, toen zij hoofdschuddende en meesmuilende aan Laura’s arm heenging, niet aan haar eigen jeugd dacht.

Vroeg in den morgen verschenen Laura en Martha volgens de gemaakte afspraak, en wij willen hopen, dat de gewenschte indruk in Lamb Court werd teweeggebracht, van waar het drietal zich naar de woning van mijnheer en mejufvrouw Samuel Huxter in Charter House Lane begaf.

De beide dames bekeken elkander met groote belangstelling en niet geringe ontroering van Fanny’s zijde. Zij had haar „voogd”, gelijk het haar behaagde Pen naar aanleiding van zijn geldgeschenk te noemen, niet gezien sedert de gebeurtenis, die haar met mijnheer Huxter vereenigd had.

„Samuel heeft mij verteld hoe vriendelijk gij geweest zijt,” sprak zij. „Gij waart altijd zeer vriendelijk, mijnheer Pendennis. En – en ik hoop dat uwe vriendin, die in Shepherd’s Inn zoo ongesteld werd, weer beter is, mevrouw.”

„Ik heet Laura,” gaf de aangesprokene blozend ten antwoord. „Ik ben – dat wil zeggen, ik was – ik meen, ik ben Arthur’s zuster; en wij zullen u altijd liefhebben, omdat gij zoo goed voor hem geweest zijt, toen hij ziek was. En wanneer wij ons op het land bevinden, hoop ik dat wij elkander zien zullen. En het zal mij altijd verheugen, Fanny, als ik hoor, dat gij gelukkig zijt.”

„Wij zijn voornemens te gaan doen, wat gij en Huxter gedaan hebt, Fanny. – Waar is Huxter? Wat woont ge hier lief! Wat eene mooie kat!”

Terwijl Fanny op deze vragen antwoordt, zegt Laura bij zich zelve: „Wel, kom aan! is dat nu het meisje, waarvoor wij allen zoo bang waren? [302]Wat heeft hij toch in haar kunnen zien? Het is geen onaardig kind, maar welke manieren! Nu, zij is zeer vriendelijk voor hem geweest; de hemel zegene haar daarvoor!”

Mijnheer Samuel was uitgegaan, om zijn vader af te wachten. Mejufvrouw Huxter verhaalde, dat de oude heer dien dag aan het Somerset-koffiehuis in het Strand zou afstappen, en bekende, dat zij van die bijeenkomst het ergste vreesde. „Wat moeten wij beginnen als zijn ouders zich aan hem onttrekken?” sprak zij. „Ik zal het mij nooit kunnen vergeven, als ik het ben, die mijn man ongelukkig maak. Wees gij onze voorspraak, mijnheer Arthur. Is iemand in staat den ouden heer Huxter te vermurwen en invloed op hem uit te oefenen, dan zijt gij het.” Blijkbaar beschouwde Fanny Pen nog altijd als een soort van hooger wezen. Toen Arthur de tragische manieren en blikken, de kleine listen, de angstvalligheid en de nuffigheden van het jonge vrouwtje opmerkte, dacht hij ongetwijfeld aan vroegere dagen. Zoodra de vreemden vertrokken waren traden de heeren Linton en Blades binnen, die natuurlijk Huxter kwamen opzoeken en eene lekkere tabakslucht uitstraalden. Zij hadden het rijtuig voor de deur van den bakker zien staan en het kroontje met eerbied aanschouwd. Zij vroegen Fanny nu wie die erge fat was, die daar juist was weggereden, en verklaarden, dat de gravin van den echten stempel was. En toen zij vernamen, dat het mijnheer Pendennis met zijne zuster was geweest, maakten zij de opmerking, dat Pen ook maar een beenafzetter tot vader had gehad en zich heel verwaand gedroeg; want zij hadden op dien avond van den kleinen twist tusschen Huxter en Pen, in de Achterkeuken, tot het gezelschap behoord.

Toen Laura en Pen door de Fleet Street naar huis reden, en Laura juist tot onuitsprekelijk vermaak van Pen verklaarde, dat Fanny er heel aardig uitzag, maar volstrekt niet mooi was – misschien was zij het, maar zij kon het niet zien – zagen zij, toen zij ten gevolge van het drukke verkeer bij Temple Bar een oogenblik moesten stilhouden, den jongen Huxter op weg naar huis. „De ouwe was gekomen en zat in het Somerset-koffiehuis; hij was in een vrij goed humeur, want hij had goede tijdingen omtrent den spoorweg; maar Huxter had niet durven spreken over – over dat geval. Zou mijnheer Pendennis het niet eens willen doen?”

Pen antwoordde, dat hij zich dadelijk naar mijnheer Huxter zou begeven, om te zien wat er gedaan kon worden. Huxter junior zou buiten blijven ronddrentelen, terwijl dat ijzingwekkende gesprek plaats had. De kroon op het rijtuig vervulde hem ook met bewondering, en zelfs de oude heer Huxter beschouwde ze met verrukking, toen hij door het venster van het koffiehuis het Strand stond te overzien, hetgeen voor hem altijd eene ware uitspanning was.

„En ik kan er nu een uitstapje afnemen, mijnheer,” zeide de oude Huxter, terwijl hij Pen de hand gaf. „Zeker weet gij het nieuws al? Onze wet is doorgegaan, mijnheer. Wij krijgen onzen zijtak, – onze aandeelen zijn gestegen, mijnheer – en wij koopen uwe drie stukken lands aan den Brawl en jagen u een aardig duitje in den zak, mijnheer Pendennis.”

„Wezenlijk? Dat is een verblijdend nieuws.” Pen herinnerde zich nu, dat er sedert drie dagen op zijne kamers in den Temple een brief van mijnheer Tatham lag, welken hij niet had geopend, daar hij het te druk had met andere zaken.

„Ik hoop niet, dat gij te rijk wordt en de praktijk neerlegt,” zeide Pen. „Wij kunnen u te Clavering niet missen, mijnheer Huxter, ofschoon [303]ik zeer goede berichten omtrent uw zoon hoor. Mijn vriend, dokter Goodenough, laat zich ten gunstigste over zijne talenten uit. Het is jammer, dat een man van uwe verdiensten in een landstadje opgesloten zit.”

„De hoofdstad zou de ware plaats voor mij geweest zijn, mijnheer,” zeide Huxter, terwijl hij zijn blik over het Strand liet weiden. „Doch men moet de gelegenheid aangrijpen, waar zij zich voordoet, en ik ben in het beroep van mijn vader opgevolgd.”

„Hetgeen ook dat van mijn vader was,” zeide Pen; „en soms wenschte ik, dat ik het ook had gekozen.”

„Gij hebt eene verhevener loopbaan betreden, mijnheer,” zeide de oude heelmeester. „Gij staat naar eene plaats in den senaat en naar letterroem. Gij voert de dichterpen, mijnheer, en verkeert in de groote wereld. Wij te Clavering houden u in het oog. Wij lezen uw naam altijd onder de gasten op de partijen van den adel. Pas dezer dagen nog maakte mijne vrouw de opmerking, hoe zonderling het was, dat gij bij zekere partij van den graaf van Kidderminster niet genoemd werdt. Aan welk lid der aristocratie mag ik vragen behoort dat rijtuig, waaruit ik u zag stijgen? Aan de gravin-douairière van Rockminster? Hoe vaart mylady?”

„Mylady is ongesteld, en toen ik hoorde, dat gij in de stad zoudt komen, heb ik haar sterk aangeraden u te laten roepen, mijnheer Huxter,” zeide Pen, en de oude Huxter gevoelde, dat, indien hij honderd stemmen voor den afgevaardigde van Clavering had mogen uitbrengen, hij ze alle aan Pen zou geschonken hebben.

„Er zit een oude vriendin van u in het rijtuig – ook eene dame van Clavering – wilt gij niet even naar buiten komen en haar spreken?” vroeg Pen. De oude chirurgijn was verrukt, dat hij midden in het volle Strand met iemand in een rijtuig, dat met eene kroon prijkte, mocht spreken, en dus kwam hij buigend en lachend naar buiten. Huxter junior, die in den omtrek zwierf en dus getuige was van het onderhoud tusschen zijn vader en Laura, zag deze laatste hare hand uitsteken, en een oogenblik later aanschouwde hij hoe zijn vader, na het wisselen van eenige weinige woorden met Pen, zelf in het rijtuig sprong en met jufvrouw Bell wegreed.

Er was geen plaats voor Arthur over, die lachend bij den jongen chirurgijn terugkwam en hem vertelde waar zijn vader heenging. Gedurende het gansche ritje prees en vleide en streelde de listige Laura den ouden heer zoo behendig, dat hij haar alles toegestaan zou hebben wat zij had willen vragen, en Lady Rockminster voltooide de overwinning door zijne bekwaamheid te prijzen en te verklaren, dat zij dringend begeerd had hem te raadplegen. Welke verschijnselen had mylady waargenomen? Zou hij consult houden met mylady’s gewonen geneesheer? Was mijnheer Jones uit de stad? Het zou hem een eer wezen, mylady naar zijn beste vermogen en ondervinding van dienst te zijn.

Hij was met zijne patiënte zoo hooglijk ingenomen, dat hij er aan zijne vrouw en familie over schreef; hij sprak tegen Samuel, toen die jonge heer zich vertoonde om een biefstuk met oestersaus te gebruiken en met zijn vader naar den schouwburg te gaan, over niets anders dan Lady Rockminster. Mylady bezat een eenvoudige deftigheid, eene voorkomende beleefdheid, eene voorname bevalligheid, die hij nog nooit bij eene andere vrouw had aangetroffen. De verschijnselen waren niet onrustbarend; hij had Spir. ammon. aromat, met een weinigje Sp. menth. pip. en oranjebloesem voorgeschreven, en meer zou er niet noodig zijn. [304]

„Jufvrouw Bell scheen op den vertrouwelijksten en vriendschappelijksten voet met mylady te staan, en zou eerlang in den echt treden. Alle jongelui moesten trouwen, zeide mylady, en de gravin verwaardigde zich naar mijn eigen familie te vragen, waarop ik u, Sam, mijn beste jongen, aan mylady noemde. Ik zal morgen terugkomen en, indien de voorgeschreven middelen de uitwerking hebben gehad, die ik er van verwacht, daarop wat Spir. lavend. comp. laten volgen en aldus mijn edele patiënte geheel opknappen. Welke schouwburg wordt het meest door de de voorname lui bezocht, hè, Sam? en naar welke uitspanning zult gij dezen avond den ouden plattelandsdokter brengen, mannetje?”

Toen mijnheer Huxter zich den volgenden dag ten twaalf uur in Jermyn Street aanmeldde, had Lady Rockminster hare kamer nog niet verlaten, maar jufvrouw Bell en mijnheer Pendennis zaten hem af te wachten. Lady Rockminster had een rustigen nacht doorgebracht en ging zeer goed vooruit. Hoe had mijnheer Huxter zich vermaakt? Was hij naar den schouwburg geweest? met zijn zoon? Wat was het een mooi stuk, wat speelde mevrouw O’Leary lief, en wat zong zij mooi! en wat een aardig mensch was die jonge Huxter! iedereen hield veel van hem en hij was een eer voor zijn stand. Hij had niet de manieren van zijn vader, dat was zeker, noch de ouderwetsche wellevendheid, die meer en meer verdween; maar een fikscher, braver jongen leefde er niet. „Hij behoorde op het land te gaan praktizeeren, mijnheer, welk besluit gij ook neemt,” zeide Arthur; „hij moest trouwen – gelijk anderen ook voornemens zijn te doen – en zich vestigen.”

„Mylady zeide gisteren juist hetzelfde, mijnheer Pendennis. Hij behoorde te trouwen. Ja, mijnheer, Sam moest trouwen.”

„De stad is vol verleiding, mijnheer,” ging Pen voort, waarop de oude heer aan mevrouw O’Leary, die houri uit Mohammed’s paradijs, dacht.

„Er is voor een jonkman geen beter behoedmiddel dan een vroegtijdig huwelijk met een braaf en lief meisje.”

„Neen, geen beter, mijnheer, geen beter.”

„En liefde gaat boven geld, niet waar?”

„Wezenlijk, dat is zoo!” zeide jufvrouw Bell.

„Met zulk eene schoone autoriteit stem ik geheel in,” zeide de oude heer met eene buiging.

„En – en indien ik u nu eens een nieuwtje te vertellen had, mijnheer,” zeide. Pen.

„God bewaar me, mijnheer Pendennis! wat bedoelt gij?” vroeg de oude heer.

„Indien ik u eens te vertellen had, dat zeker jongmensch, weggesleept door een onweerstaanbare liefde tot een mooi en allerdeugdzaamst meisje – op hetwelk iedereen verlieft – aan den aandrang van zijn verstand en zijn hart had toegegeven en in het huwelijk getreden was? Indien ik u eens vertelde, dat die man mijn vriend is, dat onze hooggeachte en in waarheid edele vriendin, de gravin-douairière van Rockminster, groot belang in hem stelt (en gij kunt zelf nagaan welke vooruitzichten een jonkman heeft, wanneer die familie hem wil voorthelpen); indien ik u meedeelde, dat gij hem kent – dat hij hier is – dat het is.…”

„Sam getrouwd! God bewaar me! mijnheer; dat wilt ge toch niet zeggen?”

„En met zulk een lief meisje, beste mijnheer Huxter!”

„Mylord is op haar verzot,” zeide Pen, bijna de eerste leugen vertellende, aan welke hij zich in den loop van dit verhaal heeft schuldig gemaakt. [305]

„Getrouwd! Is de deugniet inderdaad getrouwd?” dacht de oude heer

„Zij smeeken uwen zegen af,” zeide Pen en deed de deur open.

En binnen traden mijnheer en jufvrouw Samuel Huxter en wierpen zich voor den ouden heer op de knieën. De geknielde kleine Fanny vond genade in zijn oogen. Zij moet toch iets aantrekkelijks gehad hebben, in spijt van Laura’s oordeel.

„Ik zal het nooit weer doen, vader,” zeide Sam.

„Sta op, Sam,” zeide mijnheer Huxter; en zij stonden op en Fanny kwam telkens wat naderbij en zag er zoo lief en bedremmeld uit, dat mijnheer Huxter als onwillekeurig het meisje, dat schreide en lachte, kuste en dadelijk van haar begon te houden.

„Hoe heet gij, liefje?” vroeg hij, na een oogenblikje van die uitspanning.

„Fanny, papa,” antwoordde mejufvrouw Samuel.