[Inhoud]

NEGENDE HOOFDSTUK.

Waarin de majoor den veldtocht opent.

Degenen, die wezenlijk en oprecht belang stellen in de Londensche groote wereld en het voorrecht van eene entrée in de uitgelezenste kringen aldaar, zullen toegeven, dat majoor Pendennis zich door het offer, dat hij nu bracht, als een man van meer dan gewone edelmoedigheid en welwillendheid deed kennen. Hij verzaakte Londen in de maand Mei, – zijne nieuwsbladen en zijne ochtenden, – zijne middagen in de eene of de andere club, zijne vriendschappelijke bezoeken bij dames, zijne ritjes in het park, zijne diners, zijne plaats in de opera, zijne Zaterdags- en Zondagsuitstapjes naar Fulham of Richmond, zijne buigingen voor mylord den hertog of mylord den markies op de groote Londensche partijen en zijn naam in de Morning Post van den volgenden dag, – zijne stillere, fijnere, meer uitgezochte en heerlijke feestjes, – al deze vermaken liet hij varen, om zich op een afgelegen buitentje op te sluiten met eene eenvoudige weduwe en haar onnoozelen zoon, een zoetsappig hulpprediker en een klein meisje van tien jaar.

Hij bracht het offer, en het was des te verdienstelijker, omdat maar weinigen wisten hoe groot het was. Zijne brieven kwamen gefrankeerd uit de hoofdstad, en met een zucht toonde hij de uitnoodigingen aan Helena. Het was schoon en tragisch, hem de eene partij na de andere te zien afslaan, – althans voor degenen, die de sombere grootheid van zijne zelfverloochening konden waardeeren, – waartoe Helena niet in staat was. Hoogstens glimlachte zij over den geduchten nadruk, waarmee de majoor van het Adresboek der groote wereld sprak; doch de jonge Pen las met eerbied de groote namen, in den hoek geschreven op het adres van zijn ooms brieven, en luisterde met nooit verflauwende belangstelling en deelneming naar de verhalen van den majoor aangaande die wereld.

De oude Pendennis had duizend van die boeiende geschiedenissen in zijn welvoorzien geheugen en stortte ze, met eene welsprekendheid, die nooit faalde, in Pen’s gewillig oor uit. Hij kende den naam en den [79]stamboom van iedereen, die op de Lijst der pairs voorkwam, en ieders familiebetrekkingen. „Beste jongen,” zeide hij wel eens, met een somberen ernst en naar waarheid, „gij kunt uwe geslachtkundige studiën niet te vroeg aanvangen; ik zou u wel iederen dag in het Register der Pairs van Debrett willen zien lezen, niet zoozeer het geschiedkundige gedeelte (want, onder ons, vele van die stamboomen zijn zeer fabelachtig, en er bestaan weinige familiën, die hare afstamming zoo duidelijk kunnen aantoonen als de onze), als wel de opgave der familieverbintenissen en der onderlinge betrekkingen. Ik heb iemands vooruitzichten in het leven vernietigd gezien, omdat hij op dit belangrijke, dit allerbelangrijkste punt onkundig was. Zie, nog pas eene maand geleden, op een diner bij Lord Hobanob, begon een jonkman, die eerst kortelings onder ons opgenomen was, mijnheer Suckling (ik geloof, dat hij een werk geschreven heeft), zeer luchtig en, mijns inziens, op de meest ongepaste wijze te spreken over de handelwijze van admiraal Bowser tegenover de ministers. Maar wie denkt gij wel, dat er naast en tegenover dien mijnheer Suckling zaten? Nu, naast hem zat Lady Grampound, de dochter van Bowser, en aan zijne overzijde Lord Grampound, de schoonzoon van Bowser. De verwaande jongen bleef altijd-door zijne aardigheden ten koste van den admiraal uitkramen, en verbeeldde zich, dat iedereen met hem meelachte; maar ik laat aan uw eigen oordeel over wat Lady Hobanob – wat zeg ik? Hobanob? – wat ieder welopgevoed man moest gevoelen, toen die ellendige indringer zich aldus ten toon stelde. Die zal nooit meer in South-Street te dineeren gevraagd worden; dat verzeker ik u.”

In dier voege onderhield de majoor zijn neef als hij op het terras voor het huis zijne twee uren beweging nam, die hem voor zijne gezondheid was voorgeschreven, of wanneer zij na het diner over hun wijn zaten. Het speet hem, dat Sir Francis Clavering na zijn huwelijk niet op het park was komen wonen en daar geen middelpunt van verkeer voor de aanzienlijke lieden uit de buurt gesticht had. Hij betreurde het, dat Lord Eyrie niet buiten was, anders zou hij Pen meegenomen en aan mylord voorgesteld hebben. „Hij heeft dochters,” zeide de majoor. „Wie weet? gij hadt misschien Lady Emily of Lady Barbara Trehawk kunnen trouwen; doch al die droomen zijn voorbij; arme jongen, ge hebt al gekozen en zult er wel bij moeten blijven.”

Al wat de jonge Pendennis van dezen aard hoorde, maakte diepen indruk op hem. Het is niet zoo boeiend in druk als wanneer het mondeling verhaald wordt; maar de anekdoten van den majoor over den grooten George, over de prinsen van den bloede, over de staatslieden en de schoone en voorname dames van dien tijd, vervulden den jongen Pen met verlangen en bewondering, zoodat de gesprekken met zijn voogd, die de arme mevrouw Pendennis vreeselijk verveelden en in de war brachten, hèm nooit te langdradig waren.

Men kan niet zeggen, dat de nieuwe leidsman, leermeester en vriend van mijnheer Pen de verhevenste onderwerpen met hem besprak of de onderwerpen, waarop hij zijne keus vestigde, op de stichtelijkste wijze behandelde. Doch zijn zedelijk begrip, van welken aard het dan ook ware, bleef zich altijd gelijk. Het zou misschien niet strekken om iemand voor hiernamaals voor te bereiden; maar het was uitnemend geschikt om zijne belangen hier op aarde te bevorderen. Men moet daarbij voor oogen houden, dat de majoor geen oogenblik twijfelde, dat zijne inzichten de eenige [80]bruikbare waren en dat zijne leefwijze volkomen met deugd en fatsoen strookte. Hij was, met één woord, een man van eer, en hij hield de oogen, zooals hij dat uitdrukte, steeds goed open. Hij had medelijden met de groenheid van zijn neef en wilde hem ook de oogen openen.

Niemand ging, bij voorbeeld, wanneer hij zich ten platten lande bevond, geregelder ter kerk dan de oude heer. „In de stad komt het er zooveel niet op aan, Pen,” zeide hij, „want daar gaan de vrouwen, en de mannen mist men zoo niet. Maar wanneer een gentleman sur ses terres is, moet hij een goed voorbeeld aan de boeren geven; en als ik de wijs maar kon houden, zou ik zeker meezingen. Als de hertog van St. Davids, dien ik de eer heb te kennen, zich op het land bevindt, zingt hij altijd mee, en ik kan u verzekeren, dat het een verduiveld mooi effect maakt uit de familiebank. En hier zijt gij iemand van beteekenis. Wanneer de Clavering’s niet hier zijn, zijt gij de eerste persoon in de gemeente, die voor niemand uit den weg behoeft te gaan. Gij zoudt nog voor de stad in het parlement kunnen komen, als ge het goed wist aan te leggen. Uw arme goede vader zou er in gekomen zijn, als hij maar lang genoeg geleefd had, en dat kan met u ook gebeuren. Maar niet indien gij eene dame trouwt, waarmee de menschen hier, hoe lief zij ook is, niet in aanraking willen komen. – Nu, nu; het is een pijnlijk onderwerp! Laten wij over wat anders spreken, beste jongen,” Doch al veranderde majoor Pendennis van onderwerp, hij kwam er twintigmaal daags op terug, en de moraal van de les was altijd, dat Pen zich wegwierp. Nu zijn er niet veel vleierijen of listen noodig om een onnoozelen jongen te overtuigen, dat hij een heele held is.

Pen nam de raadgevingen van zijn oom ter harte en luisterde gretig, zooals wij zeiden, naar het praten van den bejaarden heer. De gesprekken van kapitein Costigan waren hem verre van aangenaam en de gedachte aan dien beschonken, ouden schoonvader vervulde hem met angst. Hij kon dien man, ongeschoren en naar punch riekende, niet in gezelschap met zijne moeder brengen. Zelfs over Emily begon hij te stotteren, wanneer zijn onbarmhartige voogd hem daaromtrent vragen deed. „Bezat zij talenten?” Hij was verplicht, „neen” te antwoorden. „Was zij geestig?” Ja, zij had een zeer goed dagelijksch verstand, maar dat zij geestig was, kon hij niet bepaald zeggen. „Kom, laat ons hare brieven eens zien.” Pen bekende, dat hij er niet meer bezat dan de drie, die wij reeds meegedeeld hebben, en dat dit slechts nietsbeteekenende uitnoodigingen of antwoorden waren.

Zij is voorzichtig genoeg,” merkte de majoor droogjes aan. „Zij is ouder dan gij, arme jongen!” en daarop vroeg hij met de grootste rondborstigheid en nederigheid verschooning, beriep zich op Pen’s toegevendheid en verzocht hem niet boos te wezen op zijn liefhebbenden ouden oom, die alleen de eer zijner familie op het oog had – want Arthur stond altijd op het punt om in toorn te ontvlammen, zoodra jufvrouw Costigan’s oprechtheid betwijfeld werd, en zwoer, dat hij niet lichtvaardig over haar wilde hooren spreken, en dat hij haar nooit, nooit zou verzaken.

Hij verzekerde dit herhaaldelijk aan zijn oom en zijne vrienden thuis, en ook, wij moeten het bekennen, aan jufvrouw Fotheringay en hare beminnelijke familie te Chatteries, waar hij nog altijd een gedeelte van zijn tijd ging doorbrengen. Jufvrouw Emily was onthutst toen zij van de aankomst van Pen’s voogd hoorde, en oordeelde zeer juist, dat deze [81]met vijandelijke bedoelingen ten haren opzichte kwam. „Nu zult gij mij zeker wel verlaten, nu uw voorname oom uit Londen is gekomen. Hij zal u meenemen, mijnheer Arthur, en gij zult uwe arme Emily vergeten!”

Haar vergeten! In hare tegenwoordigheid, in die van jufvrouw Rouncy, de Colombine van het tooneelgezelschap en Milly’s boezemvriendin, in tegenwoordigheid van den kapitein zelven zwoer Pen, dat hij nooit aan eenige andere vrouw dan zijne beminde jufvrouw Fotheringay zou denken; terwijl de kapitein, met een blik op zijne degens, die als eene tropee aan den muur der kamer hingen, waar hij met Pen placht te schermen, barsch zeide, dat hij niemand zou raden den spot te drijven met de genegenheid van zijne dochter, en dat hij niet kon gelooven, dat zijn dappere jonge Arthur, dien hij als zijn zoon beschouwde, dien hij zijn zoon noemde, zich ooit schuldig zou maken aan een gedrag, zoo strijdig met alle begrippen van eer en menschelijkheid.

Na dit gezegd te hebben, ging hij naar Pen en omhelsde hem. Hij schreide en veegde met eene zijner groote, onzindelijke handen zich de oogen af, terwijl hij met de andere Pen omarmde. Arthur huiverde onder die omhelzing en dacht aan zijn oom thuis. Zijn schoonvader zag er buitengemeen smerig en kaal uit, en de lucht van jenevergrog was nog sterker dan gewoonlijk. Hoe zou hij dien man en zijne moeder met elkander in gezelschap brengen? Hij sidderde bij de gedachte, dat hij aan Costigan had geschreven (ten geleide van een souverein ter leen, waaraan de waardige gentleman behoefte had), met de verklaring, dat hij zich eenmaal zijn toegenegen zoon Arthur Pendennis hoopte te onderteekenen. Hij was dien dag blij, dat hij van Chatteries, van jufvrouw Rouncy de vertrouwde, van zijn ouden beschonken schoonvader, ja van de goddelijke Emily zelve, weg kon komen. „O Emily. Emily!” riep hij bij zich zelven uit, toen hij op Rebekka’s rug naar huis rende, „weinig vermoedt gij de offers, die ik voor u breng! – voor u, die altijd zoo koel, zoo teruggetrokken, zoo wantrouwend zijt!” en daarbij dacht hij aan een zeker karakter in de werken van Pope, waarmee hij haar dikwijls onwillekeurig vergeleken had.

Pen reed nooit naar Chatteries om daar een bezoek te gaan afleggen, of de majoor ontdekte op welken tocht de jonkman was uitgeweest. Majoor Pendennis legde, getrouw aan zijn plan, zijn neef geene belemmering of hinderpaal in den weg; maar ten gevolge van Pen’s blijvend bewustzijn, dat de oude heer het oog op hem hield, en van zijne ergernis en schaamte bij de onvermijdelijke bekentenis, die hem des avonds op de eenvoudigste en natuurlijkste wijze werd afgeperst, ging hij minder dikwijls dan vóór de komst van zijn oom zijn hart aan de voeten van haar, die hem betooverd had, uitstorten. Het was nutteloos hem te willen misleiden; Arthur behoefde niet voor te wenden, dat bij bij Smirke ging dineeren, of bij Foker Grieksche treurspelen lezen; wanneer Pen van een zijner vluchtige uitstapjes terugkeerde, gevoelde hij, dat iedereen wist van waar hij kwam, zoodat hij als een misdadiger voor zijne moeder en zijn voogd verscheen, die zaten te lezen of een partijtje piket te spelen.

Toen hij eens eene halve mijl buiten het hek van de buitenplaats naar de herberg van Fairoaks gewandeld was, om met de diligence Competitor, die daar van paarden verwisselde, naar Chatteries te rijden, zag hij, dat een man boven op het rijtuig den hoed voor hem afnam: het [82]was Morgan, de knecht van zijn oom, die eene boodschap voor zijn meester ging doen en er, gelijk hij zeide, aan de buitenplaats op geklommen was. En mijnheer Morgan kwam met de Rival weer terug, zoodat Pen in beide richtingen het gezelschap van dien knecht genoot. Thuis werd er geen woord over gesproken. De knaap scheen alle betamelijke vrijheid te hebben, en echter gevoelde hij, dat hij in stilte bespied en bewaakt werd en dat er zelfs, als hij zich bij zijne Dulcinea bevond, oogen op hem rustten.

Pen’s vermoedens waren dan ook niet ongegrond en zijn oom had moeite gedaan om alle mogelijke inlichtingen omtrent den knaap en zijne belangwekkende jonge vriendin te bekomen. De vernuftige mijnheer Morgan, een vertrouwd Londensch bediende, die zeer goed wist waar hij spreken of zwijgen moest en op wien men zich volkomen kon verlaten, had zich meer dan eens naar Chatteries begeven en daar alle mogelijke nasporingen omtrent de vroegere geschiedenis en de tegenwoordige levenswijze van den kapitein en zijne dochter gedaan. Ongemerkt hoorde hij de hotelbedienden, den stalknecht en al de menschen in het buffet van den George uit, en vernam van hen alles wat zij aangaande den waardigen kapitein wisten. Men scheen daar geen grooten dunk van hem te hebben. De knechts kregen nooit eene fooi van hem, en hadden last den armen heer geen drank te schenken, wanneer anderen de betaling niet op zich namen. Hij slenterde daar lusteloos door de koffiekamer, kauwde op een tandenstoker, zag de courant eens door en bleef, als een vriend hem ten eten noodigde. Morgan hoorde in den George, dat Pen met mijnheer Foker bekend was, en wipte naar Baymouth over, om kennis met den knecht van dien heer aan te knoopen; doch de jonge student was eene zeilpartij aan de kust gaan bijwonen en zijn bediende was natuurlijk met de toiletdoos meegereisd.

Van de oppassers der officieren in de kazerne vernam mijnheer Morgan, dat de kapitein zich daar zoo dikwijls en zoo schandelijk bedronken had, dat kolonel Swallowtail hem den toegang tot de officierstafel had ontzegd. Vervolgens knoopte de onvermoeide Morgan kennis met eenige der mindere acteurs van den schouwburg aan en hoorde hen bij sigaren en punch uit, waarbij allen eenstemmig verklaarden, dat Costigan arm en kaal was, in schulden stak en zich aan den drank overgaf. Maar op den naam van jufvrouw Fotheringay kleefde geen smet; men had gehoord, dat haar vader meer dan eens zijn moed had betoond jegens personen, die zijne dochter al te vrij wilden behandelen. Zij ging nooit anders dan onder geleide van haar vader naar het tooneel; die gentleman hield in zijne beschonkenste oogenblikken de wacht over haar. En eindelijk voegde mijnheer Morgan er uit eigen waarneming bij, dat hij haar had zien spelen en er buitengewoon over voldaan was, terwijl hij haar bovendien voor een pronkjuweel van eene vrouw verklaarde.

Jufvrouw Creed, de stoelenzetster, bevestigde deze bijzonderheden aan doctor Portman, die haar persoonlijk onder handen nam en haar op zekeren dag, na den namiddagdienst, met al de straffen der Kerk bedreigde. Jufvrouw Creed kon niets ten nadeele harer inwoonster zeggen. Zij ontving niemand dan een paar dames van het tooneel. De kapitein bedronk zich wel eens en betaalde zijne huur niet altijd geregeld, maar deed dit zoodra hij geld had, of liever, jufvrouw Fotheringay deed het. Sedert de jonge heer uit Clavering les in het schermen [83]nam, waren er nog een paar uit de kazerne bijgekomen, namelijk Sir Derby Oaks en zijn jonge vriend mijnheer Foker, die altijd met zijn rijtuig uit Baymouth kwam. Maar jufvrouw F. was zelden bij die lessen tegenwoordig en kwam meestal naar beneden in de kamer van jufvrouw Creed.

De doctor en de majoor hielden raad, zooals zij dikwijls deden, en waren slechts weinig gesticht over die inlichtingen. Majoor Pendennis gaf openlijk zijne teleurstelling te kennen, en ik geloof, dat het den eerwaarden heer ook speet, dat hij geene zwakke zijde in de reputatie van de arme jufvrouw Fotheringay kon vinden.

Zelfs omtrent Pen luidden jufvrouw Creed’s berichten zoo gunstig, dat het was om er wanhopig onder te worden. „Als hij komt,” zeide jufvrouw Creed, „zorgt zij altijd, dat ik of een van de kinderen bij haar ben. „Jufvrouw Creed, jufvrouw,” zegt ze dan, „doe mij het pleizier de kamer nooit te verlaten, als die jonge heer hier is.” Dikwijls heb ik dien armen jongen zien kijken, alsof hij wenschte, dat ik weg was. Hij kwam dan ook wel onder kerktijd, als ik natuurlijk uit was; maar dan liet zij altijd een van mijne jongens bij haar komen, als haar pa niet thuis was, of den ouden heer Bows, om haar les te geven, of een der jonge dames van het tooneel.”

En dit was allemaal waar: welke aanmoediging Pen ook mocht gekregen hebben, voordat hij zijne liefde verklaard had, jufvrouw Emily gedroeg zich verwonderlijk voorzichtig, nadat dit gebeurd was; en de arme jongen matte zich vergeefs af tegen hare hopelooze ingetogenheid, die te gelijk zijn vuur gaande hield en zijne ergernis opwekte.

Met een zucht overzag de majoor den staat van zaken. „Als het maar eene tijdelijke betrekking ware,” zeide die uitmuntende man, „zou men het nog kunnen dragen. Een jongmensch moet eens aan den haal gaan; dat weet men. Maar eene eerlijke genegenheid is een ongeluk. Dat komt van die verd … romaneske denkbeelden, die de jongens inzuigen, als zij door vrouwen worden groot gebracht.”

„Vergun mij op te merken, majoor, dat gij een beetje te veel als man van de wereld spreekt,” gaf de doctor ten antwoord. „Er kan voor Pen niets wenschelijker zijn dan eene eerlijke genegenheid voor eene jonge dame van zijn eigen rang en fortuin. Zijne tegenwoordige verbinding betreur ik natuurlijk oprecht als gij. Ware ik zijn voogd, ik zou hem bevelen er van af te zien.”

„Dat zou, verzeker ik u, juist het middel zijn, om hem morgen met haar te doen trouwen. Wij hebben tijd met hem gewonnen, dat is de hoofdzaak, en wij moeten zooveel mogelijk daarvan partij trekken.”

„Hoor eens, majoor,” zeide de doctor bij het slot van het gesprek, waarin het bovengenoemde onderwerp behandeld was: „ik maak natuurlijk geen druk gebruik van den schouwburg, – maar wat zoudt gij er van zeggen, indien wij haar eens gingen zien?”

De majoor lachte; hij vertoefde reeds sinds veertien dagen op Fairoaks en had daaraan, zonderling genoeg, nog niet gedacht. „Wel waarom niet?” hernam hij. „In ieder geval is zij mijne nicht niet, maar jufvrouw Fotheringay de actrice, en wij hebben hetzelfde recht als het overige publiek om haar te gaan zien als wij ons geld neerpassen.” En zoo reden dan de beide oude heeren, op zekeren dag, toen Pen thuis zou eten en den avond bij zijne moeder doorbrengen, met het rijtuig van den doctor naar Chatteries, en dineerden daar als vroolijke jonggezellen in den George, alvorens naar den schouwburg te gaan. [84]

Er waren slechts twee andere gasten in de zaal, – een officier van het regiment, dat te Chatteries in garnizoen lag, en een jong heer, dien de doctor meende reeds elders gezien te hebben. Deze beiden bleven echter aan tafel terwijl de andere naar den schouwburg gingen. Het was weer Hamlet. Shakespeare was het elfde gebod voor den dikken, ouden doctor Portman, waarvan hij gaarne ten minste éénmaal ’s jaars openlijk getuigenis aflegde.

Wij hebben reeds vroeger de voorstelling beschreven en daarbij vermeld, dat degenen, die jufvrouw Fotheringay als Ophelia zagen optreden, haar den eenen avond letterlijk hetzelfde zagen doen als den anderen. De beide oude heeren keken met buitengewone belangstelling toe, overleggende hoezeer de jonge Pen met haar ingenomen was.

„Te drommel!” zeide de majoor binnensmonds, toen zij als naar gewoonte teruggeroepen werd en voor het dun gezaaide publiek nijgde, „de jonge schavuit heeft geene slechte keus gedaan!”

De doctor juichte haar luid en oprecht toe. „Op mijn woord,” sprak hij, „zij is eene zeer bekwame actrice, en ik moet zeggen, majoor, dat zij met groote lichamelijke bekoorlijkheden begaafd is.”

„Dat denkt die jonge officier daar in de hoekloge ook,” antwoordde majoor Pendennis en vestigde doctor Portman’s aandacht op den jongen dragonder uit de koffiekamer van den George, die in de genoemde loge zat en met de meeste geestdrift applaudiseerde. Zij zag ook, naar de majoor meende, bijzonder liefelijk naar hem op; doch dat is de gewoonte van die dames, dacht de majoor en sloot zijn sierlijken tooneelkijker, dien hij op zak stak, alsof hij dien avond niets meer wilde zien. De doctor stelde natuurlijk ook niet voor, dat zij om het nastuk zouden blijven; en dus stonden zij op en verlieten de zaal: de doctor ging naar mevrouw Portman, die ten huize van den deken op bezoek was, en de majoor wandelde in diep gepeins naar den George, waar hij een bed besproken had.