John Raffles, de groote onbekende, de schrik van Scotland Yard, de vriend der Londensche armen, wien hij reeds ontelbare millioenen van de rijken had terugbezorgd, zooals hij dat noemde, zat aan zijn vleugel te phantaseeren.
Dichtbij hem leunde Charly Brand in een gemakkelijk schommelstoeltje, met de beenen over elkaar geslagen.
Vol verrukking luisterde hij naar het wonderschoone spel en verbaasde zich over de zenuwen, welke zijn vriend moest hebben, om zoo rustig te kunnen musiceeren, hoewel hij van plan was over een half uur het huis te verlaten. Hij wilde namelijk een bankier, Felix Meijer-Wolf, wiens zaak zich in de Oxfordstreet bevond, van den inhoud van diens brandkast berooven.
Beide heeren waren in smoking, laag uitgesneden wit vest en hadden een tuberoos in het knoopsgat.
Lord Lister had zijn gouden horloge voor zich op den vleugel gelegd en keek gedurende het spel af en toe naar de vorderingen, welke de wijzers maakten.
Toen het half twaalf was, eindigde hij met een heerlijk accoord, klapte den vleugel dicht, stak het horloge bij zich en sprak:
„Het is tijd, Charly, laat ons gaan.”
Charly Brand stond op.
„Heb je het zakje met de werktuigen, die wij moeten meenemen in orde?”
John Raffles lachte zachtjes:
„Mijn werktuigen zijn altijd in orde.”
Hij haalde een gouden sigaretten-etui, dat met diamanten was versierd, te voorschijn, opende het, nam een sigaret, waar zonder hij, naar hij steeds beweerde, niet kon leven, stak ze aan met het gelaat van een kenner, en belde den kamerdienaar.
Mijnheer Joe, de oude vertrouwde, kwam binnen met pelsjas en hoogen hoed en hielp zijn meester bij het kleeden.
Met een buiging reikte hij Raffles diens kostbaren wandelstok aan, die versierd was met een massief gouden knop. Maar ook deze schijnbare weelde was niet doelloos: wanneer men op een veer drukte, verdeelde de knop zich in twee helften en daarin lagen verschillende voorwerpen, welke van groote waarde waren voor Lord Lister.
In de eerste plaats: twee sigaretten, die sterk in opium waren gedrenkt. [2]
In de tweede plaats: Een kleine stalen vijl.
In de derde plaats: Een horlogeveer-zaag.
In de vierde plaats: Een klein fleschje, gevuld met olie.
In de vijfde plaats: Een dunne stalen stang.
In de zesde plaats: Een kleine, maar bijzonder sterke nijptang.
Deze voorwerpen waren gewikkeld in zijdepapier en zoo handig gegroepeerd, dat zij de holte in den knop precies vulden.
„Heeft de Lord nog iets te bevelen?” vroeg Joe.
Raffles dacht eenige minuten na, klemde zijn monocle in zijn oog en antwoordde:
„Ik zal om drie uur weer thuis zijn. Zorg, dat de thee klaar is. Het is koud buiten.”
„Ik zal ervoor zorgen, uw Lordschap.”
De kamerdienaar maakte een buiging en verliet het vertrek.
Eenige minuten later volgden Raffles en Charly Brand.
Geen enkele der politie-agenten, welke in de Oxfordstreet patrouilleerden, lette op de beide elegant gekleede heeren, toen deze hun rijtuig verlieten, den koetsier betaalden en zich naar de deur van het bankierskantoor begaven, waarboven in het licht der straatlantarens met gouden letters prijkte:
„Felix Meijer-Wolf.
Bankier en Commissionair
Men spreekt Duitsch, Russisch, Fransch en Italiaansch.”
De agenten van politie moesten wel gelooven, dat Raffles, die zich er niet aan stoorde, dat zij zich zoo dichtbij het bankierskantoor bevonden en die de deur van het kantoor vlak voor hun oogen opensloot, dat hij de eigenaar der zaak was.
Toen de beide vrienden in de vestibule van het gebouw stonden, sprak Charly Brand:
„Dat is de grootste brutaliteit, die ik ooit heb beleefd. Op nauwelijks tien schreden afstands van de politie-agenten sluit jij de deur open.”
Zijn vriend lachte zachtjes.
„Mijn ouwe, beste Charly, jij blijft altijd dezelfde. Ik kon het niet beter verlangen, dan de onmiddellijke nabijheid van die twee agenten, toen wij hier binnentraden.
„Nu kan ik tenminste het electrische licht in het kantoor opdraaien en behoef mij niet voor den patrouilleerenden beambte te verbergen.
„Die menschen bemoeien zich altijd alleen met dat, wat men voor hen verborgen wil houden. Als voor hun oogen een moord werd gepleegd, dan zouden zij den moordenaar naar een verkeerden kant naloopen.
„Dat klinkt wel een beetje vreemd en overdreven, maar zij hebben je persoonlijk bewezen, dat het zoo is.
„Zij hebben gezien, dat ik de deur van het bankierskantoor opensloot en dat nog wel op een tijd, waarop een zakenman niets op zijn bureau te doen heeft.
„Maar zij zijn er vast van overtuigd, dat ik het volle recht heb, hier binnen te gaan en dat zij er absoluut niets mee te maken hebben, wat ik hier te zoeken heb.
„Morgen zullen zij er anders over denken, maar dat is mijn zaak niet.”
Intusschen traden zij het privé kantoor binnen van den heer Felix Meijer-Wolf, dat voorzien was van prachtige antieke mahoniehouten meubelen en waar zware Turksche tapijten lagen.
John Raffles keek om zich heen.
„De gauwdief heeft zich vorstelijk ingericht.”
„Gauwdief?” vroeg zijn vriend op verbaasden toon.
„Ja zeker, gauwdief!” herhaalde Raffles, „want de zaken, welke deze mijnheer Felix Meijer-Wolf gedurende zijn tweejarig verblijf hier in Londen drijft, zijn meer dan vies.
„Hij geeft bij voorkeur hypotheek op huizen en landerijen van Engelsche en Iersche boeren.
„Hij geeft zulke hooge hypotheken, dat het den eigenaren moeilijk valt, de rente op te brengen en hij sluit een contract met hen, dat hij hen, zoodra zij achterstallig zijn met de betaling der rente, van hun eigendom kan wegjagen.
„Mijnheer Felix Meijer-Wolf is op deze wijze de eigenaar geworden van dozijnen Engelsche en Iersche boerderijen en moet, naar ik heb gehoord, een groot vermogen daarmede hebben verworven.”
„Je kent de levensgeschiedenis van dien man tamelijk nauwkeurig. Hoe kwam je dit alles te weten?”
„Eenige maanden geleden was ik bij een kennis van mij, barones Emmerhouse, op het land.
„Op een wandelrit kwam ik toevallig op een boerderij waaruit juist de heer Felix Meijer-Wolf den eigenaar en diens familie met hulp van den deurwaarder had verjaagd.
„Ik heb toen gezien, hoe deze man optreedt en een inzameling gehouden bij mijn kennissen, waardoor ik den boer kon redden uit de klauwen van dien woekeraar.
„Een walgelijk sujet!
„Als ik aan dergelijke menschen denk, beginnen mijn [3]vingers altijd te jeuken en zou ik hem gaarne als een spin dooddrukken.
„Maar laat ons nu eens kijken, wat er zooal in het schrijfbureau van den heer Meijer-Wolf is verborgen.”
John Raffles begon met een looper de sloten van de grootste lade te openen en daarna volgden de kleinere, die zich daaronder bevonden.
Het was een gemakkelijk werk, dat slechts weinig tijd vorderde.
Doch de schrijftafel bevatte behalve onbeteekenende correspondentie niets anders dan eenige postzegels en andere waardelooze voorwerpen.
Raffles vond zelfs niets, wat als bewijs had kunnen dienen voor het misdadige optreden van den woekeraar.
Hij moest dus de brandkast, een groote stalen kast, die aan den muur stond, openbreken.
Nu moest er gewerkt worden.
De groote onbekende trok gummihandschoenen aan en verbond de electrische geleiding met het koperdraad, dat hij uit zijn zak had gehaald. Het zoodoende verkregen contact eindigde in een vernuftig samengestelde staalboor.
Deze plaatste hij dichtbij het slot en als sneeuw voor de zon verdween het staal onder de scherpe punt, welke zich, gedreven door de kracht der electriciteit, in den harden wand drong.
Binnen een half uur was het slot losgeboord en door den flinken stoot van een flink breekijzer sprong het met een knal stuk.
Groote teleurstelling stond echter op de gezichten der beide vrienden te lezen, toen zij niets dan ledige vakken voor zich zagen.
Alleen de boeken lagen in de brandkast en verder was er zelfs geen enkele banknoot te vinden.
„Jammer,” mompelde Raffles, „de schurk heft het geld op de bank. Hij is voorzichtig, de kerel. Maar ik zal in elk geval de boeken eens inzien.”
Bladzijde na bladzijde doorbladerde Lord Lister de dikke boeken en vooral de depotconto’s van den bankier interesseerden hem levendig.
Hij zag uit de boeken, dat een reeks kleine handelslieden bij den heer Felix Meijer-Wolf sommen hadden gedeponeerd tot een bedrag van 500 tot 1000 pond.
Het geheele bedrag was naar zijn schatting ongeveer een half millioen pond sterling.
„Ik mis in de boeken de een of andere aanteekening, dat de woekeraar het geld op een Bank heeft gebracht,” fluisterde hij na een poosje tot zichzelf. „Maar het geld is niet hier, waar kan hij het dan hebben?”
„Misschien bij zich aan huis,” veronderstelde Charly Brand.
„Bravo!” riep Raffles uit, „dat antwoord is niet dom, mijn jongen, ik zal morgennacht den heer Felix Meijer-Wolf in zijn woning opzoeken.
„Maar toch wil ik eerst nog eens in de schrijftafel kijken. Die komt mij buitengewoon groot en massief voor.
„Misschien verbergt dat meubel een geheim vak, waarin zich de contracten bevinden, die hij heeft gesloten met landeigenaren.”
Raffles onderzocht opnieuw de schrijftafel en stiet met een fijn pennemes tusschen de voegen van het mahoniehout.
Plotseling brak het mes af en gleed tusschen de lijst van een versiering van de deur der schrijftafel.
Dit op zichzelf onbeteekenende voorval maakte, dat Raffles’ geheele aandacht aan die plek was gewijd.
Onder de lijst van mahoniehout was de punt van het mes op metaal gestuit.
Hij kon zich niet in het geluid vergissen!
Die ijzeren laag onder het houtsnijwerk was echter iets ongewoons, zoodat de groote onbekende, toen hij het mes terugtrok, met een eigenaardig glimlachje naar de plek keek.
„Wat heb je?” vroeg Charly Brand.
„Geduld, mijn jongen,” fluisterde Raffles, „ik wil niet om drie uur thuis thee gaan drinken, als ik daar juist niet een aardige ontdekking heb gedaan.
„Geef mij de electrische lantaarn eens hier— —zoo—! Dat had ik al gedacht.
„Ik wil een konijn worden en mijn leven lang gras eten, als ik nu niet het geheime vak van den schurk heb gevonden.”
Hij zweeg en onderzocht elk plekje van het mahonie snijwerk.
Eindelijk floot hij zacht met een tevreden glimlachje.
„Ik wist het wel,” riep hij met gesmoorde stem, toen een stuk van de lijst onder zijn vingers begon te draaien en een klein sleutelgat zichtbaar werd in het nu te voorschijn komende metaal, „daar is de toegang naar de schuilplaats van den vos. Geef mij mijn werktuigen Charly, ik wil probeeren het hol uit te graven zonder iets te beschadigen.
„Het vak is niet heel groot en met breekijzer of boor zou ik den inhoud kunnen vernielen.”
Charly Brand bracht hem het taschje, waarin zich de loopers bevonden. [4]
Zijn nieuwsgierigheid was zeer geprikkeld door de ontdekking van het geheime vak.
De bankier scheen te denken, dat zijn geheim voldoende beveiligd was door het houtsnijwerk, want het slot bleek van zeer eenvoudige constructie te zijn en Raffles kon het met behulp van zijn kleinsten looper gemakkelijk open krijgen.
Lord Lister haalde het eerst een rol schrifturen te voorschijn, die met een touw waren samengebonden.
Hij sneed het touwtje door en zag, dat het de contracten waren, welke hij had gezocht.
Zonder ze eerst door te lezen stak Raffles ze in zijn bruinleeren tasch.
Daarop ontdekte hij tot zijn verbazing iets anders.
Op den bodem van het in het hout uitgesneden geheime vak schitterden in het licht der electrische lantaarn een half dozijn diamanten die in den vorm van waterdroppelen ter grootte van duiveneieren, aan een kleinen gouden ketting waren bevestigd en in veelkleurige stralen het licht weerkaatsten.
John Raffles greep naar het sieraad en liet het schitteren in het licht der electrische zaklantaarn.
Onder de diamanten lag een klein bruinleeren taschje, waaruit een eigenaardige geur straalde. Hij nam het uit het vak en opende het.
Er lag een brief in met een breeden rouwrand en met een dameshand geschreven. Raffles las:
„Mijn lieve Hetty,
Gisteren ontving ik de erfenis van oom Charly uit Calcutta. Zij bestaat uit een wonderschoon diamanten halssieraad, dat ik dolgraag voor jou, mijn lieve kind, had behouden.
Daar ik echter niet weet, hoe ik de groote schulden zal betalen, welke je vader heeft moeten maken om onze bezittingen te behouden, heb ik besloten, het sieraad te verkoopen.
Ik hoop, daar de steenen zeer veel waard zijn, nog iets te kunnen overhouden.
Schrijf mij, hoe het je gaat in het pension en groet de directrice, Miss Green, van mij.
Ik omhels je in gedachten.
Je innig bedroefde moeder.”
„Een merkwaardige brief,” sprak Raffles, hem zijn vriend overhandigend.
„In hoeverre merkwaardig?”
„Ik zou wel eens willen weten, hoe deze schurk daaraan gekomen is. Hij was immers onmogelijk voor hem bestemd. Ik vermoed, dat er een misdaad is gepleegd.”
De groote onbekende nam het couvert, waarop hij tot dusverre nog niet had gelet en las het adres:
„Miss Hetty Brown,
Londen,
Essexstreet 16.”
Peinzend bekeek hij het couvert.
„Een brief, die haar niet bereikte! Er staat helaas naar vrouwenmanier geen datum op aangegeven. Maar mijn zoogenaamd zevende zintuig zegt mij, dat hier weer eens riemen zijn gesneden uit het leer van anderen. Want wat heeft de heer Felix Meijer-Wolf met dezen brief te maken?
„Wel, ik zal mij eens met dit zaakje bezighouden.
„Het zijn prachtige steenen!”
„Wonderschoon! Hun gloed is even betooverend als de schoonheid van een vrouw,” sprak Charly vol vuur.
Spelend liet John Raffles de diamanten nog eens door zijn vingers glijden, voordat hij ze met den brief in den zak van zijn rok stak.
Daarop maakte hij zich gereed om het kantoor te verlaten.
Toen zij op straat kwamen, stond op eenigen afstand van hen een politie-agent te praten met een heer, die den kraag van zijn overjas opgeslagen en den hoed diep over het voorhoofd had getrokken.
Raffles sloot doodbedaard de deur van het huis en wandelde op zijn gemak de straat in de tegenovergestelde richting in.
Zij waren ongeveer honderd schreden verder, toen hij tot zijn secretaris en vriend sprak:
„Schrik niet. Wij worden blijkbaar achtervolgd. De man, die bij den politie-agent stond, was ongetwijfeld een detective van Scotland Yard. Hij keek zeer opvallend naar ons. Draag jij nu het taschje met de werktuigen en neem bij den volgenden hoek der straat een rijtuig. Daarin ga je naar het Victoriastation.
„Daar verlaat je het rijtuig, loopt een paar straten verder, huurt een ander rijtuig en laat je naar huis rijden.
„Maak je niet ongerust over mij. Ik ben misschien nog eerder thuis dan jij.”
Toen Raffles naast het rijtuig van Charly Brand stond, was de vervolger nog slechts eenige schreden van hem verwijderd.
Het was dezelfde persoon, dien Raffles in gesprek met den agent had gezien.
Lord Lister gaf zijn vriend een hand, toen die reeds in het rijtuig zat en riep:
„Dus morgen niet te laat op kantoor komen!”
„Goed, Mr. Meijer-Wolf,” antwoordde Charly Brand op luiden toon, opdat hun vervolger het kon hooren. [5]
Het rijtuig reed weg, Raffles keek het nog een paar seconden na, keerde zich om en ging regelrecht naar den detective toe.
Beide heeren keken elkaar met scherpen blik aan.
Raffles kende den beambte niet.
Nauwelijks was Lord Lister hem voorbijgeloopen, of de ander keerde zich om en greep hem bij den arm.
„Een oogenblikje, mijnheer, ik zou u wel eens iets willen vragen.”
John Raffles keek den detective met spottenden blik aan en ook deze glimlachte.
„Wat wenscht gij van mij?” vroeg Lord Lister kalm.
„Misschien zeer veel. Ik eisch een verklaring van u, wat gij op dit uur in de zaak van den bankier Meijer-Wolf te doen hebt.”
„Men moet niet zoo nieuwsgierig zijn, mijn waarde. Houd in de eerste plaats mijn arm niet zoo vast, alsof het een wandelstok was. Gij schijnt u te vergissen.
„Met welk recht vraagt gij mij dit?”
„Ik ben detective van Scotland Yard.”
„Dat kan iedereen wel beweren, mijn vriend, ik ken u niet.”
De detective haalde een metalen penning uit zijn zak te voorschijn, zooals elke detective dien bij zich draagt.
„Zeer aangenaam,” lachte Raffles, „dan zijn wij dus collega’s.”
Deze woorden verbaasden den detective zoodanig, dat hij den arm voor een oogenblik losliet.
Maar in het volgende oogenblik greep hij dien weer stevig vast en riep uit:
„Dat moet gij mij bewijzen!”
„Laat mijn arm dan los, collega, ik heb mijn penning in de rechterzak.”
De detective was zoo verbaasd over deze woorden, welke met vastberadenheid gesproken werden, dat hij den arm losliet.
Raffles stak de rechterhand in den zak van zijn overjas.
De detective volgde deze handbeweging met zijn oogen.
Hij wist niet, dat hier een Jiu-Jitsu-truc moest volgen, want terwijl hij naar Raffles’ rechterhand keek, hief Lord Lister zijn linkerhand op en sloeg met den vlakken kant daarvan tegen den slaap van den man, zoodat de detective zonder een kik te geven in elkaar zakte.
De straat was op dezen tijd van den dag of liever van den nacht volkomen stil en niemand had dus het voorgevallene opgemerkt.
Nauwelijks lag de detective op den grond, of Raffles boog zich over hem heen en nam uit den zak van diens overjas den ambtspenning en de gedrukte legitimatiekaart van den detective.
Daarop begaf hij zich naar de overzijde der straat en drentelde als een late wandelaar huiswaarts. [6]