[Inhoud]

TWEEDE HOOFDSTUK.

In het duistere Londen.

Raffles moest zijn weg naar huis nemen door een tamelijk berucht stadsgedeelte, bewoond door misdadigers en deernen, want hij had geen rijtuig kunnen vinden.

Hier en daar liepen de paria’s der maatschappij langs hem heen.

Uit de brandewijnkroegen weerklonk woest gezang, de gillende kreten van vrouwen en luid gelach.

Raffles lette niet op dit alles.

Hij kende deze wijk der stad.

Juist was hij een der kroegen voorbijgegaan, toen de deur open werd getrokken en een jong meisje de straat opsnelde.

Met luide stem riep zij om hulp en daar Raffles vlak bij haar was, snelde zij naar hem toe en klemde zich, smeekend om hulp, aan hem vast. Uit de brandewijnkroeg snelde eenige kerels naar buiten en riepen:

„Daar is zij! Vervloekt, wij zullen haar bont en blauw slaan!”

En met woedend geschreeuw snelden de boeven het vluchtende meisje na. (Zie titelblad.)

„Wat willen jelui, jongens?” vroeg Raffles, toen de vier kerels naderkwamen en met fonkelende oogen naar hem keken.

De kerels hadden ruwe, verloopen gezichten, zooals de echte gemeene Londensche misdadiger er uitziet.

Met een hoonlach namen zij een oogenblik den grooten onbekende op die zijn rechterarm om het jonge meisje heensloeg en de linker liet verdwijnen in den zak van zijn overjas.

„Laat mijn bruid los!” riep een der kerels.

„Ik ben zijn bruid niet,” riep het jonge meisje, „zij hebben mij meegenomen en willen mij kwaad doen. Zij hebben mij bewusteloos gemaakt en ik weet niet, waar ik ben!”

„Kanaille!” schreeuwde een der kerels, „snoer haar den mond, Jim!”

De aldus aangesprokene, dezelfde die het eerst met Raffles had gepraat, haalde een dolkmes uit zijn broekzak, liet het openspringen en sprak:

„Als je dat meisje nu niet loslaat, stoot ik je een paar duim koud staal tusschen je ribben. Denk daaraan!”

Raffles lachte.

Daarop haalde hij zijn rechterhand uit zijn zak te voorschijn en de kerels zagen, dat hij daarin een browningpistool hield.

Hij hield hun dit wapen onder den neus.

„Als gij lust hebt om van mij een peperkorrel in je verbandkist te krijgen, probeert dan maar of ge mij met uw mes kunt naderen.

Gaat uit den weg, jongens, of ik schiet jelui neer als een hoop musschen!”

Schuw als angstige honden trokken de kerels zich terug.

Raffles nam het sidderende jonge meisje en geleidde haar weg.

Verscheidene steenen werden hen nageworpen.

Hij lette er niet verder op.

Bij den hoek der volgende straat gelukte het hem, een toevallig voorbijrijdend rijtuig te huren en hiermee liet hij zich en zijn beschermelinge naar huis brengen.

Reeds in het rijtuig trachtte hij van het jonge meisje te vernemen, hoe zij in deze ellendige kroeg was gekomen.

Zij vertelde hem een merkwaardige geschiedenis.

„Ik ben een wees en was tot voor korten tijd in een goed pension. Na den dood van mijn moeder—mijn vader is reeds twee jaar geleden gestorven—was er geen geld aanwezig om het instituut, waarin ik werd opgevoed, te betalen.

Ik moest dus een betrekking zoeken en las voor eenige dagen een advertentie, waarin een familie in de Marshallstreet een jong meisje van goede familie zoekt voor de kinderen. [7]

Daar ik slechts weinig geld bezat, besloot ik, er te voet heen te gaan.

Ik ben buiten opgevoed en ken Londen dus zeer weinig.

Hier en daar vroeg ik politie-agenten naar den weg en hoopte op die manier naar de Marshallstreet te komen.

Plotseling bevond ik mij in dit stadsgedeelte.

Verloopen kerels, zooals ik ze nog nooit had gezien, liepen mij voorbij. Ik zocht overal naar den weg, maar vond dien niet.

Nergens was een agent van politie te ontdekken.

Ik wendde mij daarom tot een jongen man, gaf hem een geldstuk en verzocht hem, mij naar de Marshallstreet te brengen.

Hij verklaarde zich daartoe bereid, maar zei, dat hij eerst nog moest eten, daar het een heel eind was en als ik wilde, kon ik even met hem meegaan naar het restaurant, dat wel niet uitstekend, maar zeer goedkoop was en waar men goed eten kreeg.

Ik had honger van de verre wandeling en zonder eraan te denken, dat ik mij misschien op gevaarlijk terrein begaf, volgde ik hem in een klein lokaal, dat een walgelijken indruk op mij maakte.

Brutale en opzichtig gekleede meisjes zaten met jonge mannen aan tafeltjes, dronken en aten en spraken luid met elkaar. Mijn geleider bracht mij naar een tafeltje, waaraan, volgens zijn bewering, eenige vrienden van hem zaten.

Toen bestelde hij eten en drinken.

Ik deed hetzelfde en een half uur daarna gingen wij heen. De beide vrienden gingen met ons mee.

Zoo ging ik met de drie kerels door verschillende mij onbekende straten, toen ik mij plotseling zeer vermoeid gevoelde.

Tevergeefs trachtte ik deze vermoeidheid te overwinnen.

Wat er verder met mij is gebeurd, weet ik niet. Toen ik weer tot mijzelf kwam, lag ik in een vuile, smerige kelderruimte en had oude, gescheurde kleeren aan.

Op mijn geroep verscheen een oude, leelijke, weerzinwekkende vrouw, noemde mij „duifje” en trachtte mij gerust te stellen.

Ik zou mooie kleeren en een goede kamer hebben, als ik gehoorzaam was.

Ik wist niet wat die vreeselijke vrouw van mij wilde, totdat een uur geleden de kerels, die mij hadden meegevoerd, bij mij kwamen, mij het lokaal binnensleepten en mij de afschuwelijkste dingen vertelden.

Zij wilden mij dwingen, mij door een man, dien ik niet kende, te laten omhelzen, waarvoor hij mij een shilling wilde geven. Ik scheurde mij los, snelde de straat op en vond u.

Mijn hemel, wat moet er nu van mij terecht komen!”

„Wees niet bezorgd, juffrouw. Gij zijt bij mij in veiligheid. Het is misschien het allerbeste wat het toeval voor u had kunnen doen, dat gij mij hebt ontmoet,” sprak de groote onbekende en opende het portier van het rijtuig, dat juist voor de woning stilhield.

Charly Brand was zeer verbaasd, toen hij zijn vriend met het jonge meisje de studeerkamer zag binnentreden.

Eerst nu, in het volle licht, zag Raffles welke fijne, voorname trekken het jonge meisje had en hoe slank en goed verzorgd haar handen waren.

Hij gaf haar over aan de zorgen van de vrouw van zijn kamerdienaar, zonder haar verdere vragen te stellen en beval deze, goed voor het jonge meisje te zorgen.

Voordat hij zich ter ruste begaf, sprak hij tot Charly Brand:

„Dat was een eigenaardige nacht. Een inbraak, waaraan wij niets hebben verdiend, diamanten, die ons niet toebehooren en een jong meisje dat voor schande is gered.

Voldoende stof voor een schrijver om er een geheelen roman van te maken.” [8]