[Inhoud]

DERDE HOOFDSTUK.

Gevonden.

Den volgenden dag ging John Raffles met den brief, dien hij uit het geheime vak gestolen had, naar Essexstreet 16, om miss Hetty Brown op te zoeken.

Het was een voornaam pensionnaat, waar hij zich aanmeldde en hij werd ontvangen door een dame met een deftig uiterlijk.

„Ik kom om naar miss Brown te informeeren,” sprak Raffles. „Ik ben een verre bloedverwant van haar en zou wel voor haar willen zorgen.”

De dame zette verbaasde oogen op.

„Het doet mij leed, mijnheer, mijnheer—”

Zij had den naam niet onthouden, waaronder Raffles zich had voorgesteld en Raffles herhaalde:

„Gulden.”

De dame maakte een buiging en sprak:

„Ik dank u, Mr. Gulden! O, hoe jammer, dat gij niet een paar maanden eerder zijt gekomen! Gij schijnt nog niets te weten van het groote ongeluk, dat miss Hetty heeft getroffen!”

„Helaas neen,” antwoordde de bezoeker met een verschrikt gelaat. „Ik ben pas gisteren hier aangekomen uit Amsterdam en weet dus van niets. Miss Hetty Brown schreef mij voor eenige maanden, dat zij hier was. Ik was in dien tijd op Java en, zooals ik u zei, ik vermoed niet wat gij bedoelt.”

„Het is zeer treurig,” vertelde de lady verder, „oneindig treurig. Verbeeld u eens:

Voor ongeveer drie maanden ontving Miss Hetty bericht, dat haar moeder des nachts was gestorven aan een hartverlamming.

Het vreeselijkste echter was, dat door dien dood miss Hetty elken steun verloor en het landgoed met het kleine kasteel, dat gij natuurlijk wel kent, werd haar door de schuldeischers afgenomen.”

„Dat is zeker zeer treurig,” antwoordde Raffles, „kunt gij mij misschien het tegenwoordige adres opgeven van Miss Hetty Brown?”

„O, ja!” antwoordde de dame, „Miss Hetty vertrok naar Towerstreet 12, naar een zekeren Miss Snijder.”

Raffles stond op, boog en sprak:

„Ik dank u zeer voor de inlichtingen, Lady. Mocht ik Miss Hetty Brown vinden, dan zal ik zoo vrij zijn, haar in uw pension terug te brengen.”

„Dat zou mij veel genoegen doen.”

De Lady gaf Raffles een hand en hij verliet het pension.

Een uur later bevond hij zich op het hem aangeduide adres. Een vuil, slordig gekleed wijf deed hem open. Een walgelijke reuk van verbrand vet en vochtig waschgoed kwam hem tegemoet.

Het was een uiterst armoedig verblijf, waar Miss Hetty woonde.

„Kan ik Miss Hetty Brown spreken?” vroeg Raffles de oude vrouw.

„Wat?” riep zij met een hoonend lachje, „wilt gij Hetty spreken? Misschien betaalt gij mij haar schulden!”

„Zeker,” antwoordde Raffles, „daartoe ben ik gaarne bereid. Maar voor alles, zou ik Miss Hetty Brown gaarne spreken.”

„Dan moet gij haar zoeken. Hier is zij sinds vijf dagen niet geweest. Wie weet, waar zij beland is. Misschien zwemt haar lijk in de Theems, of zij ligt in de een of andere brandewijnkroeg en verdrinkt de centen, die zij mij schuldig is.

Een net juffertje!”

„Gij weet dus niet, waar Miss Hetty Brown is?”

„Moet ik het u nog duidelijker aan uw verstand brengen?”

„Mag ik de kamer zien, waarin de Miss heeft gewoond?”

„Zij moet mij twee dagen pension betalen. Als gij dat betaalt, kunt gij de kamer te zien krijgen.” [9]

Raffles betaalde de zes shilling, die de oude vrouw hem met begeerige oogen bijna uit de handen scheurde en werd daarna naar een donker vertrek geleid, dat op een binnenplaats uitzag.

„Hier heeft zij gewoond,” sprak het wijf, „en dat is alles wat zij bezit. Die kleine koffer daar. Veel is er niet in. Niet genoeg om een week huur te betalen. Het eenige, wat zij bezit, is een beetje linnengoed. Maar wat wilt gij eigenlijk van haar?”

„Dat gaat u niets aan,” antwoordde Raffles, „ik zal morgen terugkomen en vragen, of Miss Hetty Brown is teruggekomen. Mocht dat het geval wezen, zeg haar dan, dat zij thuis moet blijven. Een verre bloedverwant van haar is uit Calcutta teruggekomen en moet haar dringend spreken.”

Peinzend verliet Raffles het huis en in gedachten verzonken liep hij over de Towerbrug, om een middel te zoeken, hoe hij Miss Hetty Brown terug zou kunnen vinden.

Toen hij thuis kwam, overlegde hij met Charly Brand. Maar ook deze wist niet te zeggen, hoe zij het jonge meisje in de reuzenstad zouden kunnen vinden.

„Ik vrees bijna, dat zij een eind aan haar leven heeft gemaakt,” meende Raffles, „het is mij echter duidelijk geworden, dat deze mijnheer Felix Meijer-Wolf schuld is aan het ongeluk van het jonge meisje.

Ik hoorde van de directrice van het pension, dat haar moeder plotseling is gestorven aan een hartverlamming, ik veronderstel, dat zij misschien, nadat zij dezen brief heeft geschreven, ziek is geworden.

Daardoor is het schrijven niet in handen van Miss Hetty Brown gekomen.

Duivel ja! Het moet mij gelukken om het jonge meisje terug te vinden!”

Des avonds ging hij opnieuw naar Towerstreet en hoorde, dat het meisje nog steeds niet terug was gekomen.

Daar kreeg Raffles plotseling een idee.

Misschien was in het koffertje het een of ander te vinden, waaruit men kon begrijpen, waar zij te vinden was.

Zonder op de bewoonster van het huis te letten, opende Raffles het koffertje en zag, dat het gevuld was met kleine souvenirs, zooals jonge meisjes die meestal bezitten.

Er waren veel brieven en portretten bij, alle met kleine zijden lintjes samengebonden.

Een der brieven las hij.

Hij herkende bij den eersten oogopslag, dat het een brief was van de moeder aan haar dochter.

Hij legde hem op zij en nam de photo’s ter hand.

Plotseling werden zijn oogen groot van schrik en bleven rusten op een photographie, die een vrouw voorstelde met een twaalfjarig meisje.

Haastig wendde hij zich naar de kostjuffrouw en vroeg, met zijn vinger naar het twaalfjarige meisje wijzend:

„Lijkt dat portret?”

De vrouw wierp er even een blik op en antwoordde:

„Een beetje is Miss Brown wel veranderd, maar niet veel.”

Op hetzelfde oogenblik had Raffles de photo’s bij zich gestoken en zei:

„Pak alles bij elkaar, ik neem het mee!”

„Ik wil het alleen afgeven, als ik nog een week huur krijg. Ik wensch geen schade te lijden,” bromde de oude.

Raffles wierp een tien shillingstuk op tafel.

Nu begon het wijf gedienstig alles in te pakken en een kwartier later verliet Raffles met de eigendommen van het jonge meisje het huis.

In een auto reed hij naar zijn woning.

De weg duurde hem bijna te lang.

Steeds opnieuw spoorde hij den chauffeur aan en Charly Brand schrok, toen zijn vriend in de grootste opgewondenheid de kamer binnensnelde en riep:

„Breng onmiddellijk mijn beschermelinge bij mij.”

„Is er iets gebeurd?”

„Vraag niet, breng haar bij mij, zoo snel als maar mogelijk is!”

Ongeduldig klapte hij in de handen.

Charly Brand verliet de kamer en eenige minuten later kwam het jonge meisje binnen.

De rust, die zij gedurende een geheelen dag had genoten, had een ander mensch van haar gemaakt.

Met heldere oogen keek zij om zich heen, een vriendelijke glimlach speelde om haar mond en vol dankbaarheid greep zij de hand van den grooten onbekende om die te kussen.

Hij weerde haar echter af, want hij hield er niet van, eenigen dank in te oogsten.

„Een gentleman heeft de plichten van een gentleman”, was zijn zinspreuk.

Hij wees naar het door hem meegebrachte valies en de andere voorwerpen.

„Kent gij dat, Miss Hetty Brown?”

Verschrikt en verlegen keek zij hem aan.

„Hoe weet gij mijn naam?”

Nu trad Raffles naar haar toe, greep haar hand en sprak: [10]

„Mijn kind. Wij menschen zijn tegenwoordig erge spotvogels geworden en willen geen hoogere macht boven ons erkennen.

En toch verzeker ik u: Er is iets, dat hooger staat dan al ons weten en denken.

Later zult gij te weten komen, hoe geheimzinnig en vreemd de middelen waren, die de Hemel gebruikte om u te helpen.”

„Hoe komt gij aan mijn bagage?”

„Ik haalde het uit de Towerstreet no. 12.”

„Maar vanwaar weet gij mijn adres? Ik geneerde mij om het u te vertellen.”

„Van het pension in de Essexstreet 16.”

„Merkwaardig”, mompelde Miss Brown, „dat komt mij bijna bovennatuurlijk voor. Ik heb u toch niets van de Essexstreet verteld.”

„Maar uw moeder.”

„Mijn moeder? Hebt gij mijn moeder gekend?”

„Niet persoonlijk en toch ken ik haar. Ik werd haar werktuig om u te helpen. Lees dezen brief eens.”

Hij overhandigde Miss Brown den gestolen brief en deze begon te lezen.

Een zenuwachtige rilling liep langs haar gestalte en zij moest gaan zitten om den brief tot het einde te kunnen lezen.

Met vochtige oogen liet zij het papier in haar schoot zinken en sprak:

„Mijn lieve, goede moeder! Dezen brief moet zij des avonds voor haar dood aan mij geschreven hebben.”

„En hier”, vervolgde Raffles, terwijl hij zijn schrijftafel opende en de diamanten er uit nam, „is uw erfdeel.”

Met groote oogen keek Miss Brown naar de kostbare, vonkelende steenen.

„Gij zijt rijk, Miss Hetty”, sprak Raffles, „deze steenen vertegenwoordigen een groot vermogen.”

„Hoe—hoe—komt—gij—aan—de steenen?”

Raffles aarzelde een oogenblik en antwoordde toen:

„Ik vond ze bij een zekeren Felix Meijer-Wolf.”

Meijer-Wolf? Zoo heette de vreeselijke man, die mijn vader altijd geld leende en die mij per telegram de tijding zond van het overlijden mijner moeder.

Hij was juist dien morgen bij mijn moeder gekomen om zaken af te handelen en vond haar dood.”

„Ik heb mij dus niet vergist”, riep Raffles, en wisselde een blik van verstandhouding met Charly Brand. „Die man deelde u dus niets mede omtrent den brief en de erfenis?”

„Neen”, antwoordde Miss Brown, „hij zond mij alleen de schuldbekentenissen van mijn vader en zei mij, dat ik niets meer bezat en dat hij volgens de wet nu de eigenaar van onze bezittingen was geworden.

Hij gaf mij uit zijn eigen zak het benoodigde geld om mijn moeder te laten begraven.”

„Een schurk!” riep Raffles uit. „Vervloekt! Wat zijn er toch slechte menschen in de wereld!”

„Ik hield dien heer niet voor slecht, maar meende zelfs, dat ik hem dankbaar moest zijn!”

„Zoo gaat het altijd”, antwoordde Raffles. „Het is merkwaardig, dat de grootste schurken der wereld de dankbaarste vereerders der wereld hebben.”

„Heeft de bankier u de steenen voor mij gegeven?”

„Neen!” riep Raffles en hij schrok zelf over zijn eigen heftigheid, „neem mij niet kwalijk, Miss Brown, maar ik ben diep verontwaardigd over de slechtheid van dezen man tegenover een arme wees.

Deze schurk heeft u uw erfdeel ontstolen.

Hij heeft zich den brief, dien uw moeder niet meer heeft kunnen verzenden, toegeëigend en de steenen erbij.

Een bandiet!”

„O mijn hemel, hoe verschrikkelijk! Ik zou het niet gelooven, als ik den brief van mijn moeder niet in handen hield.”

„Wist gij niets van de erfenis, die u was nagelaten door een oom in Calcutta?”

Miss Brown schudde het hoofd:

„Ik wist niets met zekerheid; mijn moeder vertelde menigmaal, dat ik een rijken oom, een broer van mijn vader, in Indië had.

Ook vernam ik, dat hij was overleden.

Maar van een erfenis is mij niets bekend.

Alles komt mij zeer geheimzinnig voor.”

„Dat is het niet, maar het is de wil van de overledene, die nu nog in orde wil maken, wat zij gedurende haar leven niet heeft kunnen doen.”

„Mag ik u vragen, hoe gij aan de brieven en de steenen zijt gekomen?”

John Raffles keek Hetty een oogenblik met vasten blik aan.

Daarop sprak hij:

Ik ben Raffles!

Secondenlang heerschte een pijnlijk stilzwijgen.

Een rilling, alsof zij het koud had, doorsidderde de gestalte van het jonge meisje.

De groote onbekende sprak lachend:

„Nietwaar, Miss Brown, gij hadt u dien man anders voorgesteld?”

„Ja”, antwoordde zij, „de directrice van onze kostschool [11]vertelde ons meermalen van Raffles en waarschuwde ons voor hem als voor een afschuwelijk mensch.

Hebt gij inderdaad zooveel moorden gepleegd?”

„Met elken vinger tien”, antwoordde Lord Lister steeds lachend, „en nu ga ik u de keel afsnijden.”

„Neen”, sprak Miss Hetty, „nu geloof ik niets meer van alles wat men mij heeft verteld. Gij zijt een werkelijk goed mensch.”

„Kom, kom”, lachte Raffles, „dat zullen wij niet onderzoeken. Maar hebt gij dan nooit couranten gelezen?”

„Dat was op onze kostschool streng verboden.”

„Zoo, zoo. Als gij dat wel hadt gedaan, zoudt gij weten, dat ik moorden evenzeer verafschuw als elk verstandig mensch in de wereld.

Opdat gij echter weet, hoe ik aan de diamanten ben gekomen en hoe ik u weer in het bezit heb kunnen stellen van uw erfdeel, deel ik u mede, dat ik in denzelfden nacht, eergisteren, toen ik u uit de handen der kerels bevrijdde, eenige uren eerder bij den bankier Felix Meijer-Wolf heb ingebroken en de steenen met den brief heb gestolen.”

„Gestolen?”

„Ja”, antwoordde Raffles, zich trotsch oprichtende. „Ik ben niet gewend, mijn daden te vergoelijken, maar ik noem ze bij hun waren naam.”

Miss Brown schudde het mooie kopje.

„Ik begrijp u niet. Hoe kunt gij de diamanten gestolen hebben, als gij ze mij terug geeft?”

„Dat is juist mijn sport”, lachte Lord Lister, „ik steel bij voorkeur zulke dingen, welke men van anderen heeft gestolen en geef ze dan aan de bestolenen terug.

Stel u dus gerust omtrent het terugkrijgen uwer diamanten. Als gij het wenscht, wil ik u behulpzaam zijn om de steenen zoo voordeelig mogelijk te verkoopen, opdat gij de schulden van uw vader bij Felix Meijer-Wolf kunt betalen en tevens een flink bedrag overhouden voor uw eigen levensonderhoud.”

„Gij zijt een engel!” riep Miss Brown geroerd uit.

„Neen, neen, dat laat ik gaarne aan de dames over.

Voor alles verzoek ik u, met geen mensch over ons gesprek te praten en om naar uw oude kostschool terug te keeren.

Al het overige kunt gij aan mij overlaten.

Stel mij aan de directrice der kostschool voor als uw oom uit Indië. Ik ben reeds bij haar geweest en noemde mij van Gulden. Onthoud dien naam, Miss Brown.

Mijn vriend hier kan u nu naar uw kostschool terugbrengen en reeds over eenige uren zal ik u de opbrengst der diamanten in een tegoed op de Bank doen toekomen.

Daarna zal ik morgen met u een advocaat opzoeken, die de zaak met den bankier in orde kan maken.”

Nog voordat Miss Hetty haar innigen dank kon uitspreken, had Raffles snel de kamer verlaten en Charly Brand vergezelde het jonge meisje, nadat zij zich had gekleed, per rijtuig naar haar kostschool.

Raffles onderzocht intusschen de contracten, die hij den woekeraar afhandig had gemaakt.

Hij hoopte, dat hij de cliënten van den woekeraar kon bevoordeelen, maar hij ontdekte nu, bij nader onderzoek der contracten, dat hij ze evengoed had kunnen laten liggen.

Zij waren absoluut waardeloos, daar de door Felix Meijer-Wolf geleende gelden als hypotheek over de landerijen of huizen waren ingeschreven.

De schuld bleef in rechten bestaan.

Hij nam de papieren op en wierp ze in het vuur.

Peinzend staarde hij in de kronkelende vlammen en overlegde, hoe hij de slachtoffers van den bankier-woekeraar zou kunnen helpen.

Maar hoe hij ook peinsde, hij vond geen middel.

Een hoogere hand moest hier ingrijpen, zooals reeds zoo dikwijls in het leven van Raffles en, vertrouwend op deze geheime kracht, die hem tot dusverre steeds had geholpen, begaf hij zich ter ruste. [12]