Politie-inspecteur Baxter wilde juist een eind maken aan zijn ochtenddienst om, zooals gewoonlijk zijn lunch te gaan gebruiken in een naburig restaurant, toen de dienstdoende beambte, die eventueele bezoeken bij den inspecteur moest aandienen, hem een visitekaartje overhandigde.
Geërgerd over deze stoornis las inspecteur Baxter:
FELIX MEIJER-WOLF,
Bankier,
Oxfordstreet.
Hij mompelde den naam halfluid, zoodat detective Marholm, zijn secretaris, of, zooals hij wegens zijn lichaamsbouw door de misdadigers werd genoemd, de vloo, van zijn acten opkeek en zijn chef aanzag.
De inspecteur aarzelde nog een oogenblik. Hij was het niet met zichzelf eens, of hij zijn lunch in den steek zou laten om den bezoeker te ontvangen.
„Vraag eens, of het een dringende zaak is, Marholm”, sprak hij tot zijn secretaris.
Marholm verliet het bureau en kwam een paar seconden later terug.
„Het is zeer dringend, inspecteur, een inbraak, zooals alleen onze oude vriend, John C. Raffles—”
Met een driftige handbeweging viel inspecteur Baxter zijn secretaris in de rede:
„Wel alle duivels! Bederf mij mijn eetlust niet! Ik ben van plan, te gaan lunchen. Gij schijnt het er inderdaad op aan te leggen om mij dagelijks met dien Raffles te achtervolgen.”
„Pardon!” sprak de vloo schouderophalend.
Daarop stak hij zijn neus weer diep in de actenbundels en begon schijnbaar te werken.
Inderdaad echter zat hij innig vergenoegd voor zich heen te lachen.
Inspecteur Baxter belde.
De dienstdoende beambte trad weer binnen en de inspecteur beval:
„Breng den bankier bij mij.”
Eenige oogenblikken later trad de heer Felix Meijer-Wolf het bureau binnen.
Hij werd door de beide beambten met scherpe, onderzoekende blikken opgenomen.
De indruk, dien hij maakte, was lang niet onaangenaam.
Alleen een scherp opmerker kon ontdekken, dat de eenigszins gesluierde oogen een valsche, sluwe, roofdierachtige uitdrukking hadden en dat de volle, bruine baard, die het gelaat van den bankier omgaf, smalle lippen verborg, welke van harteloosheid en ruwheid getuigden.
„Wat wenscht gij van mij?” vroeg Baxter op afgebeten toon.
„Ik ben bestolen, heer inspecteur”, sprak Felix Meijer-Wolf, die het Engelsch met een vreemd dialect sprak, daar hij pas drie jaar geleden van Warschau naar Londen was verhuisd.
„Wanneer?”
„Gisternacht! Niets hebben zij mij achtergelaten, die schurken, alles is opengebroken.”
„Hoeveel is er gestolen?”
„Mijnheer de inspecteur, ik ben een eerlijk man en sta als zoodanig bekend bij al mijn zakenvrienden.
„Ik ben gewend om mijn geheele vermogen in mijn brandkast weg te sluiten, omdat ik niets met de Bankinstellingen te maken wil hebben.
„Ik heb altijd tegen mijzelf gezegd, dat er best een groote gauwdief op zoo’n Bank kon zijn, die mij mijn zuur verdiende ponden wegnam.
„Ik dacht heel verstandig te zijn en ben toch een ezel geweest.
„Alles is mij weggenomen, summa summarum een half millioen pond sterling. Een half millioen, denk eens aan en dan nog diamanten, zoo prachtig, dat de koningin ze zou kunnen dragen.”
Een zacht „vervloekt!” kwam van de lippen van den [13]inspecteur, toen hij hoorde, hoe verbazend groot het bedrag was, dat hier was gestolen.
„Waarom komt gij eerst nu tegen den middag om mij den diefstal te melden?”
„Ik was op reis met mijn boekhouder en ben eerst een half uur geleden teruggekomen.”
Inspecteur Baxter wendde zich tot de vloo en riep:
„De auto! En zes man moeten mij vergezellen.”
„De hemel zal het u vergelden, als gij mij mijn eigendom weer terugbezorgt. Ik heb altijd gehoord, dat mijnheer de inspecteur de verstandigste man van geheel Londen is!”
De vloo, die juist de kamer uitging, lachte voor zich heen en mompelde:
„Er zijn toch nog verstandiger koppen, zooals bijvoorbeeld John C. Raffles.”
„Hebt gij eenig vermoeden, wie de inbraak kan hebben gepleegd?” vroeg de inspecteur weer.
De heer Felix Meijer-Wolf sloeg de handen boven zijn hoofd te zamen en jammerde:
„Hoe zou ik weten, heer inspecteur, wie het geweest zijn! Als ik het wist, was ik al bij hen om te trachten, het gestolene terug te krijgen.
„Maar mijnheer de inspecteur zal hen wel weten te vinden en een armen man zijn eigendom terugbezorgen.”
„Zwijg nu maar!” riep Baxter uit, „en volg mij naar uw kantoor.”
Zonder ophouden doorjammerend en weeklagend over zijn ongeluk, volgde Felix Meijer-Wolf in de auto en vertelde zijn wedervaren aan de hen vergezellende detectives.
Na een klein half uur waren zij op de bestemde plaats.
Zoodra de inspecteur van politie de brandkast zag en de groote opening op de plaats, waar eerst het slot had gezeten, sprak hij tot zijn beambten:
„Goed werk!”
Hij kwam naderbij en stelde vast, dat de brandkast geheel leeg was.
Daarop onderzocht hij elk vak met pijnlijke nauwkeurigheid.
„Hebt gij iets gevonden?” vroeg de vloo, naderbijkomend.
„Zwijg!” bromde zijn chef, „ik heb u niets gevraagd.”
„Wat zou mijnheer de inspecteur nog kunnen vinden?” vroeg Felix Meijer-Wolf nu, „de schurken zullen wel zoo verstandig zijn geweest om niets achter te laten.”
Nu ging Baxter naar de schrijftafel.
Met kennis van zaken onderzocht hij hoe het meubel in elkaar zat en haalde plotseling uit een der vakken een klein, opgevouwen briefje te voorschijn.
Nauwelijks had hij het gelezen, of hij gooide het vloekend weer op de schrijftafel en riep uit:
„John C. Raffles!”
Marholm, de vloo, nam het stukje papier op en las:
„Tot weerziens!
John C. Raffles!”
Diepe stilte heerschte eenige oogenblikken, zooals dat meestal het geval is na een groote ontdekking.
Daarop keerde inspecteur Baxter zich naar den luidkeels lachenden Marholm en beet dezen toe:
„Gij zijt een ongeluksbode. Men zou bijna gelooven, dat gij met dien man in verbinding staat.”
„Misschien door hypnose op een afstand”, lachte detective Marholm, „en dat zou mij in ’t geheel niet onaangenaam zijn. Als ik inderdaad in eenige relatie tot hem stond, dan was ik nu een rijk man en behoefde niet van den morgen tot den avond met u ruzie te hebben.”
De democratische geest, die bij het Engelsche volk heerscht, veroorloofde Marholm, op een dergelijken toon tot zijn chef te spreken.
„Neem den toestand op!” beval inspecteur Baxter, „en houd uw laffe opmerkingen voor u!”
Detective Marholm sloeg een zijner acten op en begon vlijtig neer te schrijven, wat hem gedicteerd werd.
Het duurde bijna een half uur, eer Baxter er mee klaar was.
Daarop werd het protocol aan den heer Felix Meijer-Wolf voorgelezen en deze moest het onderteekenen.
Toen zij het kantoor verlieten, en Felix Meijer-Wolf den inspecteur tot aan de auto vergezelde, sprak hij:
„Wanneer zult gij den spitsboef te pakken hebben, heer inspecteur?”
Inspecteur Baxter was zoo verbluft door die vraag, dat hij niet wist wat hij moest antwoorden.
In zijn plaats antwoordde de vloo:
„Als Zaterdag en Zondag op één dag vallen.”
Dat begreep Felix Meijer-Wolf niet.
Voor verdere vragen had hij geen tijd, want de politie-auto reed met de detectives naar Scotland Yard terug.
Nauwelijks een kwartier later bestormden de verslaggevers der Londensche couranten het kantoor van den bankier om bijzonderheden voor hun bladen te noteeren.
Reeds om twee uur meldden de couranten: [14]
Na een pauze van twee maanden Raffles aan den arbeid! Hij opent de brandkast van den bankier Felix Meijer-Wolf en steelt meer dan een half millioen pond sterling. Waar is John C. Raffles???
Een uur nadat de couranten waren uitgekomen, las de groote onbekende reeds het sensatiebericht.
Hij floot spottend, toen hij las van het gestolen halve millioen.
„Zeg eens, Charly”, riep hij zijn vriend toe, „heb jij misschien, zonder dat ik het zag, een half millioen pond sterling in den zak gestoken?”
Zijn vriend keek hem met verbaasde blikken aan.
„Ik geloof niet, dat ik zooveel in mijn zak zou kunnen bergen.”
„Ik ook niet”, lachte Raffles, „maar lees dit artikel eens, dat is een ongekende onbeschaamdheid!”
Charly Brand nam de courant.
„Hoe is het mogelijk!” riep hij uit, Raffles het blad teruggevende.
„Heel eenvoudig! Deze man wil zaken doen met onze inbraak. De gelden, die wij van hem gestolen moeten hebben, zijn de depots van zijn cliënten. Die depots zijn nu gestolen en niet door mijnheer Felix Meijer-Wolf—neen, door ons.
„Geen enkele rechter in Engeland zal den heer Meijer-Wolf, wegens het ontbreken dezer gelden in zijn brandkast, nu ter verantwoording kunnen roepen.
„Je ziet dus, dat wij den man een grooten dienst hebben bewezen, doordat wij bij hem hebben ingebroken.”
„Maar dat is ongehoord!”
„Wel neen”, lachte Raffles, „die man bevalt mij. Maar hij moest zijn verstand voor andere dingen gebruiken dan voor deze schurkenstreken.
„Laat mij nu eens nadenken, hoe ik dezen heer kan dwarsboomen in zijn plannen en de arme deposanten weer in het bezit van hun geld kan stellen.”
Bijna een uur lang zat hij ernstig na te denken.
Toen sprong hij op en riep:
„Ik heb het gevonden, Charly! Ik las op zijn schrijftafel een brief, waarin een graaf in Italië hem verzoekt, om bij hem te komen, ten einde hypotheek te nemen op de bezittingen en wijnbergen van den graaf. Ik geloof wel te mogen aannemen, dat de schurk daarheen zal reizen en op die reis zal ik nader kennis met hem maken.
„Bovendien wil ik een artikeltje tegen hem schrijven.
„Neem het volgende stenogram eens op, vermenigvuldig het op de schrijfmachine en zend het aan alle Londensche couranten.”
Charly Brand ging aan de schrijftafel zitten en Raffles dicteerde:
„Hooggeachte Redactie!
Nadat ik zooeven uw artikel over mijn inbraak bij den bankier Felix Meijer-Wolf heb gelezen, ben ik zoo vrij, om, zooals dat altijd mijn gewoonte is, wanneer een bericht niet correct is, u mede te deelen, dat het artikel veel onwaars bevat.
Ik moet zelf toch wel het beste weten, hoe zich de zaak heeft toegedragen. Ik verklaar op mijn eerewoord als Engelsche Lord, dat in de brandkast van den heer Felix Meijer-Wolf zich niets anders bevond dan een groot failliet.
Ondanks mijn bekend goede oogen, vond ik alleen de kasboeken, verder geen penning.
Om mij schadeloos te stellen voor mijn werk, dat bovendien nachtarbeid was, welken ik dubbel bereken, nam ik uit de schrijftafel eenige diamanten mee. Dat is alles, wat ik heb gevonden.
Ik verzoek u, dit bericht op te nemen en blijf gaarne met de meeste hoogachting, uw
JOHN C. RAFFLES.”
Terwijl Charly Brand dit dictaat vermenigvuldigde, nam de groote onbekende de telefoon op en vroeg aansluiting met den heer Felix Meijer-Wolf.
Na eenige seconden was deze aan de telefoon.
„Hier agent John Smith”, sprak Raffles door de telefoon, „ik ontving hedenmorgen een brief van graaf Travesti uit Florence.”
„Wat wil de graaf?”
„Ik ken hem reeds verscheiden jaren en heb eenige zaken voor hem afgedaan in Londen. Hij schreef mij, dat hij zich met u in verbinding heeft gesteld wegens beleening van zijn wijnbergen. Hij laat u weten, dat ik hem een andere firma moet aanbevelen, als gij geen haast met de zaak maakt.”
„Ik heb hem immers geschreven, dat ik de zaak in orde zal maken.
„Misschien hebt gij gelezen, dat bij mij is ingebroken. Ik zou anders morgen reeds naar Florence vertrokken zijn. Schrijf den graaf, dat ik stellig Zaterdagavond op reis ga en Maandag te Florence zal zijn.”
„Is dat zeker?”
„Bepaald!”
„Allright!”
John Raffles hing de telefoon op en een tevreden glimlachje vloog over zijn gelaat.
Twee uur later bezorgde hij persoonlijk met Charly [15]Brand op een postkantoor in een der voorsteden de brieven voor de redacties der couranten.
Toen hij terugkeerde, sprak zijn vriend tot hem:
„Ik zal nog heden naar Florence reizen. Je kunt mij naar het station brengen.”
Niemand had bij het vertrek den grooten onbekende in diens vermomming herkend.
Hij had geheel het uiterlijk en den langen baard van een pas uit Rusland aangekomen Jood.
Zelfs de vuile kaftan ontbrak niet en als Charly Brand niet had geweten, dat het zijn vriend was, dien hij vergezelde, dan zou hij zich gegeneerd hebben om ook maar een paar passen met hem af te leggen, daar de voorbijgangers hem met spottende blikken nakeken.
Vier beambten van Scotland Yard stonden op het perron, toen Lord Lister in een coupé derde klasse, die hem naar de haven zou brengen, stapte.
Ook zij spotten met den Russischen Jood in zijn lange kaftan.
Raffles zei Charly Brand vaarwel en toen hij de opmerkingen der detectives hoorde, sprak hij:
„Die menschen hebben zeker niets beters te doen dan gekheid maken.
„Daar staan zij om John Raffles te vangen en zien het bosch niet door de boomen.
„En die noemen zich detective! Het is meer dan prachtig!
„Wel, Charly, binnen een paar dagen krijg je bericht van mij.
„Denk eraan, morgen als agent John Smith den heer Felix Meijer-Wolf op te bellen en ernaar te informeeren, of hij reeds is afgereisd.
„Dat moet je ook den volgenden dag doen en zoodra je bericht hebt, dat hij is vertrokken, moet je mij telegrafeeren onder het adres Harry Weber, hoofdtelegraafkantoor Florence: afgereisd.”
De beide vrienden wisselden nog een laatsten handdruk, daarop zette de trein zich in beweging, waarin Raffles zat, die met een bruinen, glimmenden, verbogen en ouderwetschen hoogen hoed uit het venster tot afscheid zwaaide.
Toen Charly Brand het perron verliet, schreeuwde een courantenjongen hem in de ooren:
„Nieuwste sensatiebericht! Een brief van den grooten onbekende!”
Charly Brand kocht een courant en las daarin het hem gedicteerde artikel.
Te zelfder tijd las ook inspecteur Baxter het courantenartikel en vroeg aan Marholm:
„Wat denkt gij hiervan?”
Deze las het artikel en antwoordde:
„Het zal de waarheid zijn. Ik heb tot dusverre nog nooit een leugen van Raffles gehoord.”
„Maak u gereed”, sprak de inspecteur op ontevreden toon, „en breng den bankier bij mij.”
Toen detective Marholm op het kantoor van den bankier kwam, had zich daar een aantal opgewonden deposanten verzameld, welke dringend hun geld verlangden.
De bankier stond zelf aan de kas, zwaaide met zijn armen door de lucht en schreeuwde:
„Het is een leugen, wat Raffles schrijft. Hij wil zichzelf dekken en mij totaal ruïneeren.”
Politieagenten moesten op bevel van detective Marholm de menschen naar buiten jagen en de deur werd gesloten.
In weinig woorden deelde de detective mee, dat Meijer-Wolf hem naar Scotland Yard moest volgen.
Om geen opzien te verwekken, verlieten zij het gebouw door een achterdeur en bevonden zich een half uur later bij inspecteur Baxter.
„Wat hebt gij op dit artikel te antwoorden?” vroeg hij.
Bankier Meijer-Wolf hief bezwerend zijn handen op en riep uit:
„Mijn arm moge verlammen in mijn graf, als ik u onwaarheid vertel. Alles, wat in dat artikel staat, is gelogen, er is geen woord waarheid bij. Aan de galg moest hij, die hond, die schurk, die dief van een Raffles!”
De beambte kwam, na nog eenige verdere vragen gedaan te hebben, tot de overtuiging, dat hij feitelijk, hoewel Raffles waarschijnlijk waarheid schreef, geen enkel bewijs had tegen den bankier en hij liet hem dus gaan.
„Jammer”, mompelde hij, „die man moest eigenlijk noodig een paar jaar achter de tralies!”
„Ook mijn arm moge in het graf verlammen, als hij niet een doortrapte schurk is”, voegde de vloo eraan toe.
„Volgens de wet kunnen wij hem niets bewijzen”, antwoordde de inspecteur van politie schouderophalend, „maar laat ons het verdere verloop der zaak afwachten. Raffles zal het hier zeker niet bij laten. Wij kennen hem immers.”
Detective Marholm lachte en antwoordde:
„Dat geloof ik ook.” [16]