[Inhoud]

VIJFDE HOOFDSTUK.

Een valsche gevangenname.

Bankier Meijer-Wolf was zeer tevreden over zichzelf en over zijn zaken, toen hij twee dagen na de inbraak de Engelsche Bank verliet met een credietbrief van een half millioen pond sterling, betaalbaar aan hem op de Italiaansche Bank te Triënt.

De zaak, welke hij van plan was met den graaf, een der grootste wijnbergbezitters, af te sluiten, maakte het noodig, dat hij over zulk een groot bedrag kon beschikken.

Met een voldaan lachje nam de bankier plaats in den trein, die hem naar de boot zou brengen.

Hij had niet gelet op Charly Brand, die hem sinds het vertrek van Raffles in het oog hield en die had gehoord, wat hij op de Bank had verhandeld en naast hem aan het loket had gestaan, toen hij een kaartje nam, om naar Triënt te reizen.

Nauwelijks was de bankier vertrokken, of Charly Brand verzond het volgende telegram:

Harry Weber,
hoofdtelegraafkantoor,
Florence.

Afgereisd. Credietbrief op Italiaansche Bank Triënt over een half millioen pond sterling. Groeten.

CHARLY.”

Het eerste, wat de heer Felix Meijer-Wolf te Triënt deed, was, naar de Bank te gaan om zijn geld op te nemen.

Hij vertrouwde geen enkele financieele instelling.

Hij koesterde wantrouwen tegen iedereen, behalve tegen zichzelf.

Het was tegen tien uur in den morgen, en het was in het gebouw van de Bank bij de kas tamelijk vol publiek.

Meijer-Wolf had geen haast.

Hij ging zitten en begon een courant te lezen.

Op eenigen afstand van hem deed een heer hetzelfde.

De bankier merkte op, dat de vreemdeling hem af en toe aankeek.

„Het zal waarschijnlijk een detective van de Bank zijn”, dacht Meijer-Wolf.

Eindelijk stond hij op, en daar alle klanten geholpen waren, begaf hij zich als allerlaatste naar den kassier.

Hij overhandigde den credietbrief van de Engelsche Bank.

De courantenlezer hoorde, dat de kassier zei:

„Wenscht gij het geheele bedrag op te nemen?”

„Ja”, antwoordde de heer Felix Meijer-Wolf.

„Dat is lichtzinnig van u. Gij kunt uw betalingen ook doen in chèques op onze Bank.”

„Ik ben gewend, groote sommen bij mij te dragen. Betaal mij het bedrag uit in banknoten van duizend lire.”

Het waren twee lijvige pakken banknoten, die de bankier in zijn leeren handtasch, die hij had meegebracht, wegsloot, nadat hij ze eerst nauwkeurig had nageteld.

Toen hij de Bank verliet, voelde hij weer de oogen van den naar zijn meening vermoedelijken detective op zich rusten.

De bankier begaf zich nu naar het station om te informeeren, wanneer de eerstvolgende trein naar Ala vertrok.

Daar zou hij den eigenaar der wijnbergen, den Italiaanschen graaf, ontmoeten.

Hij vernam, dat hij nog vier uur moest wachten en overlegde bij zichzelf, wat hij in dien tijd zou doen.

De woorden van den kassier hadden hem een beetje zenuwachtig gemaakt.

Hij zag opeens in elken Italiaan, die dichtbij hem stond, een dief, die op zijn geld loerde.

Misschien was het toch beter, een schikking te treffen [17]met de Bank en het geld in te wisselen voor chèques. Maar zijn gierigheid stond hem in den weg.

Hij wilde de paar procent niet betalen, welke de Bank berekende voor het bewaren van het geld.

Daarenboven vertrouwde hij de Bank niet. Vooral Italiaansche Banken waren hem niet veilig genoeg.

Het zou dus toch het beste zijn, om het geld in de tasch bij zich te houden. Niemand wist immers, dat hij zulk een groot bedrag bij zich had.

Hij verliet het station en wandelde langzaam naar de stad.

Het was zeer warm en daar Mr. Meijer-Wolf een barbierswinkel voorbijkwam, besloot hij, omdat zijn haar en baard een schaar dringend noodig hadden, ze te laten knippen.

De Italiaansche barbiers waren goedkooper dan de Londensche. Dat was dus weer een klein voordeeltje voor hem. Hij kende weliswaar niet genoeg Italiaansch om zich vloeiend te kunnen uitdrukken, maar hij veronderstelde, dat men hem toch zou begrijpen.

De barbier, die korten tijd geleden uit Napels naar Triënt was gekomen, begreep dat, wat de heer Felix Meijer-Wolf wenschte, echter in ’t geheel niet.

De bankier moest het hem door allerlei gebaren duidelijk maken en, terwijl hij met twee vingers een knipbeweging maakte, wees hij naar zijn lange haren.

Een lachje gleed nu over het gelaat van den barbier, ten teeken, dat hij den vreemdeling had begrepen.

De heer Felix Meijer-Wolf nam dus plaats; de collega van den beroemden meester uit Sevilla nam kam en schaar, kamde met groote handigheid den baard uit en met nog grootere snelheid knipte hij in het lang neergolvende haar, zoodat tot grooten schrik van Felix Meijer-Wolf bijna de helft van den baard op den grond viel.

Met een kreet van verontwaardiging duwde hij den barbier achteruit.

Een stroom van scheldwoorden eenerzijds en een vloed van Italiaansche verontschuldigingen anderzijds volgde.

Mr. Meijer-Wolf zag er afschuwelijk uit.

De haarkunstenaar maakte hem duidelijk, dat hij met zulk een baard zich niet op straat kon vertoonen en Mr. Meijer-Wolf zag in, dat de barbier volkomen gelijk had.

Er bleef hem niets anders over dan zich verder toe te vertrouwen aan den haarartist.

Met een klein puntbaardje verliet de bankier eindelijk den barbier en hij was volkomen onkenbaar geworden.

Op straat liep hij bijna tegen een heer aan, in wien hij dadelijk den vermeenden detective herkende.

Deze zette een verbaasd gezicht en toen hij verder ging, vloog een eigenaardig glimlachje over zijn gelaat.

Toen de bankier over het groote stationsplein naar een hotel liep om daar te gaan dineeren, woei er een koude wind, die van de bergen kwam en plotseling voelde hij hevige kiespijn.

Daarom besloot hij naar de naastbijzijnde apotheek te gaan om chloroform te halen.

De apotheker vertelde hem, dat hij dit middel niet zonder een doktersrecept mocht verkoopen, en hij gaf hem het adres van een dokter, die dichtbij woonde.

Nadat de bankier den dokter had uitgelegd, wat hij wenschte, schreef deze hem het geneesmiddel voor.

Meijer-Wolf ergerde zich over den onbeschaamden prijs, dien de dokter vroeg, maar de kies hinderde hem toch nog meer dan het geld, dat hij uit moest geven om van de pijn af te komen.

In de apotheek kreeg hij het geneesmiddel en hij stak het fleschje met een pakje watten in zijn zak.

Nu begaf hij zich naar de restauratie van het hotel om te dineeren.

Toen hij daar bij een kellner die Duitsch en Engelsch sprak, een maaltijd had besteld, overeenkomende met zijn gierigheid, nam hij een courant op en wel een Fransche, welke in Italië voor de vreemdelingen verschijnt.

Het eerste wat hem opviel, was een vet gedrukt artikel.

Nieuwe spoorwegdiefstallen! 1000 kronen belooning.

Eindelijk iets gevonden. De politie is den misdadiger op het spoor.

Tusschen de stations Bozen en Triënt hadden, zooals onze lezers zich zullen herinneren, in de laatste nachten beroovingen plaats van reizigers der eerste klasse.

Het is den onbekenden misdadiger gelukt, zich, door verdooving zijner medereizigers, hun bezittingen toe te eigenen.

Gisterennacht werd wederom een Duitscher geplunderd.

Het gelukte hem zich te verdedigen en door zijn hulpkreten de aandacht te trekken.

Hoewel de trein in volle vaart was, waagde de misdadiger het, vlak bij Triënt uit de coupé te springen, [18]nadat de berooving plaats vond. Daarna is hij verdwenen.

De misdadiger wordt beschreven als een man van in de veertig met bruinen puntbaard, grijze oogen en met pokdalig gelaat.

Naar zijn spraak te oordeelen, moet hij een Rus zijn.

Men mag veronderstellen, dat de dief zich te Triënt bevindt. Alle reizigers worden er op attent gemaakt, zich in acht te nemen voor een persoon als boven omschreven.

De Oostenrijksche Regeering looft een belooning van duizend kronen uit voor de gevangenneming van den misdadiger.—

Mr. Meijer-Wolf las het artikel en hij kreeg kippevel.

Hij dacht aan zijn handtaschje met het halve millioen, dat naast hem op een stoel stond.

Daarop kwam hem de vreemdeling voor den geest, dien hij op de Bank had gezien en die hem op zoo opvallende wijze achtervolgde.

Misschien was het de misdadiger, die hem reeds in het oog hield.

Maar hij bedacht, dat deze man immers geen bruinen baard had, doch glad geschoren was.

Hij maakte volkomen den indruk van een Engelschman of Amerikaan, niet dien van een Rus.

De kellner, die hem op dit oogenblik de soep bracht, wierp een doordringenden blik op hem en sprak:

„Gij ziet zeer bleek, mijnheer, zijt gij niet wel?”

„Ik ben geschrokken van een courantenbericht.”

„Zoo,” antwoordde de kellner, „zeker dat wat handelt over spoorwegdieven?”

„Ja! Meent gij, dat men hem, met behulp van dit signalement, eindelijk zal vangen?”

De kellner lachte spottend.

„Dat signalement zou op meerdere personen toepasselijk kunnen zijn. Bijvoorbeeld—mijnheer moet er niet boos om worden—maar mijnheer is pokdalig, uw gelaat is omgeven door een bruinen puntbaard, gij hebt grijze oogen en spreekt Fransch en Duitsch met een Russischen tongval. En mijnheer is toch zeker de spoorwegdief niet?”

De kellner glimlachte.

„Groote goedheid!” riep Meijer-Wolf uit, „waaraan denkt gij, man, zie ik er uit als een spoorwegdief?”

„Ik bedoelde ook alleen wegens de beschrijving van het uiterlijk.”

„Wat beteekent dat! Er zullen wel veel eerlijke menschen zijn, die daarop gelijken.”

„Ongetwijfeld,” antwoordde de kellner, „en daartoe behoort mijnheer ook!”

Terwijl Meijer-Wolf het diner gebruikte, merkte hij niet op, dat de kellner en diens collega’s hem vol wantrouwen stonden op te nemen.

Zij waren het er blijkbaar niet over eens, of de gast toch niet werkelijk de spoorwegdief was.

Iedereen zou graag duizend kronen verdienen.

De bankier betaalde na eenigen tijd het diner en begaf zich naar het station.

De trein zou eerst over een half uur vertrekken en daarom wandelde hij, een sigaret rookend, op het perron heen en weer.

Hij had een kaartje eerste klasse genomen om met zoo weinig mogelijk reizigers samen te zijn.

Hij wilde ook probeeren met behulp van een fooi een coupé alleen te krijgen van den conducteur.

Eindelijk stoomde de trein het station binnen, een haastig uitstappen en dringen van reizigers volgde en de bankier snelde naar een coupé eerste klasse, opende de deur en zag, dat er niemand in was.

Het deed hem genoegen, dat hij zijn fooi kon sparen, want hij was blijkbaar de eenige eerste klasse-reiziger.

Dicht bij zijn coupé stond de conducteur en op het oogenblik waarin de beambte het sein tot vertrek gaf, snelde nog een man het perron over en naar de coupé toe, waarin Mr. Meijer-Wolf zat.

Gedienstig opende de conducteur de deur van den reeds in beweging zijnden trein en liet den vreemdeling instappen.

Een vreeselijke angst maakte zich meester van den heer Meijer-Wolf.

Opnieuw voelde hij, dat hij kippevel kreeg, want de vreemde reiziger, die juist was ingestapt, was de vermeende detective, dien hij in het gebouw van de Bank had ontmoet.

Zonder zich om hem te bekommeren, zette de vreemdeling zijn reistasch in het bagagenet, ging op zijn gemak tegenover den heer Felix Meijer-Wolf zitten, stak een sigaret aan en haalde zijn courant te voorschijn.

De bankier was niet zeer dapper, integendeel.

Hij was een ware lafaard. Overal zag hij vijanden, roovers en dieven, en het geld, dat hij bij zich droeg, zag hij steeds door misdadigers bedreigd.

Wantrouwend keek hij naar den vreemdeling en in zijn fantasie werd deze de algemeen gezochte spoorwegdief.

Wel had de man geen pokdalig gelaat, maar de reiziger, die den roover had beschreven, kon zich wel vergist hebben. [19]

Daarenboven had de vreemdeling ook geen bruin puntbaardje, maar dat kon hij—en de heer Felix Meijer-Wolf dacht aan zijn eigen baard—wel hebben laten afscheren.

Steeds zekerder was de bankier er van overtuigd, dat de vreemdeling en de zoozeer gevreesde spoorwegdief een en dezelfde persoon waren.

Langzaam zochten zijn oogen naar de noodlijn.

Die bevond zich aan den buitenkant van het venster en dat moest eerst worden geopend om er bij te kunnen.

Het begon reeds donker te worden en de lichten werden opgestoken in den waggon.

De vreemdeling stond op en met een blik op den bankier sprak hij:

„Gij vindt het zeker wel goed, dat ik aan mijn kant het schermpje voor de lamp neerlaat. Het licht hindert mij aan mijn oogen.”

Felix Meijer-Wolf dwong zichzelf om vriendelijk te glimlachen en dacht:

„Hij wil het donker maken om mij daarna te vermoorden.”

De vreemdeling trok het schermpje half neer en nam daarna weer zijn plaats tusschen de kussens in.

„Het is vandaag kouder dan anders,” zoo begon hij een gesprek.

Felix Meijer-Wolf knikte zonder te antwoorden.

Hij herinnerde zich, in de couranten gelezen te hebben, dat de spoorwegdieven altijd een gesprek aanknoopten met hun slachtoffers, om hun een gevoel van veiligheid te geven.

De bankier mompelde daarom iets, wat de vreemdeling niet kon verstaan.

„Zijt gij een Rus?” vroeg de vreemdeling.

Nu moest de bankier antwoorden.

„Ik ben een Londenaar,” bromde hij.

En de gedachte kwam bij hem op, dat het hem misschien zou kunnen gelukken om door sluwheid den vreemdeling, wanneer deze werkelijk de spoorwegdief was, op een dwaalspoor te brengen.

Hij wilde hem tot de overtuiging brengen, dat hij een arme man was, die niets bezat.

Hij vervolgde daarom:

„Ik ben reiziger van een lakenfabriek in Londen en bereis Italië om orders op te nemen voor mijn firma. Ik ben nu weer op weg naar huis.

Ik heb slechte zaken gedaan. Ik geloof niet, dat ik zooveel heb verdiend, als mijn reis kost.

Uit mijn zak heb ik er mijn spaarduitjes nog bij moeten leggen en keer nu platzak naar huis terug.”

De vreemdeling lachte.

Het was een lach, die den bankier niet beviel. Hij wist niet of de bedoeling ironisch was of niet.

Waarom lacht deze man? zoo dacht de bankier en geërgerd sprak hij:

„Reist gij misschien ook in laken, dat gij u zoo amuseert over het feit, dat ik niets heb verdiend?”

„Juist,” antwoordde de vreemdeling, „ik reis in stropdassen en af en toe handel ik in wissels. Dat is een uitstekende combinatie. Er is eigenlijk geen onderscheid in die twee artikelen, zij gelijken precies op elkaar.”

„Hoe bedoelt gij dat? Wat hebben stropdassen met wissels te maken?”

Opnieuw lachte de vreemdeling.

„Wissels hangt men den menschen aan den hals en aan een strop hangt men de schurken op. Wissels worden over dwars geschreven en een stropdas draagt men over dwars.”

„Een zeer gezochte vergelijking, mijnheer! Wat gij vertelt, is lang niet juist.”

„Niet zoo onjuist als dat, wat gij vertelt,” antwoordde de vreemdeling, „want als gij zegt, dat gij platzak naar Londen reist, dan zou ik wel eens willen weten, van wien al het geld is, dat gij op de Bank uitbetaald kreeg.”

Mr. Meijer-Wolf hief zijn handen in de hoogte.

„Wie was op de Bank? Wien hebt gij op de Bank gezien? Hebt gij mij op de Bank gezien?”

„Maar natuurlijk!” lachte de vreemdeling, „mijn geheugen is uitstekend. Ik heb gezien, dat gij heden een credietbrief van de Engelsche Bank ter betaling hebt aangeboden.”

Felix Meijer-Wolf werd steeds zenuwachtiger.

Nu viel er niet meer aan te twijfelen, de vreemdeling had hem herkend en doorzag zijn bedoelingen.

Wie kon zich anders voor zijn geld interesseeren dan de spoorwegdief?

Goede Hemel! Hoe zou deze geschiedenis afloopen!

De vreemdeling stak een nieuwe sigaret aan en sprak:

„Ik weet absoluut niet, waarom gij mij een dergelijk leugenachtig verhaal opdischt. Hebt gij daarmee een bedoeling?”

De bankier sidderde.

„Ik heb zelf,” vervolgde de vreemdeling, „een groote [20]som bij mij en reis daarom met u samen in dezelfde coupé.”

„Met mij? Waarom?”

„Heel eenvoudig,” antwoordde de vreemdeling, „gij hebt waarschijnlijk in de couranten gelezen, dat in de laatste weken hier spoorwegdiefstallen zijn gepleegd. Daarom heb ik tot mij zelf gezegd, dat men veiliger reist in gezelschap van een man, die ook een groote som gelds bij zich heeft.”

Mr. Meijer-Wolf zat op heete kolen.

Als gehypnotiseerd keek hij den vreemdeling in de oogen.

„Ik herhaal u, mijnheer, dat gij u vergist. Het is waar, ik heb voor betalingen van mijn chef een som gelds van de Bank opgenomen. Maar slechts met die bedoeling om het geld uit naam van mijn chef aan Italiaansche leveranciers te betalen.

Voor het overige heb ik geen penny bij mij.”

Nu lachte de vreemdeling luidkeels.

„Gij zijt een grappig mensch. Ik geloof, dat gij mij dat alles slechts vertelt, omdat gij meent, dat ik de in de couranten beschreven spoorwegdief ben. Heb ik goed geraden?”

„Mijn handen mogen in het graf verlammen, als ik ooit aan zoo iets heb gedacht.”

„Waarom vertelt gij mij dan zulke dwaze verhalen? Ik ken u nauwkeurig en weet wie gij zijt.”

De bankier haalde zenuwachtig zijn wenkbrauwen op.

„Weet gij, wie ik ben?”

„Ja,” antwoordde de onbekende, „als gij uw eigen naam soms vergeten mocht zijn, dan wil ik u dien gaarne mededeelen.”

De bankier durfde nauwelijks ademhalen.

„Gij zijt een Londensch bankier,” vervolgde de vreemdeling, „en uw naam is Felix Meijer-Wolf.”

„Barmhartige gerechtigheid!” stamelde de bankier, vol schrik den onbekenden medereiziger aanstarend.

„Ik weet nog meer,” vervolgde de vreemdeling. „Gij zijt eenige dagen geleden, zooals de couranten hebben vermeld, bestolen en wel door een zekeren Raffles, die meer dan een half millioen van u meenam, de gedeponeerde gelden, die het eigendom zijn van uw cliënten.

Ik weet niet, of gij hebt gelezen, dat in de couranten een antwoord van Raffles stond, waarin hij verklaarde, in uw brandkast niets te hebben gevonden, geen enkelen penny.”

De haren van den bankier rezen te berge.

De vreeselijke onbekende kwam hem voor als een monsterachtig wezen.

„Hebt gij de couranten gelezen?” herhaalde de vreemdeling.

„Neen,” antwoordde Mr. Meijer-Wolf, „ik weet in het geheel niet, wat gij bedoelt. Bij mij is niet ingebroken en ook van dat geld weet ik niets. Gij moet u in den persoon vergissen. Ik ben geen Londensch bankier.”

Opnieuw gleed een vroolijk spotlachje over het gelaat van den vreemdeling en hoonend blies hij den bankier den rook zijner sigaret in het gelaat.

„Ik stel buitengewoon veel belang,” zoo vervolgde de onbekende, „in alle soorten van misdaden.”

„Zoo, zoo,” mompelde de ander.

„Wat denkt gij van den spoorwegdief, die gedurende de laatste weken de treinen onveilig maakte? Misschien hebt gij in de couranten van hem gelezen?”

„Neen,” loog de bankier steeds zenuwachtiger, „ik stel geen belang in dergelijke dingen.”

„Dat verbaast mij. Als men veel reist, moet men toch belang stellen in zulke geschiedenissen.”

„Ja, ja, gij hebt groot gelijk— —”

„Voelt gij u niet wel?”

„Jawel, dank u,” antwoordde hij, „maar het is hier zoo vreeselijk warm in de coupé. Misschien kunnen wij het raampje een eindje open zetten.”

„Ik zal dat aan den anderen kant openen,” sprak de onbekende, terwijl hij opstond.

Het was het raampje, waarbij zich de noodrem niet bevond.

Meijer-Wolf zei tot zichzelf, dat de vreemdeling dat met opzet had gedaan.

„Misschien wilt gij een beetje cognac van mij gebruiken?” vroeg hij op vriendschappelijken toon.

„Hij wil mij vergiftigen,” dacht de bankier, „de hemel sta mij bij.”

„Dank u,” sprak hij luide, „ik heb last van kiespijn.”

„Dan begrijp ik niet,” antwoordde de vreemde reiziger, „waarom gij het venster laat openen. De koude luchtstroom zal uw pijn erger maken.

Maar ik heb wel wat chloroform bij mij, misschien kan ik u daarmede van dienst zijn?”

Opnieuw kreeg de bankier kippevel.

Nu was het hem duidelijk, dat de vreemdeling hem eerst wilde verdooven en dan plunderen.

„Dank u,” stamelde hij, „ik heb zelf chloroform bij mij. Kijk eens hier.”

Hij haalde een klein pakje uit zijn vestzak en maakte het open.

Een zoetachtige lucht vervulde de coupé. [21]

Hij deed een paar druppels op een stukje watten en stak dit in zijn holle kies.

De vreemdeling stond dicht bij hem.

„Zal ik u helpen?”

Het koude angstzweet stond op het voorhoofd van den heer Felix Meijer-Wolf.

Hij was stellig van meening, dat de volgende minuten over zijn leven zouden beslissen.

Met zijn laatste restje wilskracht trachtte hij op te staan en aan de noodrem te trekken.

Hij maakte een beweging naar het venster, zoodat de vreemdeling verbaasd vroeg:

„Wat wilt gij eigenlijk? Wat mankeert u?”

De bankier raapte al zijn moed bijeen en antwoordde:

„Ik ken u, ik weet, dat gij de spoorwegdief zijt!”

„Daarvoor behoeft gij u niet zoo op te winden,” lachte de vreemdeling, „gij zijt werkelijk ziek.”

„Neen!” schreeuwde de heer Felix Meijer-Wolf, „ik ben niet ziek, ik ben volmaakt gezond en ben sterk als twee beren.

Bovendien heb ik in elken zak een Browningpistool. Ha! Ik verzeker u, dat ik hetzelfde handwerk uitoefen als gij!

En als gij meent, dat gij iets met mij zult kunnen uitrichten, vergist gij u zeer. De eene dief is niet bang voor den anderen.”

„Zijt gij gek?” riep de vreemdeling. „Als ik had geweten, dat ik met een krankzinnige samenreisde, had ik een andere coupé gezocht.”

„Ik wil aan de noodrem trekken,” schreeuwde de bankier, „terug, of ik schiet!”

„Dat zal ik liever zelf doen,” antwoordde de vreemdeling lachend, „want een mensch, die in iederen zak een Browning draagt, sterk is als twee beren, krankzinnig en die bovendien een schurk is, moet iemand werkelijk vrees inboezemen.”

„Ga weg!” riep Meijer-Wolf uit, „ga weg, of ik schiet. Gij zijt de spoorwegdief. Terug!”

„Ik zal even aan de noodrem trekken,” antwoordde de vreemdeling, „men zal u gevangen nemen. Gij hebt chloroform bij u en wie weet, wat daar nog in dat valiesje is. Nu zal ik den trein laten stilstaan. Begrijpt gij?”

De bankier begreep.

In het volgende oogenblik had de vreemdeling het raampje geopend en aan de noodrem getrokken.

Een schrille fluit van de locomotief weerklonk door den stillen nacht, alle remmen werkten en, den vreemdeling op zij duwend, schreeuwde Meijer-Wolf aan het venster:

„Hulp!—Hulp!—Moord!”

Met een korten ruk bleef de trein staan.

De bankier werd door den schok van het venster weggeslingerd, daarop voelde hij een slag en bewusteloos viel hij neer.

De deur werd opengetrokken, de conducteurs kwamen aangesneld en vroegen:

„Wat is er gebeurd?”

Op den vloer der coupé lag de bewustelooze Felix Meijer-Wolf, de vreemdeling stond er naast en sprak:

„Die man wilde mij overvallen. Hij heeft Browningpistolen en chloroform bij zich en is naar mijn meening de spoorwegdief, die door de politie wordt gezocht.”

Als een bende jachthonden sleurden de beambten den bankier uit de coupé.

Zij hielden een lamp bij het gelaat van den bewustelooze en zagen, dat hij pokdalig was en een bruinen puntbaard droeg.

„Het is de spoorwegdief!” riepen zij en toen Meijer-Wolf vijf minuten later tot bewustzijn kwam, was hij in een goed gesloten coupé opgesloten en flink geboeid met stevige touwen, terwijl de trein zich weer in beweging had gezet.

Tegenover hem zat een Italiaansche spoorwegbeambte met een revolver in de hand; deze man spuwde op den grond en riep uit:

„Roover, misdadiger, dief! Je zegt geen woord, of ik leg je voor goed het zwijgen op.”

Tevergeefs rukte de bankier aan zijn boeien, maar zij waren solide en de beambte lachte hoonend.

Reeds aan het volgende station moest Meijer-Wolf uitstappen en, onder geleide van Oostenrijksche ambtenaren, werd hij naar de gevangenis gebracht.

Ondanks zijn tegenstribbelen ontnam men hem zijn horloge, zijn ring, zijn beurs en andere kleinigheden, deed hem handboeien aan en sloot hem in een donkere cel.

Den volgenden morgen werd hij bij den rechter van instructie gebracht, die hem nieuwsgierig en vol belangstelling opnam.

De rechter was een jonge man, van hoogstens dertig jaren.

Vlak bij de deur stonden twee Oostenrijksche gendarmen en keken met grimmige blikken naar den vermeenden spoorwegdief.

De bankier was door alles, wat er met hem gebeurde, zóódanig van streek, dat hij nauwelijks wist hoe zich te gedragen. [22]

De rechter van instructie las hem een lang strafregister voor van alle misdaden, die hij bedreven zou hebben, en drong er in aansluiting hierop bij hem aan, de waarheid te spreken, en zijn waren naam te noemen.

„Ik heet Felix Meijer-Wolf,” schreeuwde hij opgewonden tegen den rechter van instructie, „ik heb in mijn heele leven nog geen spoorwegdiefstal gepleegd.”

„Schreeuw niet zoo,” sprak de rechter van instructie, „anders laat ik u wegbrengen, en zoo lang in uw cel opsluiten, totdat ge wat gekalmeerd zijt.

Hoe kunt ge bewijzen, dat gij Felix Meijer-Wolf heet?”

„Op welke wijze?” vroeg de bankier, „door mijn portefeuille, waarin zich mijn papieren bevinden.”

De rechter van instructie opende het pakje, waarin de voorwerpen zaten, die den bankier waren afgenomen.

Hij haalde er een groene portefeuille uit, waaruit hij eenige papieren nam.

Met buitengewone belangstelling begon hij den inhoud door te lezen.

Hij bemerkte niet, dat het gelaat van den bankier vaalbleek was geworden.

Dat was niet zijn portefeuille, zooals hij tot zijn schrik bemerkte.

De zijne was van rood leer, deze echter was groen.

Tevergeefs brak hij zich het hoofd, hoe hij aan deze was gekomen.

„Zeer interessante dingen, die ik hier ontdek,” mompelde de rechter van instructie, „gij hebt inderdaad alle reden mij uwen waren naam te verzwijgen.”

„Die portefeuille behoort mij niet! Dat is mijn eigendom niet!”

De rechter van instructie lachte ironisch.

„Die bewering heb ik van u verwacht. Doch het baat u niet, mijn vriend. De beambten hebben u dat ding persoonlijk afgenomen en zullen onder eede verklaren, dat de portefeuille u toebehoort.”

„Zij behoort mij niet!” riep de bankier uit. „Men heeft ze mij in den zak gestopt, nadat men mij de mijne heeft ontrold.”

„Zwijg,” sprak de rechter van instructie streng, „en beleedig geen beambten.

Wilt ge wellicht beweren, dat deze u uit de grap uw portefeuille hebben ontrold en een andere er voor in de plaats hebben gestoken? Een gemeene uitvlucht. Zal ik u eens zeggen, wie gij zijt?”

„Ik wensch den Engelschen consul te spreken!” viel de bankier hem in de rede.

„Daar spreken we later over. Naar uw spraak te oordeelen, zijt gij geen Engelschman, doch een Rus.”

„Ik ben Engelschman, twee jaar geleden uit Rusland naar Londen gekomen.”

„En sedert maakt ge de wereld als een tweede Raffles onveilig, niet waar?”

Meneer Felix Meijer-Wolf sprong twee schreden achteruit.

Buiten zichzelve riep hij:

„Wat? God moge mij straffen en ik zal gevloekt worden; wat heb ik met dien grooten gauwdief, dien Raffles te maken? Bestolen heeft hij me drie weken geleden, bestolen, meneer de rechter van instructie! Een half millioen heeft hij me ontnomen en toen was hij verdwenen.”

Het gelaat van den rechter werd nu rood van toorn.

„Houd nu op met comedie spelen! Mij maakt ge niets wijs. Ik ben geen Engelsche rechter, ik bezit niet de vertrouwelijkheid van mijne collega’s aan de overzijde van het Kanaal, aan wie gij uwe onschuldige verhalen kunt opdisschen.”

„Gij vergist u, meneer de rechter,” brulde de bankier vol wanhoop. „God moge mij straffen, wanneer gij u niet vergist. Ik ben een eerlijk, Engelsch bankier.”

„Zwijg thans! Ik zal u confronteeren!”

De rechter schelde, en uit de voorkamer trad de vreemdeling binnen.

Met open mond staarde de bankier den onbekende aan.

De rechter boog en verzocht hem op een stoel plaats te nemen.

„Hoe is uw naam?”

De vreemdeling haalde eenige papieren uit den zak en legde ze op de schrijftafel van den rechter.

„Mijn naam is Felix Meijer-Wolf. Hier zijn mijn identiteitspapieren, meneer de rechter.”

De bankier dacht door den grond te zinken.

Zoo’n brutaliteit was hem nog niet overkomen.

„Dat zijn mijn papieren, meneer de rechter,” schreeuwde hij luid, „God moge mij straffen, hij heeft ze mij ontstolen.”

„Stil!” riep de rechter met donderende stem en keek den delinquent woedend aan.

Hij gaf den onbekende de papieren terug en zei:

„Vertel ons alstublieft nog eens het gebeurde.”

De onbekende, of zooals hij zich had voorgesteld, meneer Felix Meijer-Wolf, kuchte en begon:

„Ik was in Triënt in een coupé eerste klasse gestapt, daar ik een groote som gelds bij mij droeg. Het is anders niet mijn gewoonte eerste klasse te reizen.

In de coupé zat deze heer. Daar ik een lange reis achter den rug had, en mij hier tijdelijk voor zaken met [23]den graaf Travesti in Ala ophield, was ik zeer vermoeid en viel in slaap.

Doch ik sliep niet vast genoeg om niet te bemerken, dat er plotseling een zoete bedwelmende geur in mijn neus drong.

Ik sprong overeind, gaf den man die voor mij stond een duw, trok aan de noodrem en wierp hem op den grond.”

„Bravo!” riep de rechter van instructie uit.

Tegelijkertijd haalde hij uit het pakje een fleschje met chloroform en hield het den bankier voor den neus.

„Is dit het fleschje chloroform, dat gij in uw bezit hadt?”

De bankier was zoodanig van streek, dat hij niet meer helder kon denken.

Hij meende zijn positie door een leugen te kunnen verbeteren en antwoordde:

„Ik ken het fleschje niet!”

Dat was zijn ondergang.

Opnieuw schelde de rechter en liet een kleinen, dikken Italiaan binnenkomen, in wien de bankier direct den apotheker herkende.

„Signor Spraghetti”, sprak de rechter van instructie tot hem, „kent gij dien man daar?”

De apotheker wierp een scherpen blik op den bankier en gaf ten antwoord:

„Jawel, Edelachtbare, die man kocht gisteren bij mij een fleschje chloroform, natuurlijk op voorschrift van den dokter.”

„Wilt gij nu nog ontkennen?” wierp de rechter van instructie den bankier naar het hoofd.

Zoo wit als een doek zat de bankier op zijn stoel en antwoordde slechts met een zucht:

„Neen!”

„Gij geeft dus toe, dat dit fleschje met chloroform u toebehoort?”

„Jawel”, antwoordde de gevangene. „Ik had kiespijn en daarom kocht ik dat.”

De rechter van instructie moest nu luid lachen, en alle aanwezigen deden mee.

„Dus gij hadt kiespijn?” hoonde hij. „Nu, uw kiespijn heeft een voor ons gelukkig gevolg gehad.

Ik geloof, dat gij uw positie alleen kunt verbeteren door een volledige bekentenis af te leggen.”

Nog eenmaal verzamelde de bankier al zijn wilskracht en riep:

„Ik heb niets te bekennen. Ik ben geen Raffles! Gij zoudt evengoed Raffles kunnen zijn! Ik heb niemand beroofd. Ik ben een eerlijk man.

Zend den Engelschen consul bij mij en ik zal alles ophelderen. Die man daar heeft mij beroofd. Neem hem gevangen en stop hem in plaats van mij in de cel.”

„Onbeschaamde brutaliteit”, donderde de rechter van instructie.

Daarop wenkte hij den beambte en riep:

„Leid den gevangene weg en bewaak hem goed.”

In weer wil van zijn luid protest werd de bankier naar de gevangenis teruggebracht.

In den loop van den dag werden er opnieuw bezwarende beschuldigingen tegen hem ingebracht.

De kellner uit het restaurant vertelde den rechter van instructie het gesprek, dat de bankier tijdens het diner met hem had gehouden, en met zijn zuidelijke levendigheid kleurde hij de dingen sterker dan noodig was en met de waarheid overeenkwam. Hij zei, dat de gevangene, toen hij het artikel over zijne rooverijen in de couranten las, vreeselijk geschrokken was.

Daarop kwam de barbier en vertelde, dat de gevangene zich bij hem den baard had laten wegnemen.

Eveneens traden twee spoorwegbeambten op, die den trein hadden gehad.

Zij meenden stellig in den gevangene den gezochte te herkennen.

Steeds meer werd het net om Meijer-Wolf dichtgehaald.

De bankier raasde en vloekte als een krankzinnige in zijn cel.

Zoodra hij voor den rechter van instructie werd gebracht, overlaadde hij dien met allerlei verwenschingen, of wel hij smeekte kermend en medelijdend.

Slechts één ding was er, dat hem nu en dan kalmeerde.

Hij had weliswaar zijn geld verloren, doch de treindief had hem tenminste niet van het leven kunnen berooven.

Tegelijkertijd verscheen in de courant het eene artikel na het andere, volgens hetwelk Raffles, de langgezochte Raffles, in handen der politie was gevallen.

Bijna een week had het verhoor geduurd, alvorens de Engelsche consul den gevangene opzocht en met hem spreken kon.

„Ik bezweer u!” riep de bankier uit, red mij en telegrafeer aan den inspecteur van politie Baxter te Londen, dat hij hierheen komt om mij te identificeeren.

Ik ben Raffles niet, ik ben Felix Meijer-Wolf!”

Te zelfder tijd, dat dit gesprek plaats vond, werd in Londen de inspecteur van politie Baxter per telefoon opgeroepen.

„Wie daar?” vroeg hij.

„Hier bankier Felix Meijer-Wolf”, antwoordde eene [24]stem met Russisch accent. „Ik wilde u alleen maar vragen, meneer de inspecteur van politie, of er al iets gebeurd is. Ik meen in de couranten te hebben gelezen, dat Raffles in Italië gevangen genomen is. Ik las zelfs, dat hij zich mijn naam had toegeëigend.”

„Onzin!” antwoordde de inspecteur van politie Baxter, „dat is een misverstand van de overheid daar. Ik heb het berichtje ook al gelezen. Raffles zal het in geen geval zijn, doch de een of andere misdadiger, die van de berichten over de door hem gepleegde inbraken partij heeft getrokken.”

„Jammer”, antwoordde de vermeende heer Felix Meijer-Wolf, „ik heb de hoop, mijn geld terug te krijgen, nog steeds niet opgegeven. Mocht er hier of daar wat gebeuren, deel het mij dan alstublieft mee.”

Een uur later ontving politie-inspecteur Baxter het volgende telegram:

Inspecteur van politie Baxter,
Londen.

Hier is iemand gevangen genomen, die verdacht wordt Raffles te zijn. Signalement:

Oogen: grijs.

Haar: bruin, kort geknipt.

Baard: bruin, puntig geknipt, kort.

De persoon geeft voor, de in Londen woonachtige bankier Felix Meijer-Wolf te zijn. Verzoeke uw oordeel.

Consul Power,
Triënt.

„Walgelijke grappenmakerijen”, vloekte de inspecteur van politie.

Daarop snelde hij naar het telegraafkantoor in Scotland Yard, en twee uur later ontving consul Power het volgende telegram:

„Gevangene liegt. Heb zelf een uur geleden met bankier Felix Meijer-Wolf gesproken.

Volgens beschrijving is het echter ook Raffles niet. Waarschijnlijk een misdadiger, die zich achter Raffles verbergen wil.

Inspecteur van politie
Baxter,
Scotland Yard.”

De consul snelde direct met het telegram naar den rechter van instructie, en beiden lieten ze den gevangene voorbrengen.

„Houd nu eindelijk eens op met liegen”, zei de rechter van instructie, „het helpt u toch niets, zooals ge ziet.

Degene, voor wien gij u uitgeeft, bevindt zich alweer in Londen en heeft, zooals ge uit het telegram ziet, persoonlijk met den inspecteur van politie Baxter gesproken.”

Dat was als een donderslag voor den gevangene.

Hij voelde zich meer dood dan levend.

„Dan heb ik een dubbelganger”, riep de bankier uit, „of wel het telegram is vervalscht.”

Nu verloor ook de Engelsche consul zijn geduld.

„Gij schijnt een zeer gevaarlijk sujet te zijn”, sprak hij Mr. Meijer-Wolf aan. „Ik had me ook bijna door u laten bedriegen. Gij hebt niet verdiend, dat ik mij voor u heb geïnteresseerd. De ondervinding, door u opgedaan, zal mij in het vervolg een waarschuwing zijn.”

„Ik zweer u nogmaals, meneer de consul!” riep de bankier uit, „dat ik Felix Meijer-Wolf uit Londen ben.”

„Ik heb gedurende mijn heele loopbaan nog niet zoo’n dikhuidig mensch leeren kennen als dezen”, bromde de rechter van instructie.

„Een heel gevaarlijk sujet”, stemde de consul toe.

Daarop werd de bankier weer in verzekerde bewaring gesteld.

Tevergeefs pijnigde hij zijn hoofd, hoe hij zich zou verdedigen.

Hij vond werkelijk geen uitkomst.

Terneer geslagen zat hij in zijn cel, terwijl het gerecht het proces tegen hem voorbereidde.

Op zijn verzoek kreeg hij verlof een verdediger te nemen.

Hij had in zijn portemonnaie een som van tweehonderd Lire gehad, en dat bedrag was voldoende om een Italiaansch advocaat te vinden, die zijn verdediging op zich wou nemen.

Signor Carosi stond in Triënt bekend als zeer bekwaam advocaat, die reeds dikwijls in de meest wanhopige processen zijn cliënt van het schavot had gered.

Hij stond onder zijn collega’s als een vos bekend.

Toen hij den bankier in zijn cel opzocht, hoorde hij eenige minuten de onschuld-beweringen van den gevangene aan, klopte hem daarna geruststellend op den schouder en zei:

„Hoor mij nu eens aan:

Wat gij daar gezegd hebt is onzin. Dat redt u niet van de 12–15 jaar gevangenisstraf, die u wacht.

Bedenk vóór alles, dat ik niet uw rechter, doch uw verdediger ben. [25]

Mij hebt gij de waarheid te zeggen, anders kan ik niet tegenover den rechter voor u optreden.”

„Ik ben onschuldig, meneer de advocaat”, bezwoer de bankier, „ik ben zoo onschuldig als een pasgeboren lam.”

De advocaat lachte.

„Waarvoor hebt u dan een verdediger noodig? Ik kan u alleen verdedigen en uw vrijspraak trachten te verkrijgen, wanneer ik inderdaad weet, dat gij de misdadiger zijt, voor wien men u houdt.

Hoor nog eens goed toe:

Al uw liegen helpt u niets. Gij krijgt zoo zeker, als ik hier voor u sta, uw 20 jaren, als het ons niet gelukt, de een of andere interessante geschiedenis te vinden, die de rechters mild stemt.

Hebt gij niet de een of andere liefdesgeschiedenis, die u tot de spoorwegdiefstallen heeft gedreven? Wanneer gij er geen hebt, zal ik er een voor u opbouwen. Laat u vóór alles gezegd zijn:

Geef gerust toe, zooals ook werkelijk het geval is, dat gij een gemeene gauwdief zijt, doch probeer het met verzachtende omstandigheden.

Dan komt ge er veel goedkooper af, misschien met vijf à zes jaar.”

Hetgeen de verdediger voorstelde was niet bemoedigend.

Doch de bankier beloofde alles te doen, wat de advocaat wenschte.

Om zich uit zijn benarde positie te redden, zou hij in een moord hebben toegestemd.

Eén hoop had hij nog, dat was de kassier van de bank, die zijn credietbrief had ingelost, doch deze herkende hem door de veranderde baarddracht niet.

Hierdoor ontzonk den gevangene de laatste hoop. [26]