[Inhoud]

ZESDE HOOFDSTUK.

Raffles komt te hulp.

Drie dagen vóór het einde van den termijn ontving meneer Felix Meijer-Wolf in zijn cel bezoek van een Engelsch advocaat.

Het was dezen toegestaan, den gevangene te bezoeken, daar hij beweerde, iets bij te kunnen dragen tot opheldering van den toestand.

Verbaasd keek Felix Meijer-Wolf den hem geheel onbekende aan.

Een zwarte baard omsloot het gelaat, en door den bril, dien de vreemde droeg, schitterden een paar scherpe oogen.

„Met wien heb ik de eer?” vroeg de bankier.

„Gij zult mij niet kennen”, gaf de vreemdeling ten antwoord. „Ik kom uit Londen en kan u misschien in uw situatie helpen”.

De stem van den advocaat kwam den bankier bekend voor.

Doch tevergeefs beproefde hij hem onder zijn kennissen thuis te brengen.

„Gij bevindt u in een zeer moeilijke situatie, en een samenloop van allerlei omstandigheden wilde, dat ik mij voor u interesseer.

Alles hangt hiervan af, of gij datgene doen wilt, wat ik van u verlang; zoo ja, dan zult gij door mij uit uw wanhopige positie worden bevrijd.”

„Zeg, wat gij van mij wenscht.”

Zenuwachtig keek de bankier naar den hem onbekenden persoon.

De vreemdeling ging op zijn gemak op den in de cel aanwezigen stoel zitten, haalde een notitieboekje te voorschijn en begon:

„Kent gij een zekere Miss Hetty Brown?”

Alleen de naam van de dame was voldoende om den bankier een gezicht zoo wit als krijt te doen krijgen.

„Ik—ik—kan mij niet herinneren.”

„Scherp uw geheugen dan eens, ik laat u er tijd voor.”

Verscheiden seconden verliepen, waarna de bankier op gedempten toon antwoordde:

„Jawel. Ik ken die dame wel niet persoonlijk, doch ik ben met haar ouders in contact geweest.”

„Zakelijk?”

„Zakelijk.”

„Vertel mij daar eens van.”

De bankier schoof op zijn stoel heen en weer, alsof hij zich onbehaaglijk begon te gevoelen.

Ik leende den heer Brown twee jaar geleden de som van 5000 pond sterling. Als zekerheid daarvoor verpandde hij mij zijne bezitting.

De weduwe betaalde de rente totdat zij verscheiden weken geleden overleed.

„En toen?”

Meneer Felix Meijer-Wolf had klaarblijkelijk geen lust om verder te spreken.

Vergeefs zocht hij naar woorden.

Scherper klonk opnieuw de vraag:

„En toen?”

„Wel!—Ik—ik—liet nu mijn rechten gelden, die uit de overeenkomst, respectievelijk uit den schuldbrief voortvloeiden, en nam de bezitting, daar geen rente meer betaald werd, tot delging van de schuld, tot mij.”

„Herinnert gij u misschien, dat de overledene voor haar dochter een brief naliet?”

Opnieuw kleurde het gelaat van den bankier zich vaalbleek.

Daarop hief hij bezwerend zijn handen omhoog.

„De hemel moge mij straffen als ik een brief gevonden heb.”

De vreemdeling stond op, keek den bankier verachtelijk aan en zei:

„Dan zult gij u over uw huidigen toestand wel niet behoeven te beklagen. De hemel strafte u reeds. Ik zou u geholpen hebben, wanneer ge mij de waarheid hadt verteld. Namelijk: Ik kreeg van Raffles, die bij u ingebroken heeft, een brief, dien hij in uw schrijftafel vond.”

„Dat is niet waar!” schreeuwde de bankier. [27]

„Toch wel, Mr. Meijer-Wolf. Want, weet”—op dit moment nam de vreemdeling zijn bril en baard af—„ik ben Raffles zelf, die den brief gevonden heeft.”

De bankier week van schrik tot aan de kerkermuren achteruit.

Als een spook keek hij den grooten onbekende aan.

Toen wilde hij om hulp roepen. Doch Raffles, die dit voorzien had, zei met een waarschuwende stem:

„Zoodra ge er iemand, wie ook, bij roept, deel ik de misdaden, die gij begaan hebt, aan de overheid mee, en gij zult gedurende langen tijd den kerker niet verlaten. Denk daar wel om!”

Rustig bond Raffles den baard weer voor, zette den bril weer op en ging op de houten kruk zitten.

„Ik geef u nog eenige seconden tijd.”

Even daarna kwam de bankier met knikkende knieën naar Raffles toe en fluisterde:

„Ik zal het u bekennen, ik—ik—heb den brief gestolen.”

„Alleen den brief?”

Opnieuw volgde eene pauze van een paar seconden.

Daarop zei de bankier met van opwinding trillende stem:

„Neen, niet alleen den brief, maar ook het andere, de diamanten, die gij gevonden hebt.”

Allright”, antwoordde de groote onbekende, „nu bevalt ge mij. Ik denk, dat we nog tot een goed resultaat zullen komen.

Wanneer ge dit stuk onderteekent, zal ik u uit dezen kerker bevrijden. Doch let wel op, dat ge nauwkeurig zult moeten doen, wat ik van u verlang.”

„Dat wil ik gaarne, zeg slechts, wat het is!”

Raffles nam het document uit zijn acten-portefeuille en gaf het aan den gevangene.

De bankier las:

„Hierdoor beken ik schuldig te zijn aan diefstal van diamanten, die aan Miss Hetty Brown toebehooren. Tegelijkertijd verklaar ik, een half millioen pond sterling van mijn deposanten te hebben verduisterd. Ik verplicht mij, de deposito’s van mijn klanten door middel van Mr. John Raffles terug te geven, en eveneens de door woeker in mijn macht gekregen landeigenaren van hun verplichtingen te ontslaan, waar tegenover Raffles zich verplicht, mij niet aan te geven en mij uit mijn gevangenschap te bevrijden.”

Het koude zweet kwam den bankier op het voorhoofd, toen hij het stuk had gelezen.

„Ik kan het niet onderteekenen, Mr. Raffles”, zuchtte hij, „ik heb het halve millioen niet meer, een treindief heeft het me ontstolen.”

Op het gelaat van den grooten onbekende kwam een glimlachje van inwendige pret.

„Ik zal u niet iets laten onderteekenen, waaraan ge niet kunt voldoen. Het halve millioen bezit ik.”

De bankier zette een ongelooflijk gezicht.

„Gij hebt het geld? Maar hoe komt gij daar dan aan?” stamelde hij.

„Heel eenvoudig”, lachte Raffles. „Gij beweerdet in Londen tegen den inspecteur van politie Baxter, dat ik een half millioen pond sterling bij u had gestolen.

Gij wist echter, dat het niet waar was.

Opdat ge den inspecteur van politie werkelijk de waarheid zoudt hebben verteld, was ik zoo vrij het halve millioen naderhand te stelen.”

Met open mond keek de bankier Raffles aan.

Wat hij daar juist vernam, was meer dan hij verwacht had.

„Gij waart dus de treindief?”

„Juist, Mr. Meijer-Wolf”, lachte zijn overbuur.

„En gij hebt mij hier in deze gevangenis gebracht?”

„Dat heb ik mij veroorloofd.”

„Meneerrr!” riep de bankier luid.

„Sst”, waarschuwde Raffles, „bedenk, dat gij nog altijd de treindief zijt, en met recht, want voordat ik u het geld ontnam, hadt gij toch inderdaad gestolen goed in den zak.

Gij moest mij liever bedanken, dat ik weer een eerlijk, fatsoenlijk mensch van u maak.

Wilt ge nu de schriftuur onderteekenen?”

„Maar het halve millioen?”

„Stel ik in Londen te uwer beschikking, wanneer het aan de deposanten wordt uitbetaald.”

„Zweert gij mij dat?”

„Mijn naam is John Raffles!” zei de groote onbekende trotsch.

Felix Meijer-Wolf beantwoordde den blik, die deze woorden vergezelde, met eene buiging.

Hij nam zijn vulpen en schreef met trillende hand zijn naam onder het document.

Voorzichtig borg Raffles het stuk weg, stond op, schelde den gevangenbewaarder en verliet den bankier. [28]