In het graafschap Brecknock, in Zuid-Wales, bevindt zich een gebergte, de Black Mountains, dat veel bezocht wordt door toeristen.
Ten noorden daarvan ligt het stadje Brecknock.
Dit is voornamelijk een uitgangspunt voor niet al te groote tochten door het gebergte, welke veelvuldig worden ondernomen door Londenaars, die een uitstapje willen maken.
Zij kunnen uitstekend onderdak bekomen in een goed ingericht hotel, dat gedurende de zomermaanden druk wordt bezocht en zelfs aan de hoogste eischen voldoet.
In dat hotel houdt gedurende het reisseizoen dikwijls een deftig publiek zijn verblijf, dat, na den 887 meter hoogen Beacon te hebben beklommen, hier van zijn rust geniet, plannen maakt voor verdere uitstapjes, flirt en geniet van de uitstekende maaltijden in het hotel.— —
Het was laat in den namiddag van een warmen dag in Juni, toen een dame van opvallende schoonheid in elegant reiscostuum de conversatiezaal van het hotel binnentrad.
Drie heeren volgden haar.
Het vertrek was leeg, maar in de aangrenzende rookzaal, die door een ondoorzichtige glazen deur van de conversatiezaal was gescheiden, bevond zich een heer, die, een sigaret rookend, op zijn gemak en oogenschijnlijk in gedachten verdiept, in het ruime vertrek heen en weer liep.
Toen hij de binnentredenden bemerkte, deed hij de wijdopenstaande verbindingsdeur een weinig verder dicht. Hij wilde voorkomen, dat de rook zijner sigaret de dame zou hinderen.
Deze lette echter net op de beleefdheid van den vreemdeling, noch op de heeren, die vol ijver naderkwamen om de dame van mantel en parasol te ontlasten; zij nam in een fauteuil plaats, gejaagd haar handschoenen uittrekkend.
De dame scheen zeer ontstemd te zijn.
Haar kleine mond was dichtgeknepen en toonde de neergebogen lijn, welke men op het gezichtje van kleine kinderen zoo dikwijls ziet, als hun iets wordt geweigerd.
Tusschen de wenkbrauwen vertoonde zich een rimpel van toorn, de donkere gloedvolle oogen vonkelden strijdlustig.
Men kon het aan de dame zien, dat zij slechts op een gelegenheid wachtte om haar toorn te kunnen koelen aan het een of andere slachtoffer.
De drie heeren hadden intusschen aan een kellner hun toeristenuitrusting afgegeven en keken met heimelijke [2]blikken naar de dame, die nog steeds met haar handschoenen bezig was.
„Nu, liefste, mag ik je een of andere verversching laten brengen?” vroeg de oudste der heeren op kalmen, bezadigden toon.
„Dankje! Ik heb niets noodig!” was het korte, kattige antwoord.
Op mismoedigen toon sprak de aldus afgesnauwde heer:
„Ik begrijp niet, dat men door het verlies van iets, wat men zich weer terug kan koopen, zoo ontstemd kan zijn!”
Snel wendde de dame zich tot den heer en sprak op heftigen toon:
„Mijnheer mijn echtgenoot vergeet geheel en al, dat mijn Indische shawl niet terug te krijgen is.
„Ik kreeg hem van dien Indischen onderkoning persoonlijk ten geschenke voor mijn medewerking aan het hof. De kostbare kanten doek hangt nu aan dien verwenschten den op het mooiste punt van den Beacon.
„En dit verlies zou weer te herstellen zijn?”
„Als mevrouw niet zoo hevig had gezwaaid met den sluier, dan— —” de persoon, die het waagde, deze schertsende woorden te uiten, zweeg verlegen, toen de vonkelende oogen hem aankeken.
„De groet, dien ik naar het dal zond, gold mijn liefste vrienden, die, zooals gij, baron, hebt gezien, zich aan den voet van den berg bevonden. Ik ben niet in staat om de innigheid mijner gevoelens bij het groeten af te meten.”
„Maar daarbij mag de vermolmde houten leuning niet zoodanig gaan wankelen, dat wij allen angst krijgen, dat het met u in de diepte zal storten.
„Als mijnheer uw echtgenoot daarom u, mevrouw, eenigszins onzacht terugtrok, waardoor gij den kostbaren doek liet vallen, dan is toch alleen zijn bezorgdheid voor u de oorzaak daarvan.
„Wees dus niet langer boos, mevrouw. Verander het booze Junogelaat in het liefelijk lachende van Aphrodite!”
De aldus sprekende nam de hand der schoone vrouw en bracht die galant aan zijn lippen.
De dame glimlachte hem toe, en sprak zuchtend:
„Uw alom bekende, oude galanterie, Lord Westerbull, brengt mij mijn shawl niet terug!”
Vol ijver antwoordde de Lord:
„Mevrouw, ik wed om honderd pond, dat gij uw shawl morgen terug zult hebben. Ik breng hem u terug!”
„Pardon, Lord, ik breng hem terug. Neen, neen, gij moogt mij niet terugwijzen. Ik verwed er ook honderd pond om, dat ik hem terug breng!”
De jonge man, die eerst had gezwegen voor de toornige oogen der Lady, uitte nu deze woorden tegen den galanten Lord Westerbull, welke een bekend Don Juan was.
„Ik deponeer de som onmiddellijk. Als ik verlies, dan zal het geld vervallen aan de Londensche armen.
„Als ik win, dan zal Lord Westerbull het genoegen hebben om te betalen.
„Neemt gij de weddenschap aan, Lord?”
„Natuurlijk, baron. Hier met uw honderd pond.”
Beide heeren haalden hun portefeuilles te voorschijn, en namen er ieder een banknoot uit, die zij op tafel legden.
De Lord richtte zich nu tot den echtgenoot der schoone dame met het verzoek, de banknoten te bewaren als onpartijdig getuige, totdat de weddenschap zou zijn beslist.
De Lord willigde hun verzoek in en sprak:
„Ik leg het bedrag in deze kleine portefeuille. Zij bevat alleen de twee banknoten en zal pas als de weddenschap is beslist, worden geopend.”
Bij deze woorden haalde hij een kleine portefeuille van krokodillenleer, voorzien van een slot, te voorschijn, legde de banknoten erin, sloot de portefeuille en overhandigde den sierlijken kleinen sleutel aan de dame, die hem aan haar horlogeketting bevestigde.
Glimlachend sprak hij:
„Gij ziet, mijne heeren, dat het bedrag goed bewaard is. Dubbele sluiting!”
Het tooneeltje had de schoone dame blijkbaar geamuseerd. Met een neerbuigend hoofdknikje nam zij den sleutel in ontvangst, wierp den Lord een geheimen blik van verstandhouding toe en sprak:
„Ik zal blij zijn, heeren, als ik weer in het bezit zou geraken van mijn eigendom. Weest echter voorzichtig! Ik zou ontroostbaar zijn, als u een ongeluk overkwam!”
Beide heeren bogen gevleid en verzekerden, dat hun voornemen om den omslagdoek van den dennenboom, boven op de bergen, te halen, vlak bij het uitzichtspunt, geen gevaren meebracht.
„Ik stel voor,” viel Lord Morvill in de rede, „dat de heeren eerst krachten verzamelen voor het aanstaande avontuur en voor de doorgestane vermoeienissen van het uitstapje. Gij zult uwe krachten noodig hebben. Tracht die te verzamelen aan de goede tafel in de eetzaal!” [3]
Dit voorstel vond algemeenen bijval en het gezelschap begaf zich naar de eetzaal.
Toen men het salon had verlaten, kwam de vreemdeling uit den rooksalon te voorschijn.
Hij had het geheele gesprek mede aangehoord.
Een ironisch glimlachje speelde om zijn lippen, zijn blik volgde de vier zich verwijderende personen.
Hij belde den kellner en bestelde een flesch wijn. Toen de kellner deze voor hem neerzette, vroeg de vreemdeling op onverschilligen toon:
„Kunt gij mij misschien vertellen wie de personen waren, die zooeven de conversatiezaal verlieten?”
„O zeker, mijnheer! Het was de rijke Lord Morvill met zijn jonge, mooie vrouw, Lord Westerbull en baron Coxwell.”
„Vertoeft Lord Morvill reeds langen tijd hier?”
„De Lord bezoekt Brecknock zeer dikwijls. Hij heeft bezittingen hier in den omtrek, welke hij onlangs heeft verpacht. Zeer lang logeert hij reeds in ons hotel. Bij zijn eventueel verblijf hier worden voor hem altijd dezelfde kamers op de eerste verdieping gereserveerd.”
„Zoo, zoo, welke kamers zijn dat?”
„Slechts drie, want de Lord is hier altijd zonder bedienden. Een salon en twee slaapkamers, nrs. 1–3.”
„Zeg eens, kellner, heb ik u vroeger niet in Londen gezien? Uw gezicht komt mij zoo bekend voor.”
„Best mogelijk! Ik was daar langen tijd in betrekking in Hotel Imperial. Gij kent dat zeker wel. De heeren, die ik zoo even noemde, ken ik reeds uit die dagen. Vooral Lord Westerbull, van wien allerlei pikante avonturen de ronde doen.”
„Ik weet het, ik weet het!”
Met deze woorden sneed de vreemdeling den woordenvloed van den kellner af, die, naar het scheen, gaarne iets van deze „pikante avonturen” ten beste zou hebben gegeven en niet kon nalaten nog te zeggen:
„Het zou mij niet verbazen, als de mooie Lady een magneet was voor den Lord. Maar ik durf het natuurlijk niet met zekerheid zeggen.”
De vreemdeling keek den kellner met scherpen blik aan en sprak op gemoedelijken toon:
„Mooi is de Lady, bijzonder mooi.”
Op listigen toon antwoordde de kellner:
„Zeker, zeer schoon en daarbij een engel, die gaarne uit den hemel neerdaalt om ons arme stervelingen gelukkig te maken.”
„Hoe bedoelt gij dat?”
„Nu, nu,” en, alsof hij verlegen was, kuchte de man, „ik bedoel er eigenlijk alleen mee, dat de Lady goedhartig is. Men huwde haar op jeugdigen leeftijd uit aan den veel ouderen Lord, die, wat geen geheim is in Londen, een bijzondere beruchtheid had als zwiertol.
„Zou het dus te verwonderen zijn, als de Lady zich wreekte? Booze tongen beweren dat.”
„Gij schijnt goed op de hoogte te zijn van de schandaaltjes uit onze hoofdstad, mijn waarde.”
„Och, als men in Hotel Imperial in betrekking is geweest, hoort men veel.”
„Dat is waar. Maar wees toch een beetje voorzichtig met uw woorden, gij zoudt anders wel eens in onaangenaamheden kunnen geraken.”
De vreemdeling stond op en gaf den kellner een geldstuk. Zonder het bedrag, dat hij terug moest ontvangen, aan te nemen, begaf hij zich daarop langzaam naar buiten.
Hier bedacht hij zich een oogenblik, ging naar zijn kamer, stak een paar voorwerpen in zijn zak en verliet daarop het hotel.
Hij sloeg den weg in naar den top van den Beacon.
De straatweg liep langs het uitzichtspunt, waar de shawl der Lady naar beneden was gevallen.
Na ongeveer drie kwartier had de vreemdeling het uitstekende punt bereikt en hij zag, geleund tegen de wankelende houten leuning, den shawl hangen op den grooten denneboom.
Door den wind was hij van den top afgewaaid en nu hing hij geheel beneden aan een tak.
De vreemdeling glimlachte en mompelde:
„Lady, het geluk dient u! Ik zal den doek voor u gaan halen. John Raffles behoeft immers niet altijd bij zijn bezoeken iets te halen, hij kan ook wel eens iets brengen. Gij verdient het evenwel niet, want gij zijt bezig den jongen Wilkens te verleiden. Ik wil u echter aan mij verplichten.”
Vastberaden monsterde hij de rotsen, die onder het uitzichtspunt steil naar beneden gingen en weldra ontdekte hij een geschikte kloof, die het hem mogelijk maakte om naar beneden te klimmen.
Ieder onzer zou door een duizeling zijn aangegrepen.
Nu eens boven een afgrond hangend, dan weer zich aan een struik vasthoudend, glijdend, voorzichtig zijn voeten neerzettende, kwam hij steeds dichter bij het uitstekende rotspunt, waarop de hooge den zijn takken uitstrekte.
Nu moest hij nog een sprong wagen om van een der rotsblokken den grond te bereiken.
Slechts zeer geoefende turners konden dezen sprong wagen, want de wortels van den dennenboom groeiden [4]boven den grond en maakten het neerspringen zeer moeilijk.
Raffles echter sprong naar beneden, alsof hij een acrobaat was, voor wien dergelijke dingen kleinigheden waren en weldra stond hij aan den voet van den boom.
„Nu naar boven,” mompelde hij verheugd. „De harsige stam bevalt mij echter niet, mijn luchtreis mag mijn kleeren niet bederven.”
Hij haalde onder zijn jas een netjes opgerold touw te voorschijn, dat op regelmatige afstanden van knoopen was voorzien.
Aan het eene uiteinde bevond zich een haak, aan het andere een ijzeren ring. Handig slingerde hij het eene uiteinde, waaraan de haak was bevestigd, over den tamelijk hoogen eersten tak. Ten gevolge van zijn zwaarte viel het touw weer naar beneden.
De groote onbekende verbond nu het eind van het touw met den ring en nu kon hij zich tamelijk gemakkelijk optrekken.
Op den eersten tak staande, maakte hij het touw los en herhaalde deze manoeuvre met een anderen tak.
Steeds hooger klom de vermetele.
Eindelijk was het hem onmogelijk nog hooger te klimmen. De takken dreigden te breken.
De shawl hing echter aan het uiterste dunne puntje van een twijgje, dat men onmogelijk met de hand kon bereiken.
Alle moeite scheen vergeefs te zijn geweest.
Nu haalde John Raffles een instrument te voorschijn, dat soms in Italië wordt gebruikt gedurende den carnavalstijd. Een soort schaar, die gevormd wordt uit kruiselings over elkaar liggende houtjes en die bij het openen, naar gelang van het aantal houtjes, soms eenige meters lang wordt.
Daar zat de vermetele nu hoog op een onveiligen boomtak, terwijl de steeds sterker wordende wind om hem heen blies. Hij zat daar zoo behaaglijk, alsof de tak een gemakkelijke schommelstoel was en met de geopende schaar trachtte hij het doekje te grijpen.
De schaar bleek echter een klein beetje te kort te zijn.
Maar de wind kwam hem te hulp, want door een sterkere windvlaag werden de takken in schommelende beweging gebracht. Zij kwamen dichter bij elkaar—en met een handige beweging werd de vluchteling gegrepen.
De groote onbekende kon hem naar beneden trekken en veilig onder zijn vest bergen.
Het neerdalen ging sneller in zijn werk. Ongedeerd bereikte hij den voet van den denneboom en nu zocht de koene klimmer een gemakkelijken weg om weer boven op de rotsen te komen dan dien, langs welken hij was afgedaald.
Het gezelschap had zich intusschen in de eetzaal te goed gedaan. Lord Westerbull vatte het plan op om zijn mededinger voor te zijn en liet den niet zeer geestigen baron het terrein bij de schoone Lady vrij.
Deze laatste had er altijd pret in om den bekrompen, mallen en ijdelen baron een beetje voor den gek te houden en hem haar geestelijke meerderheid te laten gevoelen.
In zijn groote ingenomenheid met zichzelf en zijn aangeboren goedigheid vatte hij het dikwijls bittere sarcasme der schoone vrouw in het geheel niet op als een beleediging.
Het verheugde hem zelfs, wanneer de dame hem tot mikpunt harer spotternijen verkoos.
Hij meende haar hatelijkheden te mogen opvatten als een teeken van haar levendige belangstelling voor zijn persoon.
De Lord had reeds lang zonder opzien te verwekken de tafel verlaten, in allerijl een paar flinke bedienden van het hotel aangenomen en was reeds met deze onderweg om den verloren shawl van den denneboom terug te halen, toen baron Coxwell nog altijd schuddend van lachen naar de spottende opmerkingen der schoone Lady zat te luisteren.
Hij scheen zijn weddenschap totaal vergeten te hebben.
Eindelijk echter viel het hem op, dat de Lord was verdwenen.
Langzaam ging hem een licht op, hij begon te begrijpen, dat de ander hem voor was en op geërgerden toon riep hij uit:
„Ach, de Lord schijnt van plan te zijn, de weddenschap van mij te winnen; dit zal hem echter niet gelukken!”
Daarna stond hij op en nam afscheid van de Lady na herhaaldelijk te hebben verzekerd, dat hij de weddenschap zou winnen.
Van het hotelpersoneel vernam hij, dat zijn mededinger met een paar mannen, die zich voorzien hadden van ladders, stokken en touwen, reeds eenigen tijd geleden naar het uitzichtspunt was gegaan.
Snel volgde hij dit voorbeeld, deed moeite om lieden te krijgen, beloofde dezen een groote belooning en haastte zich nu ook met zijn helpers naar den berg.
Zoowel Lord Westerbull als later de baron ontmoetten onderweg den hun onbekenden gast van het hotel, die uit de gereedschappen, welke de heeren bij [5]zich hadden, dadelijk begreep, wat deze van plan waren.
Met spottende blikken, maar schijnbaar bezorgd, vroeg hij den heeren, of er misschien iemand was verongelukt, wien hulp gebracht moest worden.
Lord Westerbull gaf hem alleen een ontkennend antwoord, de baron echter vertelde den vreemdeling onmiddellijk de geheele geschiedenis, welke deze zeer goed kende, waar naar hij echter vol belangstelling luisterde.
Hij wenschte den baron veel succes met zijn onderneming en slenterde doodkalm naar het hotel terug.
Op de hoogte aangekomen, wachtte Lord Westerbull een groote verrassing.
De Indische shawl hing natuurlijk niet meer aan den dennenboom en was ook in den omtrek nergens te zien.
De baron had dezelfde verrassing.
Toen deze aankwam, waren de lieden van den Lord ijverig bezig, de rotsen af te zoeken en de menschen, die de baron had meegenomen gingen hetzelfde doen.
Terwijl de beide heeren vanaf een veilig plekje mistroostig naar het gevaarlijke werk der lieden keken, begon de avond te vallen.
De invallende duisternis maakte verder zoeken onmogelijk, zoodat dit gestaakt moest worden, en beide partijen onverrichter zake huiswaarts moesten keeren.
Zwijgend en beschaamd kwamen de heeren terug, toen het reeds volslagen donker was.
Zij vernamen in het hotel met vreugde, dat de Lady zich reeds naar haar kamer had begeven en zij namen zich voor, hun nasporingen den volgenden dag voort te zetten …
Het was nacht.
De bewoners van het hotel lagen in diepe rust, geen enkel geluid stoorde hen.
De toeristen hadden zich reeds, vermoeid van hun uitstapjes, vroeg ter ruste begeven; nieuwe gasten werden niet verwacht, daar geen treinen in den laten avond te Brecknock aankomen.
In de gang van het hotel brandde alleen een matte gasvlam.
Daar werd voorzichtig de deur van kamer no. 5 geopend.
Een spookachtige, pikzwarte gestalte trad te voorschijn, keek naar de gasvlam en draaide die uit, sloop daarop naar kamer no. 3 en luisterde. Een langgerekt gesnurk van Lord Morvill was hoorbaar.
Tevreden glimlachte het zwarte spook en begon voorzichtig aan het slot van kamer no. 2 te werken; dit bood eerst weerstand, daarop klonk een zwak krakend geluid en de deur was geopend.
Weer luisterde de zwarte, doch geen geluid werd vernomen.
Wel klonk verwijderd hondengeblaf in zijn ooren, maar dit was onschadelijk en stoorde niet den slaap van het echtpaar Morvill, in wier vertrekker de indringer nu binnentrad.
Hij bevond zich in het salon, dat beide slaapkamers scheidde!
De Lady sliep in kamer no. 1.
Onhoorbaar zweefde het spook, niemand anders dan John Raffles, naar het bed der Lady, dat slechts zwak werd beschenen door een nachtlicht.
Op het nachtkastje lag het horloge met den ketting, waaraan het sleuteltje van de portefeuille van den Lord was bevestigd. Zacht nam hij dat sleuteltje eraf en verdween er mee in het duister.
Hij begaf zich nu naar de slaapkamer van den Lord, waar het volkomen donker was.
Hier zag hij zich genoodzaakt om zijn electrische zaklantaarn, die speciaal voor dergelijke doeleinden was ingericht, te laten schijnen.
De gloeipeer was omgeven door een halven boog, welke slechts een uiterst smalle, maar buitengewoon helderen, sterken lichtstraal liet doordringen, waardoor nimmer de omgeving, doch alleen het bedoelde voorwerp werd verlicht.
De kleeren van den Lord lagen op een stoel.
De leeren portefeuille bevond zich er niet in.
Raffles naderde nu het bed, belichtte de hoofdkussens, waarbij hij er wel voor zorgde, het gelaat van den slapende niet door een lichtstraal te treffen.
Hij bemerkte, dat de Lord de gezochte portefeuille onder zijn hoofdkussen verborgen had met nog eenige andere voorwerpen.
„Dezen keer stel ik alleen belang in het geld,” mompelde Raffles en begon voorzichtig de portefeuille te voorschijn te halen.
Het was een geduldwerk, want de Lord lag op zijn rug en maakte het werk uiterst moeilijk.
Ten slotte gelukte het echter.
De groote onbekende opende de portefeuille, nam er het geld uit en borg er in plaats daarvan een briefje in, dat hij van te voren reeds had geschreven.
Daarop sloot hij de portefeuille en wilde die weer onder het hoofdkussen schuiven.
Plotseling eindigde het gesnurk en de Lord bewoog zich. [6]
Raffles doofde zijn lamp uit en bleef onbeweeglijk staan.
Onverstaanbare geluiden mompelend, wierp de slapende zich op zijn zijde; hij was half wakker, maar viel weldra weer in een diepen slaap.
Nu viel het Raffles gemakkelijk om de portefeuille tusschen de kussens te schuiven.
Hij keerde terug naar het slaapvertrek der Lady. Terwijl hij den sleutel weer bevestigde, kon hij het engelachtig schoone gelaat der slapende vrouw bewonderen.
Hij kon den blik niet van haar gelaat afwenden, met snelle schreden trad hij nader en voorzichtig knipte hij eene kleine, donkere lok af van het prachtige haar.
Daarop haalde hij uit zijn zwarte kleeren den Indischen doek te voorschijn, benevens een klein bouquet rozen en legde beide met een briefje op het nachtkastje.
Onhoorbaar verdween hij nu weer.
Plotseling ontwaakte de Lady, alsof zij de nabijheid van den vreemdeling had waargenomen. Het kwam haar voor, alsof een schaduw door de kamer zweefde.
Luisterend hield zij haar adem in, zonder zich te bewegen. Rondom haar heerschte volkomen stilte. Gerustgesteld sloot zij langzaam de oogen en sliep weer in.
Terwijl de zachte geur haar omzweefde en de God der droomen haar naar de zonnige rozenakkers van Perzië voerde, verliet Raffles onopgemerkt de kamers en verdween in zijn eigen vertrek.
Toen de weddende heeren den volgenden morgen opnieuw aan het zoeken wilden gaan, ontvingen zij beide een anoniem briefje van den volgenden inhoud:
„Doe geen moeite meer, de shawl is gevonden en reeds in het bezit gesteld van de eigenares.”
Met zeer gemengde gewaarwordingen lazen zij dit bericht, dat volgens hun meening van den Lord kwam en wachtten in de conversatiezaal van het hotel op de komst van het echtpaar.
Zij lieten niet lang op zich wachten.
De Lady vertelde den heeren, dat zij wel innig verheugd was geweest, toen zij bij het ontwaken het verloren voorwerp en de heerlijkste rozen had gevonden, maar dat zij absoluut niet kon begrijpen, hoe deze dingen in haar slaapkamer waren gekomen.
Toen zij den brief had geopend, had diens inhoud haar zeer doen ontstellen, want de brief luidde:
„Mylady!
Daar het mij bekend is, dat het verlies van den kostbaren doek u zeer ter harte zou gaan, verheugt het mij bijzonder, u hierbij uw eigendom terug te bezorgen.
Op deze wijze hebben de baron en Lord Westerbull beiden de weddenschap verloren. Ik zal mijn best doen om de verloren inzetsom aan de armen van Londen te doen toekomen.
Met hoogachting,
JOHN C. RAFFLES.”
„Hoe?” riep de baron uit, „Raffles, die gauwdief, die schurk, is ons voor geweest? Ongelooflijk? Ongehoord!”
„Hoe komt die kerel op de hoogte van onze weddenschap?” vroeg Lord Westerbull, ten zeerste verbaasd.
„Ja, maar het mooiste is, dat hij onze inzetsom zoodra mogelijk aan de Londensche armen wil doen toekomen. Dat is onmogelijk, dat bedrag is veilig opgeborgen in mijn portefeuille en de Lady heeft tot op dit oogenblik het sleuteltje ervan veilig bewaard. Overtuigt u zelf, mijne heeren!—Liefste, geef mij het sleuteltje eens!”
De Lady overhandigde hem het gewenschte en deze opende de portefeuille.
Als door een wesp gestoken, stoof hij echter overeind, onderzocht haastig alle afdeelingen en haalde uit de geheel ledige portefeuille slechts een briefje te voorschijn, dat het volgende behelsde:
Quitantie.
Hiermede geef ik u in dank quitantie wegens 200 pond sterling ten behoeve van de Londensche armen.
JOHN C. RAFFLES.
Terwijl de heeren elkaar stom van verbazing aankeken, barstte de Lady uit in een schaterend gelach. Zij lachte tranen en de heeren wisten niet beter te doen dan gedwongen mee te lachen. [7]