In haar rijk en deftig ingericht boudoir lag de schoone Lady Morvill in achtelooze houding op haar divan. Naast haar zat op een laag stoeltje de elegante Lord Westerbull en keek de schoone vrouw diep in de prachtvolle oogen.
Hij had op hartstochtelijken toon tot haar gesproken, haar kleine hand gevat en drukte nu een kus daarop.
De Lady liet hem begaan en sprak op schertsenden toon:
„Dus gij bemint mij, Lord, en hoopt op mijn wederliefde? Beken mij eerst eens, hoeveel vrouwen hebt gij voor mij op dezelfde wijze toegesproken?
„Neen, neen, geen uitvluchten! Ik ken de mannen precies. Vandaag dweept gij met de eene, morgen met de andere. Het liefst echter met degenen, die reeds een ander toebehooren.”
„Mylady, gij spot. Geloof mij, nog nimmer heeft een zoo diep gevoel in mijn hart gezeteld als—”
„Als op het oogenblik, waarop gij mij hebt gezien en nimmer zal deze onuitwischbare indruk uit uw hart verdwijnen.
„Deze uitdrukkingen zijn mij bekend, Lord, zooals gij hoort. Het zou mij werkelijk aangenaam zijn eens iets anders, iets origineelers, van een aanbidder te hooren dan altijd dezelfde woorden.
„Dat gij mij bemint of denkt lief te hebben, noem ik gaarne aan als iets, dat vanzelf spreekt.
„Ik ken uw licht ontvlambaar hart, uw lichtzinnigheid.
„Maar als gij meent, dat een vrouw van mijn soort zoo gemakkelijk te veroveren is als een jong, onervaren meisje, vergist gij u. Mij kan een flinke, energieke man veroveren, iemand, die iets voor mij waagt!”
De Lord sprong op.
„Zeg mij, wat ik voor u zal wagen. Ik ben geen lafaard en als het erop aankomt, sta ik mijn man. Spreek! Zeg mij, wat ik zal doen en het zal geschieden!”
Vol twijfel het mooie hoofd schuddend, keek de Lady hem van terzijde aan en sprak:
„Deze groote geestdrift zou spoedig voor iets anders plaats maken, als ik een ernstig bewijs verlangde!”
„Neen, nooit! nooit! Ik bezweer u, stel mij op de proef!”
„Nu goed dan, Lord. Ik zal zien of gij woord houdt. Misschien komt de tijd, waarin ik uw diensten noodig heb, dan zullen wij er verder over spreken. Stil, daar komt iemand!”
De kamenier der Lady trad binnen en bracht op een zilveren blad een visitekaartje. De dame las het en sprak tot den Lord:
„Baron Coxwell.”
Daarop zei ze tot de kamenier:
„Verzoek mijnheer binnen te komen.”
Met een reusachtigen bouquet in de hand trad de baron binnen, groette den Lord met een korte buiging, snelde daarop naar de dame, wier hand hij vol eerbied aan zijn lippen bracht en sprak, terwijl hij haar zijn reuzenbloemruiker aanbood, met nasaal geluid:
„Staat gij mij toe, dat ik, ten teeken mijner oprechte vereering en terwijl ik innig verheugd ben, u zoo opgewekt te zien, u deze Flora’s kinderen aanbied?
„Ik hoop, dat haar geuren u genot zullen verschaffen. Evengoed als deze bloemen gedoemd zijn om te sterven zou ook ik met genoegen mijn leven voor u opofferen, Mylady!”
„Inderdaad, baron? Maar hoe zou het zijn, als die gelegenheid zich inderdaad eens voordeed?”
Eenigszins bedremmeld stamelde de baron:
„Gelegenheid? Waartoe?”
„Wel, om u op te offeren! Evenals deze bloemen, die voor mij moeten sterven!”
De dame nam den bouquet uit de handen van den baron en snoof den geur der bloemen op.
„Sterven? Mylady schertst! Men sterft toch zoo maar niet! En dan—ik zou u de vraag willen stellen: waarom sterven en met welk doel?
„Vindt gij ook niet, Lord Westerbull?”
De aangesprokene knikte bevestigend met het hoofd en keek in gespannen aandacht naar de dame, die, dit begreep hij, het een of andere plan had. [8]
Lady Morvill keek met een glimlach naar haar aanbidders en sprak:
„Nu, heeren, gij zult beiden zekerheid hebben omtrent mijn wenschen. Gij beweert alle twee, uw leven voor mij te willen opofferen. Stel u gerust, ik eisch uw leven niet, doch ik wensch, dat gij mij in kennis brengt met den beroemden—Raffles.”
Beide heeren staarden de Lady aan, alsof zij een spook zagen.
Na een pauze vond de baron het eerst woorden, terwijl de Lord nerveus aan zijn snor plukte.
„Mevrouw! Gij, een dame van den hoogsten rang en stand, wilt Raffles leeren kennen, dien schurk, dief en aartsschelm—en wij—maar dat is immers ten eenenmale onmogelijk!
„Lord Westerbull, wat zegt gij hiervan?”
„Ik denk, dat Lady Morvill met ons schertst en er niet in ernst aan denkt, dat wij in staat zijn om haar wensch te bevredigen!”
„Zeer juist, Lord, zeer juist. Wij kunnen ons toch onmogelijk met een misdadiger bezighouden en dat nog wel met een, die ons reeds te pakken heeft gehad!”
„Betreurt gij die honderd pond zoo zeer, baron? Ik dacht, dat de grap die som wel waard was geweest.”
„Wel, mevrouw, het is niet om het geld, doch bedenk eens, hoe wij door dit geval geblameerd zijn.
„Mijnheer uw echtgenoot heeft het geheele geval in de club verteld en nu lacht geheel Londen ons uit. Het is verschrikkelijk!”
„De Londensche armen zullen waarschijnlijk niet veel van het geld hebben gekregen. Geen penny hebben zij ervan gezien!”
Lord Westerbull riep deze woorden uit en liep opgewonden heen en weer.
„Gij vergist u,” antwoordde de Lady op kalmen toon, „zij hebben precies 200 pond gekregen!”
De dame nam een pakje van een klein tafeltje.
„Hier ziet gij een aantal brieven. In deze brieven bedanken arme gezinnen mij voor giften van 5 tot 10 pond, welke zij uit mijn naam hebben ontvangen en welke ik niet heb afgezonden.
„Ik wist niet, wat dit alles beteekende, totdat ik heden dit briefje ontving. Het luidt:
„Mylady!
„De 200 pond zijn uit uw naam verdeeld tusschen arme gezinnen, welke ik ken. Wanneer zich weer een gunstige gelegenheid mocht voordoen ondersteuning te krijgen voor mijn beschermelingen, dan zal ik niet in gebreke blijven die aan te grijpen.
Hoogachtend
JOHN C. RAFFLES.”
„De duivel moge hem halen!” riep de Lord uit, „de kerel heeft karakter!”
„Ik ben het geheel met u eens, Lord,” sprak de Lady op scherpen toon, „daarom wil ik John Raffles leeren kennen en gij, mijne heeren, moet mij daarbij helpen. Wilt gij of niet?”
„Ja—als—als—men maar wist hoe. Ik kan—dien Raffles toch niet—in alle misdadigersholen gaan zoeken!” stamelde de baron.
„Daar zou men hem ook niet vinden,” meende de Lord spottend. „Iemand als Raffles, dien niemand kent, wiens uiterlijk niemand nauwkeurig kan omschrijven, die steeds zonder handlangers werkt, er vandaag zoo en morgen weer geheel anders uitziet, is geen bewoner van „White-Chapel!”
„Zoekt hem dan, heeren. Hij moet toch ergens te vinden zijn!” sprak de dame spottend. „Of zijt gij misschien bang voor uw portefeuille?”
„Lady, uw spot is onverdraaglijk. Goed dan, ik zal Raffles zoeken en hem ook vinden. De gevolgen komen echter voor uw rekening!”
Lord Westerbull boog voor de Lady en sprak:
„Ik zal over eenige dagen komen om u bericht te brengen.”
Met deze woorden wilde hij gaan.
De baron hield hem tegen.
„Neem mij mede, Lord. Wij zullen samen overleggen, hoe wij den wensch der Lady ten uitvoer kunnen brengen, want het spreekt van zelf, Mylady, dat ook ik mij naar uw wenschen voeg.”
De baron kuste nogmaals de vingertoppen der dame en nam met diepe buigingen afscheid.
Toen Lady Morvill alleen was, wierp zij den ruiker achteloos op tafel en ging een oogenblik voor een grooten spiegel staan, welke haar heerlijke gestalte en het bekoorlijke, rijkgelokte kopje weerspiegelde.
Met sierlijke bewegingen ordende zij een paar weerspannige krulletjes.
Daarop gleed een glimlachje van voldoening over haar gelaat. Zij wist, dat zij schoon was en zij wilde het zijn. Juist nu wilde zij het.
Met lichten tred schreed zij een reeks vertrekken door en bleef toen luisterend voor een deur staan.
Deze deur gaf toegang tot een bureau, waarin op dit [9]oogenblik een knappe, jonge man van 22 jaar zat.
Toen Lady Morvill de deur opende, zag zij een bejaarden heer, die tegenover den beambte zat. De kleeding van den vreemdeling verried den dorpeling. Een blauwe bril met opvallend groote glazen bedekte het bovenste gedeelte van het gelaat, terwijl een volle baard het onderste deel daarvan omgaf.
De Lady wilde zich snel terugtrekken, toen zij den vreemdeling zag.
De jonge particuliere secretaris van den Lord, Johnny Wilkens, sprong echter snel op en volgde de dame in het aangrenzende vertrek.
„Wie is die man?” vroeg de Lady haastig.
„Een vriend van mijn moeder, die haar heeft ondersteund. Hij is eenigszins doof en woont te Liverpool. Hij wilde naar mijn welstand informeeren en kwam daarvoor hier.”
„Gauw, Johnny, zeg mij of je hebt gedaan, wat ik je opdroeg!”
„Yes Mylady,” sprak Wilkens op fluisterenden toon, „ik kreeg de sleutels, welke ik liet maken, vandaag.”
„Goed, dan blijft het bij de afspraak. Vergeet niet, dat de geldswaardige papieren in het bovenste vak van de brandkast liggen. Nog heden wil ik vrij zijn aan je zijde.
„Ik verwacht je om 11 uur in het tuinhuis!”
Snel boog zij zich naar hem toe en kuste hem hartstochtelijk, daarop keerde zij naar haar boudoir terug.
Als betooverd staarde de jonge man de wegijlende na. Hij had eenige oogenblikken noodig om tot zich zelf te komen en weer naar den vriend zijner moeder terug te gaan.
Als Wilkens zich haastig naar de deur had begeven, had hij kunnen opmerken, dat de eenvoudige, doove man, van daar wegsloop en zacht mompelde:
„Drommel! Zoo ver is het dus al gekomen! Ik ben juist nog op tijd hier!”
Wilkens keerde naar het bureau terug.
De bezoeker stond op van den stoel, welken hij schijnbaar niet had verlaten en sprak op goedigen toon:
„Nu, Johnny, het wordt mijn tijd. Ik heb je moeder en jou gezien. Gij zijt gezond, jou gaat het hier goed, dus wat wil men nog meer. Ik moet mij haasten, anders mis ik den trein naar Liverpool!”
„Leef wel, Mr. Jenkins, leef wel!” sprak de secretaris, drukte de handen van den man en vergezelde hem naar de deur.
Naar het venster gaande, zag hij Mr. Jenkins de villa verlaten.
Daarop haalde hij langzaam drie kleine sleutels te voorschijn, luisterde en ging de studeerkamer van den Lord, welke aan het bureau grensde, binnen.
Haastig liep hij naar de groote brandkast, die in een hoek der kamer stond en probeerde een der sleutels.
Deze paste.
Tevreden glimlachend ging hij hierop weer terug.
Een rijtuig hield voor de villa stil, Wilkens wierp een schuwen blik uit het venster en mompelde:
„De Lord!”
Snel nam hij eenige acten ter hand, zoodat ieder, die hem zag zitten, moest gelooven, dat de jonge man in zijn werk verdiept was.
Intusschen was de Lord het huis binnengegaan; hij begaf zich onmiddellijk naar zijn weelderig ingerichte studeerkamer en van daar door de met zware gordijnen behangen verbindingsdeur naar het bureau, waar zijn geheim-secretaris, de jonge Wilkens, zat te werken.
De Lord overhandigde hem eenige papieren met het bevel, de noodige aanteekeningen in de contoboeken aan te brengen en begaf zich daarna, zonder de verwarring van den jongen man opgemerkt te hebben, naar het boudoir der jonge Lady.
Wilkens wierp een blik op de papieren en mompelde:
„Alweer die oneerlijke wijze van zaken doen op de Beurs en het misbruik maken van zijn voorname relaties. Wee den Lord, als men in zekere kringen te weten komt, op welke wijze hij zich verrijkt!”
Daarop ging Wilkens aan het hem opgedragen werk.
De Lord ging het boudoir zijner echtgenoote binnen. Zij lag, uitgestrekt op den divan, te lezen. Zij deed alsof zij zeer verrast was en het onaangenaam vond, in haar interessante lectuur gestoord te worden.
Kortaf en op eenigszins onvriendelijken toon sprak de Lord, een stoel nemend:
„Neem mij niet kwalijk, als ik je stoor. Ik moet je echter spreken!”
„Ga je gang!” antwoordde de Lady even kort.
„Ik ontmoette zooeven Lord Westerbull en baron Coxwell. De laatste, die, zooals je weet, altijd moet praten, vertelde mij van je vreemden wensch betreffende Raffles.
„Ik moet nog opmerken, dat een dergelijke opdracht als die, welke jij dien heeren hebt gedaan, een Lady Morvill onwaardig is.”
„Omtrent dat, wat mijner al of niet waardig is, mag Lord Morvill allerminst critiek uitoefenen,” antwoordde de Lady op scherpen toon, „ik wensch daaromtrent geen instructies te krijgen!”
Geërgerd riep de Lord uit:
„Ik moet toch vriendelijk verzoeken, een anderen [10]toon aan te slaan en niet te vergeten, wien je voor hebt!”
De Lady lachte gedwongen:
„Juist omdat ik dat laatste niet vergeet, richt ik mijn toon daarnaar in. Overigens is het zeer goed, als bij deze gelegenheid eens opheldering tusschen ons komt en onze wederzijdsche positie wordt bepaald!”
„Dat is ook mijn wensch,” viel de Lord haar haastig in de rede, „ik zal in een paar woorden die zaak tot klaarheid brengen.
„Als mijn echtgenoote heeft Lady Morvill voor alles haar plichten jegens mij te vervullen en zich geen vrijheden te veroorloven, die in strijd zijn met de maatschappelijke zeden en gewoonten.
„Ik duld het niet langer, dat Lady Morvill overal wegens haar excentrieke ideeën over de tong gaat en er een heirleger aanbidders op nahoudt, hierdoor de wereld aanleiding gevend, allerlei geruchten in omloop te brengen, die ook mijn naam schaden.”
De Lady lachte luidkeels.
„Ik ben werkelijk nieuwsgierig om te hooren, wat er nog te bederven was aan de reputatie van Lord Morvill, die bekend staat als de grootste Don Juan en boemelaar der geheele wereld.
„Neen, mijnheer mijn echtgenoot, ik ben uw ijverige leerlinge geweest, gij hebt van het onschuldige jonge meisje een ervaren vrouw van de wereld gemaakt.
„Draag er nu de gevolgen van!
„Wij zijn niet meer in de middeleeuwen. Toentertijd was het nog de gewoonte om weerspannige vrouwen te verbannen naar het een of andere kasteel en daar achter dikke muren opgesloten te houden.
„In den tegenwoordigen tijd heeft de vrouw dezelfde rechten, wil zij evengoed genieten als de man, die alle rechten voor zichzelf wil hebben en ons het liefst de plichten op zou willen dragen.
„Gij, Lord Morvill, weet te leven. Ja, meer dan dat, gij geniet het leven als een woesteling en mij zoudt gij aan de wereld willen vertoonen als een opgesierde pop, waarmee gij pronkt en om wier bezit gij bewonderd en benijd wilt worden.
„Waag het eens, mij aan banden te leggen! Waag het eens!
„Ik weet allang, dat de heeren der schepping dit allen wenschen te doen, maar ik verzeker u op mijn woord, dat ik alle banden, zonder onderscheid, zou verbreken! Vrijheid wensch ik, onbeperkte vrijheid!”
De schoone vrouw was opgesprongen en met vonkelende oogen, als een godin der wraak, stond zij hoog opgericht en dreigend voor den Lord, die niet kon nalaten haar schoonheid te bewonderen.
De Lord begreep, dat hij den boog te sterk had gespannen, hij bond daarom in en sprak op kalmen toon.
„Waarom dadelijk zoo driftig, lieve? Ik wensch alleen, elk schandaal te vermijden, lastertongen geen voedsel te geven. Begrijp toch, dat ik in jouw belang spreek. Je five o’clock tea heeft in den laatsten tijd aanleiding gegeven tot allerlei babbelpraatjes. Het zou zeer gewenscht zijn, als je ook eens dames ontvingt, die in je salons tot de zeldzaamheden behooren!”
„Ik zal ook voortaan mijn bezoekers volgens mijn eigen smaak kiezen. Bemoei u alstublieft even weinig met mijn avonden als ik dat doe met die, welke gij op de alleraangenaamste wijze doorbrengt in de kleine villa Victoria.”
De Lord schrikte.
Wat wist zijn vrouw van deze villa, de getuige zijner heimelijke liefdesavonturen?
Hij voelde zich overwonnen en krabbelde daarom haastig terug.
„Ik begrijp uw woorden niet! Ik ken geen villa Victoria!”
„Werkelijk niet? Uw verlegenheid bewijst het tegendeel. Gij weet nu, dat ik de villa en haar geheimen ken! Ik hoop, dat dit u voldoende is.”
De Lady nam haar boek weer op, dat zij in haar drift had laten vallen, strekte zich uit op den divan en sprak op onverschilligen toon:
„Ik geloof, dat ons onderhoud is afgeloopen. Laat mij verder lezen!”
Zij verdiepte zich schijnbaar weer in haar lectuur.
De Lord stond op en wierp een blik vol bewondering en woede tegelijkertijd op de schoone vrouw.
Hij had gemeend, dit bekoorlijke wezen tot een speelbal zijner luimen te kunnen maken en nu moest hij inzien, dat hij alleen een demon in haar had opgewekt, die hem nog wel eens zeer gevaarlijk zou kunnen worden.
Met een korten groet verliet hij het boudoir.
Toen hij was heengegaan, slingerde de Lady het boek op den grond.
Diep ademhalend fluisterde zij:
„Onverdraaglijk is het! Ik wil vrijheid! Vrijheid! Wie zal mij die verschaffen?” [11]