In het vrij uitgestrekte park, dat de villa, welke Lord Morvill bewoonde, omgaf, bevond zich een tuinhuis in het achterste gedeelte.
Het was een Japansche koepel, die met gezellige hoekjes, zachte zetels en divans tot dolce far niente uitnoodigde.
Tegen de donkere kruinen der boomen, die er omheen stonden, stak het dak in heldere, sprekende kleuren volgens Japanschen smaak gekozen, zeer af.
De maansikkel wierp haar zilveren stralen over het park, spookachtige schaduwen der reuzenboomen over de kiezelpaden werpend.
De koepel werd weinig gebruikt door de bewoners der villa. Zelfs de bekoorlijke eigenares bezocht slechts zelden dit heerlijke plekje.
Des te meer moest het opvallen, dat nu, in het late avonduur, een donkere gestalte haastig den koepel trachtte te bereiken. Af en toe voorzichtig omkijkend, zocht zij zich in de schaduw der boomen verborgen te houden.
Toen zij de deur, die toegang gaf tot den koepel, had bereikt, zette zij een zwaar voorwerp op den grond en draaide haastig den sleutel der deur om.
Snel nam zij het donkere voorwerp op, dat zij op het grint had neergezet.
Een straal maanlicht verried, dat het een groote en, naar het scheen, zware reistasch was.
De donkere gedaante verdween in het tuinhuis.
Toen zij de deur achter zich had gesloten, kwam een zucht van verlichting van haar lippen.
Uitgeput van het snelle loopen en van angst, gezien te worden, viel zij op een rustbed neer en sloeg haar sluier terug.
De maan, die onbescheiden door de vensters keek, verlichtte het gelaat van de bekoorlijke Lady Morvill.
Van een kerktoren op eenigen afstand klonk de slag van een half uur.
Lady Morvill luisterde en haalde haar klein, met paarlen en brillanten versierd horloge te voorschijn. Met een enkelen blik zag zij, dat het half elf was. In haar haast en ongeduld was zij ongeveer een half uur te vroeg gekomen.
Toen zij tot deze ontdekking kwam, vertoonde zich een ontevreden uitdrukking op haar gelaat.
Zij plukte zenuwachtig aan het kleine kanten zakdoekje, dat zij in de hand hield en haar sierlijk voetje stampte vol ongeduld op een tijgervel.
Daarna stond Lady Morvill op en liep het vertrek vol ongeduld door.
Eindelijk leunde zij tegen de vensterruiten van het tuinhuis en staarde met vast opeen geklemde lippen naar buiten in het park.
Het maanlicht bescheen het fijnbesneden gelaat, het een uitdrukking gevend van ijzige koude, hoewel in haar binnenste een storm woedde van tegenstrijdige gewaarwordingen.
„Nog een half uur!” fluisterde zij.
Als de torenklok elf slagen verkondigde, zou haar gevangenis zich voor haar openen. Zij zou de vrijheid, waarnaar zij reeds zoo lang verlangde, terug krijgen.
Reeds lang was het plan in haar gerijpt om den Lord dien zij dagelijks meer haatte, te verlaten. Zij hoopte, in den vreemde een geluk te zullen deelachtig worden, dat zij tot dusverre niet had gekend.
Tot dusverre hadden haar echter de middelen ontbroken om te kunnen vluchten. Haar bruidsschat, omgezet in solide effecten, werd door den Lord in zijn brandkast bewaard, waar van alleen hij de sleutels bezat.
Daar zij nimmer had geleerd, zich in iets te bezuinigen, kon zij van het speldegeld, dat de Lord haar op ruime wijze deed toekomen, niets overhouden.
Plotseling kwam na den dood van den vroegeren geheimsecretaris van den Lord de jonge Wilkens in zijn plaats in huis. Het knappe uiterlijk en de groote onervarenheid van den jongen man bevielen de Lady, die tot dusverre in haar omgeving slechts Don Juans van de ergste soort en fatten had ontmoet. [12]
Zij bemerkte met haar vrouwelijk instinct dadelijk, dat de jonge man vanaf het eerste oogenblik bekoord was door haar schoonheid.
Zij omstrikte hem meer en meer in haar netten, aanvankelijk alleen omdat de naïeve bewondering van den jongen man haar beviel.
Weldra echter bouwde zij een afschuwelijk plan op haar macht, welke zij over den jongen Wilkens had. Hij moest haar de behulpzame hand bieden om de langgewenschte vrijheid te herwinnen.
Bij een kort onderhoud, dat zij in den tuin met hem had, wist zij, door hem al de ellende af te schilderen, die zij aan de zijde van haar echtgenoot te verduren had, en door een koketterie, waarin zij meesteres was, den jongen man tot een belofte te bewegen, dat hij haar zou helpen om haar bruidsschat terug te krijgen.
Zij wierp zich den onervaren jongen man, om zoo te zeggen, in de armen, vertelde hem van haar gloeiende liefde en bezwoer hem, met haar te vluchten.
Geheel verward en bijna gek van geluk, gaf de knappe jonge man haar zijn woord, alles te zullen doen, wat deze sirene van hem verlangde.
Zij eischte nu al spoedig, dat hij wasafdrukken zou nemen van de sleutels der brandkast en valsche sleutels zou laten vervaardigen. Dan moest hij, als de gelegenheid zich voordeed, haar bruidsschat wegnemen en met haar vluchten.
Daar Wilkens haar had medegedeeld, dat hij in het bezit was van de sleutels, had zij dezen nacht voor de vlucht bestemd.
De tijd was gunstig gekozen, want Lord Morvill placht op den dag, waarvan sprake was, eerst laat of in het geheel niet thuis te komen.
In het centrum der stad had hij een woonhuis voor den winter en daar overnachtte hij, als hij de geheimzinnige villa Victoria verliet.
Toen Tom, de oude kamerdienaar van den Lord, Johnny Wilkens dien avond vroeg, waar hij dacht te soupeeren, had deze slechts een kop thee op kantoor besteld en daarop den ouden, getrouwen Tom weggestuurd met de opmerking, dat hij nog veel te werken had.
Hoe meer het oogenblik naderde, waarop John zou ophouden, een fatsoenlijk mensch te zijn, des te heviger bonsde zijn hart.
Hij schrok terug voor de daad, welke hij ten uitvoer zou brengen.
Met het hoofd in de hand verzonk hij in gedachten. Het verdriet zijner oude moeder kwam hem voor den geest. Hij zag haar weenen om den verloren zoon.
Het was hem, alsof zij de handen smeekend naar hem uitstrekte:
„Johnny, mijn kind, mijn lieveling, doe het niet! Bezoedel je handen niet aan eens anders goed. Respecteer het eigendom van je medemenschen!”
Langzaam vervloog het beeld van zijn moeder in een nevel en aan de andere zijde verscheen de zinbekorende sirene. Zij glimlachte den jongen man verleidelijk toe, haar volle blanke armen legden zich om zijn hals en hij meende, haar gloeiende kussen te voelen.
Daar sloeg het van den torenklok kwart voor elf.
John schrikte en, nog onder den indruk van het visioen, stond hij vastberaden op.
Ja, het moest en zou gebeuren.
Hij wilde deze schoone vrouw winnen en mocht haar niet laten wachten.
Er was nog slechts een kwartier over.
Hij snelde naar de brandkast en opende die met den valschen sleutel.
Het waardevolle pakket lag in het bovenvak.
Reeds strekte hij zijn hand uit om het te grijpen, toen die hand van achteren werd vastgehouden. Op hetzelfde oogenblik werd hij achteruit getrokken en voordat een enkel geluid over zijn lippen kon komen, voelde hij een prop tusschen de tanden.
Van schrik verloor hij het bewustzijn.
Toen hij weer tot bewustzijn kwam, lag hij op de sofa in de studeerkamer, weliswaar gemakkelijk, maar het was hem onmogelijk zich te bewegen. Voor hem stond een gemaskerde man, den hoed over het voorhoofd getrokken, gehuld in een donkeren mantel.
Toen de gemaskerde zag, dat Wilkens weer tot zichzelf was gekomen, sprak hij op gemoedelijken toon:
„Je bent nog niet handig genoeg als collega van mij, mijn jongen. Wees dus blij, dat ik je help, de politie zou je gauw te pakken hebben en dan zou je suikerzoete Lady je leelijk in de modder laten zitten.
„Nu ben je gered en met een eerlijk geweten kun je verklaren, dat niet jij, maar Raffles de brandkast heeft leeggeroofd.
„Opdat je deze verklaring ook echter kunt bewijzen, leg ik een kwitantie in de brandkast.”
Raffles had het pakket met geldswaardige papieren onder zijn mantel geborgen, een kwitantie voor het gestolen bedrag geschreven en die in de brandkast gelegd, waarvan hij de deur aan liet staan.
Wilkens keek naar elke beweging van den gemaskerde, zoover zijn boeien hem dat veroorloofden.
Vol ontzetting geloofde hij in hem den man te herkennen, die zich Mr. Jenkins had genoemd, die hem [13]dien middag nog had bezocht om hem de groeten van zijn moeder over te brengen.
Voordat de gemaskerde heenging kwam hij nogmaals naar Johnny toe en sprak op dreigenden toon:
„Mijn jongen, als je niet afziet van die slang, de schoone Lady, ben je verloren. Niet telkens kan, zooals dezen keer, John Raffles je voor een misdaad behoeden.”
Met deze woorden wendde de groote onbekende zich naar de deur en verliet de kamer.— —
Nadat Lady Morvill voor den honderdsten keer het vertrek had doorgeloopen, bleef zij vol ongeduld weer bij het kleine venster staan.
Zou er dan geen eind komen aan dat wachten?
Haar boezem ging van opgewondenheid haastig op en neer.
De kleine witte tanden groeven zich diep in de roode, zwellende lippen.
Weer keek zij op haar horloge.
Nog een minuut voor elf uur. De seconden leken haar uren. Haar slapen bonsden, het hart klopte haar in de keel.
Wat zou de volgende minuut haar brengen? Allerlei fantastische beelden vlogen door haar brein.
Van den kerktoren weergalmden elf metalen slagen. Langgerekt klonken de tonen door den zwijgenden nacht.
Nauwelijks was de laatste slag gevallen, of het aandachtig luisterende oor der Lady vernam schreden, welke snel het tuinhek naderden.
Haar hart klopte, alsof het zou barsten.
„Eindelijk!” fluisterde zij en snelde naar de deur, welke zij opende.
Doch met een kreet van schrik wankelde zij achteruit.
In de deuropening stond de donkere gestalte van een rijzigen man, wiens gelaat met een halfmasker was bedekt.
Onbeweeglijk bleef de zwarte gedaante op den drempel staan.
Een paar schitterende oogen, die uit het masker haar aankeken, boorden zich in het angstige, bleeke gelaat der Lady.
„Wie zijt gij?”
„Een vriend der armen en bedrukten,” klonk het op diepen, vollen toon halfluid terug.
„Wat wilt ge?” vroeg de Lady bevend.
„Een misdaad voorkomen, waartoe gij, Lady, aanleiding geeft.”
Na een korte pauze, waarin Lady Morvill nauwelijks durfde ademhalen, vervolgde de zwarte gedaante:
„Gij verwacht den jongen Wilkens hier. Gij wacht tevergeefs!”
„Komt hij niet?” ontsnapte het aan de lippen der dame.
„Neen! Ik heb het hem belet!”
„Mijn hemel! Wie zijt gij dan?”
„Dat komt er voorloopig niets op aan. Gij hebt John Wilkens overgehaald tot een misdaad, welke ik nu voor hem heb gepleegd. Gij wildet met den onervaren jongeling vluchten en wachttet op hem. Dat is tevergeefs, zooals ik u reeds zeide.
„Keer daarom naar huis terug en zorg er voor, dat geen verdenking op Johnny valt. Dat is het allerminste wat gij voor hem kunt doen.
„Neem u in acht, om voortaan weer dergelijke pogingen te wagen!
„Ik ken uw plannen en bedoelingen. Ik weet, dat gij tot elken prijs van uw echtgenoot weg wilt.
„Alleen deze gedachte reeds is een misdaad. Doe echter wat gij wilt, doch laat den jongen Wilkens er buiten. Hij is er te goed voor, dan dat gij zijn leven en dat zijner moeder zoudt mogen vernietigen.
„Ik ken den Lord en ik ken u, Mylady. Gij zijt elkaar waard en het zou eeuwig jammer zijn als zoo’n prachtig paar gescheiden werd.
„Daarom zorg ik er heden voor, dat dit u onmogelijk is. Bedenk, dat ik uw bedoelingen ken en dat ik u zou kunnen vernietigen, als ik den Lord de bewijzen bracht van uw handelingen.
„Opdat gij echter weet, wie zijn hand beschermend over John Wilkens uitstrekt, wil ik u zeggen wie ik ben.”
De onbekende nam het masker van zijn gelaat, trad naar de Lady toe en sprak:
„De wereld kent mij als John Raffles, onthoud dit gelaat, Lady. Gij zult het terugzien en zwijgen.”
Met een hypnotiseerende uitdrukking rustten de glinsterende zwarte oogen op het gelaat der Lady.
Een oogenblik stond zij als versteend, daarop echter gleed een uitdrukking van triomf over haar gelaat.
„Raffles! Gij zijt Raffles?” klonk het van haar lippen. „Hoezeer heb ik u, uw moed en vastberadenheid altijd bewonderd! Gij hebt mij den shawl gebracht?”
„Zeker Mylady, hier is het bewijs!”
Raffles nam uit zijn portefeuille een haarlok, welke hij bij zijn nachtelijk bezoek van het hoofd der slapende had geroofd.
Lady Morvill greep de hand, die de haarlok vasthield en fluisterde op ontroerden toon: [14]
„Hoezeer heb ik ernaar gesmacht, een man als u te leeren kennen.”
Op scherpen toon viel de groote onbekende haar in de rede:
„Mylady! John Wilkens wacht op uw hulp! Bij mij hebben uw kunsten geen succes. Ga heen!”
Met fier opgerichte gestalte stond hij daar, als een God der Wrake en met zijn rechterhand wees hij naar de deur.
De Lady bukte zich, als had zij een zweepslag gekregen.
Langzaam verliet zij het tuinhuis en vloog naar huis.
Lang volgde Lord Lister haar met de oogen, daarop verliet ook hij den koepel en was weldra in het donker park verdwenen.