Angstig was de Lady de zijtrap opgesneld, die dicht bij haar vertrekken op den corridor der eerste verdieping uitkwam. Reeds wilde zij haar boudoir binnensluipen, toen de deur van het studeervertrek van den Lord werd geopend en Tom, de oude kamerdienaar, snel naar buiten trad.
Toen hij de Lady bemerkte, snelde hij naar haar toe en sprak haastig:
„Mylady, er is op onbeschaamde wijze bij ons ingebroken. Zooeven heb ik den heer secretaris in de studeerkamer van Zijn Lordschap gevonden.
„Ik heb Zijn Lordschap onmiddellijk telephonisch bericht naar de Club gezonden en de politie gewaarschuwd.
„Beide zullen dadelijk hier zijn. Ik hol nu naar beneden om den portier alles te vertellen.”
Met deze woorden stormde hij opgewonden de trap af.
De Lady, die onaangenaam verrast was door deze ontmoeting, en het meer dan onpleizierig vond dat men haar in reistoilet had gezien, ging haar boudoir binnen en verwisselde snel van kleeren.
Daarop ging zij de studeerkamer van den Lord binnen, waar zij Wilkens, ontdaan van zijn boeien, op de sofa zag liggen, terwijl de bediende George hem van tijd tot tijd iets liet drinken.
De bediende stond vol eerbied op bij het binnentreden der Lady.
Ook Wilkens wilde spreken, de Lady gaf hem echter een wenk om te zwijgen, wel begrijpend, dat in tegenwoordigheid van den bediende een onvoorzichtig woord gevaarlijk kon worden.
„Houd u rustig, lieve Mr. Wilkens, en herinner u het gebeurde goed, opdat gij straks den Lord en de politie de gewenschte inlichtingen omtrent het gebeurde kunt verstrekken. De zaak moet opgehelderd worden!”
Zij sprak deze laatste woorden met bijzonderen nadruk en liet ze vergezeld gaan van een waarschuwenden blik.
Wilkens had haar begrepen en sprak op zachten toon:
„Mylady kan onbezorgd zijn, ik herinner mij alles.”
De Lady verwijderde zich om geen achterdocht te wekken en wachtte op de komst van haar echtgenoot en van de politie.
Beide lieten niet lang op zich wachten. Zij kwamen bijna op hetzelfde oogenblik.
Terwijl de Lord nog in de vestibule stond en daar naar het verhaal van den kamerdienaar luisterde, arriveerden politie-inspecteur Baxter, detective Marholm en twee agenten.
Vol eerbied groette Baxter den voornamen heer, hoorde van hem nogmaals, wat er gebeurd was en liet zich door Tom vertellen, hoe hij den secretaris had gevonden.
Deze berichtte:
„Ik wilde mij eigenlijk met George ter ruste begeven en was op weg naar mijn kamer. Zooals het mijn gewoonte is, ging ik echter nog eens de gang [15]door om mij ervan te overtuigen of de vensters goed gesloten waren.
„Toen ik voorbij de deur der studeerkamer ging, hoorde ik een zacht gekerm.
„Ik luisterde en toen dit zich herhaalde, ging ik de kamer door de gangdeur binnen. Op de sofa lag, aan handen en voeten gebonden en met een prop in den mond, mijnheer de secretaris.
„George en ik bevrijdden hem vlug van zijn boeien en sinds dat oogenblik ligt hij nog geheel uitgeput boven in de kamer van zijn Lordschap.”
„Goed, laat ons naar boven gaan en hooren, wat Wilkens ons te vertellen heeft,” sprak de Lord koel en ging vooruit.
Inspecteur Baxter en detective Marholm volgden.
Wilkens had zich intusschen hersteld en zijn plan gemaakt.
Toen de Lord binnentrad, stond hij op, maar deed zich zwakker voor dan hij inderdaad was.
„Wat ter wereld is er hier gebeurd, Wilkens?” vroeg de Lord. „Vlug, vertel, opdat deze heeren, die van de politie zijn, de noodige maatregelen kunnen nemen.”
„Uw Lordschap,” antwoordde Wilkens met zwakke stem, „ik kan eigenlijk maar weinig vertellen. Ik werkte in mijn bureau en wilde eenig achterstallig werk afmaken, om met alles bij te zijn. Daarom bleef ik langer dan gewoonlijk hier.
„Plotseling kreeg ik een hevigen slag op het hoofd, die mij bewusteloos maakte. Toen ik weer bijkwam, lag ik geboeid op de sofa in uw studeerkamer met een knevel in den mond. Alle moeite om mij te bevrijden, was vergeefsch. Eindelijk, na een tijd, die mij een eeuw toescheen, kwam Tom en hielp mij.
„Meer weet ik niet mede te deelen.”
Inspecteur van politie Baxter had intusschen een tafel in het midden van de kamer laten zetten, daarop een bundel acten neergelegd en zijn vulpen in gereedheid gebracht.
Met een gewichtige houding nam hij aan de tafel plaats en begon het verhoor.
Nadat John Wilkens de noodige opgaven omtrent zichzelf had verstrekt, vroeg Baxter hem:
„Om hoe laat had de overrompeling plaats?”
„Het kan ongeveer 10 uur zijn geweest,” antwoordde John Wilkens na een korte aarzeling.
„Precies weet ik het niet, want ik was verdiept in mijn werk.”
Lord Morvill was intusschen het bureau van zijn geheimsecretaris binnengegaan en merkte dadelijk op, dat de brandkast niet gesloten was.
Na eenige oogenblikken snelde hij terug naar de kamer, waarin het verhoor plaats vond. Hij was zoo bleek als een lijk en had een briefje in de hand, dat hij zwijgend voor Baxter neerlegde.
Deze nam het op en las:
„Mylord!
Eenige dagen geleden heb ik mijn leven gewaagd om mevrouw uw echtgenoote een dienst te bewijzen en haar verloren eigendom terug te bezorgen. Heden heb ik daarvoor mijn belooning gehaald.
JOHN C. RAFFLES.”
Inspecteur Baxter sloeg met de gebalde vuist op tafel.
„Alweer een Rafflesstreek! Wij moeten dien ellendeling toch eindelijk onschadelijk maken!”
„Het wordt zeer zeker tijd,” kon Lord Morvill niet nalaten te antwoorden, „dat onze politie eindelijk eens succes heeft!”
Baxter scheen deze woorden niet te hooren en wendde zich tot Lord Morvill met de beleefde vraag:
„Zou het uw Lordschap mogelijk zijn, te bepalen wat den schurk in handen is gevallen?”
„Zeker, ik heb er mij reeds van overtuigd. Ik heb nooit groote bedragen in huis en zoodoende bevatte de brandkast niet meer dan een paar honderd pond. Deze heeft de misdadiger echter onaangeroerd gelaten.
„Daarentegen bevond zich echter een pakket met geldswaardige papieren in de kast. Het bevatte den geheelen bruidsschat mijner vrouw en dit pakket is verdwenen.”
„Heeft uw Lordschap de Lady dit verlies reeds medegedeeld?” vroeg de inspecteur.
„Neen Sir, maar dit kan onmiddellijk geschieden.”
„Mag ik u dan misschien verzoeken om de Lady te willen vragen, hier te komen?”
„Als gij er op gesteld zijt, zeker.”
Lord Morvill gaf George een bevel.
De bediende boog en verdween in de gang, waarop het boudoir der Lady uitkwam.
Baxter ondervroeg nu Tom omtrent de bijzonderheden, hoe deze John Wilkens had gevonden.
De deur werd geopend en Lady Morvill trad binnen.
Eerbiedig stonden de heeren op. Lady Morvill [16]dankte met een gracieuze hoofdbeweging en nam op een stoel plaats.
Baxter keek vol spanning den Lord aan, die echter niet geneigd scheen, zijn vrouw toe te spreken.
Lady Morvill leunde in achtelooze houding in haar stoel, af en toe een klein reukfleschje naar haar neus brengend.
Eindelijk stond Baxter op en sprak, zich met een sierlijke buiging tot de Lady wendend:
„Zou Mylady zoo goed willen zijn, ons de toedracht der zaak mede te deelen, voor zoover zij die kent?”
„Ik kan u eigenlijk in ’t geheel niets mededeelen, heer inspecteur. Tom vertelde mij, dat men den geheimsecretaris had overvallen; ik ging het bureau binnen en vond den heer Wilkens daar, geheel onder den indruk van het voorgevallene. Dat is alles.”
Met een onverschillige uitdrukking op het gelaat stond Lady Morvill op, ging naar een tafeltje in een hoek der kamer en nam uit een bonbonnière welke daar stond, eenige snoeperijen.
Inspecteur Baxter was blijkbaar verlegen.
Na een korte pauze sprak hij:
„Pardon, Mylady, maar ik moet u nog met een paar vragen lastig vallen.”
Ongeduldig haalde Lady Morvill de schouders op en keek Baxter vragend aan.
Deze vervolgde:
„Dus Tom kwam bij Mylady in het boudoir om te melden—”
De bediende viel den inspecteur in de rede:
„Neen, ik wilde mij juist naar de kamers van Mylady begeven, toen haar Ladyship de kleine trap opkwam.”
Lord Morvill keerde zich om en keek zijn echtgenoote met vragenden blik aan.
„Nu ja—ik had in het park gewandeld.”
„Was het tegen 11 uur in den avond?” vroeg inspecteur Baxter zacht.
„Zeker,” antwoordde de Lady kortaf. „Ik had een beetje hoofdpijn.”
De Lord wierp een scherpen blik vol achterdocht op zijn echtgenoote en sprak langzaam:
„Dat is in strijd met je gewoonte. Je gaat anders altijd vroeg naar bed.”
Als twee dolken kruisten elkaar de blikken der beide echtgenooten, toen Lady Morvill antwoordde:
„Dezen keer beliefde het mij, in het park te wandelen.”
Nadat zij haar echtgenoot een minachtenden blik had toegeworpen, wendde zij zich tot Baxter en vroeg:
„Wenscht gij nog meer inlichtingen, mijnheer de inspecteur?”
„Neen, Mylady. Ik dank u zeer beleefd. Mij rest alleen nog de treurige plicht, uwe Ladyship mede te deelen, dat uw geheele bruidsschat in handen van den inbreker is gevallen.”
„Zoo?” antwoordde de Lady en verliet met een hoofdknikje tegen Baxter het vertrek.
Verbaasd keek Lord Morvill zijn echtgenoote na en verzonk daarna in gedachten.
Nadat de inspecteur eenige aanteekeningen had gemaakt, stond hij op en keek den Lord aan.
Deze stond nog steeds met over elkander geslagen armen naar den grond te kijken.
Baxter kuchte zacht en sprak:
„Wij willen uw Lordschap niet langer lastig vallen; voor vandaag weten wij genoeg.”
„Goeden nacht, Sir!”
Met een hoofdbeweging gaf de Lord den beambten te verstaan, dat zij wel konden heengaan. Deze vertrokken en Lord Morvill zuchtte diep.
„Tom, gij kunt wel gaan slapen. George moet nog opblijven, voor het geval, dat ik hem noodig mocht hebben.
„Nu wensch ik alleen te zijn.”
Beide bedienden trokken zich terug.
Toen de deur achter hen was gesloten, nam Lord Morvill in een gemakkelijken armstoel plaats en leunde met het hoofd in de rechterhand.
„Wat beteekent dit?” mompelde hij, „om half elf des nachts in het park.… het bericht, dat haar bruidsschat verloren is, ontroert haar zoo weinig; dat men zou veronderstellen, dat zij ervan weet.…
„Wat beteekent dit? Ik moet het geheim op het spoor komen.”
Vastberaden stond hij op en ging naar de gang, die naar de kamers der Lady voerde.
Gebruik makend van de kleine zijtrap, bevond hij zich al spoedig buiten.
Toen Lord Morvill in het park was gekomen, bleef hij een oogenblik staan en keek met scherpen blik langs de door het maanlicht beschenen paden.
Niets bijzonders vertoonde zich.
Werktuigelijk sloeg hij een zijweg in, toen een licht voorwerp zijn aandacht trok. Hij bukte en vond het kanten zakdoekje der Lady dat zij bij haar snellen loop naar huis had verloren.
„Dus hier is zij geweest,” mompelde Morvill. Opkijkend, [17]viel zijn blik op den Japanschen koepel en een inwendige stem riep hem toe:
„Ga daarheen!”
De Lord snelde voorwaarts en had spoedig het huisje bereikt.
De deur stond op een kier, hij opende haar en trad binnen. De maan, die op de ruiten viel, verlichtte helder den vloer.
Wat was dat?
Daar in dien hoek stond een reistasch.
De Lord ging er naar toe, nam haar op en zette ze op een stoel. Daar het sleuteltje er aan een bandje aanhing, was het een kleinigheid voor hem om de tasch te openen.
Behalve de voor een dame benoodigde toiletartikelen voor een reis vond hij alle juweelen der Lady erin.
Een onderdrukte kreet van woede kwam van de lippen van den Lord. Nu begreep hij alles.
Zijn vrouw had willen vluchten, doch was verrast en had de reistasch vergeten.
Hoe kon dit alles echter met elkaar in verband staan? De toebereidselen tot de vlucht der Lady, de inbraak door Raffles?
Wie was deze Raffles?
Stond de Lady in eenige betrekking tot hem?
Maar dat kon toch niet mogelijk zijn, want die groote onbekende was verdwenen met den bruidsschat, terwijl de Lady nog hier in het tuinhuis was.
Duizend gedachten en veronderstellingen doorkruisten het brein van den Lord.
Plotseling viel zijn blik op iets donkers, dat op tafel lag. Hij nam het op en zag, dat het de haarlok was, die Raffles daar had neergelegd ten bewijze, dat hij de geheimzinnige nachtelijke brenger van het kanten doekje was geweest.
Het gelaat van den Lord was verwrongen van jaloezie en woede.
Met een beweging vol afschuw wierp hij de haarlok in de reistasch, sloot die en ging terug naar de villa, de tasch meenemend.
Toen Lord Morvill het Japansche tuinhuis verliet bemerkte hij niet, dat een donkere gedaante snel achter een boomstam schoof.
Peinzend vervolgde Lord Morvill zijn weg en was weldra langs de kleine zijtrap in de villa verdwenen.
Toen kwam de donkere gedaante uit de schaduw van den boom te voorschijn en werd zichtbaar in het glanzende maanlicht.
Het was Lady Morvill.
Toen zij eenigszins was bekomen van de ontsteltenis, doorleefde zij in gedachten nogmaals het geheele verhoor en plotseling voelde zij een hevigen schrik. Zij bedacht, dat zij haar reistasch, het bewijs harer schuld, in het tuinhuis had achtergelaten.
Ontzetting maakte zich van haar meester.
Als Raffles de tasch had gevonden en ook haar juweelen geroofd, dan was zij verloren, want zonder geldmiddelen kon zij er niet aan denken, de zoozeer verlangde vrijheid te verkrijgen.
Toen dit tot haar bewustzijn was doorgedrongen, sloop zij de zijtrap af, die naar het park leidde, en spoedde zich naar den koepel, in de hoop, de tasch daar nog te vinden.
Juist toen zij in den koepel wilde sluipen, kwam Lord Morvill daar echter uit te voorschijn en nam de tasch mede naar huis.
Het gelaat der Lady was doodsbleek, toen zij nu uit de schaduw van den boomstam te voorschijn kwam. Met trillende lippen drukte zij de handen op het wild kloppende hart.
Daar ging haar echtgenoot met de tasch, die door haar rijken inhoud de eenige mogelijkheid bood om vrij te worden.
Zij begreep, dat zij voortaan onherroepelijk in de macht was van den gehaten, ruwen man.
Woede, haat en angst misvormden het gelaat der schoone vrouw. Dreigend hief zij den vollen, blanken arm op, die in het zilveren maanlicht als uit marmer gehouwen scheen.
„Als je mij de vrijheid niet teruggeeft, moet je sterven,” klonk het sissend van haar lippen.— —
Toen Lord Morvill zijn werkkamer was binnengegaan, nam hij de kostbaarheden uit de reistasch der Lady en sloot die weg in de brandkast. Den verderen inhoud liet hij onaangeroerd, hij zette zwijgend de reistasch voor de deur, die toegang gaf tot de vertrekken der Lady en keerde naar zijn werkkamer terug.
Hij drukte op de electrische bel en gaf, toen George was verschenen, dezen bevel om de auto onmiddellijk gereed te maken voor een tocht naar villa Victoria.
De Lord had een besluit genomen.
Hij meende nu zeker te mogen gelooven, dat hij den verleider van zijn vrouw kende.
Het kon geen ander zijn dan Lord Westerbull. Het viel hem op, dat deze heden, in strijd met zijn gewoonte, niet op de club was geweest. De heeren plachten des Donderdags de Club vroeger dan anders te verlaten en gezamenlijk naar villa Victoria te rijden.
Lord Morvill had heden niet meer kunnen gaan, daar hij door Tom van de Club naar huis was geroepen. Nu [18]wilde hij zich er van overtuigen, of Lord Westerbull in villa Victoria was.
Hij twijfelde er aan, maar hoopte door zijn kennissen op het spoor te worden gebracht.
Zijn bloed kookte van opgewondenheid. Als hij den vent kon overrompelen, zou deze moeten sterven.
Lord Morvill nam een Browning-pistool uit zijn schrijftafel en stak die in zijn zak.
Op dit oogenblik kwam George berichten, dat de auto gereed stond.
Door het binnenkomen van den bediende, die op de geheime tochten van den Lord de plaats van chauffeur innam, was de Lord zoo verrast, dat hij vergat, den sleutel uit de schrijftafel te nemen.
Hij verliet zijn studeerkamer. George draaide het electrische licht uit en volgde zijn heer.— — —
Lady Morvill had, langzaam het park doorloopend, de kleine zijtrap bereikt. Zij beklom deze en wilde zich in haar kamers terugtrekken, toen haar voet tegen een voorwerp stiet.
Het was haar reistasch. Haastig nam zij die op en was er mee achter de deur verdwenen. Zij draaide het electrische licht op en opende de tasch.
Een kreet ontsnapte aan haar lippen.
De juweelen, haar laatste redmiddel, waren verdwenen.
Wat zij had gevreesd, was bewaarheid en door het feit, dat haar echtgenoot de tasch voor haar deur had gezet, kreeg zij de onomstootelijke zekerheid, dat niet Raffles, maar Lord Morvill, in het bezit van de juweelen was.
Zij moest ze terughebben, tot elken prijs. Er mocht gebeuren, wat er wilde. Nog eenmaal wilde zij den Lord smeeken:
„Geef mij mijn vrijheid terug!” Als dat niet hielp, moest zij haar kleinodiën terug hebben, om daardoor haar vrijheid te kunnen terugkrijgen.
Onmiddellijk wilde zij een poging wagen.
Vastberaden verliet zij haar boudoir, om haar echtgenoot in diens werkkamer op te zoeken.
Toen op haar kloppen geen antwoord volgde, opende zij de deur en trad de pikdonkere studeerkamer binnen.
Een oogenblik aarzelde de jonge vrouw, toen draaide zij het electrische licht op.
Met snellen blik overzag zij het vertrek doch niets bijzonders vertoonde zich.
Plotseling bleef zij naar de schrijftafel staren; de sleutel was in het slot blijven steken!
De Lady snelde naar het meubel en opende de lade. Het eerste, waarop haar blik viel, was een brief aan het adres van den Lord.
Zij ging in den bureaustoel zitten en nam den brief uit het couvert.
Met het hoofd in de hand verdiepte zij zich geheel in het lezen er van.
Duidelijk drukte haar gelaat de gewaarwordingen uit, door het lezen bij haar opgewekt. Verbazing, smart, woede en afschuw waren daarop duidelijk zichtbaar.
De inhoud van den brief luidde als volgt:
„Waarde Lord!
Het is mij nu toch gelukt, de kleine Manon, die tot dusverre steeds bleef weigeren, over te halen tot een bezoek aan de villa. Zij zal hedenavond en wel met een vriendin, Lucie, die ik ook heb leeren kennen, in ons gezelschap zijn.
Ik kan u, mijn waarde Lord, de verzekering geven, dat Lucie nog meer aan mijn smaak beantwoordt dan uw jongste ideaal Manon.
Zij is buitengewoon goed ontwikkeld voor haar vijftien jaar. Een kleine, blonde duivelin, die mij verrukte door haar allergrappigste invallen.
Enfin, gij zult zelf zien.
Daar ook onze oude vriendinnen, die nog niet zijn afgedankt, van avond zullen komen, zullen wij een prachtig gezelschap bijeen hebben.
Verzuim den tijd niet, elke minuut zal „kostbaar” zijn!— —
Tot ziens dus, hedenavond in villa Victoria.
Uw trouwe
Harro.”
Toen Lady Morvill den brief had gelezen, zonk haar arm machteloos neer.
Haar hand hield het papier vast omklemd, terwijl haar oogen vonken schoten. Met een ruk stond zij op en siste tusschen de opeengesloten tanden:
„Weer een bewijs! En aan dit monster moet ik geketend blijven! Hij durft mij verwijten, dat ik met anderen flirt. Ik verdraag dit leven niet langer. Als hij mij niet vrij laat, moet hij sterven!”
Zij streek den brief weer met haar hand glad en deed hem opnieuw in het couvert.
Terwijl zij hem weer in de lade borg, viel haar blik op een fleschje, dat een groenachtig poeder bevatte. Zij nam het op en keek er aandachtig naar. Het fleschje bevatte een sneldoodend vergift, dat de Lord van zijn Afrika-reis had meegebracht. In gezelschappen had hij er dikwijls van verteld. [19]
Lady Morvill herinnerde zich nog precies, hoe de Lord op zekeren dag aan een zijner vrienden had getoond, hoe de uitwerking van het gift was.
Een weinig van het gevaarlijke poeder werd in het drinkwater van een hond gestrooid en het arme dier daarna tot drinken gedwongen. Bijna oogenblikkelijk was de werking ingetreden.
De Lady was toen zeer bedroefd geweest, daar zij veel van den hond had gehouden en de ruwheid, die uit deze daad van haar echtgenoot sprak, haar afschuw jegens hem nog vergrootte.
Nu hield zij het fleschje met het vergift in haar hand. Doodelijke bleekheid bedekte haar gelaat.
Een vreeselijk plan kwam in haar brein tot rijpheid.
Dit alleen kon haar de vrijheid brengen!
Bijna liefkoozend drukte zij het fleschje aan het hart en verborg daarop den kostbaren schat in haar japon.
Snel de lade der schrijftafel sluitend, wierp zij een schuwen blik om zich heen, draaide haastig het electrische licht uit en verdween in de gang, die naar haar kamers leidde.