[Inhoud]

VIJFDE HOOFDSTUK.

De geheimzinnige villa.

Buiten de stad in Roehampton, naar den kant van het Richmond-park, lag villa Victoria.

Het was een allerliefst, bekoorlijk nestje, dat Lord Morvill en zijn vrienden zich daar hadden laten inrichten.

Omringd door een tamelijk groot park met breede kiezelwegen, standbeelden en waterwerken, maakte het den indruk van een klein Versailles.

Grotten en heestergroepen noodigden uit tot vertrouwelijke samenkomsten.

Het inwendige van de villa was volkomen met dit alles in overeenstemming.

De groote zaal, waarop waaiervormig verscheiden andere vertrekken uitkwamen, was geheel in Moorschen stijl gehouden. Groote kroonlichten, die van het plafond afhingen, verspreidden een rijkdom van licht, dat door hooge spiegels, die van het plafond tot op den vloer reikten, werd weerkaatst.

Voor de kunstig gebeeldhouwde zuilen, die gekroond waren met vergulde drakenkoppen, verhieven zich smaakvolle standaards, welke bloeiende uitheemsche planten droegen.

Overal zag men hangers met frisch groen en welriekende bloemen.

Een gezelschap van vijf heeren en zeven dames bewoonde het huis. De mannelijke leden van het gezelschap waren deels in rok, deels in smoking verschenen.

Elk kennersoog moest verrukt zijn door het zien van deze dames.

Een rij uitgelezen schoonheden, ieder van een ander type.

Twee gegalloneerde bedienden hadden zooeven de resten van het souper afgeruimd en de gasten stonden in afzonderlijke groepjes bij elkaar.

De heeren offreerden de dames sigaretten en weldra stegen blauwe rookwolkjes op, wier lucht zich vermengde met de geuren der bloemen en parfums.

Op een ottomane lag, lang uitgestrekt, een gevulde blondine. Haar rossig haar omlijstte een fijngesneden pikant gezichtje en hulde het als in een gouden stralenkrans. Zij had den linkerarm onder het hoofd gevouwen, terwijl de rechterhand gracieus de sigaret vasthield.

Eenige kringen in de lucht blazend, sprak zij tot een jong meisje, dat juist op een kussen naast haar ging zitten:

„Nu, lieve Manon, is het niet verrukkelijk in ons kleine Paradijs?”

De toegesprokene wendde haar groote donkere oogen naar de spreekster en antwoordde: [20]

„Ja, het is werkelijk zalig. Ik wou Harro eigenlijk niet gelooven, toen hij mij alles zoo bekoorlijk voorschilderde, en zou ook niet gekomen zijn, als Lucie mij niet zoo had verveeld.”

Een rijzige jonge man kwam bij de praatster, pakte een der kleine, rozige oorlelletjes, kuste dat en vroeg vroolijk:

„Daar juist hoorde ik mijn naam noemen. Wat zou de arme Harro weer misdaan hebben?”

„Deze keer bij uitzondering geen domme streken!” klonk het lachend terug, en Manon bevrijdde haar oorlapje uit de aangename gevangenschap.

Daarna sprong ze licht als een veertje overeind en zweefde met een der andere heeren, die zich op dat oogenblik bij het groepje had aangesloten, weg, gracieus ronddraaiend op de maat van een wals.

Een der heeren was intusschen aan den vleugel gaan zitten en liet een aanlokkelijk wijsje weerklinken.

Lord Westerbull, die tegen een der zuilen aan leunde, zei tot een der voor hem staande heeren:

„Graaf Armani, ik geloof toch, dat ik uw smaak geraden heb, toen ik u uitnoodigde, met mij naar dit goddelijkst hoekje der wereld te gaan.”

De aldus toegesprokene streek met zijn welverzorgde hand, waaraan een gouden ring schitterde, door zijn donkeren puntbaard en antwoordde glimlachend:

„Ik ben u zeer verplicht, Lord. Alleen betreur ik het, dat ik niet de eer zal hebben, aan den bezitter van al deze kostbaarheden te worden voorgesteld, om hem mijne excuses aan te bieden voor mijn vrijpostigheid.”

De spreker was een lange man van bij de veertig. Een donkere puntbaard omlijstte de scherpe, edele trekken van zijn gelaat.

„Ik ben ervan overtuigd, beste Graaf,” zei Lord Westerbull, „dat Lord Morvill binnen korten tijd hier zal zijn. Een heel bijzondere magneet trekt hem namelijk vandaag hierheen.”

Hij wees hierbij met een alleszeggend knipoogje naar Manon, die daar juist met haar vriendin Lucie als een dolleman voorbij de beide heeren danste.

Graaf Armani volgde den blik van Lord Westerbull, en een gedwongen glimlachje kwam op zijn gelaat.

Op dit oogenblik ging de deur open en Lord Morvill trad de zaal binnen.

De bekoorlijke blondine liet zich gauw van de rustbank glijden en vloog naar Lord Morvill toe. Terwijl zij haar mollige, blanke armen om zijn hals sloeg, vertrok zij haar roode mondje tot een bekoorlijk pruillipje en vroeg:

„Waar ben je toch zoo lang geweest, my dear? Je kleine Nelly heeft zoo erg naar je verlangd?”

Lord Morvill weerde de liefkozingen af en duwde zonder een woord te antwoorden de schoone vraagster op zij. Zijne oogen vlogen door het vertrek en bleven op Lord Westerbull rusten. Haat en woede stonden op zijn gelaat te lezen.

Lord Westerbull scheen dit niet te bemerken, hij knikte Morvill vriendschappelijk toe en trad hem tegemoet om hem de hand te drukken. Deze echter keek Westerbull met een doordringenden blik aan en zei op scherpen toon:

„Lord Westerbull, ik moet u om een onmiddellijk onderhoud onder vier oogen verzoeken.”

Toestemmend boog de Lord en antwoordde:

„Ik ben dadelijk tot uw dienst. Sta mij toe, mijn waarde, graaf Armani aan u voor te stellen. Ik had het genoegen, met hem kennis te maken, toen ik twee jaar geleden uit Brazilië terugkeerde. Vanmiddag ontmoetten wij elkaar toevallig in een café.

Daar ik de voorliefde van den graaf voor schoone vrouwen kende, vertelde ik hem van dit kleine paradijs, dat uw goedheid en uw fijne smaak voor ons heeft geschapen.”

„Natuurlijk was ik verrukt,” begon graaf Armani, „en verzocht Lord Westerbull, of hij mij niet in dezen kring zou kunnen introduceeren. Zijn Lordschap was zoo vriendelijk, mij borg te staan voor uwe welwillende toestemming, Lord Morvill, en nu ben ik dan hier, om u vergiffenis te vragen voor mijn vrijpostigheid en uw verlof voor een langer verblijf.”

„Wees hartelijk welkom, graaf, maak het u zoo behaaglijk mogelijk in dezen kring van vreugde en genot,” zei Lord Morvill vriendelijk en reikte hem de hand.

Armani dankte met eene ceremonieele buiging en trad bescheiden achteruit.

„Ik dank u, beste Lord,” zei Westerbull, „dat gij mijn woord gestand hebt gedaan en ben gaarne tot uw dienst.”

Lord Morvill noodigde Westerbull met een kort gebaar uit en trad een der zijvertrekken binnen, Westerbull volgde hem.

Morvill had de deur dicht gedaan en liep met groote stappen opgewonden door de kamer.

Westerbull keek hem verbaasd na, en stak, tegen den schoorsteenmantel geleund, een sigaret aan.

Nog steeds zette Morvill zijn wandeling voort, af en toe Westerbull met onderzoekenden blik aankijkende.

Eindelijk vroeg deze lachend: [21]

„Ha, beste Lord, hebt gij mij naar dit vertrek gelokt, om mij een kleinen wedloop te laten zien?”

De Lord bleef dicht voor Westerbull staan en vroeg kortaf:

„Waar waart gij vanavond?”

Verbaasd keek Lord Westerbull zijn overbuur aan en antwoordde kalm:

„Sta mij toe, Lord, dat ik uw vraag met een wedervraag beantwoord. Wat gaat het u aan, waar ik mijn tijd doorbreng?”

Lord Morvill werd vuurrood in zijn gelaat.

„Maak maar geen uitvluchten en beantwoord mijn vraag. Waar waart ge vanavond?”

„Mijn beste Lord,” antwoordde Westerbull volkomen kalm, „ik bemerk, dat gij zeer opgewonden zijt. Al is mij ook de oorzaak hiervan onbekend, toch is mij dit voldoende, om de beleedigende toon en manier, waarop gij thans tegenover mij staat, vergeeflijk te doen schijnen. Wij zijn te oude en goede vrienden, dan dat een misverstand ons van elkaar moge verwijderen. Ik zal dus uw vraag beantwoorden.”

Morvill had zich afgewend en begon weer zijn zenuwachtige wandeling door de kamer.

Westerbull vervolgde:

„Zooals gij reeds gehoord hebt, ontmoete ik vandaag toevallig graaf Armani. Ik had hem de toezegging gedaan, hem hier te introduceeren. Eerst wilden we echter naar de Club. Ik had verwacht u daar te ontmoeten en door mijn tusschenkomst de heeren met elkaar in kennis te brengen.”

„Gij waart echter niet in de Club,” viel Morvill zijn overbuur in de rede.

„Dat is zoo, Lord. Armani had mij beloofd, om negen uur in café Royal te zijn. Ik wachtte echter tot 12 uur tevergeefs op hem. Toen hij eindelijk kwam, leek het mij beter direct hierheen te rijden.”

„Schurk, je liegt!” schreeuwde Morvill, trok zijn Browning-pistool uit zijn zak en mikte op Westerbull.

Op het oogenblik, dat hij wilde aftrekken, voelde hij een krachtigen slag tegen zijn benedenarm. De kogel, van zijn doel afgericht, drong met een slag in het plafond.

Het was graaf Armani, die op het beslissend oogenblik de kamer was binnengestormd en den slag op Lord Morvills arm had toegebracht.

Op het oogenblik dat het schot weerklonk, hoorde men in de Moorsche zaal luide kreten van schrik.

De muziek hield plotseling op en alles verdrong zich vóór het vertrek, waarin zich de heeren bevonden.

Graaf Armani ontving de indringers bij de deuropening.

Met een gemaakt lachje zei hij:

„Dames en heeren, ik verzoek u niet te schrikken, het is niets. Lord Morvill had daar juist de goedheid ons eene nieuwe beveiliging aan zijn pistool te laten zien. Het schijnt echter, dat deze niet geheel in orde was, want plotseling knalde een schot. Gelukkig is er geen onheil geschied. We zullen over een paar minuten bij u zijn. Voor ’t oogenblik verzoek ik, om een beetje rust voor Lord Morvill, die door het gebeurde wat geschrokken is.”

Het gezelschap liet zich spoedig geruststellen, en weldra drongen weer vroolijke klanken door tot de eenzaamheid van het kabinet.

Nadat graaf Armani de deur had gesloten, keerde hij in de kamer terug en zei op vriendelijken toon:

„Ik acht mij gelukkig, mijne heeren, dat ik op den eersten avond van mijn verblijf u beiden een dienst heb kunnen bewijzen. Ik hoop echter nog meer te kunnen doen, daar ik wellicht iets kan bijdragen tot opheldering van het misverstand, dat hier blijkbaar plaats heeft.”

Lord Morvill was met het nog rookende pistool in zijn hand in een stoel neergezakt. Zijn gelaat was krijtwit.

Lord Westerbull stond nog steeds tegen den schoorsteenmantel geleund. Met gefronste wenkbrauwen keek hij zijn aanvaller aan.

Opnieuw nam graaf Armani het woord:

„Mijne heeren, ik was getuige van de scène tusschen u beiden en hoorde uwe beschuldiging, Lord Morvill. Ik kan u mijn eerewoord geven, dat de beweringen van Lord Westerbull volkomen met de feiten in overeenstemming zijn.

Ik was verhinderd en kon beslist niet om negen uur in Café Royal zijn. Lord Westerbull had de overdreven goedheid daar tot 12 uur op mij te wachten en toen reden wij hierheen.”

Lord Morvill stond op van zijn stoel.

Hij voerde een zwaren inwendigen strijd. Opeens trad hij op Westerbull toe en sprak:

„Lord Westerbull, ik zie in, dat ik een onrecht tegen u heb begaan. Ik heb mij door mijn groote opgewondenheid, waarvoor ik u ook een verklaring zal geven, tot een onwaardige handelwijze laten voeren. Ik verzoek u om vergiffenis!”

Morvill had Westerbull de hand reeds toegestoken. Deze echter wierp een vernietigenden blik op zijn tegenstander en zei op snijdenden toon: [22]

„Lord Morvill schijnt niet veel eergevoel te hebben, als hij meent, met een paar woorden eene zware beleediging, ja de poging tot een sluipmoord, goed te kunnen praten.”

Zoo wit als de dood week Morvill een schrede achteruit en zei met een korte buiging:

„Ik ben tot uw dienst.”

Graaf Armani had dit optreden met belangstelling gevolgd en sprak, zich tot Lord Westerbull wendend:

„Maar, beste Lord, laat het niet tot het uiterste komen. Zijn Lordschap heeft zijn ongelijk al bekend en daarmede moet onder oude vrienden.…..”

„Het spijt mij zeer,” viel Westerbull hem in de rede, „dat ook gij op dit standpunt staat. Ik ben in elk geval gewend smaad met bloed uit te wisschen. Ge zult van me hooren!”

Met een korte buiging verliet Westerbull het kabinet.

Morvill wendde zich direct tot Armani en zei:

„Graaf, gij waart getuige van het gebeurde. Gij hebt mijn zonderlinge gedraging gezien. Gij zaagt de onzalige daad waartoe ik mij liet voeren en aan uwe tusschenkomst heb ik het te danken, dat ik thans geen moordenaar ben. Gij hebt daardoor recht op mijn oneindige dankbaarheid verworven.

Ik ben u ook een volledige verklaring verschuldigd, opdat gij mijn optreden zult kunnen begrijpen.

Wanneer gij alles weet, zal ik u verzoeken, bij het aanstaande duel mijn getuige te zijn, en gij zult mij dezen vriendschapsdienst niet weigeren.”

Lord Morvill had den graaf uitgenoodigd te gaan zitten en vertelde hem daarna nauwkeurig en zonder omwegen alles wat hij had doorleefd. Hij sprak van den roof van den bruidsschat zijner vrouw door Raffles, van zijn ontdekking in het tuinhuisje en van zijn jaloezie op Westerbull.

Nadat Morvill zijn verhaal had geëindigd, vroeg hij graaf Armani of hij genegen was, hem te secondeeren.

Armani verklaarde zich hiertoe bereid, waarop Morvill zei:

„Ik zal dus de eer hebben, u reeds in den loop van den voormiddag bij mij te zien?”

Graaf Armani knikte toestemmend. Tegelijkertijd kwam er een glimlach op zijn gelaat en hij mompelde:

„Dus, schoone Lady, spoedig zullen we elkaar terugzien.”

Op dit oogenblik traden twee heeren van het gezelschap de kamer binnen, stelden zich aan Lord Morvill voor als de secondanten van Westerbull en brachten formeel diens eisch over.

Lord Morvill noemde daarna graaf Armani als zijn getuige, en de heeren bespraken in ’t kort, waar ze elkaar over een paar uur zouden ontmoeten om de nadere voorwaarden voor het duel te bepalen.

Daarna verlieten Lord Morvill en graaf Armani de villa langs een zijtrap.