[Inhoud]

ZESDE HOOFDSTUK.

De trouwe dienaar van zijn meester.

Lady Morvill had den nacht rusteloos in haar kamer doorgebracht.

Toen het bleeke licht van den aanbrekenden dag door de ruiten scheen verlichtte het het gelaat van de Lady, dat vaalbleek was.

Krampachtig hield haar hand het fleschje met het vergift omklemd. Duizenderlei gedachten, beelden en gewaarwordingen woelden thans in haar hoofd rond.

Hoe zou zij de zware daad volbrengen? Zij zelf voelde niet de kracht daartoe in zich. Zou zij aan John Wilkens vragen, of die haar wilde uitvoeren? Eens was hij al, ter wille van haar, inbreker geworden; zou hij ook moordenaar …?

Zij rilde al, alleen bij de gedachte, aan dat woord. [23]Zij wilde den giftbeker wegslingeren, doch hield hem daarna weer krampachtig vast. Zij zag hierin de eenige redding uit de ketenen van een rampzalig huwelijk.

Lady Morvill was gewoon zich eerst tegen 11 uur uit Morpheus’ armen te bevrijden. Vandaag zag de morgenschemering haar reeds buiten haar legerstede.

Zij had geen lust om zooals gewoonlijk het kamermeisje te bellen. Zij had zelf een lichte morgenjapon aangedaan en zat nu voor haar elegante schrijftafeltje in het boudoir. Zij wilde schrijven, doch wist niet wat en aan wien. Mismoedig sprong zij overeind en liep rusteloos rond.

Op welke wijze toch zou zij de ketenen kunnen afwerpen? Eindelijk scheen zij een besluit te hebben genomen. Zij drukte op den knop der electrische schel.

Het geduld der schoone Lady werd heden op een zware proef gesteld. Eerst nadat zij voor de derde maal belde, verscheen het kamermeisje, geheel ontdaan, haar meesteres zoo vroegtijdig reeds wakker te vinden.

Zij informeerde, zeer geschrokken, of de Lady lijdende was.

Lady Morvill maakte een afwerend gebaar en vroeg kortaf:

„Is de Lord al thuis gekomen?”

Het kamermeisje meldde:

„Zijn Lordschap is ongeveer een half uur geleden thuis gekomen en trok zich dadelijk in zijn vertrekken terug.”

„Het is goed, breng mij chocolade.”

Het kamermeisje wilde zich met een buiging terugtrekken, toen de Lady haar nog toeriep:

„Meld mij even, zoodra mijnheer Wilkens op kantoor komt!”

Nogmaals buigend verliet het kamermeisje het boudoir.

Lord Morvill had zich niet, zooals het kamermeisje vertelde, ter ruste begeven. Van villa Victoria terugkomend ging hij dadelijk naar zijn studeerkamer.

Nadat hij eenige brieven had behandeld begon hij zijn uitersten wil neer te schrijven. Toen hij dat schriftuur had verzegeld sloot hij het op in het middelste vakje van zijn schrijftafel en belde zijn kamerdienaar.

Tom trad binnen. De Lord beval hem, de brieven dadelijk ter post te bezorgen, belet te vragen bij den zaakwaarnemer van den Lord en dezen te verzoeken zoo spoedig mogelijk bij hem te komen.

Daar hij meende nu voor alles te hebben gezorgd, stak hij een sigaret aan en ging op zijn rustbed liggen.

De slaap wilde echter niet komen. Lord Morvill liet zijn geheele vervloden leven aan zijn geestesoog voorbijgaan. Zijne echtgenoote, door wie hij zich zwaar beleedigd voelde, wilde hij niet terugzien, voordat hij zich met zijn tegenstander had gemeten.

Nog vóór zijn vertrek van villa Victoria had Lord Westerbull zijn secondanten benoemd en Morvill wist, dat deze nu reeds met graaf Armani en een bevriend heer uit de club de nadere regeling bespraken.

Weldra moesten de heeren komen om hem de voorwaarden van het duel mee te deelen.

De Lord volgde peinzend de rookwolken, die uit zijn sigaret kwamen.

Opeens trad Tom de kamer binnen en berichtte, dat John Wilkens juist zijn bureau was binnengegaan.

„Wil je Mr. Wilkens verzoeken, direct bij mij te komen.”

Tom verliet het vertrek om het bevel op te volgen, en een oogenblik later trad de geheim-secretaris de kamer van den Lord binnen.

Deze wees naar een stoel en zei:

„Kom bij mij zitten, beste Wilkens, ik heb het een en ander met u te bespreken.”

De secretaris had een stoel dicht bij het rustbed, waarop Lord Morvill lag uitgestrekt, gezet en plaats genomen.

Lord Morvill vervolgde:

„Ik zal waarschijnlijk over een paar uur op reis gaan en weet nog niet hoe lang ik van huis zal blijven. Behandel alle zaken zooals gewoonlijk; opdat ge niet in verlegenheid zult zitten, overhandig ik u hier een cheque van 500 pond. Mochten zich complicaties voordoen, stel u dan in verbinding met mijn zaakwaarnemer. Ik verwacht dezen ieder oogenblik en zal alles met hem bespreken.”

De Lord had den cheque ingevuld en reikte hem over aan Wilkens. Daarop trok hij een ring van zijn vinger. Het was een zoogenaamde Rance-Topaas, die door kleine brillanten was omgeven.

Lord Morvill overhandigde dezen ring aan Wilkens met de woorden:

„Beste Wilkens, ik was altijd zeer tevreden over u. Opdat ge niet zal denken, dat ik u medeplichtig acht aan den diefstal van gisteren, of u van onachtzaamheid of plichtsverzaking verdenk, verzoek ik u dezen ring aan te nemen en als aandenken aan mij te dragen.”

De secretaris, die zich zijn zware schuld zeer wel bewust was, kleurde hevig. Deze goedheid van zijn weldoener en meester ontroerde hem meer, dan wanneer [24]Lord Morvill hem aan het gerecht had overgeleverd. Hij wist niet, welke houding hij zou aannemen, stamelde eenige woorden en wilde den ring teruggeven.

Opeens kwam Tom de kamer binnen en meldde, dat graaf Armani, Lord Colter en de notaris gekomen waren.

Lord Morvill ging voort:

„Draag den ring. Ik wil het! En laat mij nu alleen, ik moet met de heeren werken.”

Met een diepe buiging trok de jonge man zich terug.

Hij was geheel van streek; de ring brandde hem in de handen.

Toen hij de kamer had verlaten, beduidde de Lord zijn kamerdienaar, dat hij de heeren zou binnenlaten.

Lord Morvill stond op en ging de binnenkomenden tegemoet.

Nadat de begroeting had plaats gehad, vroeg Lord Morvill:

„Welnu, zijn de voorwaarden vastgesteld?”

„Zeker,” antwoordde graaf Armani, „vanmorgen om 11 uur in het boschje tusschen de vijvers. Tien pas afstand. Vuren bij het avanceeren.”

De Lord gaf een goedkeurend knikje.

Daarna wendde hij zich tot den notaris, om hem zijn testament ter hand te stellen en hem eenige belangrijke vragen ter beantwoording voor te leggen.

Toen alles was afgesproken verliet de notaris den Lord met de beste zegewenschen, waarna Lord Morvill bevel gaf het rijtuig in te spannen, dat de heeren naar het terrein van den strijd zou brengen.

Nadat Tom de mededeeling had gebracht, dat ook dit bevel was uitgevoerd, verlieten de heeren tezamen de villa en reden weg in den lachenden zonneschijn van den heerlijken morgen.


Lady Morvill had door middel van haar kamermeisje de mededeeling ontvangen, dat Wilkens weliswaar op zijn bureau was gekomen, doch dadelijk bij den Lord was ontboden.

Ongeduldig wachtte zij af of Wilkens zou terugkomen.

Op hem was haar hoop gevestigd. Hij moest en zou haar helpen bevrijden.

Zij zelf deinsde er voor terug, haren echtgenoot den giftbeker, waarin zij nog alleen hulp en redding zag, over te reiken; daarom hoopte zij door vleierijen en haar volmaakte koketterie Wilkens over te halen tot deze afschuwelijke misdaad.

Toen men haar bericht had, dat de jonge man op zijn bureau was teruggekeerd, wachtte ze er geen oogenblik mee, hem daar te bezoeken; temeer, daar zij gehoord had, dat de Lord met nog twee heeren de villa had verlaten en uit rijden was gegaan.

De schoone sirene maakte van alle verleidings-kunstgrepen gebruik.

Haar blanke armen om den hals van den jongen man slaande, schilderde zij in geuren en kleuren haar wanhoop.

Hij kon zich aan hare bekoring niet ontworstelen.

Toen de Lady zag, dat zij den secretaris geheel in haar macht had, waagde zij het een kleine toespeling te maken op hetgeen zij van Wilkens verwachtte.

De mooie vrouw was voor hem op de knieën gevallen en had alles zoo ingericht, dat zij bij haar voetval gemakkelijk de speld kon verwijderen, die haar zijden haardos bijeenhield.

Het haar was nu losgeraakt en als in een golvenden mantel gehuld, knielde zij in een verleidelijk ochtendgewaad voor den jongen man neer.

Wilkens hoorde stom en willoos de beweringen der Lady aan. Het bezit van deze heerlijke vrouw scheen hem het grootste geluk toe.

Plotseling echter doemde voor zijn oog de beeltenis van zijn oude moeder op. Hij zag haar de handen wringen en hem badend in tranen, verwijtend aankijken.

Als ontwakend uit een gevarendroom sprong hij plotseling overeind.

Met gesmoorde stem kwam het van zijn lippen:

„Ga heen, Lady! Voor deze daad vindt gij in mij geen bondgenoot.”

De Lady keek als ontnuchterd naar den jongen man.

Dat had zij niet verwacht.

Was er een man, die haar weerstond?

Haar ijdelheid was diep gekrenkt, en dat smartte haar meer dan het mislukken van haar plan.

Een blik vol haat werpend op den jongen man, verliet zij zonder een woord te spreken het vertrek.

Wilkens slaakte een diepe zucht. Hij ging naar het raam en keek naar de voorbijschuivende wolken. [25]