[Inhoud]

ACHTSTE HOOFDSTUK.

De giftbeker.

De studeerkamer van Lord Morvill was naar oud Duitschen stijl ingericht.

Zware, massieve meubelen gaven een kostbaren indruk aan het geheel.

Een groot Smyrnatapijt bedekte den geheelen vloer. De wanden waren met olieschilderijen en kostbare bronsreliefs behangen. Vreemde wapens en jachttropheeën van verschillende soort, op artistieke wijze overal aangebracht, vormden voor het oog van den bezoeker een aangename afwisseling.

Zware, donkere overgordijnen lieten het licht eenigszins gedempt naar binnen dringen.

Een breede schoorsteen besloeg een der wanden van het vertrek. Op den rand hiervan stond een kleine, antieke klok tusschen twee kostbare vazen.

Naast de groote schrijftafel van den Lord stond een klein tafeltje van houtsnijwerk, waarop een zilveren blad met een waterkaraf en twee glazen van kostbaar kristal een plaats hadden.

De Lord had dit zoo geplaatst om steeds drinkwater bij de hand te hebben.

Lord Morvill had aanleg om corpulent te worden. Hij vond, dat dit aan zijn jeugdig uiterlijk afbreuk deed en dit wilde hij voorkomen.

Zijn huisdokter had hem geraden om, zooveel mogelijk, elke twee uur eenige slokken water te drinken. En om dit voorschrift, dat hem bij zijn levenswijze verre van aangenaam was, te kunnen opvolgen, had hij het tafeltje met het waterstel naast zich staan.

Hoewel hij dezen raad van den dokter reeds eenige maanden volgde, was er nog niet veel resultaat zichtbaar.

Hij ondervroeg den dokter en deze verklaarde, dat het mislukken zijn oorzaak vond in het feit, dat de Lord het zoo eenvoudige middel te onregelmatig toepaste.

De Lord zag de waarheid hiervan in, maar hij wist niet, hoe hij het voorschrift stipt zou kunnen opvolgen.

Bij zijn ongeregeld leven, dat hem zelfs des nachts dikwijls buitenshuis hield, was dat moeilijk. En daarom moest de voortdurende nabijheid van de waterkaraf hem, als hij aan zijn schrijftafel zat, aan zijn plicht herinneren.

De studeerkamer van den Lord was leeg. De middagzon scheen helder door de ruiten en haar stralen wierpen, in het kristal der waterkaraf brekend, bonte kleuren op het tapijt.

De kleine klok op den schoorsteenrand liet met zilveren klank twaalf heldere slagen hooren.

Daar werd onhoorbaar de deur, die op de gang uitkwam, geopend.

In een elegante, zwarte japon van kantstof gekleed, trad de Lady het vertrek binnen.

Als een donkere wolk omhulde de japon de buigzame, slanke gestalte, alleen de schitterend witte hals, nek en armen vrijlatend.

Het anders blozende gelaat der Lady was vaalbleek. De schoone oogen, overschaduwd door lange wimpers, glansden onheilspellend.

Toen de Lady onhoorbaar de deur had geopend, bleef zij een oogenblik op den drempel staan en keek het vertrek door. Als aangetrokken door een magneet, bleven haar groote glanzende oogen op de waterkaraf rusten.

Geruischloos sloot zij de deur achter zich en draaide snel den sleutel om.

Haar blik bleef onafwendbaar aan de karaf hangen. Haar nek kromde zich en, met de rechterhand stijf op de borst geklemd, stond zij roerloos stil met voorovergebogen bovenlijf. De geheele verschijning had iets roofdierachtigs.

Slechts eenige oogenblikken bleef zij in deze loerende houding. Haastig liep zij daarop naar het kleine tafeltje, dat naast het schrijfbureau stond.

Haar rechterhand had het fleschje met vergift uit haar boezem te voorschijn gehaald en hield dat krampachtig [28]vast. Met een snellen ruk haalde zij de kurk van het fleschje af en nu schudde zij ongeveer de helft van den inhoud in het water.

De giftmengster wierp nog een schuwen blik om zich heen, nam toen de waterkaraf op, schudde ze en hield ze tegen het licht.

Het water was niet in het minst van kleur veranderd, het zag er kristalhelder uit.

Tevreden knikte Lady Morvill met het hoofd.

Een duivelsche glimlach vloog over haar door haat verwrongen trekken.

Nadat zij de karaf weer op haar plaats had gezet, zoodat geen verandering te zien was, verliet zij met snelle schreden onhoorbaar de kamer langs denzelfden weg, dien zij gekomen was. [29]