[Inhoud]

NEGENDE HOOFDSTUK.

Vergelding.

Na den ongelukkigen afloop van het duel keerde Lord Morvill niet onmiddellijk, zooals eerst het plan was geweest, naar zijn woning terug.

Onderweg verliet hij het rijtuig en gaf den koetsier bevel, naar huis te rijden. Hij zelf wilde nog een wandeling maken door de lanen van Hydepark.

Hij had er behoefte aan om alleen te zijn met zijn gedachten en gewaarwordingen. Een reeks plannen doorkruiste zijn brein, allen te voorschijn geroepen door de vraag: hoe zou voortaan de verhouding zijn tusschen hem en zijn vrouw?

Hoewel zij door haar opvallende koketterie meermalen zijn misnoegen had opgewekt, was in zijn hart toch altijd een warm gevoel blijven bestaan voor de schoone sirene.

Al bestond er ook geen enkele geestelijke band tusschen deze beide oppervlakkige naturen, was toch altijd de betooverende schoonheid der Lady een magneet geweest, die den Lord onweerstaanbaar had aangetrokken.

Daar het hem nu echter duidelijk was geworden, dat de Lady hem niet alleen haatte, maar ook verachtte en het haar eenig doel was, tot elken prijs van hem bevrijd te zijn, was elk zachter gevoel voor zijn vrouw in hem gestorven.

Hij zou bereid zijn geweest, dadelijk van haar te scheiden, als hij niet het schandaal had gevreesd en tevens de hoop voedde, dat hij met behulp der politie weer in het bezit zou geraken van den bruidsschat zijner vrouw.

Zijn hebzucht was te groot dan dat hij zich met de gedachte zou kunnen verzoenen, dat Lady Morvill niet meer de rijke partij was van vroeger.

Neen, hij zou haar de vrijheid niet teruggeven! Al kwam ook de gestolen bruidsschat, die zeer aanzienlijk was geweest, niet meer terecht, toch kon de Lady later aanspraak maken op een groote erfenis.

Waarom dus een scheiding? Welke voordeden zou hij kunnen hebben van een scheiding? Zijn persoonlijke vrijheid? Maar die bezat hij immers volkomen. Hij dacht onwillekeurig aan villa Victoria.

En als de Lady hem hier al te lastig mocht worden, dan bestonden er immers wel middelen en manieren om de weerspannige te temmen!

Hij dacht aan zijn kasteel in Schotland. Een zijner voorvaderen had daar gedurende meer dan 15 lange jaren een weerspannige Lady gevangen gehouden. Voor de wereld heette zij dood. Inderdaad voerde zij echter een ellendig leven achter kerkermuren dat in krankzinnigheid eindigde.

Wat zou hem beletten, om te handelen evenals dat familielid?

De „toren der bleeke vrouw”, zooals men in den volksmond in die streek de gevangenis der martelares noemde, was leeg en wachtte sinds ongeveer honderd jaar op een nieuwe bewoonster.

Evenals in die dagen, zou men ook nu wel het een en ander omtrent de nieuwe bewoonster mompelen en fluisteren, maar niemand zou iets met zekerheid weten.

Zoo zou het zijn.

Toen Lord Morvill dit plan had opgevat, voelde hij zich bijzonder kalm. Hij zag nu uitkomst.

Natuurlijk zou hij niet vertellen, dat zijn echtgenoote gestorven was.

Men zou echter een sprookje kunnen verbreiden van een zware ziekte en hij zou wel middelen vinden om ongewenschte spionnen tegen te gaan.

De Lord had zulk een gevoel van welbehagen, dat hij een afgezaagde melodie, welke hem door het hoofd speelde, begon te fluiten.

Plotseling viel het hem in, dat hij graaf Armani had verzocht, hem in zijn villa te bezoeken. Hij keek op zijn horloge en zag, dat hij zich moest haasten om nog tijdig thuis te zijn.

Hij wenkte den koetsier van een voorbijkomend [30]leeg huurrijtuig en gaf hem zijn adres op. In snelle vaart naderde hij nu zijn woning.

Wederom moest hij aan zijn vrouw denken. Hij zou haar in de eerstvolgende uren ontmoeten; hoe zou hij zich dan jegens haar gedragen?

In elk geval wilde hij zekerheid en hij was van plan, haar voor oogen te houden, dat zij volkomen afhankelijk van hem was.

Een soort van wreede wellust kwam in hem op, toen hij tot dit besluit was gekomen. Ja, zij zou gevoelen, dat zij volkomen in zijn macht was.

Intusschen had Lord Morvill zijn villa bereikt. George verscheen om zijn heer bij het uitstappen behulpzaam te zijn.

De Lord vroeg, of in zijn afwezigheid iets was voorgevallen.

George ontkende en meldde, dat de Lady in dien tusschentijd reeds drie keer had geïnformeerd, of de Lord thuis was.

„Het is goed!”

Met deze woorden beklom de Lord de trap, die naar de villa leidde en begaf zich naar zijn vertrekken.

Nadat hij zich van zijn hoed en jas had ontdaan, ging hij zijn studeerkamer binnen.

Blijkbaar wenschte dus ook de Lady een onderhoud. Dat kwam volkomen overeen met de wenschen van den Lord.

„Hoe eerder je begrijpt, waar je aan toe bent, hoe beter voor mij,” mompelde Lord Morvill, op den knop eener electrische bel drukkend.

Tom trad binnen. Hij bleef bij de deur staan om op het bevel van zijn heer te wachten.

„Zeg de Lady, dat ik haar hier verwacht.”

De bediende boog zwijgend en verdween in de gang, die naar de kamers van de Lady voerde.

Lord Morvill stak een sigaret aan en zette zich op zijn gemak aan zijn schrijftafel.

Eenige oogenblikken later kwam Lady Morvill de studeerkamer van haar echtgenoot binnen.

Zij droeg nog dezelfde zwarte japon, die zij des middags had aangetrokken.

De Lord nam de binnentredende op met een spottenden blik, daarop noodigde hij haar met een handbeweging uit om plaats te nemen.

Lady Morvill was in de deur blijven staan.

Een blik vol haat en verachting viel op den Lord, die aan zijn schrijftafel zat.

Na een korte pauze begon deze, terwijl hij met een pennemes speelde, op korten, halfluiden toon:

„Lady, gij hebt mij dringend willen spreken. Ik ben tot uw dienst.”

De Lady stond nog steeds onbeweeglijk.

Zoo mogelijk was zij nog bleeker geworden. Haar oogen glinsterden bovennatuurlijk, haar keel was van ontroering als dichtgeknepen en op bijna klankloozen toon kwam het van haar lippen:

„Je hebt al mijn juweelen in bezit genomen. Ik weet het!”

„Welnu, als gij dat weet, Lady, dan zult gij zeker ook wel weten, waar ik ze heb gevonden.”

De tanden der schoone vrouw groeven zich zoo diep in haar onderlip, dat een paar bloeddroppels langs haar kin vloeiden.

Daar de Lord niet doorging, vroeg de Lady opnieuw, alsof zij het antwoord van haar echtgenoot niet had verstaan:

„Zal ik mijn kostbaarheden terugkrijgen?”

„Neen!” klonk het op korten toon van zijn lippen.

Lady Morvill scheen haar bewustzijn bijna te verliezen. Haar gansche lichaam beefde, doch na eenige oogenblikken had zij zich met bovenmenschelijke wilskracht hersteld.

Zij ging vlak voor den Lord staan en vroeg met vonkelende oogen en gekruiste armen:

„Waarom wil je mij mijn eigendom onthouden?”

„Omdat ik niet wensch, dat gij de middelen in handen zult hebben voor een tweede ontvluchting.

Omdat ik geen lust heb, door uw optreden prijs te worden gegeven aan de publieke zucht naar schandaal en laster.

Daarom blijven uw kostbaarheden onder mijn berusting. Al kan ik u ook niet beletten, overal om u heen te koketteeren op schandelijke wijze, dan wil ik u toch de middelen ontnemen om mij openbaar aan de kaak te stellen.”

De Lady was doodsbleek geworden. Zij balde de vuisten in machtelooze woede en week onwillekeurig een schrede achteruit.

De Lord was opgestaan en had zich naar het kleine tafeltje begeven. Hij nam de waterkaraf en vulde een glas tot op de helft met de dood brengende vloeistof.

Lady Morvill staarde als geestesafwezig naar haar echtgenoot.

Haar blik bleef als gebonden aan zijn hand, toen hij het glas vulde.

Haar wijdgeopende oogen puilden naar voren en haar gelaat was spookachtig bleek.

Een seconde nog en zij zou vrij zijn! [31]

Lord Morvill nam het glas op, toen een onderdrukte gil aan de lippen der Lady ontsnapte.

Morvill had half met den rug naar zijn echtgenoote gestaan, nu keerde hij zich om en zag haar lijkkleurig gelaat.

Een wreede, zegevierende glimlach verwrong zijn trekken en, terwijl hij het glas weer op het tafeltje neerzette, sprak hij hoonend:

„Ik vrees uw haat niet, Lady. Alleen zou ik er u op willen wijzen, dat ik nog middelen bezit om mij zelf te beschermen. Als gij mij al te lastig wordt …

Gij kent mijn kasteel Moar Castle in Schotland, nietwaar?

Gij kent de geschiedenis mijner voorvaderen. Neem u in acht, dat het lot van Lady Henriette ook niet u treft!”

Met van ontzetting wijd geopende oogen staarde Lady Morvill haar echtgenoot aan. Zij hield de handen, alsof zij een onheil wilde afwenden, voor zich uitgestrekt. Haar boezem hijgde en op halfluiden toon sprak zij met moeite:

„Je wilt mij in de armen van den waanzin voeren, ellendeling! Ik veracht je uit den grond van mijn hart!”

Morvill was bloedrood geworden van verontwaardiging. Zijn hand greep een leeren zweep, die boven zijn schrijftafel hing, hij snelde naar zijn vrouw toe en wilde haar met zweepslagen straffen voor haar woorden.

De Lady stiet een rauwen gil uit.

Op dit oogenblik werd de deur geopend, die naar het bureau van John Wilkens leidde, en deze stormde de kamer binnen.

Hij had de laatste woorden van den strijd der beide echtgenooten gehoord en den angstkreet der Lady vernomen.

Een inwendige, onweerstaanbare macht dwong hem, de schoone vrouw, die hij nog steeds liefhad, ter hulp te snellen.

Toen Wilkens de kamer binnensnelde en zag, dat de Lord met opgeheven zweep tegenover zijn vrouw stond, verloor hij zijn kalmte en bezinning.

Hij greep den Lord bij de keel. Een korte worsteling volgde en de Lord, die niet voorbereid was op dezen aanval, struikelde en viel.

Een doffe kreet en het bloed van Lord Morvill stroomde over het tapijt.

De Lord was met zijn hoofd tegen den scherpen kant van den schoorsteenmantel terechtgekomen en had zich den schedel verpletterd.

John Wilkens staarde als wezenloos naar den Lord, die met den dood worstelde.

Daar werd plotseling de deur naar de gang geopend en graaf Armani snelde binnen.

Toen de Lady hem zag binnenkomen, riep zij half gillend uit: „Raffles!” en viel bewusteloos op een stoel neer.

De binnenkomende was inderdaad de groote onbekende, die zich, aan den Lord had laten voorstellen als graaf Armani.

Met een enkelen blik had hij den toestand overzien en met weemoedigen blik keek hij naar Wilkens, toen hij sprak:

„John, ik had je gewaarschuwd. Je bent niet uit de nabijheid van deze vrouw gebleven en het noodlot straft je. Help haar nu. Ik zal mij met den Lord bezighouden.”

Raffles knielde naast Lord Morvill neer en stelde vast, dat het leven reeds was geweken.

Intusschen was de Lady weer eenigszins tot zichzelf gekomen.

Nog geheel verward staarde Wilkens om zich heen. Zijn blik viel op het half gevulde waterglas, dat Lord Morvill zooeven weer op het tafeltje had neergezet. Hij nam het op en, naar de Lady gaande, goot hij de bewustelooze een paar slokken in de keel.

De Lady voelde plotseling een heeten gloed door haar lichaam stroomen. Met onduldbare pijnen richtte zij zich op en opende de oogen.

Zij zag het haar maar al te zeer bekende glas in Wilkens’ hand en de vreeselijkste ontzetting stond op haar gelaat te lezen.

Haar treken verwrongen zich, het schuim kwam op haar lippen te voorschijn en met een luiden gil zonk zij neer.

„Gift! Gift!” riep zij uit. „Ik had het voor hem gemengd en jij hebt het mij gegeven!”

Nog voordat John Wilkens wist, wat zij bedoelde, had Raffles haar woorden begrepen.

Hij naderde John, die bij de met den dood worstelende Lady neerknielde, richtte hem op en sprak:

„De moordenares van haar echtgenoot heeft zichzelf in het verderf gestort! Jij moest haar den giftbeker reiken, dien zij voor haar echtgenoot had gereed gemaakt. Zoo wilde het noodlot het.

Nu heeft zij haar vrijheid terug, al is het op een andere manier dan zij bedoelde.”

Nu begon de secretaris alles te begrijpen. Hij sloeg de handen voor het gelaat en snikte. [32]

John Raffles legde hem de hand op den schouder en sprak:

„Al kon ik dezen keer niet over je waken, een hoogere macht heeft je behoed. Dank den hemel, dat je handen rein zijn gebleven. Hier, neem dit geld!”

Bij deze woorden nam Raffles een gevulde portefeuille uit den zak en gaf die aan Wilkens!

„Deze portefeuille bevat de middelen voor een reis naar het buitenland en zal genoeg zijn voor jou, totdat je een nieuwen werkkring zult hebben gevonden.

Ga nu heen, begin een nieuw leven en maak door ernstigen arbeid weer goed, wat je hier, al is het ook slechts in gedachten, hebt misdaan.”

De secretaris drukte de hem toegestoken hand van den onbaatzuchtigen beschermer en bevochtigde die slanke, fijngevormde hand met zijn heete tranen.