Buitengewoon lang had dat jaar de winter in Alaska geduurd, vooral in de noordelijkste streken.
Maanden achtereen was de thermometer niet boven de veertig graden onder nul gekomen, en de opbrengst aan vellen van hermelijnen, blauwvossen, bevers, beren en andere pelsdieren, was buitengewoon groot geweest, terwijl het bont van uitstekende kwaliteit was geweest.
Maar eensklaps, toen men reeds April schreef, was het weder omgeslagen en uit het Zuiden woei luwe wind, die de sneeuwlaag snel deed smelten, en de rivieren buiten hun oevers deed treden, die het overvloedige smeltwater van de bergen bijna niet konden verzwelgen.
Het was plotseling Lente geworden, en zoo vlug was het gegaan, zoo warm was het geworden, dat men zich in een tropisch klimaat zou wanen. Nog nimmer hadden de ruwe bewoners in deze barre streken iets dergelijks beleefd.
Overal schoten de voorjaarsbloemen uit den bodem, die nog pas weinige dagen geleden met een decimeter dikke laag sneeuw was bedekt, de twijgen van de sparren en dennen botten uit, en een zoete geur vervulde de heerlijk blauwe lucht.
Op de heuvels en de bergen lag nog sneeuw, maar in de dalen bloeide en groeide het reeds, en wild bruischend stroomden de rivieren, terwijl de vele watervallen zich met donderend geweld van de hooge rotsen stortten.
De sleden werden opgeborgen, en men begon de paarden uit de stallen te halen, die des winters een gemakkelijk leventje hadden, daar dan hun werk door de sterke trekhonden werd gedaan.
Ook de sneeuwschoenen hadden voorloopig weder afgedaan, evenals de vetlederen laarzen, en de dikke pelsen.
Het was omstreeks elf uur in den avond.
In de nederzetting aan de Tanana, een zijrivier [2]van de machtige Jukon, welke niet meer dan veertig mijlen van Seratie is gelegen, en welke den naam Cedar Tree draagt, hadden alle bewoners zich reeds ter ruste begeven.
Het is een der grootste nederzettingen in dit gedeelte van Alaska, en het dorp is zeer trotsch op het bezit van iets zeer bijzonders in dit land—een steenen huis.
Dat was het Gemeentehuis, en het was nog niet eens geheel van steen, daar de eenige verdieping uit houten balken was opgetrokken.
Alle andere huizen waren van hout, en lagen, wegens het brandgevaar, vrij ver uit elkaar.
Ook de kleine gevangenis was uit hout opgetrokken.
Zij lag op de grens van het dorp, dat ongeveer twee duizend inwoners telde, wat zeer veel is in dit gebied.
De wanden bestonden uit vierkant gekapte boomstammen, stevig op elkaar bevestigd, en het gebouw was ongeveer vijftien meter lang, en tien meter breed.
Steeds liep een schildwacht om het huis, met de karabijn over den schouder.
In een der cellen zat een nog jonge vrouw, die daar vijf dagen geleden was binnengebracht, met nog een zestal anderen.
Zij was te Pine Creek, een nederzetting op een dertigtal mijlen van Cedar Tree gelegen, met die zes mannen gevangen genomen en wij zullen spoedig zien, om welke reden dit geschied was.
De vrouw had groote, zwarte oogen, waar nu een somber vuur uit gloeide, en glanzend, blauw-zwart haar, dat in een dikken wrong boven op haar hoofd was bevestigd.
Zij droeg nog haar winterkleederen, want toen men haar arresteerde, was het nog bitter koud.
Haar voeten waren in met bont gevoerde, hooge laarzen gestoken, en zij had een wollen trui aan, met lederen riempjes versierd.
Zij zat op een lage kruk, die dicht bij het bed was geschoven, dat slechts uit een stroomatras en een paar dekens bestond.
Tegen de zoldering bevond zich het kleine raam, dat van stevige tralies was voorzien.
De deur, van dikke houten balken gemaakt, was met ijzer beslagen.
Dolly Patterson—zoo was de naam van de gevangene—had reeds een uur in dezelfde houding gezeten, roerloos, met starenden blik.
En nu begon zij in zich zelf te spreken.
„Ik moet hier uit! Tot iederen prijs moet ik hier uit. Wreken wil ik mij op die vervloekte Engelschen, die mij hier in hebben gebracht, en die Pat O’Kelly hier eveneens hebben doen belanden. En niet alleen op hem wil ik mij wreken—ook op Jessie Barry en haar minnaar, dien ellendigen Tom Hatters! Hij is het geweest, die mijn vriend Mike Penalty heeft gedood!”
Zij bleef even in gedachten voor zich uitstaren, en ging toen op half fluisterenden toon voort:
„Als Mike niet zijn zinnen had gezet op die meid, die Jessie, dan zou dit alles niet gebeurd zijn—dan zouden die vreemdelingen uit Londen hun hulp niet aan Tom Hatters hebben geboden—dan zouden zij ons niet achtervolgd hebben, toen Mike met mijn hulp Jessie Barry had ontvoerd—en dan zou Mike niet gedood zijn in het gevecht, dat hij met Tom had! Maar dat is niet alles. Niet daarom alleen wil ik mij wreken. Ik had Pat O’Kelly tot opvolger van Mike gekozen—en die reusachtige kerel, die bij de Engelschen was, heeft hem behandeld als een ondeugend kind, en hem in een hoek van het danshuis te Pine Creek geworpen, alsof hij een baal vuil goed geweest ware! En toen wij hem er bijna onder hadden, toen hij al zijn schoten had afgevuurd, die er op zijn revolver zaten—toen kwamen die vervloekte Engelschen weder opdagen—en met hen de bereden politie en wij waren er bij! Ontvoering van een onmondig jong meisje—weet ik, hoe die lui het noemden—manslag en de rest! En hier zit ik nu, tot zij mij voor den sheriff sleepen—mij en Pat en de anderen. Maar daar zullen wij het niet op aan laten komen—ik moet hier uit—en ik zal hier uit!”
De zwarte oogen van de vrouw flikkerden, terwijl zij dit zeide en zij had haar vuisten gebald, tot de nagels haar in het vleesch drongen.
Haar gedachten gingen terug naar hetgeen er een paar weken geleden te Meadow Hill en later te Pine Creek geschied was .…..
In de eerst genoemde nederzetting woonde de predikant Richard Barry, en zijn dochter Jessie was verloofd met den jongen pelsjager Tom Hatters.
Maar Mike Penalty, de minnaar van Dolly, had zijn blikken op het jonge meisje laten vallen, en hij had haar door een lage list weten te ontvoeren, waarbij [3]zijn eigen minnares hem de behulpzame hand had geboden.
Toen waren die twee Engelschen sportsmen verschenen, met hun reusachtigen metgezel, die zooveel als hun bediende scheen te zijn, en zij hadden Tom geholpen, om de ontvoerders van Jessie te achtervolgen.
Er was een gevecht gevolgd, en Mike en drie der kerels, die hem hadden bijgestaan, hadden het onderspit moeten delven.
Dat was voorgevallen op den top van een hoogen heuvel, tamelijk dicht bij Pine Creek.
En zij, Dolly Patterson, door haar wraakzucht gedreven, was daarheen gesneld, en had een vijftigtal bandieten weten mee te krijgen, die den top gingen belegeren, zeker als zij waren, dat vroeg of laat de kleine troep daarboven zich zou moeten overgeven wegens gebrek aan voedsel.
Maar toen was het wonderbaarlijke gebeurd—op den tweeden nacht was er eensklaps een vliegmachine verschenen, die was neergestreken op den heuveltop en de belegerden had ontvoerd.
Het was zoo snel in zijn werk gegaan, en het kwam zoo onverwacht, dat de vliegmachine zich reeds lang in de lucht had begeven, toen de bandieten begrepen hadden wat er gaande was.
Onverrichter zake waren de gouddelvers weder naar hun nederzetting teruggekeerd, Dolly met een hart vol wraak.
Maar de rouw over den dood van haar minnaar duurde niet zeer lang—want een paar dagen later had zij haar gunsten aan diens vriend en medeplichtige Pat O’Kelly geschonken.
Toen had dat zonderlinge voorval in het danshuis van „Merry Pig” te Pine Creek plaats, en Dolly bracht het steeds weder in verband met het optreden dier geheimzinnige vreemdelingen.
Op een avond waren er twee mannen verschenen, naar hun uiterlijk te oordeelen goudzoekers.
Op een wijze, welke Dolly zich nog altijd niet kon verklaren, hadden zij zich van „Merry Pig” weten meester te maken, en een hunner had zijn plaats ingenomen.
Hij had alle aanwezige getracteerd op een glas wijn—en eenige minuten later waren zij allen bedwelmd, behalve zij zelve, Dolly Patterson, die zich slapend had gehouden, en dus tusschen haar oogwimpers alles had gezien wat er daarna geschiedde.
De twee gewaande goudzoekers hadden alle stofgoud van de speeltafel en uit de zakken van hun slachtoffers geroofd, en waren daarop snel als het weerlicht verdwenen.
Dolly had alarm gemaakt, maar zij had een kostbaren tijd verloren met het zoeken van „Merry Pig” dien zij ten slotte gebonden in den kelder van zijn danshuis vond, en pas een half uur later kon de achtervolging van de stoutmoedige roovers een aanvang nemen.
Men haalde hen in dicht bij de hut van Tom Hatters, die op dat oogenblik verlaten was, en men zou hen ook zeker gevangen hebben, ofschoon zij reeds zeven der achtervolgers buiten gevecht hadden gesteld, als niet een groote troep wolven het spel was komen bederven.
Want men moest zich uit alle macht tegen deze hongerige roofdieren verdedigen, en van die omstandigheid maakte de in de hut belegerde roovers gebruik, snel de plaat te poetsen.
Toen het gevecht met de wolven geëindigd was, waren de vogels gevlogen en zeker reeds lang in veiligheid.
Toen, weder een paar dagen later, was eensklaps die reusachtige Engelschman te Pine Creek verschenen, thans geheel alleen. Hij had er naar zijn twee metgezellen gevraagd, en toen hij vernam, dat zij vertrokken waren had hij het besluit genomen den volgenden morgen naar Serati terug te keeren, vanwaar hij gekomen was.
Maar dien avond verscheen hij in het danshuis van Murphy O’Reill, en het lot bracht ook Pat en Dolly daar.
Zij herkende hare vijand onmiddellijk, en er ontstond een gevecht van een tegen vijftig.
De reus sloeg vijftien man neer, maar de anderen zouden hem zeker gedood hebben, als niet ter elfder ure eensklaps weder die satansche Engelschen verschenen waren, thans nog wel in gezelschap van een zestal mannen der bereden politie.
Het pleit was toen spoedig beslist, en een achttal raddraaiers was gevankelijk weggevoerd, ook Dolly en haar nieuwe minnaar Pat O’Kelly.
En van dat oogenblik af was de vrouw slechts door een enkele gedachte bezield, zich te wreken op die geheimzinnige vreemdelingen en op Jessie en op Tom Hatters, die nu al reeds gehuwd zouden zijn. [4]
Hoe het kwam had zij niet juist kunnen zeggen, maar zij bracht steeds opnieuw verband tusschen den roof van het stofgoud in het danshuis van „Merry Pig” en de achtervolging van Mike Penalty.
Zij had de stemmen van de beide Engelschen gehoord en ook die van de roovers, toen zij zich in de speelzaal van het danshuis onbespied en geheel alleen waanden, en die stemmen waren dezelfde.
O, als zij maar eenmaal vrij was, dan zou zij niet rusten, voor zij die mannen weder terug had gevonden, en hen op hun beurt aan de politie kon doen overhandigen.
Zij stond een klaps op, en spitste de ooren.
Ergens in het sombere gebouw klonken voetstappen.
Zij wist wat dat beteekende—de cipier kwam haar het avondmaal brengen.
Een blik uit het nauwe venster overtuigde haar, dat de nacht zeer donker was.
En daarbuiten hoorde zij het getrappel van paardenhoeven—zeker was er ergens een paard vastgebonden, want het geluid klonk steeds op dezelfde plaats.
Een vast besluit kwam eensklaps bij de vrouw op.
Zij deed snel den halsdoek af, dien zij droeg, en nam de beide uiteinden stevig in de handen.
De voetstappen kwamen langzaam nader.
Telkens ging er een deur open en dicht, dan trad de cipier een cel binnen, om den gevangenen het avondmaal te brengen.
Nu stond hij even stil voor haar eigen cel.
Als een kat sloop zij achter de deur, zoodat zij niet dadelijk te zien zou zijn, als de man binnentrad.
De deur ging open en de cipier trad binnen, in de eene hand zijn lantaarn, in de andere een houten schaal, met een stuk brood en wat groenten.
Maar hij was nauwelijks twee passen in de cel of Dolly sprong als een tijgerin ruggelings op hem toe, en sloeg hem bliksemsnel den sterken doek om den hals.
Uit alle macht trok zij den doek aan, zoodat de man geen geluid kon geven, en lantaarn en schaal liet vallen, in een onwillekeurige beweging om zich van den wurgenden doet te bevrijden.
Toen hem dit niet gelukte, tastte hij naar de revolver in zijn holster, maar de vrouw was hem voor geweest.
De doekpunten in één hand vattend, en zoo sterk mogelijk vast wringend, nam zij met de vrije hand het wapen uit den holster, en liet het in haar zak glijden, daar zij wel begreep, er zich hier niet van te kunnen bedienen.
Toen trok zij uit alle macht den doek dicht.….
De woeste bewegingen van den cipier werden spoedig minder krachtig, zijn gelaat verkreeg een blauwe kleur, zijn oogen puilden uit zijn hoofd, toen gleed zijn lichaam slap op den houten vloer.
Dolly verloor geen tijd, daar zij niet zeker wist, of zij den man gedood had.
Zij stak de hand in zijn zak, en haalde er den sleutel uit, waarmede, naar zij wist, de deur van de gevangenis geopend kon worden, benevens de sleutels van de cellen, die aan een bos bijeen gebonden waren.
Zij nam de revolver in de vuist en snelde de cel uit, waarvan zij de deur zacht sloot.
Toen opende zij snel een paar celdeuren, die zij het eerst op haar weg ontmoette.
Maar toen zij de deur van de derde wilde openen, hoorde zij en de bevrijde bandieten beneden in het huis gerucht.
Zij mochten zich hier niet langer ophouden.
IJlings snelden zij de trap af, en bereikten de vestibule.
Juist trad een sergeant van de bereden politie uit een vertrek.
Hij bleef een oogenblik verstomd van verbazing staan—en die paar seconden werden hem noodlottig.
Een der bandieten bracht hem een hevigen slag op het hoofd toe met den poot van zijn stoel, dien hij zooeven had losgebroken, en de man stortte zonder een kreet achterover en bleef liggen.
Dolly opende snel de deur—de ontvluchten stonden buiten.
Op eenigen afstand stond een paard aan een boom gebonden, het was een dienstpaard van de politie en behoorde waarschijnlijk aan den sergeant toe, dien zij zooeven hadden neergeslagen.
Dolly wilde er op toevliegen, toen juist de wachtpost om den hoek van de gevangenis verscheen.
De man begreep dadelijk, wat er geschied was, en rukte zijn karabijn van den schouder. [5]
Maar voor hij het wapen kon aanleggen, kraakte er een schot—Dolly had haar revolver op hem afgeschoten.
De man slaakte een doffen kreet, en viel voorover.
Zonder om te zien, ijlde de vrouw naar het paard, maakte het los, en wierp zich schrijlings in het zadel.
Zij spoorde het paard met tong en hielen aan, en het snelde weg in de duisternis.….….…