[Inhoud]

HOOFDSTUK II.

De bevrijding van Pat O’Kelly.

Als een stormwind vloog het paard door de breede straten van het dorp, en spoedig had Dolly Patterson de laatste hutten achter zich gelaten.

Zij wierp een blik achter zich.

Er was niemand te zien.

En zij wist, dat het eenigen tijd zou duren, eer de achtervolging begonnen kon worden.

Van dat uitstel moest zij gebruik maken, dat begreep zij maar al te goed.

Zij spoorde daarom het paard tot den grootsten spoed aan, en de hoefslagen van het dier klonken in snellen cadans op den grond.

Onder het rijden had zij haar plan opgemaakt.

Zij zou trachten, de kloof bij Pine Creek te bereiken, waar zij wist, vrienden van Pat te zullen vinden, evenals hij lieden zonder geweten, die zich bezig hielden met roof en moord, als zij genoeg hadden van goud zoeken.

Maar zij zou voorloopig volkomen veilig zijn, want de kloof was vol schuilplaatsen, en men kon er zich uitstekend in hinderlaag liggen.

De „Bereden Noordwestelijke” zou zich nog wel eens bedenken, voor zij zich daar waagde, om de vluchtelinge weder te vangen.

Dolly woonde hier reeds jaren, en zij wist wel, dat de politie hier niet te vergelijken was met die in de beschaafde streken van Amerika en Canada.

De manschappen waren weinig in aantal en door de verbazend groote afstand moesten zij soms dagen achtereen reizen, vaak geheel alleen, om een of andere opdracht van den inspecteur te gaan vervullen.

En daarbij werden zij door honderden gevaren bedreigd—van de zijde der meedoogenlooze natuur, van de wilde dieren en niet het minst van den mensch.

Als zij eenmaal daar was, zou zij de vrienden bijeen roepen—want Pat moest tot iederen prijs bevrijd worden, voor hij voor den rechter zou verschijnen.

Want als dat eenmaal het geval was geweest, dan zou hij naar elders worden overgebracht, en daar zijn straf moeten uitzitten in een steenen gevangenis—en daaruit ontsnapt men niet zoo gemakkelijk.

Wat er van de andere ontsnapten geworden was wist zij niet, maar zij stelde er ook geen belang in, nu het toeval gewild had, dat zij vreemden in vrijheid had gesteld inplaats van kameraden, kon het haar niet schelen wat er van hen terecht kwam.

Zij galoppeerde bijna een vol uur aan een stuk door, en daarna pas gunde zij het paard een weinig rust, en liet het in stap overgaan.

Maar een half uur later begon opnieuw de wilde rit over de vlakte, die zich uitstrekte van Cedar [6]Tree tot eenige mijlen voor Pine Creek, en die slechts hier en daar onderbroken wordt door lage heuvelketens, en rivieren, die zoo goed als allen schatplichtig zijn aan de Jukon, de voornaamste rivier van Alaska.

Om een uur in den nacht steeg Dolly af, want haar paard begon teekenen van vermoeidheid te geven, en het dier moest haar redden—zij mocht er niet het uiterste van vergen, wilde zij het niet onder zich zien doodvallen.

Zij hield dus halt aan den zoom van een dicht woud, voornamelijk uit sparren en dennen bestaande.

Het was wonderlijk zoel in de lucht, en de vrouw snoof met wijd geopende neusgaten die lucht der vrijheid op, die haar bijna bedwelmde, na die dagen in de gevangenis.

Zij luisterde scherp naar de geluiden uit de wildernis, waarvan zij de beteekenis kende door een jaren lang verblijf in deze streek.

Zij onderscheidde het eentonig geroep van den cojote, den halfwilden woestijnhond, het fladderen van de reusachtige uilen onder de takken der geweldige woudreuzen, het woedend geblaas van den lynx, die in een val gevangen zat, het tikken van de smeltende sneeuw op de dorre bladeren in het bosch, alle geluiden der natuur.

Heel ver huilde een wolf, en Dolly dacht er een oogenblik aan, een vuur aan te leggen, om de verscheurende dieren af te schrikken.

Maar dit achtte zij bij nader inzien toch te gevaarlijk, de achtervolgers mochten eens nader bij zijn dan zij vermoedde.

Deze gedachte joeg haar opnieuw op, en zij ging te voet verder, het paard aan den toom mee voerend.

Om drie uur in den nacht begon het reeds licht te worden in het Oosten.

Zij had nu het woud in zijn volle breedte doorschreden, en toen zij aan den anderen zoom stond, zag zij in de verte flauw de omtrekken van een gebergte.

Een woeste juichkreet steeg uit haar borst omhoog.

Daar lag de vrijheid—daar was het gebergte met zijn diep en lang ravijn!

Zij wierp zich weder in het zadel en zette haar vlucht voort.

Snel werd het dag.

Nu en dan wierp zij een blik achter zich, maar niets liet zich zien, dat haar kon verontrusten.

Zij zag slechts weinig menschen, en die kwamen allen uit een andere richting, het waren veedrijvers, die, nu de winter heengegaan was, weder arbeid voor hun handen konden vinden, gouddelvers, pelsjagers, die hun wintervoorraden naar Seratie gingen brengen.

Wel duchtte de vrouw van deze lieden geen gevaar, maar zij bleef hun toch uit den weg, zij wist maar al te goed, dat zij niet zeer gezien was in deze streek.

Mike Penalty was een schurk geweest, en Pat O’Kelly was weinig beter, en de minnares van die lieden kon ook niet veel zaaks zijn.

Doodelijk vermoeid door den langen rit, hongerig en vaal bereikte Dolly ten slotte, omstreeks vijf uur in den morgen, den voet van het gebergte, dat zich uitstrekte zoover het oog kon zien.

Weer rustte zij, alvorens de beklimming te beginnen.

Zij wist een smal pad, dat kronkelend naar een soort pad voerde, en van daar kon men naar het ravijn afdalen.

Het paard, aan deze klimpartij wel gewend, klauterde tegen het pad op, en een uur later stond de vluchtelinge aan het einde van de pas.

Zij richtte zich hoog in het zadel op, en wierp een blik over het diepe dal, dat zich nu aan haar voeten uitstrekte.

Het was hier en daar dicht begroeid met hooge heesters, lang prairiegras en ceders.

Drie watervallen stortten zich met luid geraas van een vijftig meter hooge rots omhoog.

Op vele plaatsen liepen diepe kloven op dit ravijn uit, die een waar doolhof vormden, waar men goed den weg moest kennen, om er niet te verdwalen.

Plotseling slaakte Dolly een luiden kreet, die het paard verschrikt de ooren deed spitsen.

Op nauwelijks een halve mijl afstand kronkelde een lichtblauwe rookspiraal bijna rechtstandig in de wolkenlooze lucht omhoog.

Dat moesten de jongens zijn!

Zij drukte het paard de hielen in de flanken, en het dier stoof weg, door zijn instinct gedreven, dat het zeide, dat daar ginds soortgenooten, versch gras, en water te vinden zou zijn.

Tien minuten reed Dolly snel voort, bergafwaarts. [7]

Toen steeg zij af, bond het paard aan een boom, en drong voorzichtig het kreupelhout binnen.

Na ongeveer honderd passen aldus te zijn voort gegaan, boog zij behoedzaam de takken terzijde.

Zij zag nu een open plek in het bosch, welig met gras begroeid en in het midden daarvan brandde het vuur, dat den rook naar den hemel had gezonden.

Daarom heen zaten een tiental mannen, reeds in zomerdracht, met slappe hoeden op, katoenen geruiten hemden aan, en half hooge laarzen.

Om hun hals was een kleurige doek geknoopt, die met een punt in den nek viel.

Dolly uitte een doordringenden kreet.

Onmiddellijk sprongen de mannen op, en grepen hun geweren.

Maar zij lieten de wapens dadelijk weder vallen, toen Dolly met luid gelach uit het kreupelhout te voorschijn sprong, en ineens midden in het grasveld stond.

„Daar ben ik, jongens!” riep zij uit, met een woest gebaar het hoofd in den nek werpend. „Wat zeggen jullie er wel van!”

„Dolly!”

„Duivelsche meid!”

„Een dochter van den booze!”

„Zij moet kunnen tooveren!”

Deze en andere uitroepen werden hoorbaar.

De mannen, blijkbaar zeer verheugd over de onverwachte komst van de „Verloren dochter” zooals een geletterde onder hen haar noemde, omringden haar, luidruchtig schreeuwend en lachend.

„Je bent er dus uitgebroken, meisje?” vroeg een der kerels, die de aanvoerder scheen te zijn.

„Ja Fred,” antwoordde Dolly. „Ik geloof dat ik een paar kerels koud heb gemaakt—maar het ging niet anders. En daar ben ik nu.”

„En Pat?” vroeg er een.

Het gelaat van de vrouw kreeg een sombere uitdrukking, toen zij antwoordde:

„Pat is—nog daar! Ik heb twee kunnen bevrijden—maar hij was er niet bij. Daarom juist kom ik hier, jongens, Pat mag daar niet blijven, versta jullie. Dat mag niet!”

De mannen keken nadenkend voor zich.

Zij begrepen wel, wat Dolly bedoelde, zonder het nog te hebben gezegd—maar dat was een zaak, die hun het hachje kon kosten.

Dolly keek hen een voor een met half dicht geknepen oogen aan, en hernam toen:

„Ik hoop toch niet, dat ik met zuigelingen te doen heb? Vloeit er geen bloed meer in jullie aderen? Heeft de winter het doen bevriezen—voor goed?”

„Dat zou geen man ons mogen zeggen, Dolly!” kwam Fred op somberen toon. „Maar je weet zelf, dat het een gevaarlijk ding is! Er ligt nu politie in Cedar Tree, naar ik heb gehoord, en het is een groote plaats!”

„Te groot voor een vastberaden troep van tien man?” vroeg Dolly op verachtelijken toon. „Jullie willen dus een man in gevangenschap laten, die jullie zoo menigmaal heeft aangevoerd, als er wat te rooven viel, ik moet het dus alleen gaan doen?”

Die laatste vraag had doel getroffen.

Er lieten zich kreten van protest en woede hooren.

„Zij heeft gelijk!” riep er een. „Het zou een schande zijn, als wij Pat daar lieten zitten, en het aan een vrouw overlieten, hem te bevrijden.”

„Laat ik jullie zeggen, dat ik het niet alleen en zelfs niet in de eerste plaats doe om Pat zelf!” vervolgde Dolly. „Maar hij en ik hebben nog een appeltje te schillen met een paar Engelschen, die hier nog wel in de buurt zullen zwerven, en die ons in de gevangenis hebben geholpen. Niemand kent zoo goed als Pat O’Kelly de sluipwegen hier, en hij moet ons aanvoeren als wij wraak gaan nemen voor wat zij ons hebben aangedaan. Ook die Tom Hatters zal er van lusten! Weet jullie al, dat hij getrouwd is, en nu met zijn vrouw dicht bij den nieuwen spoorweg woont, en dat hij dezer dagen het geld voor zijn pelsen moet gaan ontvangen van den agent der Hudson Compagnie in Serati?”

Deze vraag had een groote uitwerking op de schurken, die hier bijeen waren.

Hun oogen schitterden, en zij keken Dolly en daarna elkander veelbeteekenend aan.

Daarop zeide Fred:

„Als dat zoo is, dan zal er dezer dagen wel een goeden slag zijn te slaan in zijn huis, hij heeft een prachtigen winter gehad.”

„Dat meende ik ook,” hernam Dolly kortaf. „Het blijft dus afgesproken, dat wij Pat gaan bevrijden, zoo spoedig mogelijk?”

„Ja, wij geven ons woord!” schreeuwden de mannen door elkander. [8]

„Zoo mag ik het hooren!” riep Dolly. „Ik moet nu eerst hier uitrusten, en afwachten, of zij mijn spoor zijn bijster geworden, maar daarna gaan wij dadelijk naar Cedar Tree, en ik zou wel eens willen zien, dat die gevangenis bestand is tegen tien vastberaden mannen!”

„Tien mannen—en een vrouw, die wel voor twee geldt,” zeide Fred op hoffelijken toon.

„Ik dank je voor het compliment, Fred,” zeide Dolly lachend. „Wij zeggen dus, dat wij hier nog een vollen dag blijven, en dan gaat het er op los. Wij kunnen in dien tijd een goed plan beramen. En geef mij nu wat te eten, want ik kom van honger om. Laat een van jullie mijn paard gaan halen, het is op honderd passen van hier vastgebonden.”

Een oogenblik later zat Dolly midden in den kring mannen en deed zich te goed aan een stuk konijnenvleesch, aan het spit gebraden.

Haar paard graasde met de rijdieren der bandieten, aan een der voorbeenen gekluisterd met een zwaar stuk boomstam.

De troep bleef den geheelen dag op denzelfden plek, maar het vuur werd gedoofd want het was mogelijk, dat de achtervolgers het spoor van de vluchtelinge hadden gevonden, en dan zou de rook hen natuurlijk aanlokken.

Maar er deed zich niets bijzonders voor.

De wachtposten, die nu waren uitgezet, gaven slechts eenmaal het sein, en dat was nog overbodig, want zij hadden verkeerdelijk gemeend, eenige ruiters te zien, die naderhand slechts een kleine kudde rendieren scheen te zijn.

Toen de avond viel werden de voorzorgsmaatregelen verdubbeld, en de wachtposten kregen bevel, goed uit hun oogen te zien.

Fluisterend bespraken intusschen Fred en Dolly hunne plannen, terwijl de andere mannen zich bij het schijnsel van het kampvuur onledig hielden met dobbelen en kaartspelen, waarbij het soms zoo ruw toeging, dat Fred zijn gezag moest laten gelden, en hen met een waarschuwend woord en een beweging naar zijn revolver tot de orde moest roepen.

Zij besloten, dat zij den volgenden dag laat in den middag op weg zouden gaan, ten einde ver na middernacht te Cedar Tree aan te komen.

Tenslotte wikkelden allen zich in hun mantels en begaven zich ter ruste.

Dolly had zich zoo ver mogelijk van de tien schurken teruggetrokken, want zij vertrouwde hen maar ten halve .…..

De volgende dag ging op dezelfde wijze voorbij en omstreeks drie uur in den middag werden de paarden gezadeld, en de kleine troep begaf zich op weg.

De mannen waren allen gewapend met geweer en revolver en zij waren vast besloten om er gebruik van te maken, als het noodig mocht zijn.

Want bijna allen stonden zij bij de politie in het krijt en als zij gevangen genomen werden, zou hun zeer waarschijnlijk een langjarige gevangenis wachten.

Twee mannen reden een paar honderd pas voor hen uit, om bij het eerste verdachte teeken de anderen te kunnen waarschuwen.

Maar zij ontmoetten geen manschappen der bereden politie, en de rustige bevolking ging hun zooveel mogelijk uit den weg.

De duisternis was allang gevallen toen zij op ongeveer tien mijlen afstand van Cedar Tree halt hielden om het tijdstip af te wachten, waarop zij den aanslag konden wagen.

Om een uur in den nacht trokken zij verder, en het was omstreeks kwart over tweeën toen zij opnieuw halt hielden, op 200 passen afstand van het dorp.

Een der mannen zou bij de paarden achter blijven en de negen andere slopen met Dolly het dorp binnen, dat in diepe rust verzonken was.

Geen geluid liet zich hooren.

Aangevoerd door de minnares van Pat O’Kelly begaven de bandieten zich naar de gevangenis, zorgdragende dat zij in de schaduw der huizen bleven.

Toen zij het gebouw konden zien liggen, hielden zij opnieuw halt en nu snelde Dolly en twee mannen zoo vlug zij konden naar de gevangenis, juist toen de schildwacht zich aan den anderen kant van het gebouw bevond.

„Let goed op, daar ga ik,” fluisterde Dolly tot de beide bandieten.

Zij ijlde den schildwacht achterna, die op het hooren van haar schreden dadelijk stilstond en zich omwendde terwijl hij het geweer van zijn schouder rukte.

Dolly trad glimlachend op hem toe, en vroeg met haar liefste lachje: [9]

„Ken je mij niet meer, schat?”

De schildwacht deed ten hoogste verbaasd een stap achteruit en zeide op gedempten toon: „Bij mijn arme ziel, het is waarachtig Dolly Patterson, zoo, je komt je dus weer gevangen geven?”

„Ja, zij zaten mij zoo dicht op de hielen, dat ik de partij wel als verloren moest beschouwen,” antwoordde de vrouw.

„Nu, ga dan maar gauw met mij mee,” grinnikte de schildwacht. „Je hebt er verstandig aan gedaan, dat je .….”

Maar hij kon niet verder spreken.

De twee bandieten hadden hem van achteren beslopen, terwijl Dolly hem sluw aan de praat hield, zij hieven tegelijkertijd hun breed jachtmes op, en door de beide wapens getroffen, zakte de schildwacht zonder een geluid te geven ineen.

Dadelijk liep het drietal op de voordeur van de gevangenis toe, en met een stem, alsof zij doodelijk uitgeput en bevreesd was riep Dolly op jammerenden toon:

„Doe open, om Gods wil doe open. Ik ben het Dolly Patterson, ik ben uitgeput en stervende.”

Dadelijk werd er achter de deur sleutelgerammel gehoord en de zware deur werd op een kier geopend.

De lichtstraal van een lantaarn drong naar buiten. Dadelijk rukten de beide bandieten de deur verder open en wierpen zich op den politiebeambte, die haar geopend had.

De man verdedigde zich wanhopend, en trachtte zijn revolver te grijpen, maar een vreeselijke slag met een gummiknuppel op zijn hoofd deed hem duizelend ter aarde storten.

Dolly maakte zich meester van den sleutelbos die aan zijn gordel hing, en zoo vlug zij kon begon zij de cellen te openen.

Zij was zeker op het goede spoor, want de drie eerste boeven die zij in vrijheid stelde waren handlangers van Pat O’Kelly, en de vierde was haar minnaar in eigen persoon.

Op een scherp fluitsein van een der bandieten waren de andere mannen van Fred ter hulp komen snellen, en dat was wel noodig, want op het gerucht van den strijd vlogen er deuren open en een aantal politiebeambten, uit hun sluimering gewekt, kwamen toesnellen.

Van weerszijden kraakten de revolverschoten, en twee der bandieten werden doodelijk gewond.

Maar de anderen wisten buiten het gebouw te komen en snelden zoo vlug zij konden naar de paarden, nu en dan ophoudend om op hun achtervolgers te vuren.

Door het schieten waren vele bewoners wakker geworden, maar niemand dacht er ook maar een oogenblik aan zich in den strijd te mengen, want iedereen kende de noodlottige gevolgen daarvan.

De mannen van Fred hadden onderweg voor paarden gezorgd en zoo behoefde Pat O’Kelly en de andere bevrijden niets anders te doen dan zich in het zadel te werpen. Eenige seconde later joeg de geheele troep in razend galop in de duisternis weg, terwijl de politiemannen hen vruchteloos nog eenige schoten achterna zonden.