Omstreeks denzelfden tijd dat zich dit voorval afspeelde, zaten vroeg in den morgen een viertal mannen en een jonge vrouw in een licht en zonnig vertrek van een farm op eenige mijlen ten Zuid Westen van het dorp Lime Beach gelegen op ongeveer honderd passen afstand van de nieuwe lijn, welke pas onlangs was aangelegd en juist in gebruik genomen, tot groot gerief van de veehandelaars die daar hun groote bezittingen hadden, en die tot dusverre steeds genoodzaakt waren geweest hun vee honderden mijlen ver [10]vaak door cowboys naar het naaste station te laten drijven.
Toch was deze farm mijlen in het rond nog altijd de eenige van de streek en het zou zeker jaren duren, voor Tom Hatters en zijn jonge vrouw, want zij waren de bewoners van dit huis, buren zouden krijgen.
De drie andere mannen in het vertrek waren John Raffles, Charly Brand en James Henderson, dezelfde Engelschen waaromtrent Dolly zich in zoo weinig vleiende bewoordingen tijdens haar alleenspraak in haar cel had uitgelaten.
Raffles was hier, eenvoudig omdat een gril hem naar Alaska had heengedreven, waar hij op den „Blauwvos” had willen jagen, en inplaats daarvan op bandieten gejaagd had, want hij had in de paar weken van zijn verblijf al meer avonturen beleefd, dan een ander in een jaar.
Hij had zijn jongen gastheer, den pelsjager Tom Hatters, een van die diensten kunnen bewijzen, welke men niet zoo spoedig vergeet, want zij hebben betrekking op dood of leven.
Maar zeker zou de brave kerel geen oogenblik hebben kunnen vermoeden, dat de man, die zijn meisje aan de handen van zijn belagers ontrukt had, dezelfde was die in de hoofdstad van Engeland de gentleman-inbreker heette, of ook wel Lord Lister de groote onbekende.
Neen, hij zou zeker eerder zijn kostbaarste vellen hebben gegeven, dan toe te geven, dat zijn gast iemand was, naar wien de politie te Londen reeds jaren speurde met een ijver die omgekeerd evenredig was aan het bereikte resultaat van haar nasporingen.
Wie hem gezegd had, dat de man die daar tegenover hem zat en daar zoo rustig zijn pijp rookte een man kon zijn, wiens leven een voortdurende reeks van gevechten met de wet was, dien zou hij hebben uitgelachen of voor krankzinnig hebben verklaard.
En toch was het zoo, daar zat, op duizend mijlen afstand van zijn grootsten vijand, den hoofdinspecteur Baxter, de stoutmoedige gentleman-inbreker in de gedaante van een Engelschen sportman, die hier voor zijn vermaak kwam jagen, en ondertusschen gelegenheid vond een bevallig jongmeisje te redden dat nu tegenover hem gezeten was en hem vroolijk lachend aankeek, maar thans als de wettige gade van Tom Hatters.
Pas eenige dagen woonde het jonge paar in deze farm, welke Tom gepacht had, in de vaste overtuiging, dat zijn werkkracht binnen kort een kapitaal er uit zou slaan.
Hij had grootsche plannen, hij zou een boomgaard aanleggen, konijnen in het groot gaan fokken, en tegelijkertijd zijn eigenlijk beroep, dat van pelsjager niet vergeten, zoodra de eerste sneeuw weder zou zijn gevallen.
Wat Raffles, zijn vriend Charly Brand en zijn trouwe metgezel, den chauffeur Henderson betreft, zij stonden op het punt weder naar hun land terug te keeren, op dezelfde wijze als zij gekomen waren, namelijk per vliegmachine, welk toestel zich thans te Serati bevond, waar het was toevertrouwd aan de hoede van den plaatselijken commandant.
Hij zou met zijn metgezellen nog een paar dagen doorbrengen in de farm om met zijn vriendelijken gastheer wat te jagen.
Maar nu zouden niet langer de sneeuwschoenen, de sleden en de honden gebruikt worden, maar men zou er te voet op uitgaan, want de sneeuw was reeds verdwenen en de schitterende zonnestralen hadden den grond spoedig doen opdrogen.
Jessie, de jonge vrouw van den pelsjager, weinig meer dan een kind nog, liep bedrijvig af en aan, en pakte eenige eetwaren in een rugzak van haren echtgenoot.
Charly Brand, die juist een blik door het groote venster had geworpen, zeide nu:
„Het is buitengewoon schoon weer en men kan zich bijna niet voorstellen, dat het nog geen week geleden veertig graden vroor.”
„Dergelijke snelle weersveranderingen komen hier wel eens meer voor, mijnheer,” zeide Tom, „maar zoo snel en aanzienlijk als deze lente heb ik het nog nimmer bijgewoond.”
„Het is eigenlijk jammer, dat de nieuwe lijn zoo dicht voorbij uw huis loopt,” hernam Charly. „Meestal komt een spoorweg het natuurschoon niet ten goede!”
„Dat is zoo, en hij verdrijft het wild,” gaf Tom toe. „Maar daarentegen is het heel gemakkelijk voor het vervoer van mijn pluimvee en landbouwproducten naar de stad.”
„Wat zijn eigenlijk onze plannen voor heden?” vroeg Raffles nu.
„Ik wilde den kant van Pine Creek opgaan, mijnheer, [11]en in het terugkomen wilde ik te Serati het geld voor mijn vellen gaan halen.”
„En wilt ge dat hier bewaren?” vroeg Raffles verwonderd. „Is dat niet zeer gevaarlijk?”
„Heel lang zal het niet in huis zijn, mijnheer, ik moet het voor het grootste gedeelte dadelijk weer betalen aan den man die mij deze hoeve verkocht.”
„Maar dat kunt gij toch onmogelijk alles te voet afdoen?”
„Zeker niet! Daarom wilde ik voorstellen, heden te paard te jagen, er is op een paar mijlen hier vandaan een prachtig jachtgebied, waar het nog krioelt van wilde schapen, elanden en beren. Morgen kunnen wij dan wat meer in de buurt blijven, en te voet jagen.”
Aldus werd afgesproken en de toebereidselen voor de jacht waren spoedig afgeloopen.
Tom had in zijn stal een viertal uitstekende paarden, waarvan hij er drie ter beschikking zijner gasten zou stellen.
Om half negen reed de kleine troep uit, juist toen er met donderend geweld een sneltrein gepasseerd was.
Jessie stond in de deuropening en keek hen zoo lang zij kon na.
Van tijd tot tijd draaide Tom zich in het zadel om, teneinde haar toe te wuiven.
Eindelijk onttrok een heuvelrug de geheele hut aan het oog.
„Vindt gij het zelf niet wat gewaagd, uw jonge vrouw zoo geheel alleen achter te laten, met den naasten buurman op een tien mijlen afstand?” vroeg Raffles nadat zij eenigen tijd voort gereden hadden, terwijl Fang, de prachtige wolfshond, vroolijk voor hen uit galoppeerde.
Tom haalde even de schouders op en antwoordde:
„Wat zal ik u zeggen mijnheer, als wij bewoners van deze streken ons met dergelijke dingen gingen ophouden, dan zouden alle oogenblikken van ons leven vergald worden, de vrouwen zijn hier ook niet wat zij in Europa zijn, zij kunnen allen met het geweer en de revolver omgaan, en zij kennen de wildernis bijna evengoed als wij mannen. En dan, welk gevaar zou Jessie kunnen loopen? Dolly en Pat zitten gelukkig in de gevangenis, en de anderen zullen het niet wagen, zich zelf in het gevaar te storten, nu de bereden Noord Westelijke hier juist aan het patrouilleeren is geweest.”
Het gesprek eindigde hiermede, want reeds sprongen er in de verte een paar groote elanden over het pad.
De jacht was spoedig in vollen gang, en tegen den middag rustten de vier jagers uit op een plek, die ongeveer twee mijlen van Serati was gelegen.
Vervolgens begaven zij zich naar deze stad en Tom ging bij den agent der Hudson-Maatschappij zijn geld halen, ongeveer achttien honderd dollar, een zeer groot bedrag voor deze streken. Daarvan zou hij er dadelijk vijftien honderd voor zijn hoeve moeten betalen en over vier dagen zou de man komen, die ze hem verkocht had.
Beladen met vier zakken goudgeld die twee aan twee aan zijn zadel hingen, keerde Tom in gezelschap van zijn gasten naar de hoeve terug.
Toen zij op ongeveer een halve mijl afstand van het huis waren, zagen zij een armoedigen zwerver, die uit de richting van de hoeve kwam, en nauwelijks opkeek toen de vier ruiters voorbij gingen.
De rand van zijn hoed was diep in zijn oogen getrokken, en van zijn gezicht was weinig of niets te zien.
Toen de man een meter of tien voorbij was, draaide Raffles zich nog eens in zijn zadel om.
Hij kreeg den indruk, dat de man had stilgezeten, om hen na te kijken, en nu zich haastig weer omdraaide, om zijn weg te vervolgen.
Naar zijn bewegingen te oordeelen was hij nog zeer jong, bijna een knaap, met smalle schouders, en een dunnen hals.
„Hebt gij hier veel last van landloopers?” vroeg Raffles, die een oogenblik in gedachten verzonken scheen te zijn geweest.
„Des zomers wel, dan komen zij hier bij geheele troepen, maar schadelijk zijn zij niet, behalve dat zij soms de eieren uit de hokken stelen, of wortelen uit de akkers trekken.”
Hij wilde nog iets zeggen, maar nu werd zijn geheele aandacht in beslag genomen door Jessie, die op den deurdrempel stond, en de thuiskomende jagers verwelkomde, door met haar zakdoekje te zwaaien.
Zooals zij daar stond, in haar licht katoenen japonnetje, was zij nog wel echt een kind, de verpersoonlijkte lente, met de zon op haar gouden haar, dat in dikke vlechten over haar teederen boezem nederviel. [12]
Tom liet een juichkreet hooren, zijn oogen schitterden van liefde en blijdschap.
Toen gaf hij zijn paard de sporen, en joeg in een woesten galop over de vlakte om ten slotte zijn paard met een ruk vlak voor de deur tot staan te brengen, zoodat het hier als het ware op de achterbeenen kwam te zitten.
Hij was in een oogwenk uit het zadel, liep op zijn jonge vrouw toe, en nam haar in zijn armen.
Met de armen om elkanders nek, elkander teeder in de oogen ziende, ging het paartje het huis binnen, zonder zich om het paard of iets anders te bekommeren.
Raffles keek hen met een wonderlijke uitdrukking in zijn groote grijze oogen na, en mompelde toen zacht:
„Als ik er nog iets van weet, dan is dat werkelijk liefde, onbedorven, rein en sterk. Ik geloof, dat men zoo iets nog maar alleen in deze afgelegen streken der aarde vindt.”
„Misschien ben je nu wel een weinig onbillijk, Edward,” zeide Charly glimlachend. „Maar ik erken, dat het goed doet, die twee jonge menschen te zien, in de volheid van hun geluk.”
„Als het maar duurt,” zeide Raffles voor zich heen, zoo zacht, dat Charly hem bijna niet verstond.
„Waarom zou dat niet?” vroeg de jonge man. „Zij hebben elkander immers innig lief.”
„Ja, maar de liefde beschermt tegen de boosheid niet,” gaf Raffles ten antwoord. „Ik hoop dat die Dolly en haar kornuiten heel lang gevangen worden gehouden, anders zeg ik niet.”
„Ach, vrees je daarvoor?” riep Charly uit. „Je denkt dus, dat de haat van die vrouw nog niet geluwd is?”
„Dat denk ik, daarvoor is zij juist een vrouw,” zeide Raffles op ernstigen toon.
Zij waren nu het huis genaderd en stegen af.
Charly bond de paarden vast en Raffles ontlastte het paard van Tom van de goudzakken, voor het dier te ver uit de buurt kon raken.
Hij droeg ze naar binnen, en legde ze glimlachend neder voor Tom, die met zijn vrouwtje op de rustbank gezeten was, en aan heel andere dingen dacht dan aan goud, of het moest het goud zijn, dat op den schedel van Jessie glinsterde.
„Neem mij niet kwalijk, dat ik je kom storen, mijn waarde Tom,” zeide hij schertsend, „maar je zult je misschien herinneren, dat je hier met vier zakken goud geld bent teruggekomen. Hier zijn ze.”
De jonge man sprong verlegen op, en riep uit:
„Dat is waar, ik dacht er niet aan.”
Jessie was ook blozend opgestaan, en zeide:
„Het is goed, dat mijnheer Bristol—dat was de naam, dien Raffles hier had aangenomen—het goud maar heeft binnengebracht, anders was je paard er mee vandoor gegaan, Tom. En nu zal ik eens voor een goed maal gaan zorgen, de heeren zullen wel hongerig zijn.”
En vlug als een eekhorentje was zij weggesneld.
Tom keek haar met een blik vol innige liefde na, en ging toen zijn geld wegbergen, in een ouderwetsche ladekast, een erfstuk van zijn moeder.
Het overige van den dag werd doorgebracht met praten en rooken, en na het avondmaal begaf men zich vroeg ter ruste.
Den volgenden dag zouden de drie Engelschen om twee uur in den middag vertrekken met den trein, die het naaste station aandeed, op ongeveer vijftien mijlen van de hoeve gelegen.
Maar de morgen zou nog aan de jacht gewijd zijn.
Toen zij zich gereed maakten om te vertrekken, wende Raffles zich tot Tom en zeide zacht:
„Luister eens, mijn waarde Tom, vindt gij het nu wel verstandig, mede te gaan, en uw jonge vrouw geheel alleen te laten, terwijl er een groote som geld in huis is?”
Tom keek een weinig bedremmeld voor zich, en zeide:
„Maar, wie kan dat weten, behalve gij?”
„O, zeg dat niet, denkt gij, dat men dergelijke dingen geheim kan houden? Er zullen zeker wel meer personen zijn, die zeer goed weten, dat gij gisteren uw geld bij den agent van de Maatschappij zijt gaan halen.”
Tom scheen te aarzelen.
Als woudlooper kon hij zich de ongerustheid van den Engelschman niet goed voorstellen, hij begreep niet, wat men hier te vreezen kon hebben, als Jessie achterbleef met een goed geweer en een span woeste trekhonden, die haar zeker zouden verdedigen als een brutale zwerver het mocht wagen, die hoeve binnen te dringen.
„Als gij ons gaarne vergezelt, laat dan tenminste mijn bediende bij uw vrouw achterblijven,” drong [13]Raffles aan, die zelf niet begreep, waarom hij door ongerustheid werd gekweld van het oogenblik af, dat hij zich den dag te voren op den zadel had omgewend, toen de jonge zwerver was voorbijgegaan, en gezien had, hoe die zich haastig afwendde.
„Nu, goed dan,” riep Tom uit, die niet gaarne het tochtje gemist had, en volkomen gerust was omtrent het lot van zijn geld. „Als gij er dan op staat, dan zal mijnheer de reus hier blijven. Als Jessie dan niet goed bewaakt is, dan weet ik het niet.”
Raffles wenkte Henderson terzijde, en wisselde eenige woorden met hem, welke de reus zwijgend aanhoorde.
Daarop keerde Henderson in het huis terug, en de drie anderen zagen, hoe hij voor een der ramen zijn revolver begon na te zien, na ook zijn geweer voor zich op de tafel te hebben gelegd.
„Nu ben ik tot uw dienst,” riep Raffles opgewekt uit. „Uw vrouwtje is nu wel veilig, zou ik denken.”
„Op weg dan!” kwam Tom, verheugd dat nu alles naar den wensch van zijn gast geschikt was.
Allen grepen hun geweer en tasch, sloegen den knapzak over den schouder, en namen afscheid van Jessie.
De jagers zouden voor de lunch—de laatste—terug zijn.
Na een voorspoedige jacht die eenige hazen, parelhoenders en een speenvarkentje had opgeleverd, keerden de drie mannen weder naar de hoeve terug.
Evenals den vorigen dag stond Jessie hen in de deur op te wachten.
Maar zij was niet zoo opgewekt als den vorigen dag, het vertrek van de mannen, die haar het leven en de eer gered hadden, was op handen.
Ook Tom was stiller dan anders, en zijn vroolijke lach bleef achterwege.
Toen de maaltijd ten einde liep, stond hij op, en zeide met trillende stem:
„Ik ben beter jager dan spreker, vrienden—maar ik moet u toch zeggen, dat het mijn vrouw en mij groot leed doet, dat gij ons weder gaat verlaten. Gij hebt voor Jessie en mij gedaan, wat niet veel anderen zouden doen, onder gelijke omstandigheden. Dat vergeten wij nooit—neen nooit. Het is niet waarschijnlijk, dat wij nog ooit in de gelegenheid zullen komen, u een dienst van dien omvang te vergelden, maar mocht het lot zulk een zonderlingen keer nemen, dat dit wel het geval is, dan zult gij bemerken, dat Tom en Jessie weten wat de dankbaarheid beteekent. Onder alle omstandigheden, wat er ook zou kunnen gebeuren, wij zouden u helpen als gij in gevaar zou mogen verkeeren.”
Raffles had zwijgend en meer ontroerd, dan hij wilde laten blijken, naar deze eenvoudige woorden geluisterd.
Nu richtte hij zijn doordringende oogen vast op Tom, en zeide:
„Onder alle omstandigheden, zegt hij. Wat er ook zou kunnen gebeuren?”
„Ja, dat herhaal ik,” riep de jonge pelsjager uit, terwijl hij de hand van Raffles greep en die met kracht drukte.
Een oogenblik was het stil in de groote kamer.
Toen kwam Jessie aarzelend op Raffles aan, zij had een kleinen ruiker veldbloemen in de hand.
„Wilt gij deze bloemen van mij aannemen, mijnheer, als aandenken?” vroeg zij schuchter.
Raffles scheen te weifelen, maar een blik in de reine oogen van het kindvrouwtje deed hem haastig besluiten, hij stak de hand uit, en nam voorzichtig de bloemen aan.
Zijn stem had een klank, dien Charly er maar zeer zelden in hoorde, toen hij zeide:
„Ik zal deze bloemen mede naar England nemen, Madame—als een aandenken aan een paar schoone dagen; ik heb hier, waar ik ze stellig niet kon verwachten, echte en zuivere liefde gevonden—en goedheid des harten. Als gij mij kendet, en wist wie ik was, dan zoudt gij beter begrijpen, als ik u zeide, welke groote waarde deze veldbloemen voortaan voor mij zullen hebben.……”
Hij had het ruikertje tusschen een paar knoopen gestoken en reikte Jessie de hand.
„Wij zullen elkander waarschijnlijk nimmer terug zien,” zeide hij. „Vaarwel!”
Weinig uren later zou Raffles moeten bekennen, dat hij zich hierin vergist had.…… [14]