De drie Engelschen waren ongeveer een uur weg, toen Jessie, die stil en bedroefd voor het raam zat, een zachten uitroep slaakte.
„Wat is er,” vroeg Tom, die bezig was, een paar vallen in het vet te zetten die bestemd waren om in de sneeuw te worden gebruikt, en nu voorloopig geen dienst meer zouden doen.
„Daar is die zelfde man weer, dien ik gisteren ook al om het huis heb zien zwerven,” antwoordde Jessie.
Jessie wees naar een jongen man, in een havelooze plunje, die aan de overzijde van de spoorbaan stond, en naar het huis scheen te kijken.
Tom stond op en keek naar het raam.
Hij slaakte een uitroep van verbazing.
„Wel, dat is dezelfde kerel, dien wij gisteren dicht bij het huis gezien hebben toen wij van de jacht terugkeerden. Wat staat de kerel daar te loeren?”
Voor Jessie hier antwoord op had kunnen geven, was de man verdwenen, alsof hij door den grond gezonken was.
Hij was nog even zichtbaar, toen hij tegen de helling van een heuvel opklauterde, op omstreeks tweehonderd meter van het huis, en eensklaps gaf Jessie een gil, die Tom verschrikt weder naar het raam deed terug keeren.
„Wat is er toch, Jessie? Waarom schreeuw je zoo?”
„Die man—die zwerver—het is een vrouw!”
Met een bleek gelaat wees zij met uitgestrekten vinger naar de gedaante, die nu zoo snel mogelijk den heuveltop trachtte te bereiken.
Tom uitte een gedempten vloek.
De zwerver had onder het loopen zijn hoed verloren, of die was hem van het hoofd getrokken door de laaghangende twijgen van eenige heesters, en nu golfde een dichte stroom van blauwzwart haar over den rug van den gewaanden man, er kon niet aan getwijfeld worden, het was een vrouw, als man vermomd!
„Wat voor den duivel heeft dat te beteekenen?” riep Tom uit. „Wat is dat voor een maskerade?”
Op dat oogenblik keek de vrouw nog eens om. Het was maar een ondeelbaar oogenblik, en de afstand was groot—maar het vrouwelijke instinct in Jessie sprak luide:
„Het is Dolly Patterson!” schreeuwde zij, met de hand op het hart, en zoo wit als het laken waaraan zij zooeven genaaid had.
„Kom, meisje—je vergist je!” riep Tom uit. „Je moet je vergissen, Dolly zit immers in de gevangenis in Cedar Tree.”
„Ik zeg je, dat zij het is, Tom. Ik kan mij niet bedriegen!” riep Jessie uit.
Tom keek scherp naar buiten, maar van de vrouw was niets meer te bespeuren.
Zij moest nu in de kleine dalkom, die zich achter den heuvel van het huis uitstrekte, zijn.
Zonder een woord te zeggen, stond Jessie op, en liep naar den schoorsteen.
Daar hingen, op een rek, een viertal geweren, voor de jacht op grof wild.
Zij nam een der geweren, en overtuigde zich, dat het geladen was.
Toen snelde zij naar een kast, en nam er een groote doos patronen uit.
„Als zij het zijn, dan zullen wij ons toch verdedigen, nietwaar Tom?” vroeg zij met gesmoorde stem.
„Ja, Jessie,” antwoordde Tom met een woeste uitdrukking van vastberadenheid in zijn oogen. „Als zij tenminste niet al te talrijk zijn .……”
„Maar wij kunnen niet vluchten! Waar zouden wij heen moeten gaan? Zij zijn natuurlijk bereden, [15]en de dichtst bij zijnde plaats ligt twintig mijlen hiervandaan!”
Zij had nauwelijks uitgesproken, toen boven op den heuvelkam, op ongeveer tweehonderd meter afstand, een aantal ruiters verscheen.
Zij waren met z’n tienen op zijn minst.
Een oogenblik schenen zij in beraad te staan, en toen zwenkten er een paar ter rechter en ter linker zijde af, naar allen schijn, om ter zijde van de blokhut te komen.
Aan weerskanten bevond zich laag kreupelhout, en het zou gemakkelijk vallen vandaar het huis onder vuur te nemen, zonder zich zelf te vertoonen, als eenmaal de paarden onder het dichte gebladerte waren vastgemaakt.
Zonder zich te bedenken, hief Jessie haar geweer op, en vuurde door het open venster op een der voortgaloppeerende ruiters.
Zij miste, en de bandiet reed snel als de wind verder.
Tom had zijn geweer van het rek gerukt, en legde nu op zijn beurt aan.
Het schot kraakte, het paard van een der bandieten, midden in het hart getroffen, maakte een verbazenden sprong, en wierp zijn ruiter af, waarna het neerstortte, en dood bleef liggen.
Tom en Jessie konden zien, hoe de man zich snel van onder het doode paard bevrijdde, en zoo vlug hij kon weghinkte, om zich achter den heuvelkring in veiligheid te brengen.
Ook de andere ruiters waren eensklaps weder verdwenen, daar zij wel begrepen op dien heuvelkam een al te gemakkelijk doelwit op te leveren voor bekwame schutters.
Maar den andere ruiter die naar den zijkant van het huis was gerend, had reeds het beschuttend kreupelhout bereikt, en er was nu niets meer van hem te zien.
Maar dat hij er was, toonde hij gauw genoeg.
Want nauwelijks een halve minuut later knalde een schot vanonder het dichte gebladerte ter rechterzijde van het huis, op nog geen tweehonderd meter afstand.
De kogel drong diep in het hout van den zijmuur maar ging er gelukkig niet door—daartoe waren de balken te dik—bijna twee decimeters in doorsnede, en van het hardste cederhout.
Intusschen was de toestand zeer gevaarlijk.
Want de jonge lieden konden ten eerste niet weten, of die tien man, die zij gezien hadden, de geheele aanvalsmacht vormden, en dan konden de bandieten de duisternis wel eens willen afwachten, om dan van alle kanten op het huis toe te sluipen, en de beide verdedigers te overvallen.
Jessie, die zeer bleek was, maar haar tegenwoordigheid van geest geen oogenblik had verloren, trad nu met het geweer in de hand op Tom toe, zoo diep mogelijk bukkend, opdat de bandieten haar niet achter het raam konden zien bewegen, en zeide haastig:
„Luister, Tom. Als wij niets doen, dan worden wij hier als muizen in de val afgemaakt, want zij zullen wel een middel weten te vinden, om ons in te sluiten, zonder dat zij onder ons schot komen. Ik zal hulp halen in Lime Beach.”
„Wat?” schreeuwde Tom. „Nooit! Zij zouden je opvangen en je dooden. Nooit zeg ik je!”
„Ja, Tom, het moet!” hernam Jessie kalm, en op vasten toon. „Het is onze eenige kans. Jij schiet beter dan ik, en je kunt de ellendelingen wel een paar uur bezig houden. Ik zal met Bessy langs de spoorbaan gaan, en ik kan met een half dozijn dappere kerels binnen drie uur terug zijn. Ik kan nu nog achter het huis wegkomen, maar als ik wacht, dan zal het misschien te laat zijn, het moet Tom, het moet!”
De jonge pelsjager was aan een vreeselijken tweestrijd ten prooi.
En toch—Jessie had gelijk—als er niets gedaan werd, dan zouden zij hier eenvoudig worden afgemaakt, vroeg of laat!
Op hulp behoefden zij niet te rekenen, want daartoe lag het huis te afgelegen—en de telegraaf was nog niet tot hier doorgetrokken.
Tom trok Jessie in zijn arm en riep half snikkend:
„Ga dan, en moge God je beschermen. Ik zal vechten, tot ik geen patroon meer heb!”
Hij drukte een innigen kus op de lippen van de jonge vrouw, en Jessie snelde naar den stal, die achter het huis gelegen was, en maakte Bessy, de bruine merrie los.
Zij behoefde het dier alleen maar het zadel op te leggen en het gebit in den mond te doen, want in deze streken was het de gewoonte, het hoofdstel der paarden nooit af te doen.
Zij overtuigde zich nogmaals, dat de kleine revolver [16]in haar gordeltasch stak, trok het paard naar buiten, en wierp zich in het zadel.
Zij drukte het dier de hielen in de zijde, en als een pijl uit den boog vloog het voorwaarts.
Maar het had de spoorbaan nog niet bereikt, of uit het heesterboschje knalde een schot .…..
Bessy maakte een geweldigen sprong, en het had niet veel gescheeld, of het dier had zijn berijdster afgeworpen.
Toen stond het eensklaps doodstil en daarna liep een lange rilling over zijn lichaam.
En zoo onverhoeds viel het op zijde, dat Jessie maar juist den tijd had zich uit de stijgbeugels te bevrijden.
Het arme dier was zwaar gewond, en niet in staat, zijn meesteres te dragen.
Dadelijk wierp Jessie zich plat op den grond en het was tijd, want een tweede schot knalde, en de kogel vloog dicht boven haar hoofd voorbij.
Een ziekmakend gevoel van vrees greep de jonge vrouw een oogenblik aan, maar zij verzette zich er uit alle macht tegen.
Van haar alleen hing het af, of haar man, of haar hoeve gered zou worden en zij mocht niet aarzelen.
Maar de trouwe Bessy was gewond, wat moest zij doen, hoe kon zij nog naar Lime Beach gaan?
Zij hief het hoofd een weinig op, en wierp een blik op de spoorbaan.
Zij liet een zachten kreet van blijdschap hooren, daar, op het zijspoor, stond een trolley, een van die kleine wagentjes op spoorwielen, welke met behulp van een hefboom, zooals die, waarmede men handbrandspuiten aan het werk zet, in beweging kunnen worden gebracht.
De afstand bedroeg niet meer dan twintig meter—maar zij liep gevaar, onderweg daarheen te worden getroffen door den bandiet, die in het boschje verscholen zat.
En toch was het de eenige weg.
Zij mocht niet aarzelen.
Op handen en voeten kruipend, zorg dragend, dat zij het hoofd niet boven het lange gras uitstak, sloop zij naar de spoorbaan.
Toen zij de grens van de weide bereikt had, stond zij eensklaps op, en rende zoo hard zij kon naar de trolley.
Zij sprong er op, maakte den ketting van den hefboom los, en begon de handgreep op en neer te bewegen.
Die eerste seconden zouden over leven en dood kunnen beslissen, en zij leken haar uren.
De man in het boschje had haar zeker niet op die plek verwacht want het duurde een paar tellen, voor hij haar zag, en toen hij schoot was de trolley reeds in beweging.
Jessie was op de hurken gaan zitten, om zoo weinig mogelijk van haar lichaam als doelwit bloot te stellen.
Het was zeer vermoeiend en lastig, om in die houding den hefboom op en neer te bewegen.—Maar het moest!
Het wagentje kreeg hoe langer hoe meer vaart.
De bandiet had reeds tweemaal geschoten en een der beide kogels was met een harden tik tegen een der wielen afgeschampt.
Maar nu kwam de trolley achter het huis vandaan, en de overige bandieten, achter den heuvelkring zouden haar te zien krijgen.
Tot haar groot geluk schenen de kerels juist krijgsraad te houden, op de andere helling van den heuvel, zoodat zij de spoorbaan niet konden zien.
De trolley kreeg steeds grooter vaart, maar toen Jessie zich eindelijk durfde oprichten, en steeds den hefboom neerduwend en optrekkend, een blik achter zich wierp, zag zij, dat de bandiet, die in het boschje verscholen was geweest, zijn paard had bestegen, en haar nu in vliegenden galop achterna zette.
Hij dreef zijn paard tegen de flauwe helling van de spoorbaan op, en joeg het nu tusschen de glinsterende rails voort.
Jessie was ongeveer tweehonderd meter voor hem uit, en spande zich tot het uiterste in, om dien afstand te bewaren.
Tot haar schrik zag zij, dat de spoorlijn hier langzaam begon te stijgen.
Het paard zou van die geringe stijging weinig gevoelen, maar de trolley des te meer.….
Jessie rukte aan den hefboom, zoo snel zij maar kon.
Door de snelle en inspannende beweging was haar overvloedig haar losgegaan en nu en dan moest zij het uit de oogen strijken om te kunnen zien. [17]
Boven het snorren van de wielen uit, hoorde zij reeds het tikken van de paardenhoeven op het versche grint tusschen de rails.
De bandiet had zijn geweer in den holster naast het zadel laten glijden, en tastte nu naar zijn revolver.
Want de afstand was tot niet meer dan honderd meter op zijn hoogst verminderd.…..
Juist toen de kerel voor de eerste maal schoot, had de trolley den top van de flauwe helling bereikt, en tot haar vreugde bemerkte Jessie, dat de lijn nu even langzaam weder daalde.
Dat was dadelijk te merken aan de vaart, waarmede de trolley nu voorwaarts stoof, en het meerdere gemak waarmede zij den hefboom kon hanteeren.
De bandiet schoot voor den tweeden keer, na zijn paard met een woesten ruk tot stilstand gedwongen te hebben.
Hij hoopte zeker, aldus beter te kunnen mikken.
De kogel boorde door de dikke strengen van haar loshangend haar, met een mat geluid als van een zwakken zweepslag.
Steeds verder verwijderde de trolley zich van den ruiter.
Deze wilde nog een laatste poging doen, en dreef zijn paard met een woesten kreet opnieuw aan.
Maar hij had nog geen tien meter afgelegd, of het dier struikelde over een grooten, ronden keisteen.
Het stortte op de knieën en wierp den man uit het zadel.
Hij bonsde met het hoofd tegen de rails en bleef bewegingloos liggen, terwijl het bloed uit een zware hoofdwond gutste.
Jessie, die voortdurend had omgezien, slaakte een luiden kreet.
Dat deed zij niet, omdat de bandiet van zijn paard was gestort, dat met gebroken poot zachtjes hinnikend op het spoor lag, maar omdat zij, op geen twee mijlen afstand achter zich, en juist ter hoogte van het blokhuis, een rookpluim boven den heuvel op zag stijgen.
Die rook kwam uit de pijp van de locomotief, welke den sneltrein trok, die daar in pijlsnelle vaart naderde, om zich naar Lime Beach te begeven, waar hij het eerst zou stoppen.….. [18]