Raffles, Charly en Henderson hadden met hun vrij omvangrijke bagage plaatsen genomen in den sneltrein, die hen naar een plaats dicht bij de stad Serati zou brengen, waar hun vliegmachine bewaard werd, en vanwaar zij weder naar Engeland zouden terugkeeren.
De nieuwe lijn was nog maar zeer kort en Raffles zou er waarschijnlijk geen gebruik van hebben gemaakt, maar te paard gereisd hebben, ware het niet, dat hij eens kennis wilde maken met het nieuwe traject.
Eenmaal te Serati, zouden zij het stofgoud te voorschijn halen uit de veilige schuilplaats, waar zij het hadden verborgen, en dan stond niets meer hun terugkeer naar Londen in den weg.
De wagens van den trein waren splinternieuw, en zij waren zoo goed in de veeren opgehangen, dat men van schokken zoo goed als niets merkte.
Ook de snelheid was zoo groot, als men die op de groote Amerikaansche lijnen maar zou kunnen wenschen.
De lijn liep door een van de schoonste streken van Alaska, en spoedig zou het hier zeker wemelen van hoeven, en welvarende dorpen zouden uit den bodem rijzen, terwijl zij er thans nog maar sporadisch voorkwamen.
De trein naderde nu de hoeve van Tom Hatters, en Raffles en Charly gingen naar het uitkijkplatform van hun wagen, in de hoop, dat zij nog een glimp van hun vriendelijke gastvrouw en haar man zouden kunnen opvangen, al passeerden zij het huis ook aan de achterzijde.
Zij zagen evenwel niets, en het huis leek wel uitgestorven te zijn.
Maar eensklaps riep Charly uit:
„Kijk eens—wat is dat? Die bruine vlek daar, dicht bij den voet van den spoordam? Het lijkt wel een dood paard!”
Raffles kneep zijn oogen half dicht en antwoordde toen:
„Je hebt gelijk—het is een bruin paard—en wat— — —wat beteekent dat? Het is Bessy, de bruine merrie van Jessie Hatters!”
Een oogenblik keken de beide vrienden elkander vragend aan, en toen zij weder naar de bruine vlek keken, was de trein de plek al voorbij geraasd.
„Ik kan niet zeggen, dat dat mij bevalt,” bromde Raffles voor zich heen. „Hoe komt dat paard daar—dood of zwaar gewond?”
„Misschien is het bij ongeluk gestort of heeft het een poot gebroken,” meende Charly.
„Maar Jessie was heelemaal niet voornemens dezen middag te paard er op uit te trekken,” riep Raffles uit. „Neen, ik vrees dat hier iets anders achter schuilt.”
Hoofdschuddend verliet hij het platform weder en begaf zich, door Charly gevolgd, weder naar de coupés.
Maar nauwelijks vijf minuten later werden de remmen zoo sterk aangedraaid dat de reizigers door elkaar dreigden te rollen.
Raffles wierp een blik door het portierraampje.
Het spoor maakte hier een flauwe bocht, en op ongeveer twee honderd meter voor den trein lag iets over het spoor heen, en nog wat verder stond een trolley en daarop had een jonge vrouw zich in haar volle lengte opgericht en zwaaide met een rooden lap—een halsdoek of iets dergelijks.
„Maar dat is Jessie!” riep Charly verwonderd uit, die naast Raffles was komen staan.
„Ja, zij is het, hoe komt zij hier—wat doet zij [19]hier, en wat is dat zwarte ding dat over de rails ligt?”
„Een paard!” antwoordde Charly. „Nog een paard dus!”
De trein had zijn vaart aanzienlijk verminderd en op ongeveer 20 meter voor het gevallen dier stond hij stil.
Overal kwamen hoofden naar buiten steken, die van dit oponthoud midden in de vlakte niets begrepen.
De hoofdconducteur sprong uit den bagagewagen en liep naar de locomotief om den machinist te vragen wat er gaande was.
Maar daarbij kreeg hij de trolley en Jessie in het oog en het lichaam van een zwaar gewond man, uit wiens voorhoofd donkerrood bloed stroomde.
Jessie was doodsbleek van de trolley gekomen, den rooden doek nog steeds in de hand en liep toen snel op den hoofdconducteur toe, die nu pas besefte, aan welk groot gevaar de reizigers ontkomen waren, daar de mogelijkheid volstrekt niet was buitengesloten, dat de trein zou zijn ontspoord, als de locomotief tegen het lichaam van het paard was aangereden.
Onder de passagiers die den trein verlaten hadden bevonden zich ook Charly en Raffles, die haastig op de jonge vrouw toeijlden.
„Wat is er toch gebeurd?” riep Charly, terwijl hij het jonge vrouwtje dat van opwinding beefde de hand toestak.
„Ons huis is door bandieten aangevallen, mijnheer—ik wilde met Bessy hulp gaan halen in Lime Beach, zij hebben mijn paard onder mij neergeschoten en toen zag ik de trolley staan op het zijspoor, dat zich niet ver van ons huis met het hoofdspoor vereenigt.
„Een der bandieten zette mij achterna—en toen hij mij bijna had ingehaald gleed zijn paard uit over een ronden keisteen en wierp hem af. Hij kwam met het hoofd tegen de rails terecht—en het paard viel met gebroken poot dwars over het spoor.
„Ik keerde dadelijk zoo ver mogelijk terug, omdat ik de rookpluim van de locomotief zag en gaf het onveilige sein met mijn rooden halsdoek.”
„Gij hebt u kranig gehouden!” riep de hoofdconducteur uit, die de uiteenzetting mede had aangehoord.
„De bandieten belegeren dus nog altijd uw huis?” vroeg Raffles.
„Ja, mijnheer, en ik smeek u om in Lime Beach, zoodra de trein daar is aangekomen, hulp te gaan halen. Gij behoeft slechts naar den Sheriff te gaan, dien wij goed kennen, Tom en ik, en hij zal dadelijk met een tiental van zijn jongens komen opdagen”
„De boodschap zal gedaan worden, Madame—maar niet door ons!” antwoordde Raffles. „Wij keeren nu aanstonds met u terug, want als wij het goed begrijpen, dan strijdt Tom op dit oogenblik geheel alleen tegen een groote overmacht.”
„Er zijn minstens tien mannen, mijnheer. Een was er buiten gevecht gesteld, toen ik wegging. En Dolly Patterson is er ook bij!”
„Wat zegt gij daar? Is zij dus ontsnapt?” riep Charly uit.
„Ja, zij was de zwerver, dien gij eergisteren bij het thuiskomen van de jacht niet ver van ons huis zijt tegengekomen.”
„Ik vertrouwde dien kerel niet van het eerste oogenblik, dat ik hem zag,” hernam Raffles. „Maar dat had ik toch niet gedacht. Nu, wij zullen geen tijd verliezen met praten,—wij keeren dadelijk met behulp van de trolley naar uw huis terug, waarvan wij hier ongeveer 8 kilometer verwijderd zijn.”
Hij wendde zich tot den hoofdconducteur, en vervolgde:
„Wij kunnen er zeker op rekenen, dat gij dadelijk bij aankomst van den trein een boodschap stuurt naar den Sheriff?”
„Dat kunt gij aan mij overlaten, mijnheer,” riep de hoofdconducteur uit. „Wij zullen die kerels tien van onze jongens op hun dak sturen.”
Intusschen waren de machinist, de stoker, en eenige conducteurs bezig het lichaam van het gewonde paard van de rails te sjorren.
De zwaar gewonde bandiet werd in den trein gedragen, en tenslotte werd de trolley op het terug gaande spoor over gebracht, zoodat de trein zijn weg kon vervolgen.
Maar eerst was Charly James Henderson gaan waarschuwen—en daar stonden de drie mannen naast het spoor, duchtig gewapend, maar zonder een enkel stuk bagage, die zou mede gaan naar Lime Beach.
Een schel gefluit klonk en de trein zette zich langzaam in beweging. [20]
De wielen draaiden al sneller en sneller en de trein reed weg om in een dollen rit den verloren tijd weer in te halen.
Raffles en zijn metgezellen waren op de trolley toegestapt en Henderson greep den hefboom.
De eerste wendde zich tot Jessie, en zei glimlachend:
„Dat is een wederzien, madame, waarop wij geen van allen hadden durven hopen.”
„Maar u doet veel meer voor ons, mijnheer, dan wij u ooit kunnen vergelden,” riep Jessie met tranen in de oogen uit. „Wij sturen al uw plannen in de war.”
„Ik verzeker u dat wij allen drie zeer gesteld zijn op zulke onverwachte intermezzi—niet waar Henderson?” zoo wendde hij zich met een knipoogje tot zijn trouwen chauffeur.
„Ik voor mij zou geen dag kunnen leven, zonder minstens een paar bandieten neer te leggen!” riep Henderson op gullen toon. „Ik verzeker U, madame, dat het niets dan een aangename ontspanning voor ons is.”
„Gij hoort het,” hernam Raffles glimlachend. „In ernst, wij konden toch onmogelijk toelaten, dat uw man daar wellicht wordt afgemaakt door die schurken, terwijl wij er iets aan konden doen.”
Henderson had de trolley reeds in beweging gebracht en zijn gespierde armen brachten den hefboom zoo snel in beweging, als twee zuigerstangen het ter nauwernood hadden kunnen doen.
De trolley reed over de rails met een vaart van bijna 50 kilometer in het uur, en de personen, die zich op het kleine wagentje bevonden, moesten zich goed vasthouden aan de vier ijzeren stangen op den hoek om er niet af te tuimelen.
Er waren nog geen tien minuten verstreken of het scherpe oor van Raffles ving den knal van een geweerschot op, dat nog drie maal herhaald werd.
Het was nu zaak om voorzichtig te zijn, want aanstonds zouden zij in het gezicht van de bandieten komen, wier stelling de jonge vrouw hun had aangeduid.
Henderson bracht dus de trolley tot stilstand, achter een groepje dichte heesters en het viertal sprong van het wagentje, en daalde langs de helling van den spoordam naar de vlakte af, het geweer in den aanslag en zorgvuldig om zich heen spiedend.
„Daar is de heuvelkring, waarachter zij verborgen zijn, mijnheer,” zeide Jessie op zachten toon, terwijl zij met uitgestrekte armen naar den top van de lage heuvels tegenover het huis wees, waarvan op deze plek alleen het bovenste gedeelte was te zien.
„Dan zullen wij hen in den rug trachten te komen,” zeide Raffles kortaf. „Zij zijn natuurlijk te paard gekomen?”
„Ja.”
Zooveel mogelijk dekking zoekend tegen de hooge heesters, waarvan de takken nog kaal waren, en het prairiegras dat reeds welig begon op te schieten, slopen de vier voort teneinde achter de belegeraars te komen.
Het was een vrij lange tocht, want zij moesten, trachten buiten het gezicht van de bandieten te blijven.
Na een half uur hadden zij den bodem van een soort dalkom bereikt, en Charly bood zich aan, naar boven te kruipen, en de omgeving op te nemen.
„Dat is goed,” zeide Raffles op zachten toon. „Als je iets ziet, en het is veilig dan wenk je ons en wij zullen ons bij je voegen.”
Charly begon door het lange gras naar boven te klauteren, en hief toen voorzichtig het hoofd op.
De achter geblevenen zagen hem eenigen tijd rondkijken en toen hief hij de hand op en wenkte hen, om snel naderbij te komen, waarop hij zich dadelijk plat in het gras wierp.
Zoodra de anderen zich bij hem hadden gevoegd, zeide Charly op fluisterenden toon:
„Daarginds, op een open plek, is een man bij de paarden van de bandieten, een tiental zou ik zeggen.”
„En zijzelven?”
„Ik kan hen niet zien, maar ik geloof wel te weten, waar zij zijn, want je kunt hen hier duidelijk hooren schieten. Ik kan ook het dak van het huis zien.”
„Dan moet het eerst die man bij de paarden onschadelijk worden gemaakt,” zeide Raffles, „en wel zonder gerucht te maken om de anderen niet ontijdig te waarschuwen.”
„Dat zal niet zoo gemakkelijk gaan—als er niet geschoten mag worden,” hernam Charly, „want de plek is geheel open en de man zou ons dadelijk hooren aankomen.”
Henderson die even had nagedacht, vroeg nu:
„Hoe dicht denkt gij dat wij dien kerel kunnen naderen, mijnheer Brand, zonder dat hij het merkt?” [21]
„Tot op ongeveer tien meter—dichter zeker niet.”
„Dat is ruim voldoende!” kwam Henderson tevreden.
„Waarom? Wat wil je dan doen?” vroeg Charly.
„Ik zal hem eenvoudig met de lasso vangen, mijnheer Brand,” antwoordde de reus. „Dat maakt geen leven, en het is afdoende. Ik zal eens zien of ik nog wat ken van mijn vroegere kunsten als cowboy. Madame Jessie, mag ik u verzoeken om de lasso, die gij daar bij u hebt?”
De jonge vrouw ontdeed zich dadelijk van het zorgvuldig opgerolde koord, dat zij bij wijze van een bandelier over den schouder droeg en reikte het Henderson toe.
„Het is een lasso van 15 meter, mijnheer,” zeide zij.
„Het kon niet mooier,” hernam Henderson, die het koord met het oog van een kenner bekeek en goedkeurend knikte.
Hij stak zijn revolver weg en zeide, zich tot Raffles wendend:
„Misschien is het goed, dat gij voorzichtig toeziet, of het mij gelukt, Mylord, want zoo niet dan zullen er andere maatregelen genomen moeten worden.”
„Dat is een goede inval, Henderson. Ga nu, en geluk met je worp!”
Henderson rolde de lasso zorgvuldig op, woog haar eens op de hand, teneinde de zwaarte te taxeeren, en daarnaar zijn worp te berekenen en kroop toen voorzichtig over den rand van de dalkom terwijl de anderen hem met de oogen bleven volgen.
Henderson had dadelijk zijn man in het oog gekregen, hij zat op 100 passen afstand op een boomstronk en rookte uit een kort stompje pijp.
Het was een groot geluk, dat hij met den rug naar Henderson toezat, want er was geen enkele boom of struik tusschen hem en zijn vijand.
Hij zou Henderson gezien hebben voor hij 5 passen verder was.
Nu echter scheen al zijn aandacht bepaald te zijn op de schietpartij en hij hield den blik onafgewend gericht op den heuvelrug die aan den anderen kant de kleine vlakte afsloot, en waar de bandieten ergens in het struikgewas verborgen moesten zijn.
Op zijn buik voortkruipend, de lasso gereed, sloop Henderson op den man toe.
Op enkele passen van hem vandaan waren elf paarden vastgebonden, die zich aan het malsche, verbazend snel opschietende gras te goed deden.
Het was voor een man van den lichaamsbouw en de grootte van Henderson geen kleinigheid om zich zoo onzichtbaar mogelijk te maken, en in het geheel geen gerucht te verwekken, maar hij slaagde er niettemin in.
Op ongeveer 20 passen afstand van den man hield hij stil en stond op.
Bijna op hetzelfde oogenblik hief een der grazende paarden den kop op, en liet een zacht gehinnik hooren, dat als een waarschuwing klonk.
De man op den boomstronk wendde het hoofd om, maar hij was even te laat.
Nog voor hij had kunnen opstaan en zijn revolver grijpen, suisde de lasso door de lucht, de lus was boven zijn hoofd en viel hem om het bovenlichaam.
Hij trachtte haar nog snel af te werpen, maar reeds trok Henderson de lasso aan, en de man kon nu wel zeggen, dat zijn lot beslist was.
Hij verliet den boomstam op een hoogst eigenaardige manier, het was letterlijk alsof hij er van opvloog, zooals een spreeuw of een musch het zou doen, en hij had reeds een paar meter in de lucht afgelegd voor hij zeer onzacht weder op den grond terecht kwam, zoo verdoofd door den val, dat hij geen lid kon verroeren.
Henderson was in een oogenblik bij hem en bond snel de armen van den bandiet op den rug vast, waarna hij hem met zijn eigen halsdoek den mond snoerde.
Raffles, Charly en Jessie, die het geheele voorval hadden gevolgd, kwamen snel toeloopen en Raffles zeide goedkeurend:
„Knap gedaan, Henderson, en ik zie tot mijn genoegen, dat je nog niets van je kundigheden hebt verloren. De vangst van dezen Sinjeur is van groote beteekenis, want wij zullen er wel voor zorgen, dat zij hun paarden niet meer kunnen bereiken.”
In een oogwenk waren de dieren van hun kluisters bevrijd, en een heel eind terug gebracht.
Daar werden zij van zadels en hoofdstellen ontdaan en met een flinken klap op het kruis werden zij de vlakte ingestuurd.
Zij galoppeerden dadelijk weg, in de richting waaruit zij dien ochtend gekomen waren, naar het verscholen ravijn. [22]