[Inhoud]

HOOFDSTUK VI.

Een onvoorzien voorval.

De drie mannen keerden nu zoo spoedig zij konden terug, naar de plek waar zij Jessie Hatters hadden achtergelaten om den bandiet te bewaken.

Het was ook nu nog niet mogelijk met juistheid de stelling van de bandieten te ontdekken.

Toch hoorden zij duidelijk het knallen van geweerschoten, en op geregelde tijden antwoordde in de verte het geweer van Tom Hatters.

Hij was dus in ieder geval nog niet buiten gevecht gesteld.

„Ik vermoed, dat zij hun stelling veranderd hebben, sedert ik heenging,” zeide Jessie, „anders zouden wij hen moeten zien van deze plek. Ik denk haast, dat zij zich verdeeld hebben en ons huis nu van twee kanten onder vuur nemen.”

„Dan zullen wij eens een onderzoek instellen, om dat uit te maken,” zeide Raffles.

Voorzichtig gingen zij nu af op het knallen der geweerschoten, dat telkens duidelijker werd, zij moesten zich nu tamelijk dicht in de nabijheid van de schutters bevinden, en toch konden zij nog altijd niets van hen gewaar worden.

„Zal ik er eens alleen op uit gaan?” stelde Charly voor. „Zij zullen mij niet zoo spoedig in het oog krijgen.”

„Als je mij belooft, heel voorzichtig te zijn, ga dan je gang,” zei Raffles. „Je kunt ons weer een wenk geven, als je iets verdachts ziet”

Charly nam zijn revolver in zijn eene hand, en sloop weg, zich zooveel mogelijk verschuilend tusschen het hooge prairiegras.

Vijf minuten later hadden de anderen hem uit het oog verloren.

Maar Henderson, die een scherpen blik had, meende weder eenigen tijd later iets te zien bewegen op ongeveer 200 passen afstand, niet ver van den eenzamen spar.

„Ik geloof dat het de geruite pet van mijnheer Brand is,” zeide Henderson op fluisterenden toon aan het oor van Raffles.

De reus had goed gezien, want een oogenblik later rees de pet boven het gras uit en werd snel eenige malen heen en weer bewogen, waarop zij weder verdween.

Dadelijk togen de twee mannen en de jonge vrouw op de plek af, waar zij het kleedingstuk het laatst hadden gezien en tien minuten later hadden zij zich bij Charly gevoegd, die hen met gebaren beduidde zich plat op den grond uit te strekken.

Toen zeide hij zachtjes:

„Zij liggen in hinderlaag op nauwelijks 100 passen hier vandaan, in een kleine inzinking van den bodem, daarom konden wij hen onmogelijk zien. Hef het hoofd voorzichtig op, dan kunt gij hen duidelijk zien liggen. Een weinig ter zijde van dien zwaren ceder.”

Raffles en Henderson keken behoedzaam voor zich uit, en daar zagen zij vijf mannen languit in een soort kuil liggen, met den loop van het geweer rustend op den rand daarvan, die met kort struikgewas beplant was, zoodat het bijna onmogelijk zou zijn, dat men hen van het huis uit zou zien.

Dadelijk was het plan van Raffles gemaakt.

Hij liet zijn stem tot een zwak gefluister dalen en zeide:

„Drie schoten, dat is drie man. Wij zijn wat te ver af, dan dat Madame Jessie van haar kleine revolver gebruik zou kunnen maken. Goed mikken en tegelijk schieten!” [23]

De drie mannen grepen hun geweren, richtten zich op de knie op, legden aan, en op het zacht gegeven commando van Raffles, drukten zij tegelijk af, en het was alsof er maar een enkele knal klonk.

En de schoten troffen doel, drie van de bandieten rolden om en om, als aangeschoten konijnen, en bleven roerloos liggen.

De beide anderen hadden zich zoo diep mogelijk in hun kuil gedrukt, en staarden met verwilderde blikken om zich heen.

„Alle duivels! Die eene is Dolly Patterson,” riep Charly uit.

„Dan zal die andere haar minnaar Pat O’Kelly zijn,” kwam Raffles. „Wij zullen nu te voorschijn springen, zij zullen natuurlijk wel zoo verstandig zijn, om tegen zulk een overmacht geen weerstand te bieden.”

„Maar waar zijn de anderen?” vroeg Charly. „Ik meende dat er tien waren.”

„Met de vrouw mee elf, mijnheer,” zeide Jessie. „Twee daarvan zijn ver hier vandaan gedood of zwaar gewond. De man bij de paarden is gevallen. Gij hebt er zooeven zeker nog drie geraakt, dat is zes. Als er hier nu nog twee in den kuil liggen, dan moeten er dus nog drie ergens anders zijn, ik denk aan den anderen kant van het huis.”

„Vooruit dan, laten wij geen tijd verliezen,” kwam Raffles.

Op hetzelfde oogenblik sprongen de drie mannen en de jonge vrouw op, en ijlden met het geweer in den aanslag naar de twee in hun kuil.

Gehoor gevend aan haar wraakzucht en haar tijgerachtige woede bracht Dolly haar geweer aan den schouder en schoot op Jessie Hatters.

De kogel floot de jonge vrouw op nauwelijks eenige millimeters voorbij en sloeg met een doffen klap in het hout van den ceder.

Tot een tweede schot had zij geen gelegenheid, want Henderson vuurde onder het loopen en zijn kogel verbrijzelde het geweer in haar hand.

De andere bandiet, die inderdaad Pat O’Kelly was, wilde het hazenpad kiezen, zonder zich ook maar een grein om zijn minnares te bekommeren, maar een luid:

„Halt, of ik schiet,” deed hem als vastgenageld stilstaan, zijn geweer wegwerpen en op zijn schreden terug keeren.

„Jij lafbek,” gilde Dolly. „Dat zou Mike nooit gedaan hebben, ik zal je toonen waartoe een vrouw in staat is.”

En ontembaar als een lynx tastte zij naar haar revolver, maar voor zij het wapen uit den holster had kunnen trekken, was Henderson reeds bij haar en riep spottend:

„Wat is dat, jij teedere engel? Heb je nu nog niet genoeg gehad? Je wilt ons toch niet dwingen geweld te gebruiken. Kom, laat dat proppenschietertje eens gauw los, en reik mij je kleine handjes maar eens toe, dan zal ik ze samen binden.”

Een giftige blik uit de zwarte oogen trof den spotter, maar Henderson was er de man niet naar om zich daarvan iets aan te trekken.

Hij bond de polsen van de vrouw niet erg zachtzinnig samen, en deed vervolgens hetzelfde met haar enkels, zoodat zij zich niet kon verroeren.

Maar ook nu zelfs, gaf Dolly zich nog niet gewonnen, want eensklaps gilde zij zoo luid zij kon:

„Te hulp, jongens!”

Die waarschuwing was natuurlijk bestemd voor de drie andere bandieten die niet ver daarvandaan eveneens in hinderlaag lagen, en wier vuren reeds eenige oogenblikken had opgehouden, daar ze waarschijnlijk het schieten uit een geheel andere richting dan van het huis gehoord hadden, en niet begrepen, wat dat beteekende.

Zoo vlug zij konden maakten Raffles en Charly Pat O’Kelly onschadelijk door hem aan handen en voeten te binden en daarop wierpen zij het gebonden tweetal zonder veel omhaal op den bodem van den kuil om de handen vrij te hebben als de andere drie vrijbuiters den hulpkreet van de vrouw misschien gehoord hadden.

En dat bleek spoedig het geval te zijn want nauwelijks hadden Raffles en zijn metgezellen zich neergeworpen of op eenigen afstand verschenen tusschen de hooge ceders, die daar den heuvel bekroonden, een drietal bandieten, die zich onkenbaar hadden gemaakt, door hun halsdoek zoo voor hun gelaat te binden, dat alleen hun oogen zichtbaar waren en met het geweer in den aanslag.

Zij kwamen blijkbaar eens zien, wat het roepen te beteekenen had, en zij zouden er verstandiger aan gedaan hebben, dit een weinig voorzichtiger te doen. [24]

Want voor zij zelve konden schieten kraakten de schoten van de Engelschen, en hiermede kon het beleg gevoegelijk als opgeheven worden beschouwd, want een der schurken was midden in het hart getroffen, en de twee anderen waren zoo ernstig gewond, dat zij volkomen buiten gevecht waren gesteld.

Bijna op hetzelfde oogenblik klonken er hoefslagen op ongeveer een mijl ten Oosten van de hoeve, blijkbaar afkomstig van een vrij talrijken troep.

Dat waren zeker de mannen uit Lime Beach, die onder aanvoering van den sheriff tot ontzet kwamen opdagen.

Raffles schoot zijn geweer af, om hen op het goede spoor te brengen, en daarop bleven zij rustig wachten.

Dolly Patterson lag op haar zijde in het zand van den kuil en hield haar brandende blikken voortdurend op het gelaat van Raffles gevestigd, terwijl er een zonderlinge glimlach om haar lippen speelde, maar daarvan begreep Raffles tot zijn ongeluk op dat oogenblik de beteekenis niet.……

Er verliepen nog ongeveer tien minuten, en toen daagde er eensklaps een kleine ruiterschaar op, kenbaar als mannen van den sheriff aan het breede lint om den hoed.

Zij waren allen gewapend met korte karabijnen, die in de holsters naast het zadel staken, en een groote dienstrevolver.

De sheriff, een rijzig man, met een streng, gebaard gelaat, reed vooraan, en hield zijn paard pas in, toen het met de voorpooten bijna den gebonden bandiet in den kuil aanraakte.

Hij steeg snel af, en zijn voorbeeld werd door al zijn manschappen gevolgd.

Daarna liet hij zijn blikken van de gebonden vrouw naar Pat O’Kelly dwalen, en zeide:

„Ik heb het wel gedacht, dat wij dien schurk wel zouden vinden! Voor het overige, ik denk, dat alles hier al is afgeloopen?”

„Ik zou tenminste niet weten, wat er nog meer te doen was, dan snel naar huis te gaan, en ons te overtuigen, dat Tom niets is overkomen!” riep Jessie uit.

„Tot uw dienst, madame,” hernam de sheriff. „Maar eerst zullen wij den toestand hier eens opnemen. Hoeveel aanvallers waren er?”

„Elf, met de vrouw mee!” antwoordde Jessie.

„Dan zullen wij eerst het wild eens bijeen gaan zoeken. Kom jongens!” riep de sheriff uit.

Allen bestegen weder het paard, op drie mannen na, die de wacht bleven houden bij den kuil.

Na verloop van een half uur had de sheriff den staat van zaken opgemaakt.

Er waren drie bandieten gedood, en drie gevangen, de andere vijf waren min of meer zwaar gewond.

„Wij kunnen niet anders dan u dankbaar zijn voor wat gij gedaan hebt, mijnheer,” zeide de sheriff, zich tot Raffles wendend. „Wij hebben hier te doen met een bende van het allergevaarlijkste soort, en alleen die Fred, die nu met een kogel door het hoofd ergens in het boschje daarginds ligt, heeft op zijn minst vijf moorden op zijn geweten. Wij zullen nu de gewonden op de trolley naar Lime Beach brengen, met de gevangenen—die lieve dame daarginds incluis.”

De sheriff had met het hoofd naar Dolly gewezen, die nog altijd onbewegelijk op haar zijde lag, en ook nog altijd naar Raffles staarde.

Thans pas scheen er beweging in haar te komen.

Zij richtte zich zoover op, als de touwen het haar veroorloofden, en zeide tot den sheriff, terwijl haar zwarte oogen begonnen te fonkelen:

„Als gij mij meeneemt naar Lime Beach—dan geeft gij mij toch gezelschap?”

„Dat spreekt van zelf, schoone dame,” antwoordde de sheriff op spottenden toon. „Uw vriend, Pat O’Kelly, zal u vergezellen, wees daar maar niet bevreesd voor. En de man die bij de paarden was, gaat ook mee, zijt gij nu tevreden?”

„Nog niet geheel en al,” antwoordde Dolly langzaam. „Ik zou ook willen dat gij de mannen medenaamt, die te Pine Creek het stofgoud gestolen hebben!”

Geen geluid werd vernomen, nadat de vrouw deze woorden gezegd had.

De meeste aanwezigen waren zeer verbaasd—en er waren drie, die nog wat anders ook gevoelden.

Raffles wierp een onderzoekenden blik om zich heen.

De mannen van den sheriff stonden in een kring om hen heen, en allen hadden de revolver ter hand genomen.

Het waren er veertien, en het waren alle sterke [25]jonge kerels, die er naar uitzagen, alsof zij op een afstand van 100 passen een kogel door een haas konden jagen.

Toen gleden zijn blikken naar Charly, die een weinig bleek was geworden, maar wiens gelaat overigens niet verried wat er in hem omging.

Wat Henderson betreft, hij wist niet zeker wat zijn meester en diens vriend die dagen in Pine Creek hadden gedaan, toen hij gewond in het hospitaal van Serati lag, maar een zeker voorgevoel zeide hem dat er iets broeide.

De sheriff was de eerste die weder sprak.

Hij deed langzaam een paar stappen naar de vrouw toe, en zeide:

„Wat praat gij daar toch? Weet gij dan, waar de mannen zijn, die het stofgoud gestolen hebben?”

„Ja, daar staan zij!” schreeuwde Dolly op heeschen toon, en haar hoofd wees in de richting van Raffles en Charly, die naast elkander stonden.

De lichtgrijze oogen van den sheriff gingen naar de beide vreemdelingen die rustig bleven staan.

„Hoort gij, wat die vrouw daar zegt, mijnheer?” vroeg hij toen een weinig schor.

„Ik hoor het zeer goed, en ik begrijp het niet, mijnheer!” antwoordde Raffles glimlachend.

„Wilt gij u van de domme houden?” vroeg Dolly hoonend. „Denkt gij soms, dat ik uw stem niet herken? Gij dacht dat ik bewusteloos was, even als de anderen, niet waar? Maar ik had niet gedronken van den wijn, waarin gij het bedwelmend middel had gedaan, omdat ik u van het beginne af wantrouwde. En ik heb gezien, hoe gij u van het stofgoud meester hebt gemaakt, en ik heb u uw pruik zien aflichten die u zeker hinderlijk was, ik heb met de anderen deelgenomen aan de achtervolging van u en uw medeplichtigen. Laat Pat zeggen of ik de waarheid niet spreek. Pat, kijk die mannen eens goed aan. Zijn het niet dezelfde, die toen in het danshuis van „Merry Pig” zijn gekomen? Is die groote niet de man die je heeft neergeslagen?”

Pat O’Kelly, die eerst verbluft had toegeluisterd, keek nu met zijn valsche groenzwarte oogen beurtelings van Charly naar Raffles, en schreeuwde toen luid:

„Bij Sint Patrick! Zij zijn het zeker, ik had het dadelijk moeten zien.”

Raffles begon het zich bitter te beklagen, dat hij niet voor een meer afdoende vermomming had zorg gedragen, maar daar was nu niets meer aan te doen, hij kon alleen nog trachten, door eenvoudig te loochenen, de zaak weder in het goede spoor te brengen.

Hij haalde dus de schouders op, en zeide kortaf:

„Die vrouw raaskalt. Wij zijn Engelschen, die hier voor ons genoegen zijn komen jagen, en wij weten niets van stofgoud.”

„Trek hem zijn pruik van het hoofd!” gilde Dolly, die een blik op het gelaat van den sheriff had geworpen, dat grooten twijfel uitdrukte. „Als hij nu geen pruik draagt, zeg dan dat ik een gekkin ben!”

De sheriff wendde zich tot Raffles en zeide eenigszins aarzelend:

„Duit het mij niet ten kwade, mijnheer, maar met een enkel gebaar kunt gij de beschuldigingen van die vrouw te schande maken. Zet uw hoed af, wat ik U verzoeken mag, zoodat ik onderzoeken kan of gij inderdaad geen pruik draagt.”

Ja, Raffles droeg er een, dat was maar al te waar—en het was geen pronkstuk want hij had het voorwerp te Serati bij een kapper gekocht, die de klandizie had van de dilettanten, die daar wel eens een uitvoering gaven van een of ander tooneelstuk.

Hij had gedacht, dat dit voor de ruwe kerels daar in het hooge Noorden voldoende zou zijn, en hij bleek zich te hebben vergist.

En toch mocht hij geen oogenblik aarzelen, zijn hoed af te zetten, want reeds gingen de revolvers als ongemerkt in de hoogte.

De „jongens” van den sheriff waren zeer wantrouwend, dat was zeker.

Raffles nam dus glimlachend zijn hoed af en zeide:

„Als een vertegenwoordiger van het gezag het mij verzoekt—dan heb ik aan dat verzoek te voldoen—al moet ik erkennen dat ik niet geloofd had, op die wijze tegen een sheriff te staan, toen ik Londen verliet.”

Terwijl hij dit zeide, liet Raffles zijn blik naar Jessie dwalen, die zeer bleek en de kleine handen op de borst samengevouwen, naar dit tooneeltje had gekeken.

Een oogenblik verduisterde zijn gelaat—toen verscheen er weder dezelfde glimlach op. [26]

De sheriff was op hem toegetreden, en bekeek nauwkeurig zijn haar.

Toen—deed hij een bliksemsnellen ruk … en hij hield een pruik in zijn hand.

De sheriff deed een paar passen achteruit, keek Raffles scherp aan, en toen riep hij uit:

„Maar voor den duivel—dat moet John Raffles zijn, wiens portret ons dezer dagen is toegezonden!”

Een doodsche stilte volgde op deze woorden.

En toen deed Henderson iets zeer onvoorzichtigs, maar dat hem werd ingegeven door zijn trouwe liefde aan zijn meester.

Hij wierp zich op de dichtstbijzijnde mannen van den sheriff en aanstonds lagen er drie op den grond te spartelen.

Maar daar klonk reeds de bevelende stem van Raffles, die riep:

„Laat dat, James!”

Beschaamd stond de reus voor zich heen te kijken, maar met een trek van woede en wraakzucht op zijn gelaat.

Raffles wendde zich tot den sheriff en vervolgde:

„Ik weet niet, wat die uitroep van u te beduiden heeft, mijnheer, zeker ik droeg een pruik, maar is dat voldoende, om iemand van diefstal te beschuldigen?”

„In ieder geval is het in deze streken zeer merkwaardig, mijnheer,” antwoordde de sheriff droogjes. „Men is hier niet gewoon, pruiken te dragen, vooral niet in de lente. En dan gij lijkt al bijzonder veel op het portret van John Raffles, dat ons dezer dagen door Scotland Yard is toegezonden!”

„Wie is dat, als ik vragen mag?” kwam de Groote Onbekende.

„Dat is de stoutmoedigste inbreker, die er in de Engelsche hoofdstad te vinden is,” antwoordde de sheriff.

„Ja, ik heb wel eens van hem gehoord,” hernam Raffles. „Maar ik meende—dat men dien man nimmer had kunnen vangen—hoe is het dan mogelijk, dat men u een portret heeft kunnen zenden?”

De sheriff beet zich op de lippen, en zeide toen:

„Daarop kan ik u niet antwoorden, mijnheer. Laat het u genoeg zijn, dat ik het portret in mijn bezit heb, en dat ge er bijzonder veel op gelijkt.”

Hij stak de hand in zijn binnenzak en haalde er een foto uit, welke hij Raffles liet zien.

Deze bekeek het portret nauwkeurig en zeide toen kalm:

„Ik moet wel erkennen, dat ik op dit portret gelijk, mijnheer—al is het dan niet zoo frappant, als gij het doet voorkomen, maar dit portret is niet van John Raffles.”

„Wat? Van wien zou het dan zijn?” riep de sheriff verbaasd uit.

„Het is een aanvoerder van een Londensche dievenbende!”

„En mag ik weten hoe gij het zoo goed weet?” vroeg de sheriff op scherpen toon.

„Ik ken den man!” antwoordde Raffles bedaard.

„Ei, en vindt gij dat niet merkwaardig voor een Engelschen gentleman?”

„Och, neen, zoo iets komt meer voor,” antwoordde Raffles.

Charly had een snellen blik op de foto geworpen en hij zag dadelijk dat Raffles gelijk had, het was het portret van Black Jimmy, den aanvoerder van de bende der raven, en hij vroeg zich af, hoe Scotland Yard kon vermoeden, dat dit Raffles was, toen hem eensklaps inviel, dat Raffles niet lang geleden het uiterlijk van dien bandiet zeer nauwkeurig had geïmiteerd, daarop was de schurk in handen van de politie geraakt, en deze had gemeend, John Raffles te vangen.

Waarschijnlijk was „Black Jimmy” daarop weder ontsnapt, en de Londensche politie had dadelijk zijn signalement naar alle windstreken verspreid.

En zoo was het ook in deze afgelegen streken gekomen.

Het was een noodlottige samenloop van omstandigheden, maar er viel niets aan te doen, de sheriff was niet op de hoogte, en hij oordeelde alleen naar het uiterlijk van den man tegenover hem die helaas bij toeval veel geleek op het portret.

En dan, een van de metgezellen van den verdachte had zich op zijn mannen geworpen, zou dat geschied zijn, als die niets op zijn geweten had?

De sheriff keek de drie Engelschen eenigen tijd strak aan, en toen zeide hij op den korten toon van iemand die zijn besluit heeft genomen:

„Het spijt mij, ik kan mij natuurlijk vergissen, en als gij hiermede niets te maken hebt gehad, des [27]te beter voor u, maar nu moet ik u verzoeken, mij uw wapens te overhandigen—gij zijt mijn gevangenen.”

Henderson maakte een beweging van woede, maar een enkele blik van Raffles was voldoende, om hem te doen bedaren.

Deze begreep maar al te goed, dat er op dit oogenblik aan verweer niet te denken viel.

En daarom zeide hij volmaakt kalm:

„Doe met ons wat ge wilt, mijnheer, wij zijn tot uw beschikking.……