[Inhoud]

HOOFDSTUK VII.

Een schuld van dankbaarheid.

Jessie bleef een oogenblik onbewegelijk op dezelfde plek staan, en keek de kleine groep menschen na, die zich nu verwijderde, met de drie gevangenen in hun midden.

Allen zaten te paard, en de handen der gevangenen waren samen gebonden.

De oogen van de jonge vrouw vulden zich met tranen—en toen snelde zij zoo vlug zij kon naar het blokhuis, waar Tom reeds voor de deur stond, en haar met een kreet van blijdschap aan het hart trok.

Maar spoedig maakte Jessie zich weer los, en riep met gesmoorde stem:

„Weet je wat er gebeurd is, Tom?”

„Ik kan het mij wel voorstellen, meisje,” antwoordde Tom, terwijl hij haar opnieuw aan zijn borst wilde trekken.

„Neen, neen, Tom, nu niet. O, het is vreeselijk, je weet niet alles. Onze goede vriend en zijn beide metgezellen zijn gevangen genomen, en zij worden nog vannacht naar Serati over gebracht. De sheriff denkt dat hij John Raffles is, en Dolly zegt, dat hij de man is die het stofgoud in het danshuis „Merry Pig” heeft gestolen.”

„Wat zeg je daar?” schreeuwde Tom. „Maar dat is onmogelijk, het is te gek om er ook maar een seconde aan te kunnen gelooven. Natuurlijk vergist de sheriff zich.”

„Maar Dolly houdt vol, dat zij hem herkend heeft, hem en zijn vrienden, en hij droeg een valsche pruik, hij heeft dik, zwart haar, dat even begint te grijzen.”

Als versuft door deze mededeeling keek Tom voor zich.

De naam van John Raffles klonk hem in het geheel niet onbekend in de ooren.

Het was nog slechts weinige maanden geleden, dat die naam bij herhaling genoemd werd in de Amerikaansche bladen, ten tijde van het bloedbewind van het „Kwade Oog”, die vreeselijke misdadigersbende, welke weken achtereen geheel New-York in angst en vreeze had gehouden, en aan welks bestaan juist John Raffles een eind had weten te maken.

Dat alles was Tom bekend, want hij kwam des zomers vaak in de groote plaatsen, waar men de [28]voornaamste bladen uit New-York ontving, al was het dan soms een volle maand na hun verschijning.

Jessie was op hem toegetreden en sloeg nu haar mooie armen met een liefkozend gebaar om zijn hals.

„Zeg, Tom,” begon zij, „dat mag toch niet? Dat mogen wij toch niet dulden?”

„Maar als die man werkelijk John Raffles is, dan.…” kwam Tom aarzelend.

„En wat zou dat dan nog?” riep Jessie met vuur uit, en haar wangen gloeiden. „Verandert dat dan iets aan het feit, dat wij het aan hem, en aan hem alleen te danken hebben, dat wij nu hier samen in ons lief huis wonen, dat wij leven? Vergeet je dat, Tom? Vergeet je dat?”

„Neen, mijn meisje, natuurlijk vergeet ik het niet,” antwoordde Tom. „Hij heeft zich edel jegens ons gedragen, en als hij er niet geweest was, dan lagen nu onze beenderen te bleeken op den top van den heuvel dicht bij Pine Creek.”

„Zoo is het!” riep de jonge vrouw op hartstochtelijken toon. „En daarom moeten wij hem redden voor het te laat is. Het is onze plicht! Al ware hij duizend maal die geheimzinnige gentleman-inbreker van wien je mij wel eens verhaald hebt, dan nog mochten wij geen oogenblik aarzelen, nooit, zoo iets zou ik mij zelf nooit kunnen vergeven, als wij hem nu aan zijn lot overlieten.”

Nog even scheen Tom te weifelen.

Toen barstte hij uit:

„Je hebt gelijk, Jessie. En ik had niet zoolang moeten aarzelen, wie hij ook zijn moge, hij redde ons het leven, en maakte ons gelukkig, wij zullen alles doen om hem te redden, maar, hoe zullen wij dat doen?”

„Luister, Tom,” zeide Jessie. „Jij kent hier honderden mijlen in het rond alle sluipwegen, en de politie niet, want zij komt maar zelden hier, en weet alleen de voornaamste paden. Wij volgen een van die wegen, en zorgen dat wij hen voorkomen, zij moeten naar Serati, zei ik je, en de weg is te lang, om dien in een enkelen nacht te doen, vooral daar hun paarden al vermoeid zijn.”

Zij sprak haastig en de woorden kwamen stootend over haar bleeke lippen.

„Ik zal mij in mannenkleederen steken, en wij binden een zakdoek voor het gelaat, voor het geval wij soms mochten worden gezien. Maar dat moeten wij trachten te vermijden. Wij nemen handpaarden mede, en in de duisternis zullen wij hun banden losmaken, als zij ergens kampeeren, en met de paarden kunnen zij dan verder gaan. Ik meen dat hier ergens hun wonderlijke vliegmachine is onder gebracht.”

„Ja, te Serati,” kwam Tom, die aandachtig had geluisterd.

„Laten wij dan voortmaken, het begint al te schemeren,” hernam Jessie, die door een zonderlinge onrust aangegrepen scheen te zijn, en het denkbeeld niet kon verdragen dat de mannen, die hun leven voor haar en Tom gewaagd hadden, nu groote kans liepen, in een gevangenis terecht te komen.

Zij verloren nu geen tijd meer, en maakten alles voor de gevaarlijke onderneming in gereedheid, welke, als zij mislukte, hen zelve in groot gevaar zou kunnen brengen.

Jessie ging spoedig eenige kleederen van Tom aantrekken terwijl deze in den stal de drie paarden ging zadelen, en er toen nog twee van de bandieten ging opvangen, die in de buurt van het blokhuis liepen te grazen. Bessy, de gewonde merrie, was uit eigen beweging overeind gekrabbeld, en naar den veiligen stal gehinkt, maar het dier was voorloopig niet te berijden.

De zon was reeds ondergegaan, toen de beide jonge lieden met hangenden teugel over de vlakte galoppeerden, in de richting van Serati.

Spoedig week Tom van den hoofdweg af, en beiden volgden nu een smal pad, dat eerst vele tientallen mijlen verder weder op den hoofdweg uitkwam.

Zonder ophouden renden zij voort, terwijl de duisternis zich over het land vlijde.

De handpaarden, waarvan Tom er twee, Jessie een aan den teugel voerde, liepen gedwee mede.

Zij waren gezadeld en getoomd, en aan den zadelknop van ieder paard hing een geweer met een voorraad patronen.

Eindelijk, omstreeks tien uur in den avond, bereikten zij den hoofdweg weder.

Zij konden er zeker van zijn, dat zij den sheriff en zijn gevangenen nu een paar mijlen op zijn minst voor waren.

Het struikgewas terzijde van den rullen weg was nog weinig dicht maar iets verder op teekende zich [29]de omtrek van een boschje af, ongeveer twee kilometer breed en lang.

„Als zij werkelijk kampeeren, en niet aan een stuk doorrijden, wat mij zeer onwaarschijnlijk voorkomt, dan zullen zij wel beschutting zoeken onder die boomen,” zeide Tom op fluisterenden toon. „Laat ons nog wat verder gaan.”

Zij dreven de paarden opnieuw aan, en bereikten den zoom van het bosch, waar het zoo stikdonker was, dat alleen een ervaren woudlooper als Tom Hatters er den weg kon vinden.

Hier stegen zij af, en brachten de paarden een eind van den weg, in het dichtst van het kreupelhout.

En toen wachtten zij.

Een kwartier verstreek.

Toen ving het scherpe oor van Tom in de verte het doffe geluid van hoefslagen in het rulle zand van den hoofdweg op.

„Daar zijn zij,” fluisterde hij. „Laten wij ons nu onherkenbaar maken.”

Zij bonden zich den halsdoek voor het benedenste gedeelte van het gelaat, en trokken zich van den rand van den weg terug.

Tien minuten later reed een troep van ongeveer zestien man het bosch binnen.

Tom hoorde dadelijk aan het geluid van de hoefslagen, dat de paarden vermoeid waren.

Dat was een voordeel, want hun eigen paarden waren nog zoo goed als versch.

Nog eenige meters, en toen steeg de troep af, op een kort bevel van den sheriff, die aan het hoofd had gereden.

De paarden werden van de zadels ontdaan, en bijeen gedreven terzijde van den weg, en daar vastgebonden.

De gevangenen kregen bevel, zich op den grond uit te strekken, en twee mannen plaatsen zich bij hen met de revolver in de vuist.

De anderen begonnen een vuur aan te leggen, want het was des nachts nog bitter koud, of richtten tenten op welke de manschappen van den sheriff te Lime Beach hadden gehaald, welke plaats op hun weg naar Serati lag. Daar ook waren de overige van den troep achter gebleven, daar de sheriff het vervoer van zijn gevangenen, gemakkelijk met vijf man meende te kunnen opknappen.

Dolly, Pat O’Kelly en de derde bandiet waren te Lime Beach achter gelaten, om vandaar naar Cedar Tree terug te worden gebracht, vanwaar zij uit de gevangenis ontsnapt waren.

Van de plek, waar de kleine troep kampeerde, tot Serati was nog omstreeks zestig mijlen.

Tom en Jessie konden, van de plek waar zij zich verscholen hadden, duidelijk al deze toebereidselen zien.

Het vuur laaide reeds hoog op, en de levensmiddelen werden te voorschijn gehaald.

Bij het schijnsel van het vuur konden Tom en Jessie zien, hoe de sheriff zich tot zijn gevangenen wendde, en een oogenblik later aten deze, zoo smakelijk, alsof zij zich in een eetzaal van een restaurant bevonden, maar zij aten niet allen te gelijk, dat vond de sheriff, blijkbaar een voorzichtig man, wat al te gewaagd.

Van den een na den ander werden de touwen losgemaakt, die hun polsen omklemd hielden en een voor een aten zij.

Daarna werd er een man bij de paarden geplaatst, die over eenige uren wel zou worden afgelost, en nog twee man bij de gevangenen.

De anderen kropen in de tent.

En toen werd het stil.

Even later klonk de blazende schreeuw van een civetkat door de nachtelijke stilte.

Het was Tom, die den kreet had laten hooren.

Hij wist, dat Raffles dien kreet zou herkennen, want menigmaal hadden zij elkander met dien schreeuw gewaarschuwd, als zij op de jacht een weinig van elkander waren afgeraakt.

Misschien begrepen de gevangenen nu wel, dat er vrienden in de buurt waren.

De bewakers der drie mannen onderhielden het vuur, door er van tijd tot tijd droge takken op te werpen.

Een paar uren verstreken, en toen begrepen Tom en Jessie, dat het oogenblik om te handelen was aangekomen.

Zij slopen omzichtig vooruit, naar de plek waar de paarden waren vastgebonden, de bewaker leunde tegen een van de dieren aan, met de armen over de borst gekruist en het hoofd gebogen, het leek wel, of hij sliep.

Zonder eenig gerucht te maken, kroop Tom op handen en voeten naderbij, en toen onder het paard door, dat diep in slaap was, en zich in het geheel niet bewoog. [30]

Hij wierp van onder den buik van het dier een blik op den gordel van den man, die er tegen aanleunde, de revolver stak in den holster.

Met een beweging, vlugger dan het weerlicht, had Tom de revolver uit de tasch getrokken, en tegelijkertijd was hij op de been, en hield den onthutsten schildwacht zijn eigen wapen onder den neus.

„Geen beweging, of het zal je berouwen,” fluisterde Tom van wiens gelaat niets anders te zien was dan de oogen, die dreigend glommen in den gloed van het kampvuur. „Je handen op!”

De handen van den man gingen de hoogte in.

Jessie, die snel naderbij was gekomen, begon met den man een doek in den mond te duwen, waarop zij hem snel en handig de armen op den rug bond, en tenslotte zijn beenen stevig kluisterde.

Dit alles had nauwelijks eenige minuten geduurd.

Tom tilde den man op, en legde hem achter den stam van een dikken boom.

Daarop wendden zich de twee naar het kampvuur.

Op nog geen tien meter afstand hielden zij stil.

De gevangenen schenen te slapen maar de bewakers waren klaar wakker, zij speelden kaart.

Maar opeens gebeurde er iets, waarop Tom en Jessie zeker niet verdacht waren geweest.……

De grootste van de drie gevangenen, de reus die zij den naam James hadden hooren geven, hief eerst voorzichtig het hoofd op, en scheen even te luisteren.

Uit de tent klonk het zagend geluid van twee snorkende mannen.….….

Toen hief hij zich op, en Tom en Jessie zagen tot hun verbazing, dat zijn handen niet langer op zijn rug waren vastgebonden—de reus was er zeker in geslaagd, zich van zijn banden te ontdoen.

Hij sloop nu achter de beide kaartspelers, en zoo bliksemsnel stortte hij zich op hen, dat zij zelfs geen gelegenheid kregen, een zucht te slaken.

Hij had hen beiden met zijn geweldige handen in den nek genomen, en hen zoo vlug met het gelaat voorover in het mos van den bodem gedrukt, dat zij geen kik konden geven.

Tom en Jessie zagen, hoe nu ook de beide anderen worstelden om los te komen, en zij aarzelden niet langer.

Binnen eenige tellen waren zij op de plek, waar het kampvuur langzaam begon uit te dooven.

Tot groote verbazing van Henderson, die hen niet had hooren aankomen, bonden zij een van de spartelende mannen met een stuk van een lasso de armen stijf tegen het lichaam, terwijl Jessie den man met de revolver in bedwang hield.

Vervolgens werd hetzelfde gedaan met den anderen man, en tenslotte kregen zij beiden een prop in den mond.

Jessie snelde naar de beide Engelschen, die zich nog niet van hun touwen hadden kunnen bevrijden, en sneed die met haar scherp jachtmes door.

Raffles begreep volstrekt niet, wie die beide gemaskerde mannen konden zijn, die hem en zijn metgezellen zoo onverwachts te hulp waren gekomen, maar hij aanvaardde den bijstand dankbaar.

Alles was zoo snel en geruischloos in zijn werk gegaan, dat de beide vermoeide mannen in hun tent, die zich op ongeveer vijf meter afstand bevond, nog altijd doorsnurkten.

Tot dusverre was er ook geen woord gesproken tusschen de bevrijders en de bevrijden.

Raffles en zijn metgezellen voelden zich nu bij den arm gegrepen, en snel medegevoerd.

Allen slopen het bosch weder binnen, en begaven zich naar de paarden, waar de gebonden man bezig was met vruchtelooze pogingen, zich van de touwen te ontdoen, die hem bonden.

De paarden werden allen snel losgemaakt, en Tom voerde de dieren bij den teugel naar de plek, waar hij zijn eigen paarden had achtergelaten.

In een oogwenk waren allen in het zadel, en een enkel klappend tonggeluid van Tom was voldoende om de paarden van den sheriff te bewegen, uit zich zelf mede te loopen met de anderen.

Zwijgend traden allen snel het bosch uit, en daarna begon de tocht over de vlakte, en langs de boschwegen, welke Tom alleen kende.

Nog altijd was er geen woord gesproken.

Twee uur later ging de zon op.

Met een ruk hield Tom zijn paard in, en dadelijk stonden alle anderen stil.

De paarden van de politiemannen werden met den kop naar den kant gedraaid van waar zij gekomen waren, en een enkele klap op de bil was voldoende, om hen weder terug te doen draven.

Op dat oogenblik verlichtten de eerste stralen van de zon het landschap.

De leeuwerik steeg op en vervulde de lucht met zijn jubelenden kreet. [31]

Een oogenblik keken Tom en Jessie de bevrijde mannen aandachtig aan, en toen maakten zij langzaam den zakdoek los, die den onderkant van hun gezicht had verborgen.

„Tom! Jessie!” riep Raffles uit, meer ontroerd dan hij wilde laten blijken.

„Ja, mijnheer, wij zijn het,” antwoordde Tom, met trillende lippen, „wij wilden niet ondankbaar zijn, en .….……”

„En daarom hebt gij u aan het grootste gevaar bloot gesteld om ons te redden,” vulde Charly den zin aan, terwijl hij het hoofd boog, en het vermeed, de jonge vrouw in de reine oogen te zien.

Raffles was zeer bleek geworden, en zeide nu op doffen toon:

„Gij vermoedt nu zeker, wie en wat wij zijn, nietwaar?”

„Dat raakt ons niet, mijnheer,” riep Jessie op hartstochtelijken toon. „Gij moogt wezen wie en wat gij wilt, tegenover ons hebt gij allen gehandeld als gentlemen, als dappere edelmoedige mannen, ik.….…. ik wil u een hand geven.…..”

Met iets als een snik boog Raffles zich snel over het kleine, gebruinde handje, dat hem over den fraaien hals van Jessie’s paard werd toegestoken, en wat hij te Londen nimmer deed als Lord Aberdeen, dat deed hij hier in de wildernis, hij kuste dat handje, gehard door eerlijken arbeid.

Toen hij zich weder oprichtte, lag er dezelfde harde trek van vroeger op.

Zijn stem echter had een omfloersten klank, toen hij zeide:

„Eens zult gij wellicht alles begrijpen—en mij op een andere wijze beoordeelen—dan de anderen het meestal doen.”

„Wij zullen ons u altijd herinneren als een edelman,” was alles wat Tom zeide.

„Maar nu moogt gij niet langer hier blijven, onze wegen scheiden hier. Het is nog twee uur rijden tot Serati en gij kunt u niet meer vergissen, volg slechts dezen breeden zandweg, den telegraaf kan u niet inhalen, want die is hier niet, en de sheriff heeft in de eerste uren geen paarden. Gij zijt dus vrij en kunt van Serati vertrekken met uw vliegmachine.”

Eenige oogenblikken staarden de mannen elkander aan.

Toen wendde Raffles eensklaps den teugel en als een pijl uit den boog vloog zijn paard over de vlakte in de richting van Serati.

En lang, lang keken Tom en Jessie, met tranen in de oogen, de weg ijlende gedaanten na, tot zij verdwenen waren achter een heuvelrug.….……