INHOUD.
voor die heur geen geweld en doet,
maar rusten laat in ’t herte, alwaar,
ze onmondig leefde en sliep te gaar,
tot dat ze, eens wakker, vrij en vrank,
te monde uit, gaat heur vrijen gang!
Wat verruwprachtig hoortooneel,
wat zielverrukkend zingestreel,
o vlaamsche tale, uw’ kunste ontplooit,
wanneer zij ’t al vol leven strooit
en vol ’t onzegbaar schoon zijn, dat,
lijk wolken wierooks, welt
uit uw zoet wierookvat!
ONEIGENE.
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
’t is al zoo van buiten, ’t is
al zoo van bin’:
’t ligt alles daar bloot op mijn’ handen!
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heete ik mijn:
oneigene, ik late u,... gaat reizen!
spreek ’et al een taal dat leeft,
’t lijzigste gefluister
ook en taal en teeken heeft:
blâren van de boomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stroomen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen[1] van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
’t diep gedoken Woord zoo zoet...
als de Ziele luistert!
[1] Wegel is een Z. Ned. verkleinwoord van weg.
HET SCHRIJVERKE.
(GYRINUS NATANS).
met ’t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ’t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zoo snel,
al zie ’k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zoo wel,
al zie ’k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ’t spegelend water klaar,
en ’t water niet méér en verroert
dan of het een gladdige windje waar,
dat stille over ’t waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan,—
met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ’t mij zeggen kan:—
Wat schrijft en wat schrijft gij zoo zeer?
Gij schrijft, en ’t en staat in het water niet,
gij schrijft, en ’t is uit en ’t is weg;
geen Christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ’t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ’t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ’t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ’t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ’t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ’et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken, zelf?
En ’t krinklende winklende waterding,
met ’t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en ’t bleef daar een stondeke staan:
„Wij schrijven,” zoo sprak het, „al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf:
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zoo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nóg,
den heiligen Name van God!”
O ’T RUISCHEN VAN HET RANKE RIET.
Παρὰ ῥοδανὸν δονακῆα
Hom. Il. XVIII, 576.
o wist ik toch uw droevig lied!
wanneer de wind voorbij u voert
en buigend uwe halmen roert,
gij buigt, ootmoedig nijgend, neêr,
staat op en buigt ootmoedig weêr,
en zingt al buigend ’t droevig lied,
dat ik beminne, o ranke riet!
hoe dikwijls dikwijls zat ik niet
nabij den stillen waterboord
alleen en van geen mensch gestoord,
en lonkte ’t rimplend water na,
en sloeg uw zwakke stafjes ga,
en luisterde op het lieve lied,
dat gij mij zongt, o ruischend riet!
hoe menig mensch aanschouwt u niet
en hoort uw’ zingend’ harmonij,
doch luistert niet en gaat voorbij!
voorbij alwaar hem ’t herte jaagt,
voorbij waar klinkend goud hem plaagt;
maar uw geluid verstaat hij niet,
o mijn beminde ruischend riet!
uw stem is zoo verachtlijk niet!
God schiep den stroom, God schiep uw stam,
God zeide: „Waait!...” en ’t windje kwam,
en ’t windje woei, en wabberde om
uw stam, die op en neder klom!
God luisterde... en uw droevig lied
behaagde God, o ruischend riet!
mijn ziel misacht uw tale niet:
mijn ziel, die van den zelven God
’t gevoel ontving, op zijn gebod,
’t gevoel dat uw geruisch verstaat,
wanneer gij op en neder gaat:
o neen, o neen toch, ranke riet,
mijn ziel misacht uw tale niet!
weêrgalleme in mijn droevig lied,
en klagend kome ’t voor uw voet,
Gij, die ons beiden leven doet!
o Gij, die zelf de kranke taal
bemint van eenen rieten staal,
verwerp toch ook mijn klachte niet:
ik! arme, kranke, klagend riet!
HET MEEZENNESTJE.
dat, in den wulgentronk
gedoken,
met vijftien eikes blonk;
ze zitten in den boom te spelen,
tak-op, tak-af, tak-uit, tak-in, tak-om,
met velen,
en ’k lach mij, ’k lach mij, ’k lach mij bijkans krom.
komt op den lauwen noen,
al blauwig
en geluwachtig groen;
het brengt hun dit en dat, om te azen,
tak-om, tak-op, tak-af, tak-uit, tak-in,
ze razen,
en kruipen, vlug, het meezennestjen in.
verduiken ’t voor ’t gestraal—
te tooveren,
al in de meezentaal;
daar vliegen ze, al med’ een, te zamen,
tak-om, tak-op, tak-af, tak-in, tak-uit,
en, amen,
het meezennestje is weêrom ijele en uit.
DIEN AVOND EN DIE ROOZE.
AAN EUGENE VAN OYE.
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten.
’k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uit gedronken;
maar nooit een uur zoo lief met u,
zoo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zoo droef om u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.
Noch nooit een blom zoo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u,
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
—wie zal dit kwaad genezen?—
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was ’t een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen;
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
’t en ware ik ’t al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: u,
dien avond,—en—die rooze!
KOM E’ KEER HIER.
AAN PIETER BUSSCHAERT VAN DAMME.
’k hebbe u, ’k hebbe u zoo lief!”
Maar ’t wipte, ’t wupte, ’t en wachtte niet,
en ’t liet mij alleene zijn.
’t Was wel van dat lief fliefflodderke,
want, hadde ik het eens genaakt,
ik hadde ’t, het lief fliefflodderke,
’k en wete niet wat gemaakt:
geen hand van ’nen mensche ’n mocht ’et ooit
genaken zijn lieve kleed,
of ’t was en het wierd ’t fliefflodderke,
het was en het wierd hem leed;
de hand van die ’t miek alleene mag
’t genaken en niet beschaân,
de wind van die ’t miek alleene mag
er, wandelend, over gaan.
Dus, wakker en weg! fliefflodderken,
op planten en bloeiend gers[2],
alwaar dat u God geschapen heeft,
alwaar dat ’t uw woning es!—
En zoekt gij nu, kind, een zin hierin,
’t fliefflodderke, wie dat zij,
uw herte is het, alderliefste mijn,
ai, wat zou het anders zijn!
God miek het u, maakt dat God alleen
kan zeggen: Dit herte is mijn,
zoo zal het, en anders en zal ’t, o neen,
het uw’ noch gelukkig zijn!
Zoo zong hij, die lang en lusteloos
gezeten had, eenen dag,
wanneer hij, op de eerste lenteroos,
het eerste fliefflodderken zag.
[1] Vlinder.
[2] Gras.
GEWIJDE KLOK.
ik vrij mij op uw’ klank verlate,
gewijde klok!
toch blijft het voor geen mensch gesloten,
gewijde klok!
och helpt de menschen, kranke en veege,
gewijde klok!
zij lief of leed aan sponde en wiege,
gewijde klok!
en al dat hoort tot welzijn strekke,
gewijde klok!
de mede- en wederspoedigheden,
gewijde klok!
en zult wel eens mijn uitvaart luiden,
gewijde klok!
en ongeboornen beeklank wezen,
gewijde klok!
maar God zal ze eeuwig toebehooren,
gewijde klok!
zij ook dan een gebed mij gaven,
gewijde klok, gewijde klok!
O GULDEN HOOFD.
volheerlijke, altijd nieuwe bronne
van levenskracht;
wie heeft u in die blauwe streken
het brandend voetspoor uitgesteken
en voorgedacht?
’t bereik van sterflijke oogenleden;
en, rijzend, dan
verblijdt gij mensch en dier en boomen;
en ’s avonds laat gij los de toomen
van uw gespan.
o zienlijke afgezant van dezen
die ’t al beveelt;
wat ben ik, of wat zijt gij, schoone,
als, in des Heeren schild en kroone,
een wapenbeeld?
zijn hofgezin, zijn huis, zijn’ knapen,
zijn heerlijk slot;
zoo kan men, aan uw pronksieraden,
o zonne, uw edelen Ridder raden:
zijn name is—God!