Inhoudsopgave
- Dante en Beatrice.
- Des Leevens Kern (andere verzen).
- Des Leevens Kern.
- Koele Mei-dag.
- De schat mijns harten.
- Het looverlied.
- Alles voor U.
- De Staf.
- Aan de Groote Dichters.
- Shelley's Epipsychidion.
- Stem van Génerzijds.
- Een Minnezang.
- In Memoriam.
- Zelf-Schouw.
- Julius Oldach.
- De Klok.
- Vrees niet.
- Op de heuvelen.
- Het Gebergte.
- Goede Werking.
- Mijn Vrienden.
- Dichter en Geleerde.
- Besluit.
- INHOUD.
- Naamloos hoofdstuk
- Transcriber's notes.
DANTE EN BEATRICE
EN ANDERE VERZEN
DOOR FREDERIK VAN EEDEN.
AMSTERDAM
W. VERSLUYS
MCMXVII
TWEEDE DRUK.
DANTE EN BEATRICE.
INLEIDING.
De volgende verzen ontstonden na 't herleezen van Dante's eerste ontmoeting met Beatrice, toen hij bijna neegen en zij acht jaren oud was, zooals beschreeven wordt in "Vita Nuova". Of Beatrice die Bice Portinari geweest is, waarvan Boccacio in zijn Leeven van Dante spreekt is niet zeeker. Dat zij nooit in werkelijkheid zou bestaan hebben—zooals G. Rosetti, La Farina e.a. beweeren—is niet te gelooven. Zij mooge een anderen naam gedragen hebben, het meisje in 't roode kleedje heeft bestaan, en is door Dante gezien en bemind. Potgieter vraagt of wij het hem ten goede houden, dat hij, in zijn Florence, Beatrice's kleed in plaats van rood, wit maakte, "voor de onschuld", zooals hij zegt. Het in deezen den Florentijn te willen verbeeteren is echter den Amsterdammer moeyelijk ten goede te houden. Het achtjarige meisje ging in 't rood, "zooals het haren leeftijd paste" zegt Dante. Tien jaren later, als volwassen maagd, werd zij door hem in wit gewaad gezien. Na deeze tweede ontmoeting zag hij Beatrice in een vizioen, naakt, in een bloedig laken gewikkeld in de armen van Amor, die haar Dante's hart te eeten gaf, en daarna opvoerde ter zaligheid. Beatrice's dood in de "Vita Nuova" valt volgens d'Ancona, in 1290 ongeveer. Vóór 1298 trad Dante in 't huuwelijk met Gemma Donati. Vier jaren later ging hij alleen in ballingschap en schreef Hel, Vagevuur en Paradijs.
EERSTE DEEL.
I.
heeft mij, toen 'k in de poort mijns najaars staarde
en langs reeds winterige velden waarde,
den dag, den nacht en weer den dag verlucht.
der voogels, die in herfstnacht naar hun gaarde
in 't zuiden trekken, hoog, hoog oover d'aarde,
zacht snaterend in ongeziene vlucht.
de vleugel-cier—als zij zich rustend zonnen
op gloedbescheenen muur,—en zoo vol diep
van alle licht en vreugde⁀een lokstem riep:
II.
van zacht en zeedig rood, met wat sieraden
als 't kind die draagt, naar 't haar heur ouders raden,
het ranke lijfje⁀omstrikt met blinkend lint,
als heldre ster die vóór alle⁀andren blindt,
en 'k zag hoe haar genootjes vroolijk traden
om haar, als eene die elk 't minnigst vindt
daar zij, hoe mooi en goed zij is, niet speurt.
de knapen roepen "Bice!" en werpen bloemen
zij de oogen naar haar ouders op, en kleurt.
III.
in streng en ernstig knapen-aangezicht,
onafgewend naar 't lieflijk wicht gericht
door óóvermacht'ge tooverkracht getoogen.
voor lust naar 't lekkers niet, maar onverwoogen
drinken zijn blikken 't jonge, lieve licht,
't éénige wat zij nog te zien vermoogen.
't lieftallig weezen dat haar macht niet weet
en niet vermoedt wat gloed zij deed ontbranden.
beroert de bloemen die zij draagt, haar kleed...
en zwijmt doodsbleek,—geslaag'ne voor altoos.
IV.
des ongelijkbren liefdestrooms, wiens vloeden
na eeuwen nog een dorre waereld voeden,
die zulke weelde zelf niet baren kon?
drenkt hij het rotsig land van droeve' en moeden,
nog voelt een dichterhart of 't moest verbloeden
zoo 't zijner heerlijkheid zich niet bezon.
Het kinderfeest, de blanke bloemenstad,
de schoone maatschappij, nog jong en blijde—
uit woudenrijk gebergt, en babbelt zacht
waar kreekels sjirpe' op stilbezonde weide.
V.
dat allerteerste, allerzoetste leed?—
Door dagen vuurig en door nachten heet
zaagt gij die onbeschrijfb're lieflijkheeden:
die ooge-starren.... O ik weet!.... ik weet!....
en naar de zoete folter dieper beet
hebt gij om uitkomst of begrip gebeeden.
den wonder-broozen kinderdroom wou breeken,
dreef 't u van haar op verre weegen af,
maar kon den innerlijken glans niet bleeken.
dien eersten luister liet gij u niet dooven.
VI.
ik kleine,⁀in 't klein-gevoelend volk begraven—
maar toch!—wat zoeten drank van min zij gaven,
mijns harten hart bleef zoeken, onverzeld,
kristallen dronk, uit eeuw'ge rots geweld.
Datzelfde, waar uw Godlijk lied van meldt,
heb ik voor alle tijden willen staven.
met wentelsprongen tot den blanken plas,
maar als een zwoel, vermaledijd moeras
houdt U van mij mijn tijd en volk gezonderd.
de taal der stroeve plooyen om mijn mond.
VII.
als fakkel-licht, de duistere eeuwen dóór,
en liet in vuur uw zondaars-hart verreinen
en hield het brandende⁀aan de waereld vóór,
gekend, verwonnen en als meteoor
doen schrijven aan den nachtwand vuur'ge lijnen,
den menschen-volken tot belichtend spoor?
të eenzaam en të innig voor gedichten,
hebt gij dat óók aan uw zielsfirmament
genageld en als richt-gesternt doen lichten?
tot onzen God u, die weet, en zal richten.
VIII.
en peilt met ingetrokken kop de gronden
des heemels,—als verlangend naar zijn land
terug, van waar hem d'Almacht heeft gezonden.
Nooit werd gij zoo vertrouwelijk bevonden.
Vertoef! en doe mij weeten en verkonden,
eer gij ter opvaart weer de wieken spant.
in zijner lied'ren goudenkoordig want
en kon ter uwer woonsteê niet gelangen
eer zij, die hij beminde,⁀uit Liefde's hand
zijn hart met al zijn bitterheid verteerde
en zóó tot 's Heemels Lichthof weederkeerde.
IX.
die oover mijnen opgang heeft geglommen,
waaruit de groote gloeden zijn geklommen,
die hij, de meester, onzer waereld schonk—
van spooken in hun gruuwlijken spelonk,
tot waar de starrenkrans der zaal'gen blonk
in 't Licht, waarvoor zijn liederen verstommen.
door ééne Hand uit eender stof geweeven,
of 'k weet, wat al die wond'ren groeyen liet
is 't zelfde, wat mijn kinderziel deed beeven...
mijn hand ligt stil—kan 't schrijftuig niet meer voeren.
X.
en diepten waar geen woorden van gewagen,
is daar wel Liefde sterk genoeg en groot,
die 't kan verzwelgen en ten Heemel dragen?
en leg het duisterst zonder deernis bloot,
tot schuuwe schimmen angstig rond mij klagen:
"Gedenk! Gedenk! Gedenk!—éér gij verstoot!"
den doodssnik van uw allerschoonste waan?
en zijt gij vast de treeden opgegaan
bestroomd van 't bloed der teerste, liefste droomen?
zoozeer als God, zóó liefdrijk en zóó wreed?
XI.
de jonge ziel in haren opgang uit.
Zij breekt den schors van waan die haar omsluit
en neigt tot nadering aan vreemde dingen.
baart zij dan teedre ranken, die 't omringen
en gansch tot eigen-worden willen dwingen—
en geeft zich vangeling aan de⁀eigen buit.
wat aan een schaduw zich heeft willen hechten?
En vast kan zich geen tweedemaal vervlechten
de rank, na d'eersten opgroei afgescheurd.
van 't Leeven weer een vreemd, vèr-af gebeuren.
XII.
het Leeven sleepte u op zijn deining voort,
en, onder nieuwen liefde-groei versmoord,
ging schuil het glanzend schoon der eerste tijden.
het heilig Wonder, dat Gelieven beiden
door de⁀eigen liefde⁀elkaar tot God geleiden,—
en werd geboekstaafd in ontzach'lijk Woord.
wij hadden van die Liefde een zwak vermoeden,
verrukt alree door 't ongeveer bevroeden—
Gedoog, dat ik voor haar gewisheid kniel.
laat de arme vreemd'ling in úw Tempel danken.
XIII.
het rul-geworden zomerloof doet zwijgen
van voogellied,—en leevens-weeke twijgen
met harde doodspracht van kristallen tooit?
door Tijd en Dood van zijnen bloei berooid?
Wat houdt er stand en ziet zijn groei voltooid
terwijl de welkende geslachten zijgen?
zijn takken reiken buiten 't ruim der heem'len,
zijn wortel voedt zich in der eeuwen zand,
zijn bloesem geurt, zijn looverdiepten weem'len
van voogelzang. Elk looverken een ziel
versterkt zijn machtig Leeven, éér het viel.
XIV.
in helle vreugde van een oogwenk duur,
in lijden leevenslang,—met ieder uur
zien ze haar vluchtige bekooring vlieden,—
in woestenij van donkre doods-gebieden,
waar alle dingen zonder zin geschieden
naar starre wet van ijzige natuur.
boet-vaart door kringen, waar geen stervling kwam,
kondschap van 't onnaspeur'lijke vernam,
die 't kinds-hart wekt met stralen luuw en zacht,
en die de Zon beweegt en d'andre sterren.
TWEEDE DEEL.
XV.
't zij dan zóó ongelijk van maat en macht,
zijn telgen wij nochthans van één geslacht
en draagt één liefde-tronk ons, bloesems, beiden.
d'eenzamen dwaler oover duistre heiden
vertroostend meldt waar zijn verwanten beiden,
waar hem de lang gederfde haardstee wacht,
bij d'eersten flaauwen aangalm uwer woorden,
mij 't trouwlijk thuis der eigen ziel geduid,
met grooter vreugd de moeder niet, die 't riep,
dan ik die roepstem uit der eeuwen diep.
XVI.
uw vlieten in de riet-bewassen zoomen,
stil glijdt het bruine scheepszeil langs de boomen,
kalm ligt het vreedige gehuchtje daar
breed ooverwelfd door blanke wolkenschaar,
die statig aandrijft uit de kimmen, waar
het zee-ruim wacht op d'altijd gaande stroomen.
gij hebt de pracht van Arno's bloemen niet
en niet de grootschheid van Ravenna's wouden,
wat in 't verganklijke niet kan vergaan,
wat ons van 't aardsche leeven voegt te⁀onthouden.
XVII.
gij moest het bittre brood der deernis eeten
en kondt Firenze's heuvlen niet vergeeten,
wat hulde en glans de vreemde voor u had,
hoe scherpe weemoed geeft, op 't lijdenspad,
herdenken van verlooren vreugde-schat,
van vroegre banden ééns voor àl gereeten.
mij booven allen dierbaar en gemeenzaam,
waar 'k jong was, ga ik aan der liefste hand,
Wanneer is 't tij der ballingschap vervuld?
XVIII.
waarvan wij beide op aard een vóórglans zagen,
toen nauw-ontwaakt, in blijde kinderdagen,
zich ziel aan ziele spon met teedren band.
verhief zich ons verwonderde verstand,
en bleef om 't kernvuur van zoo schoonen brand
en om terugkeer naar dat licht-heil vragen.
van al mijn vreugde en leed, dàt geeft de klank
van innigheid aan deeze zwakke zangen—
van een grootmachtig, triomfant verlangen—
XIX.
aan wie de waereld zooveel zeegen dankt,
wier brooze leeven, marmervast verklankt,
den dorst zooveeler schoonheids-dorst'gen stilde.
door vuurig lied,—één vriendlijk groeten tilde
den Held in 't licht,—dat uw zacht aanschijn wilde
nogmaals verlichten wie er doolt en wankt!
de stralende uitkomst angstig tegemoet.
Wee, den in duistren dwarrelstroom geboornen!
Wee, den voor reiner schoonheidslicht verloornen!
Hoe reiken zij de handen, om den zeegen
van Liefde's minnelijken, zachten groet.
XX.
heil'ger benaming, onbekend den veelen.
Hij heet u "Liefde", wien de glans-tafreelen
van uw verheerlijkt weezen zijn gedaagd,
van zijn kleurfonklend woord. Naar Liefde vraagt
nog immer wat op aarde duldt en klaagt.—
Zal ooit haar adem 't waereld-aanzicht streelen?
om uwen bijstand moet nog 't menschdom strijden.
Vermag nooit in terugkomst te ooverschrijden
uw blijde voet den drempel van den Dood?
Verhelder d'aard met uwen lach van minne!
XXI.
Ook U noem ik met wijdingsvoller Naam,
want Liefde zaligt slechts met Wijsheid saam
en alle Smart vergaat voor 't zoete Weeten.
wie vreezen van de vrucht der kennis te eeten,
en breng' te schand wie lichtschuuw zich vermeeten
de kracht te keeren van uw vrijen Aâm.
de vuuren aller Liefde wakker aan!
doe aller Harten Vlammen samenslaan!
en vaag den Heemel schoon met éénen toover!
en schouwt naar d'één'gen Oorsprong van Uw licht.
XXII.
doet dreunend òp de gouden heemeldeuren,
en de verborgen duisternissen scheuren
door 't verre daveren van haar geschal,
dan bloeit de leelie in het diepste dal,
dan stort zich, als een gouden waterval,
vreugde in het hart van allen die daar treuren.
voor haar handheffing zwicht de vale ellende,
waar zij haar wèl-betoomde rossen mende
gloeit al het leevende in haar stralenbrand.
wendt zich de ziel naar haar onkenbre Bron.
XXIII.
dan uw goud-vleugelige zangen steegen,
en dat de ziel langs nog benarder weegen
't hart des Heelal's moet vinden, waar Zij woont,
de macht-kreits des Verdoemden, dien gij hoont,
en dat Gehenna geen verschrikking toont
zóóals die Nacht, waar alle Konden zweegen.
waar, door een schijn verblijd, wij armen allen
verspeelen ons kortstondige bestaan,
om lachend in den muil des Doods te vallen?
maar van zijn strengen mond valt geen gerucht.
XXIV.
o zee! waaroover zilvren glanzen glijen
en zag uw eindelooze golvenrijen
aanstrijken van de kimme, grijs en goud,
schriklijk bestaan verzoend werd en vertrouwd,
en voelde aan uwe rotsen, grauw en oud,
d'ontroerde ziel tot ruimer bloei gedijen,
de droefheid ondergaan van enger sfeer?
Hij kent geen vreede in 't veilig landschap meer
schoon aarde en zon hem elke wensch vervulden.
Hij wil de wijdheid der verlaten kusten
als kon hij nader dáár aan Gods hart rusten.
XXV.
dat nog die wonde branden blijft hierbinnen,
want ik moet haten teevens en beminnen
en liefde blijven geeven waar 'k veracht.
geliefd heeft, en gehaat met ziel en zinnen,
en zich van 's Waerelds einddoel en beginnen
en d'eigen Waarheid zeeker heeft geacht.
wèl ongewis nog en in hachlijk beeven,
maar voorboô van een ruimer, schooner leeven
dan 't allerschoonste wat mijn held ooit zag.
DES LEEVENS KERN.
Des Leevens Kern.
deeden ze 't nooit, ook niet in versche jeugd,
en aller waer'ld zoet-zorgelijk gebeuren
heeft nooit zoo rechtstreeks mijn verstand verheugd.
Als 't carrillon des morgens van een tooren,
dreunt mij, die opziet, wislijk en met klem
de blijde noodzaak van elk ding in d'ooren.
elk pijntje⁀een wenk en richtvonk onzer weegen,
de waan een toornwolk rond Gods liefdevuur
hoe kloeker dóórgeboord, te eer ontsteegen.
digt bij mij, digt, den dag, den nacht—den nacht,
liever dan 't liefst en dan het naaste nader,
de vreugd van 't blijdst en van het schoonst de pracht.
met 't oog eens kinds, als waar ik pas ontwaakt
en zee en duin, die ik als kind zóó minde
mijn manlijk hart met voller vreugde raakt.
wanneer herinnren faalt en denkkracht dooft
heb ik bereikt wat 'k eeuwig zal behouden,
dat vrij de ladder breek', ik borg het ooft.
'k zie gansch den nacht niet om één vonkske licht
en waar een hart zich ópdoet, moet ook vallen
mijn liefdevloed, door eigen wigt gericht.
niemand moog danken, nochthans blijft de lust,
om wisse vreugd trots ik 't onwisse lijden,
ik ken het zoete werk om zoeter rust.
d'onzichtbre kern van 't zichtbre Leeven zocht,
geduldig zooals dorst'ge bloemen schouwen
die zich ontvouwen voor het reegenvocht.
geen meerder weetenschap en doet u nood:
blijf 's Leevens kern betrouwen—en de Dood
met àl zijn schrik moet eeuwig van u scheiden.