WeRead Powered by ReaderPub
De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius) cover

De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius)

Chapter 35: Hoofdstuk XXV.
Open in WeRead

About This Book

A concise guide for non-specialists that explains Confucian thought through an introduction to its core principles, historical background, and a biographical account of Confucius; it presents translations and commentary on central texts—Choeng Yoeng (the Mean), Ta Hiŏh (the Great Learning)—and selected fragments from Loen Yü (the Analects). The commentary clarifies key terms, offers interpretive notes, and contrasts existing renderings to help readers understand how Confucian ideas inform social and familial institutions. Combining explanatory essays, historical context, and annotated translations, the work aims to make classical Chinese philosophy accessible without requiring prior sinological training.

[Inhoud]

Hoofdstuk XXV.

1. „Chʼing” wordt voortgebracht door zelfvolmaking. Tao is dat, waarnaar men zich moet richten.

2. „Chʼing” is het einde en het begin der dingen. Als er geen „Chʼing” was, zou er niets bestaan. Daarom beschouwt de Kiün Tszʼ „Chʼing” als zijn grootsten schat. [126]

De oorsprong, de Sing der dingen is natuurlijk absoluut waar (reëel) en puur. Het eenige, ware leven is dat van de Sing. Ware deze niet „Chʼing,” niet absoluut reëel en puur, dan zou er ook niets reëel kunnen bestaan.

3. Hij, die „Chʼing” heeft, volmaakt niet enkel zichzelf, (maar) hij volmaakt er (ook andere) dingen (en menschen) mede. Het volmaken van zichzelf (is te danken aan) zijn Menschelijkheid.12 Het volmaken van (andere) dingen (en menschen) (is te danken aan) zijn Weten. Deze (Menschelijkheid en Weten) zijn de deugden, (eigen) aan de Sing, en dit is de wijze, waarop het uitwendige en inwendige wordt vereenigd. Daarom, wannéér ook (degene, die „Chʼing” heeft) haar aanwendt, werken zij zooals ’t behoort.

Men herinnere zich dat met menschelijkheid geen humaniteit maar „de volmaakte deugd van het menschelijk hart” bedoeld wordt.

Door menschelijkheid en weten (ál-weten, kennen) is er géén verschil meer tusschen inwendige dingen (van ons zelven) en uitwendige (van anderen). Zie in de Bespreking onder Hfdst. XXII het gezegde van Choe Hie: „de Sing van (andere) menschen en dingen is ook míjn Sing.”

[127]