[Inhoud]

Hoofdstuk XXV.

1. „Chʼing” wordt voortgebracht door zelfvolmaking. Tao is dat, waarnaar men zich moet richten.

2. „Chʼing” is het einde en het begin der dingen. Als er geen „Chʼing” was, zou er niets bestaan. Daarom beschouwt de Kiün Tszʼ „Chʼing” als zijn grootsten schat. [126]

De oorsprong, de Sing der dingen is natuurlijk absoluut waar (reëel) en puur. Het eenige, ware leven is dat van de Sing. Ware deze niet „Chʼing,” niet absoluut reëel en puur, dan zou er ook niets reëel kunnen bestaan.

3. Hij, die „Chʼing” heeft, volmaakt niet enkel zichzelf, (maar) hij volmaakt er (ook andere) dingen (en menschen) mede. Het volmaken van zichzelf (is te danken aan) zijn Menschelijkheid.12 Het volmaken van (andere) dingen (en menschen) (is te danken aan) zijn Weten. Deze (Menschelijkheid en Weten) zijn de deugden, (eigen) aan de Sing, en dit is de wijze, waarop het uitwendige en inwendige wordt vereenigd. Daarom, wannéér ook (degene, die „Chʼing” heeft) haar aanwendt, werken zij zooals ’t behoort.

Men herinnere zich dat met menschelijkheid geen humaniteit maar „de volmaakte deugd van het menschelijk hart” bedoeld wordt.

Door menschelijkheid en weten (ál-weten, kennen) is er géén verschil meer tusschen inwendige dingen (van ons zelven) en uitwendige (van anderen). Zie in de Bespreking onder Hfdst. XXII het gezegde van Choe Hie: „de Sing van (andere) menschen en dingen is ook míjn Sing.”

[127]