1 Men versta hier meer onder „geest.” Het chineesche hiëroglyphische karakter voor hart drukt èn hart èn geest uit. Ook wordt het hart beschouwd als de zetel der ziel. 

2 Dit is gelatiniseerd in „Mencius,” zooals Khʼoeng Foe Tszʼ in Confucius. 

3 Zie „Inleiding” blz. 13 over „Kiün Tszʼ.”— 

4 Yen Hwoey was de lievelingsdiscipel van Confucius. 

5 Tszʼ Loe, of Yioe, was een der beste en trouwste discipelen van Confucius, die echter een groote neiging tot strijden had en beroemd was meer om zijn groote dapperheid dan om zijn helder doorzicht. In de „Loen Yü” hooren wij meer van deze discipelen. 

6 D. i. Het heilige Boek der Odes, één der vijf „Kings.” 

7 Dit „wonen” (lett. vertaald) heb ik behouden, daar ik deze chineesche uitdrukking zeer juist vind voor „altijd iets blijven betrachten zonder verandering.” 

8 Men zie vooral tot goed begrip van dit hoofdstuk eerst de „Historische Ophelderingen,” vóór in dit boek. 

9 Zie „Historische Ophelderingen.” 

10 Ouderlievendheid. 

11 Zie vooral Inleiding blz. 8 over „menschelijkheid, Jên”. 

12 Let op blz. 8 (Inleiding) over wat hier met „menschelijkheid” bedoeld wordt. n.l. „de volmaakte deugd van het hart.”— 

13 Ik heb hier Tao onzijdig genomen, waar elders mannelijk, om verwarring met „den Wijze” te voorkomen. Strikt genomen kan het geenerlei geslacht hebben natuurlijk.