MOZES doet zijn offerande en spreekt:
Dwijl Israël ontrukt is uit zijn slaafsche banden,
Zoo stijg' ten hemelwaart ons harte met gesmook
Van dezen altaar, als een liefelijken rook,
Ontvangt o Heer! ontvangt dees heilige offeranden!
Ontvangt dees offerand tot een dankbarig teiken
[425],
Of schoon de teêre mensch mets anders wedergeeft,
Dan 't gene hij (eilaas!) van u ontvangen heeft,
Zijn zwakke sterflijkheid niet
[426] hoogers mag bereiken.
Gij zijt de volheid zelf, de spruitende fonteine,
Die overvloeit van 't goede; o mensch! die niet en hebt
Iet goeds, als tgeen gij uit dees zuiver borne
[427] schept,
En zijt niet van u zelf als stof en asch onreine!
Wat offert gij den Heer? niet anders als den lof der
Oprechter
[428] lippen vroom voor zijn weldadigheid,
't Welk God veel meer behaagt als bok, stier, kalf of geit;
Een dankbaar hart is hem den aangenaamsten offer.
't Is God, die 't al uit Niet heeft door zijn woord geschapen,
Die 't wonderlijk geheel gegeven heeft den eisch,
Gewelfd, gebouwd, gesierd gelijk een schoon paleis,
De stieren hooren hem, de kalveren en schapen.
Niets is er zoo gering, of 't is van hem gevloten,
Hij hevet
[429] al gemaakt;—o, groot is uwen lof!
Die 't al hebt rijkelijk gebouwet
[430] zonder stof,
Zoo gij in uwen raad verholen
[431] hadt besloten.
Heer! dit bekennen wij nog eenmaal met verlangen,
Wat wij op den altaar in vier en vlammen rood
Ontsteken, is gevloeid uit uwen milden schoot,
Ja, hebben ziel en lijf van u, o God! ontvangen.
Den offer komt u toe, die
[432], Heer! verteert tot asschen!
Neemt, dat u toebehoort: den altaar toebereid
Alleene zij 't bewijs van onze dankbaarheid,
Dat gij ons aanschijn van de tranen hebt gewasschen.
Dat ons gemoed u viert inwendig na den geeste,
En dat ons harte brandt, gelijk als in 's vuurs gloed
Op 't heilige gesteent ons offerande doet,
En dat wij we wet betrachten aldermeeste.
Zoo dikwijls als het bloed der bokken zal besprengen
Des altaars hooge plat, zal ik gedenken aan
[433]
Hoe wij de straffe hand uws engels zijn ontgaan,
Waar door gij tzamen ons woudt uit Egypten brengen.
Ik zal gedenken, hoe, om Faraos verdinsten
[434],
Al de eerstelingen van geheel Egypteland
Van menschen en van vee, door uwe sterke hand
Geslagen werden, van den meesten tot den minsten.
En hoe gij ons verlost hebt uit de tyrannye
Van dezen koning, die, om zijn hardnekkigheid,
Met zijnen hoogmoed nu in 't meer begraven leît,
Waar door wij zijn ontboeid van al ons slavernye.
O Heer! bereidt den weg, en trekt nog voor ons henen,
Gelijk gij tot nog toe gedaan hebt goedertier,
Des daags in eene wolk, 's nachts in een vlammig vier,
Waar in gij mij ook zijt op Sinaï verschenen.
Versaagt
[435] voor onze komst de stoute Filistijnen,
Kwetst hunnen preutschen
[436] moed! o Heer, blijft onzen borcht
En onzen schild, op dat wij mogen onbezorgd
Geraken door de dorre Arabische woestijnen.
Op dat wij eindelijk eens mogen triumfeeren
In 't land van Canaän, en dat wij uwe wet,
Uw offeranden daar, rein, zuiver, onbesmet,
En ons beloft voldoen, tot uws naams prijs en eeren.
(Binnen).
's Hemels goedheid, die voorhenen
Ons voorvaders heeft beschenen,
Is hier op 't tooneel herspeeld,
En naar 't leven afgebeeld.
Tijd noch de vergetenissen
Hoort
[437] uit ons gemoed te wisschen
Dees weldaden overgroot,
Neêrgedaald uit 's Hemels schoot.
Doch wanneer wij zien veel milder,
Wat den goddelijken schilder
Hier met naakt afconterfeit,
Raakt dit in vergetelheid,
En vertoont zich veel geringer,
Wanneer ons dit met den vinger
Wijst op 't ware wezen blij
Van dees hemel-schilderij:
Op een grooter weldaad leerlijk,
Die door Jezum Christum heerlijk
Ons zoo rijkelijk beschijnt,
Dat de schaduwe verdwijnt:
Want wanneer de zonne luistert
[438],
't Manen-zilver werd verduisterd,
't Bleekste voor het helderst zwijkt
[439],
't Minste voor het meeste wijkt;
Om den zin hier van te mellen
[440]
D' een wij tegens d'ander stellen:
Nu, het rijk Egypten is
Of beteekent duisternis,
Daar in zware slavernije
Jacob, onder d' heerschappije
Faraonis, met geklag
Droevelijk in boeyen lag:
Maar door 't goddelijk verweere
[441]
Werden zij, door 't roode meere,
Saam verlost uit dees spelonk,
Als den Farao verzonk
Met zijn schilden en zijn zwaarden,
Met zijn ruiters, volk en paarden:
Even lagen wij verstrikt,
Leelijk in ons bloed verstikt,
Onder Satan, Hel en zonden,
In 's doods banden vastgebonden,
Maar door 's levens klaar fontein,
Onzen Zaligmaker rein,
Als Hij in het laatst der dagen
Aan het kruise werd geslagen,
Werden wij, door zijn bloed rood,
Vrij van zond', Hel, Duivel, dood,
Door zijn goedheid vol genaden
Afgewasschen ons misdaden:
Niet verlost, als Jacob, bloot
[442]
Van een tijdelijke dood:
Maar door dezen Samson leeuwig
Vrij van d' Helsche pijnen eeuwig,
Van Gods onverganklijk wee,
Van het zwaard, dat uit der scheê
Boven 't hoofd ons dreigde grammig,
Met den brand des afgronds vlammig.
Israël trok al gelijk
Naar een aardsch verganklijk rijk,
Dat maar voor een tijd mocht bloeyen,
Maar, na ons gebroken boeyen
[443],
Ons de Heere roept tot hem;
In het nieuw Jeruzalem,
Loopt dan, ijverig genegen,
Hebben wij door Christum kregen
[444]
Eenen weg gebaand en plat
Naar de schoone hemel-stad.
Daar dood, ziekte, strijd noch tranen
Gelijk over der Jordanen
[445]
Ons meer zal ontmoeten wreed,
Als 't den Isralieten deed.
Die zoo vlijtig hun
[446] bewezen
In het uiterlijke wezen,
Ook om slachten 't zuiver Lam,
't Welk terstond een einde nam,
Als den godlijken Messias
(Daar den anderen Helias
Zijn verkoren Jongers vroed
Op wees met den vinger zoet,
Alder schatten kleinoodkoffer),
Toen die kwam en zijnen offer,
Als hoog-priester, dede spâ
Op den berg Calvaria;
Toen hij tegens Satan kampten,
Alle priester-dienst en ampten
Eindden met het Paasschen-feest,
Als de Joden jaarlijks meest
Posten, dorpels nog bestreken
Met 's Lams bloede, tot een teeken
Hoe hun God bevrijdde weerd
[447]
Voor den slaanden Engels zweerd.
Voorspel, 't welk ons leert ten besten,
Hoe dat in den alderlesten
Dag der dagen, in 't gericht,
Voor Gods toornig aangezicht,
Jezus Christus ons zal vrijden
Door zijn heilig bitter lijden,
En, met 't rood onschuldig kleid
[448]
Van zijn droeve sterflijkheid,
Ons onrein melaatsche vlekken
Voor des Heeren aanschijn dekken.
Eet dan geestelijker wijs
Nog dit Lam, der zielen spijs,
Met een bitter sausse spijtig;
Ware Israëlieten vlijtig,
Laat de kracht van zijne dood
U nog zijn een hemels-brood!
Weest omgordt, en staat alreede
Om te wand'len na den vrede,
Met den staf, alzoo 't behoort,
Van des Heeren heilig Woord
Opgeschort, omgord op vordel
[449]
Met der liefden band en gordel.
Ook aanmerkt hier algemeen
Dees twee leids-liên der Hebreên:
Mozes (onbespraakt voor Farons
Aanschijn) hoeft des priesters Aronsv
Reden-rijke tonge vocht
[450]:
Doch geen van dees beiden mocht
Isak brengen eindelijken
In Canaäns koninkrijken:
Onder welke schorsse duikt
Als men dezen bast ontluikt
[451],
De onvolkomen zwakheid teder
Van der wet te korten leeder
[452],
Om in 't hemelsch vaderland
Op te stijgen uit den brand,
Uit den brand der zielen zweerdig
[453],
Uit Gods toornigheid rechtveerdig,
Daar ons Christus, als gezeîd,
Heeft behouden uitgeleid.
Want in Christo woont bekwamig
Zelf de volheid Gods lichamig,
't Evangelische verbond
Vloeyet uit zijns wijsheids mond,
Der genaden fontein-ader
[454],
Ons verbidder, bij den Vader.
Israël vertrok op hoop,
Maar voor ons heeft al den loop
Christus 't hoofd van zijne benden
Lang te voren gaan vol-enden,
En met 't kruis getriomfeerd
Boven Hemelen en eerd'
[455].
Laat dit plaatse bij u grijpen,
Laat dit godlijk zaaisel rijpen,
Zoo zal te uwaarts 's Hemels gonst
Vloeyen
UIT LEVENDER JONST[456].