WeRead Powered by ReaderPub
De complete werken van Joost van Vondel. Op de Aankomste van de Koninginne van 't Zuiden te Hierusalem, [etc.] cover

De complete werken van Joost van Vondel. Op de Aankomste van de Koninginne van 't Zuiden te Hierusalem, [etc.]

Chapter 15: Klinkert.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A sequence of devotional and occasional poems treats Christian subjects through lyrical and didactic verse. Recurring motifs include mortality, resurrection, the Last Judgment, Christ's passion and ascension, and Pentecostal inspiration. Several pieces are rendered as psalm-based songs, meditative translations, and liturgical odes that address communal worship moments. The tone shifts between admonition and consolation, urging moral renewal, strengthened faith, and readiness for divine reckoning.

DE
HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS.

Aan de Oudvaderen, Priesteren, Koningen, Profeten, en Helden.

Klinkert.

Oudvadren, uit wiens stronk de stammen zijn gesproten:
Aartspriestren, die 't altaar met vuur en vleesch besloegt:
Gekroonde koningen, die d' heil'ge scepters droegt:
Profeten, die den volk' hebt Gods geheim ontsloten,
En strijdbaar' helden, die met schitterende degens
Den vijand 't voorhoofd boodt, en randden Moab aan
En Ammons ridderschap, en t' huis keerde, overlaân,
Met bloedige trofeên, met zoo veel roofs en zegens:
Duldt, dat mijn Zangeres komt met haar herp verbreên,
Hoe gij geteeld, gesmookt[1], geheerscht, geleerd, gestreên,
En overwonnen hebt; duldt, dat ik mij vermake
En spiegel in uw deugd, en andren mede deil[2]
Al 't geen de Geest beschreef tot nut van 's menschen heil
Op dat elk een met mij in 's Hemels liefde blake.
DOOR EEN IS 'T NU VOLDAAN.

DEN WIJZEN, GELEERDEN EN WELERVAREN HEER
JOHAN FONTEYN,
DER ARTSNIJEN DOCTOR, EN LIEFHEBBER VAN ALLE GOEDE KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN.

Al is het zoo, dat de mensche zich met recht bedroeven moet, en schaamrood zijn aanzicht ter aarden slaan, wanneer hij aanmerkt, hoe vele zwakheden hij in dit leven onderworpen is, zoo dat men met recht, voor zoo veel het lichaam aangaat, alle onvernuftige[3] dieren mag gelukkiger achten, en boven hem stellen: nochtans aanziende, hoe God almachtig zoo velerhande zaden, wortelen, kruiden en andere dingen laat opwassen, om zijn gebreken weg te nemen en zijn wonden te zalven, zoo kan hij wederom moed scheppen, en zich billijk in zijn ellende troosten, gemerkt hij nog raad voor zijne kwalen vindt. En evenwel of de nature jaarlijks zoo veel nutte spruiten uit haren schoot en boezem te voorschijn brengt, zoo waar deze troost nog ijdel, indien God de eeuwen niet doorgaans[4] zegende met kloeke en verstandige genezers, die de ziekten kennen en onderscheiden, en de heilzame artsnije den kranken bekwamelijk toepassen. De oude Heidenen hebben dit, hoewel niet in zijn rechte mate, erkend, wanneer zij kerken bouwden, en als Goden eerden den genen, die in deze hemelsche kunst uitmuntig[5] en den kwijnenden troostlijk waren: gelijk zij, onder andere, Æsculapius als een God hebben aangeroepen, die zelf te Rome zijnen tempel hadde, en van wie gezegd wordt, dat hij de bleeke schimmen ter Hellen uit dede komen. Indien wij hedendaags ook tot die blinde afgoderije geneigd waren, wij zouden lichtelijk mede in dat gebrek vervallen: want onze eeuwe is zoo ongelukkig niet, of wij zijn gezegend met uitnemende verstanden, die in deze Goddelijke wetenschap uitsteken; en zoo het ons als den Grieken geoorloofd waar, de waarheid met versierde[6] sprookskens te bewimpelen, en onder de schorse van gedichte fabelen te verbergen; wij zouden mogen voortbrengen[7], hoe in Holland, omtrent den Amstel, een Fontein gevonden wordt, die door hare springaderen zoo heilzame druppelen uitwerpt, dat ontallijke kranken, die ze smaakten, haar verloren gezondheid weder gevonden hebben. Wat dit gezeid is, kan een ieder licht vaten[8], die den raad gebruikt en de hulpe genoten heeft van uwe E., die deze loflijke stad een Fontein van heilzame artsnije verstrekt, en die billijk moogt gerekend worden onder het getal van die gene, daar de geleerde Tomas Garzon af getuigt, "che per invidia de' loro nomi da se stessi chiari e famosi, piu che non sono i raggi di Febo à mezo giorno[9]." Zoo dat wij, overwegende de ontvangen diensten en weldaden, ons licht aan uwe E. zouden vergrijpen, ten ware dat wij God erkenden te wezen de eerste oorzaak en borne[10], van dewelke alle goede gifte ende alle volmaakte gave is afdalende: die ook de sterflijke menschen als werktuigen tot zijns naams eere bezigt. Waarom wij dan naast de Alderhoogste met recht de zulke, om der kunsten wille, in haar behoorlijke mate eeren, en in weerden houden. Hetwelk mij ook veroorzaakt, deze mijn Helden Godes uwe E. op te dragen: waar toe mijn Zangeresse gantsch geneigd is, overmits uwe E. de dichtkunst met een lieflijk gemoed omhelst, ook somtijds uit lust oeffent: zoo dat uwe E. zeer gevoegelijk evenaart met[11] de voortreffelijke Erotimus[12], daar de hoogdravende[13] heer Torquato Tasso, in het elfde gezang van zijn Gierusalemme Liberata, aldus af[14] zingt:

En d' oude Erotimus[15] alreê van Padus[16] vliet
Zich tot 's gekwetsten troost met vlijt gebruiken liet:
Die van het heilzaam nat, van planten, en van kruiden
't Gebruik verstond, en wist elks krachten te beduiden,
En had de gunste nog der Muzen op zijn zij,
Doch met de minder eer vernoegd was van artsnij;
De kwijnend' hij den dood alleenlijk zocht t' ontschaken,
En veler namen hij onsterfelijk kost maken.

Ontvangt dan, jonstige en konstige Fontein! zulks als ons de Hemelsche Fonteinader gejond heeft, en blijft zoo genegen om de kranke lichamen op te helpen, als zij wel ernstig aanhouden, om uwe hulpmiddelen te genieten, en leeft langer als wij wenschen dorven.

T' Amstelredam, den 11. van Sprokelle[17] 1620.

Uwe E. en A. dienstschuldige
I. V. VONDELEN.

AAN DEN
OPMERKENDEN EN VERSTANDIGEN LEZER.

Die, een kwaad voorschrift nabootsende, wat goeds waant te maken, is verre verdoold. Een goed leerling moet dan noodwendig op een goed voorbeeld steroogen[18]. Zoo gaat het in menschelijke kunsten en wetenschappen: zoo ook in heilige en Goddelijke oefeningen. Hier zijn voor al goede voorgangers van noode, om geen slimme[19] gangen te gaan. De alderbeste en veiligste zijn schriftuurlijke, en zulke die de Heilige Geest heeft doorluchtig gemaakt: 'twelk zijn de Heiligen des ouden en nieuwen verbonds. Die van 't oude verbond brengen wij hier, als op het tooneel, voor eerst te voorschijn. Geen ware Godgeleerde zal ons hierom met donkere wijnbrouwen[20] stuurs aanzien: want wij doen effen[21] het zelfde, dat de Godgeleerde schrijver tot den Hebreën al over lange dede, als hij (aanmerkende, dat al wat voorhenen geschreven, ons tot leeringe nagelaten was) de Vaderen des Ouden Verbonds optelde, en haar heerlijke daden elk in 't bijzonder den geloovigen Kristenen op het rijkste voor oogen schilderde, en, als een goed huisheere, niet alleen nieuw, maar ook oud uit zijn trezoor voortbracht. Hier over was hij zoo weinig te berispen, als Kristus, zijn Meester, die hem op dusdanige wijze was voorgegaan. Wil men ons voorwerpen[22], dat men de voorbeelden des ouden en nieuwen verbonds met onderscheid moet aanmerken: dat wij de Heiligen, die vóór en onder de wet leefden, moeten navolgen alleen in 'tgene, daarin zij ons als navolglijke voorbeelden zijn nagelaten: zulks staan wij toe, en dit heeft ook de gedachte schrijver omzichtig aangemerkt, als eener[23], die wel verstond, dat de wet door Mozes gegeven, maar genade en waarheid door Jezus Kristus geworden was: dat de wet de schaduwe van toekomende goederen, en niet het beeld der dingen zelve behelsde. Hier most gewisselijk op gepast[24] zijn. Die dat niet dede, zoude lichtelijk een mengelmoes van de Wet en het Evangelie maken, en een verboden Mozaïsche, met een geoorloofden Kristelijken Godsdienst te zamen smelten. Nu in Kristus' dood het voorhangsel des tempels gescheurd is, weten wij, dat de donkere schaduwen des wets voor het licht van de Evangelische waarheid wijken moeten: dat de vergaderinge der geloovigen niet alleen te Jeruzalem, maar aan alle oorden der wereld heilige handen tot God mag opheffen. Kristus, des wets einde, jont[25] alle dingen een ander aangezicht[26]. In hem is het oude vergaan, en het is al nieuw geworden. Zie ik den eersten aardschen Adam gevallen, ik gedenk aan den anderen hemelschen, die door zijn volkomen en onbevlekte gerechtigheid den gevallen mensche, volgens zijn gedane belofte, wederom heeft opgerecht. Zie ik Abraham al bestorven het mes trekken, om zijnen eenigen Izaäk te offeren: mij schiet in den zin, hoe God de Vader de wereld alzoo lief gehad heeft, dat hij zijnen eenigen Zone gaf tot den smadelijken dood des kruises, en ik verwonder mij beide over Gods vaderlijke liefde tot het menschelijk geslacht, en Jezus' kinderlijke gehoorzaamheid neffens zijnen Hemelschen Vader. Verneem ik, hoe Jozef in Egypten op den troon der eeren[27] zit, om gedurende de gezegende oogsten te voorzien tegen de aanstaande onvruchtbare tijden: zoo word ik gedachtig, hoe Kristus ter rechterhand zijns Vaders zittende is verheerlijkt, en tot een hoofd der gemeenten gezalfd, om te waken over zijn strijdende Kerke. Leidt de oude Wetgever, Mozes, Israël uit Faro's slavernije: Kristus, de nieuwe Wetgever, voert zijn volk uit der zonden dienstbaarheid, en het geweld des Duivels. Gaat Aäron in het alderheiligste wierooken: Kristus, onze warachtige Hoogepriester, niet door bokken of kalveren, maar door zijn eigen bloed, offert hem zelven zijnen Vader tot eenen zoeten reuk, en verschijnt voor ons in den Hemel voor het aanschijn van Gods onverdraaglijke[28] Majesteit. Zoo de Israëlieten haar van Jozua, Gedeon, Samson, en andere, als van hare Verlossers roemen: wij beroemen ons van den Heiland aller menschen, hetwelk[29] Jezus Kristus is. Keert David al bebloed en zegenrijk, met roof overladen, van den slag der kinderen Ammon: Kristus, onze geestelijke koning, met het kruis overwonnen hebbende, vaart met veel heerlijker trofeën de poorten in van het nieuwe Jeruzalem, en wordt gewillekomd[30] van veel duizendmaal duizend Engelen en Hemelsche Heerscharen. Verwonderen haar de Israëlieten over Salomons wijsheid en heerlijkheid: Kristus, de wijsheid Gods, heeft schoonder luister, en zijn glorie en majesteit verdonkert de eere van Davids nazaat. Hebben de Joden veel Profeten tot onderwijzers en leeraars: wij luisteren naar eenen grooten Profeet en Leeraar, die ons van den Vader uit de wolken bevolen wordt te hooren, en op wiens brein de driemaal heilige Geest, als een zuiver duifken, heeft gerust, doen zich den Hemel opende. Wederom vermaant mij Abel tot oprechtigheid: Melchisedech tot rechtveerdigheid: Loth tot gastvrijheid: Abraham en Izaäk tot gehoorzaamheid: Jacob tot ootmoed: Jozef tot kuischheid: Mozes tot zachtmoedigheid en getrouwigheid: Jozua en Caleb tot standvastigheid: David tot vurigheid en dankbaarheid: Salomon tot godzaligheid: Micha tot vromigheid: Hiob tot geduld: Tobias tot godvruchtigheid, &c. Hebben deze Goddelijke helden en Hemelsche fakkelen eenige deugden met malkanderen gemeen, gelijk zij doen: zij zijn ook door d' een of d' ander deugd van den ander onderscheiden. Elk in 't bijzonder munt in iet wat bijzonders uit: gelijk kostelijke steenen, peerlen, en diamanten, die, alhoewel ze te zamen dierbaar en van uitnemende weerde zijn, nochtans ergens in, door zekere schoonheid, verwe, glans, of maaksel onderscheiden worden, en gelijk de sterren in 't voorhoofd des blinkenden hemels, die, schoon zij te gader licht en helder zijn, nochtans in glans en klaarheid ook in grootheid verschillen. Hier hebdy de Vaderen, uit wiens lendenen zoo doorluchtige stammen gesproten zijn, en die op de Goddelijke beloften gesteund hebben. Hier ziedy de Priesteren, die God naar zijn eeuwige wijsheid, als met zijn hand, gekleed en gecierd heeft. Hier aanschouwdy de helden, wien God zelf het mes heeft op de zijde gegord, en die met haar vromigheid ons tot den geestelijken strijd opwekken. Hier pronken de koningen, die, met balsem overstort, het haar met gulde kroonen dekten, en met de rechterhand de beperelde rijksstaven zwaaiden: en hier hoordy de Profeten, door wiens mond de Geest des Heeren heeft getrompettet de komst van de beloofde Messias. Dit zijn de Koningen, Priesteren, Heiligen, en Profeten, die met gerekten halze hebben uitgezien, en verlangd naar den grooten Zaligmaker des menschelijken geslachts. Dit zijn de lichtende tortsen, die van het warachtige licht getuigden, hetwelk verlichten zoude al, die in de duisternisse en schaduwe des doods zaten. Zij al te zamen verstrekken ons een groote wolke van getuigen. Het geloove draagt moed op deze overwinners, die zoo gelukkig onder haar baniere gekampt hebben. De een is om zijn Godbehagelijke offerande zijns broeders roof geworden, en heeft, zijn bloed onnoozel en onschuldig uitstortende, den Hemel de wrake bevolen. De ander heeft in een godlooze stad, onder een Godvergeten volk zoo met zijnen wandel gelicht, dat hij alleen met zijn twee dochters weerdig is geacht, Gods vlammende toorne te ontgaan, en van de Engelen uit den brand gerukt te worden. De een heeft, God vertrouwende, een gewillige ballingschap aangenomen, en zijn eenig weerdste pand niet ontzien den Heere op te offeren. De ander, in zijn bloeyende jeugd, wilde zich niet ontzuiveren met zijns heeren beddegenoot, al was het dat ze hem, met haar uitnemende schoonheid en smeekende woorden, daar toe vleide en aanlokte. De een heeft een weeldig paleis en prachtig hof, en het goud van de Egyptische kroonen en troonen versmaad, en zijn dagen pijnelijk in de woestijne met veel ongemaks onder een halstarrig volk gesleten. De ander heeft, als er veel duizenden wantrouwden, op Gods toegezeide beloften onwankelbaar gesteund, en eer door het vertrouwen, als door het zweerd machtige en geweldige koninkrijken veroverd, en Israël den buit van de verbannen Heidenen uitgedeeld. En zoo voortgaande van persoon tot persoon zouden wij ten leste blijven staan, als voor het voorhoofd geslagen, aanmerkende wat het geloove al in deze helden gewrocht heeft. Maar het zal ons genoeg zijn, dat wij eenige hebben aangeroerd, op dat de lezer merke, wat nuttigheid het toebrengt, wanneer men met aandacht overweegt het leven der heiligen: hetwelk als eenen stok is, zeer gedienstig den genen, die als pelgrims naar het nieuwe Jeruzalem wandelen: een heilzame artsnije voor alle flaauwigheid des gemoeds: eenen spiegel om der zielen[31] vlekken te kennen: eenen onfeilbaren wegwijzer in alle omwegen van des werelds doolhof: eenen vermakelijken lusthof voor den inwendigen mensch: een verkwikkende springende borne voor heilgeerige herten: een schole voor de onervarene: een licht voor alle blinden. Lijdt iemand onschuldig: hij troostte zich met Abel. Waarschouwt iemand te vergeefs: hij gedenke aan Noach. Woont iemand onder de godlooze: hij lichte met zijn leven, als Loth. Is iemand vreemdeling: hij verzel zich bij Abraham. Wordt iemand van de geblankette wellust aangelokt: hij houde zich aan Jozefs schouderen. Verlaat iemand noode dees aardsche glorie en vergankelijke schatten: hij lette op Mozes' voorbeeld. Drukken u ellenden en rampspoên: zijt geduldig als Hiob. Vervolgen u dienaren van afgoden en tyrannen: blijft getrouw, als Daniël &c.; ziet eens, hoe groote rijkdommen en dierbare kleinodiën hier schuilen! Opdat wij ons dan te beter zouden mogen spiegelen in het leven van de uitstekendste schriftuurlijke Heiligen des Ouden Verbonds, zoo hebben wij haar aller wandel kort in rijmen begrepen, en ons zelven zoo vermakelijk als stichtelijk geoefend: en om zulks te bekwamer voor te stellen, deden wij haar, als of ze zelve leefden, spreken per prosopopœiam, of personeerings[32] wijze. Dat ze haar somtijds in een derde persoon laten hooren, geschiedt om eenige aangename verandering bij te brengen. Laat ons dit niet euvel afgenomen worden. Gebruiken wij ook somtijds eenige geoorloofde dertelheid of poëetsche vrijheid: rekent ons zulks niet tot zonde. Het welk geschiedende, lezer, en zoo wij vernemen, dat u onze geringe arbeid gevalt, zullen veroorzaakt zijn[33], d' een of d' ander tijd, de Helden des Nieuwen Verbonds aan den dag te brengen. Vaart wel.

Klinkert.

Och! of 't geoorloofd waar te dansen met de reyen
Der heil'ge zielen, die der hemellieden spoor
Navolgen en God lof toejuichen, in het koor
Des hoogen Hemels, wijd van droefheid afgescheyen:
Hoe zou de Geest, van 't lijf ontslagen, gaan verbreyen
Des allerhoogsten roem, en, met een heldre stem,
Hem zingen in de kerk van 't nieuw Jeruzalem,
En volgen met zijn keel der Engelen schalmeyen:
Maar overmids ik hier, nog vremdeling, beneên
Moet zuchten, eer ik mag het Heiligdom betreên,
Dat onz' hoogpriester heeft geopend voor ons allen:
Zoo offer ik u, Heer! der gener wandel, die
Ik, in 't gewijd pampier uws Geest[34], uitmunten zie:
Laat u den leegen toon uws dichters doch gevallen!
DOOR EEN IS 'T NU VOLDAEN.

ADAM,
DER VADEREN VADER.

1 Cor. 15.

Want gelijk zij alle door Adam sterven: alzoo zullen wij alle door Kristum levendig worden.

Ziet hier een klomp, gezield naar 's Hemels beeldenissen:
Die, om gehouwd te zijn, most fluks een ribbe missen:
Die, geeuwende uit den droom ontsprongen, d' eerste dag
Zijns levens voor hem staan zijn hertslieve[35] Eva zag.
Hij riep (doen schaamrood zij ontzag te komen nader):
"Mijn bruidjen! treed vrij toe; wij twee zijn doch te gader
Een zelve vleesch en been. Manninne, zijdy daar?
Is 't u te wil? zegt ja; zoo is ons houwlijk klaar."
"Ja, ja!" riep d' eerste maagd, "laat ons de bruiloft vieren,
En de Eng'len noôn ter feest, de voglen, en de dieren."
De bruigom nam zijn bruid, den Schepper zong men prijs,
Men hield er open hof in 't weeldig paradijs.
Maar och! 't en leed niet lang, 't oud Slangevel bezeten[36]
Bekoorde 't jonge Wijf met zotte lust, om t' eten
Van 't korts verboden fruit, om toetsen goed en kwaad,
En Adam, onbedacht, volgt heilloos 's vrouwen raad.
Daar lag een huis!—helaas! uit was 't met al haar weelde,
Zoo fluks begeerlijkheid vernoegd de zonde teelde.
Men weefde 'r vijgeblaân, men school er onder 't lof,
Doen God zijn donderstem liet hooren in den hof.
't Onsterf'lijk boomgroen meer hun haar niet mocht beschimmen[37]:
De gaarde wierd bewaakt van een der Cherubimmen[38]:
Der Vadren bestevaâr[39], in zweet en ongemak,
Most d' akker ploegen, die met doornen van zich stak:
En 's werelds moeder, laas! met duizend smerten tevens
Haar kindren brengen voort in 't bange licht des levens.
Het ongelukkig paar, in d' oogst van zoo veel weên,
Vlood met 't gemoed van de aarde, en bouwde d' hope alleen
Op 't heilig vrouwenzaad, dat haar en haar zaads smetten
Afwasschen zoude, en eens 't Serpent den kop verpletten.

ABEL,
DE EERSTE MARTELAAR.

Heb. 11.

Door het geloove offerde Abel Gode een beter offerande als Caïn, door de welke hij betuigd is rechtveerdig te zijn, dewijle God over zijne gaven getuigenisse gegeven heeft: ende door dit zelve spreekt hij nog, hoewel hij gestorven is.

Onnoozel was mijn hert, dies gretig ik beschudde
Voor 's bijtwolfs achterkies, mijn makke, onnoozle kudde,
Terwijle Kaïnbroêr omwroette met den ploeg
Zijn akker, die hem nooit betaalde pachts genoeg.
En wetende, dat ik verplicht was lof te geven
Hem, die mijn vliezen[40] 't gras dede aan de ribben kleven,
Ik Kaïn voorhiel of, als ik mijn lammren-dracht,
Hij d' eerstlingen zijns oogsts ook t' off'ren was bedacht?
Ik had gehoor; wij twee eenmoedig[41] ons verspraken[42],
En deên ons giften op een tweeling-heuvel blaken:
Mijn vuur golfd' hemelwaart, zoo dede ook 's offers smook,
Maar hem bedekte een wolk van neêrgeslagen rook.
Waarom, van gramschaps brand in 't aangezicht ontsteken,
Hij met een stuursch gelaat schiet van mij, zonder spreken.
Ik zuchtte, ik was begaan, en van veel weenens nat,
Omdat ik 's Broeders haat op mij geladen had.
Ik bracht hem een geschenk van lammren zonder smetten,
Op hope om zijnen wrok en piek[43] wat te verzetten;
Dan ach! 't was al vergeefs. Een wijle tijds geleên
Hij mij gemoette op 't veld, geliet hem wel te vreên,
Hij bracht me, ik volgd' hem op een onbetreên passagië,
Benoorden sloegen wij in 't droefst'[44] van een bosschagië,
Die van de voglen nooit gegroet was noch bekend,
En daar tot nog toe nooit kwam mensch noch vee omtrent:
Hij, op zijn luim, als hij zijn tanden had doen knersen,
Een groote keisteen greep, en bliksemde mijn hersen
Met zeenwen[45] uitgerekt: ik sneuvelde, en ik viel,
En zoo ik mij nog repte, hij, met zijn slinker hiel,
Den krop mij worgde toe; daar lag ik zonder sprake,
Het bloed ten monde uitvlood, dat d' Hemel liet de wrake
Van d' eerste broedermoord bevolen; mijnen geest,
Ontschakeld van het lijf, was d' eerste, die ter feest
In 't koor der zielen kwam, en, daar in grooter weerden,
Den broedermoorder hier liet balling op der eerden.

SETH,
DE GODVRUCHTIGE.

Gen. 5.

Seth was honderd en vijf jaar oud, en genereerde Enos, en leefde daar na acht honderd en zeven jaar, en genereerde zonen en dochteren, dat zijn gansche ouderdom werd negen honderd en twaalf jaar, en sterf.

Mijn moeder vond haar ziel doorregen met een sabel[46]
Van droefheid, als zij rook[47], hoe deerlijk haren Abel
Had Kaïns haat bezuurd. "O!" riep ze, "dat valt zwaar,
Te hebben opgezoogd een broedermoordenaar!
Ach, Abel! Abel, ach! wat is u wedervaren?
Wat droom ik al van moord met opgesteken haren!
Had God dan met een eed verzworen en ontzeid,
Te nemen in zijn scherm uw zoete onnoozelheid?
Gaat hij, in 's vromen nood, zoo licht zij u aanschijn wenden,
Dat hij, zoo snooden schelm zoo heilgen ziel laat schenden?
Heeft Abel dan om zunst[48] hem dagelijks gerookt,
En al de rotsen hieromtrent haar kruin verschrookt?
Of was hij achteloos te knielen en te buigen?
Neen, d' heilige assche, alsins verwaaid, kan nog getuigen
Van zijn Godsdienstigheid; en of hij is vermoord,
D' een klippe zegget[49] steeds aan zijnen nabuur voort." &c.
Dus klaagde de arme vrouw, tot dat verstreken waren,
En zij bereiken mocht een eeuwe en dartig jaren:
Doen knikt' haar d' Hemel toe, die, in zoo bangen nood,
Haar zwangerde, dat zij mij teelde uit haren schoot:
"Nu hebbe ik," sprak ze, "nog naar wensche een vrucht verworven,
Die wekken zal hetgeen met Abel was gestorven;
Een zoon, die, vroom en goed, het goed van 't kwade schift,
En Kaïns boosheid zij een rechte tegengift;
Een zoon, wiens vroomheid zal bekeeren de alderboosten,
En 's moeders hert, gemat van droefheid, eindlijk troosten."

ENOCH,
DIE 'T GRAF VERSMAADDE.

Eccles. 44.

Enoch behaagde den Heere wel, en is weg genomen, op dat hij der wereld een vermaninge ter boete ware.

Mijn meester Seth 't gezet[50] des Hemels op mij entte,
En Gods geheimwet in mijns herten tafel prentte,
En goot mij in 't gemoed een Goddelijken reuk,
En perste mij, zoo dat mijn ziel van jongs een kreuk
Behield van vreeze Gods, die zoo heeft toegenomen,
Dat mijne wandel strekte een spore d' andre vromen:
Die, weinig in getal, schier wierden afgemat
Van Kaïns boosheid, die het heilig zaad vertrad.
Ik, speurend' hoe hij gaf Godvruchtigheid ten roove,
Met Seth oprechten hielp den standaart van 't geloove,
Met ongel en laauw bloed des altaars plat beslaan,
En met gebeên om hoog naar 't sterrenwelf opgaan.
Van waar de driemaal groote en heiige God der Goden,
Mij ziende groeyen in veel deugden ongeboden[51],
En hoe mijn lijf mijn ziel strekte een gewijde kerk,
Dat veel te zuiver achtte, om dekken met een zerk:
Dat veel te weerdig schatte, om van de dood verbolgen
Te zijn verbeten, en van 's kerkhofs keel verzwolgen.
Waarom ter aarden hij een vuurge wolke boog,
Waar in hij mij, als in een koets, ten Hemel toog:
Van waar het sterflijk volk gejond wordt nog van verren
Te aanzien mijn oogen, niet meer oogen, maar twee sterren;
Twee sterren, daar ik mede aanschouwe 't schoon aanschijn,
't Schoon aanschijn Gods met opgeschovene gordijn;
Gordijn, die hindert[52], dat de sterfelijke menschen
Niet zien het geen ik zie, met eindelooze wenschen.
O licht! o, dag! o schoon! o doel! o weelde! o vreugd!
Wanneer zal u de rest der heilgen zien verheugd?
O mann'[53], zon, spel, bloem, troost! wanneer, in 's Hemels stoelen,
Zal u elk smaken, zien, aanhooren, ruiken, voelen?—

NOACH,
D' OUDSTE SCHIPPER.

Heb. 11.

Door het geloove Noë van God vermaand, van het gene dat men nog niet en zag, vreesde, en maakte de arke tot zijns huisgezins behoudinge: door de welke hij de wereld oordeelde, en is der gerechtigheid, die na den geloove is, erfgenaam geworden.

Hoe 't menschelijk geslacht meer wies, meer wies de boosheid:
De wereld wierd een poel vol stanks en goddeloosheid.
De jonff'ren snoerden op met goud hun[54] gouden haar:
En timmerden[55] haar pruik met transen wonderbaar:
Haar halzen, blank als sneeuw, zij preuts en opgeblazen
Omkransten, mars op mars, met kraauwels portefrazen[56]:
Haar roô fluweele keurs sleepte als een achterswans[57]:
Haar lendenen omgordde een ronde toren-trans:
Zoo gingen zij op 't goud van haar ermboeyen[58] snurken[59],
En zooltjes geborduurd, al krakende van 't kurken[60]:
En pronkten, dag op dag, als poppen toegemaakt,
Zoo lang[61] der heilgen jeugd wierd met haar min geblaakt,
Gevangen en verlokt; help God! ik zag 't te voren,
Wat wierd uit 's werelds echt een godloos zaad geboren!
Veel snooder noch als 't eerste. Ik predikte, maar laas!
Zij sloegen 't in de wind; zij riepen: "arme dwaas!
Gaat razen naar uw ark, zoo zuldy niet bedruipen
Van 's pekels overloop, als wij te hoop[62] verzuipen."
Men dronk, men klonk er steeds, men hieldet al voor boert',
Ter tijd, in mijn gesticht[63], van alles wat zich roert
Ik huisde paar bij paar, en die van mijnen zade,
En aan mijn zaad verknoopt[64], ik meê te vluchten raadde.
Den Hemel stelde fluks zijn sluizen op altoos,
Tot ik der bergen kruin uit mijn gezicht verloos.
Den naam des Heeren wij geherbergd hier aanriepen,
Tot, 's Hemels toorn, gekoeld[65], de stroomen weêr verliepen,
En 't groote galioen, ontslagen van het nat,
Zijn bodem stiet en strandde op 't hoofd van Ararat:
Daar legrende tot dat, van boven aangesproken,
Wij op 't bemost altaar deên onzen offer smoken,
Die d' Hemel zoo geviel, dat hij, met heilige eên
Zwoer, met geen zendvloed[66] meer het aardrijk te vertreên;
En, tot verzeegling ons te hoên van zulk verderven,
Hij in de wolken spande een boog van duizend verven.

MELCHISEDECH,
DE KONINKLIJKE PRIESTER.

Heb. 7.

Deze Melchisedech was koning van Salem ende des alderhoogsten Gods priester, de welke Abraham te gemoet ging, als hij weêrkeerde van den slag der koningen, en zegende hem.

Wie dat mijn vader was en moeder, ik verholen
In donkre nachten laat 't geheimenis bevolen:
Doch roemen derf ik wel, dat Salem voor gewis
Mij danken mag, dat zij een stad geworden is:
Doen ik de kruinen eerst wist van dees heilge rotsen
Fraai op te tooyen, en met steen-werk op te botsen[67].
Doen ik dees heuvlen huwde, en gordde met een muur,
Opdat voor 't uitheemsch staal en 't eislijk oorloogs-vuur
Mijn burcht mocht zeker zijn, en 't arme volk in vreden
Zijn dorpels onder mij gerust en veil[68] betreden.
Maar of 't u vreemd scheen, dat ik kroon en myter voer
Op mijnen schedel, dien nooit vlijm noch scheermes schoer,
Ik antwoord: dat God zelf, van zijn gewelfde woning,
Mij tot zijn priester zalfde en kroonde tot een koning.
Mijn heiligheid oon[69] vlek d' aanstaanden priestren laat
Vrij dienen tot een lamp in haar gewijde staat.
De Goden, die het haar met goud en peerlen eeren,
Laat vrij rechtveerdigheid van mijnen schepter leeren.
Nooit hebbe ik op 't altaar gevuurd[70] met valsche schijn:
Nooit kreukte ik iemands recht, maar gaf een ieder 't zijn.
En uit dit vroom gemoed ik brandde naar d' oprechten:
Waarom, zoo haast ik hoord', hoe Abram met zijn knechten,
In boersche onordening, de dwingelanden van
't Groot Syriën trof aan, en overviel bij Dan:
Met brood en wijn verzorgd ik hem en Loth ging tegen,
Uitbreyende over haar mijn priesterlijken zegen.
Wie met zijn ooge in mijn aandachtig aanschijn speelt,
Ziet, hoe Melchisedech zoo levendig afbeeldt
Een hooger priester, wiens beginsel Goddelijker
Bereiken niemand mag met een veerziende kijker:
Een koning, die ontving een schoonder diadem,
En zijnen troon beschaâuwt[71] in 't nieuw Jeruzalem.

LOTH,
HET ZOUT VAN SODOMA.

Sap. 10.

De wijsheid verloste den rechtveerdige, doen de godlooze omkwamen, doen hij vlood voor het vuur, dat op de vijf steden viel.