[57] Germ. voor staart.
[58] Anders armbanden.
[59] snoeven.
[60] Thans kurk.
[61] Versta: tot dat, en verg. reeds vroeger.
[62] allen te zamen.
[63] De ark.
[64] Anders verknocht, waarmeê het slechts in scherpte van uitspraak (verknoft voor verknopt) verschilt.
[65] Gallicisme voor: nadat gekoeld was.
[67] sieren (verg. boetseeren).
[68] Thans veilig.
[69] zonder, zie vroeger.
[70] het vuur ontstoken.
[71] D. i. verdonkert.
[72] voorzag in, vergoedde.
[73] Germ. voor met.
[74] Anders op 't nipje.
[75] Voor te vlieden.
[76] Gall. voor na 't ombrengen, enz.; verg. boven.
[77] verpleegden; verg. 't Hoogd. aufwarten.
[78] Voor regel, orde.
[79] merk, teeken (door de besnijdenis).
[80] Thans ééne.
[81] Rijmshalve voor dooden.
[82] wrocht, werktet gij.
[83] onderhoorig.
[84] vaardige, vlugge.
[85] Voor de leep-oogige Lea.
[86] Gelijk nog in de spreektaal voor ophield.
[87] tot.
[88] speurden, bespeurden.
[89] hals (naar de oorspronkelijke beteekenis van 't woord).
[90] Germ. voor kan.
[91] Voor bedacht, beraden.
[92] Nam. Potifar.
[93] Voor sponde.
[94] alles.
[95] Zoo lees ik voor van, dat geen zin geeft.
[96] Voor den troosteloozen oude.
[97] veilig.
[98] herderstaf.
[99] Voor hij; verg. vroeger.
[100] Thans tot bakte verzwakt.
[101] Platweg voor Booze, Satan of derg.
[102] Voor den begroeiden berg-kruin.
[103] schitterend.
[104] Voor vonkelen.
[105] voorhoofd.
[106] Thans linnen.
[107] Hier in goeden zin voor uitsteek, mij verhef.
[108] Thans ziel.
[109] vroeger.
[110] achter-over, omver.
[111] ijlings, plotseling.
[112] Thans lachte.
[113] koppiger.
[114] bedwelmd, versufd.
[115] hoerenkot.
[116] doorsneed, ontlijfde.
[117] Min gelukkig voor doortrokken.
[118] verdorven.
[119] keur.
[120] Voor saprijke.
[121] Waarop hij namelijk gedragen werd.
[122] hielp het.
[123] beenderen (voor vastheid).
[124] Voor bezweken.
[125] bevrijdde (als "vrijstad des doodslagers" waartoe het (Jos. XXI. 11) gemaakt werd).
[126] wandelvlak, -plaats.
[127] Voor d', door de voorafgaande p verscherpt, en dus schijnbaar onzijdig van vorm; verg. vroeger op feest en venster.
[128] kon er.
[129] Behoort natuurlijk bij 't eerste de zon, en mag niet, met Van Lennep, tot de maan gebracht worden.
[130] Dien van Nazareth.
[131] Voor die, alsof er heer stond.
[132] Zie acht regels vroeger, waar 't onderwerp van deze te lang afgebroken zinsnede gevonden wordt.
[133] uit de scheê.
[134] Rijmshalve verkort voor Nazireër.
[135] Voor scherer, scheerder.
[136] lief.
[137] kwam duur te staan.
[138] Voor toorn.
[139] Germ. voor staart.
[140] springfontein.
[141] verliefd, verzot.
[143] hersenpan, hoofd.
[144] Gall. voor nadat mijn hoofd (van haar) ontlast was.
[145] Filistijn.
[147] verdraaiden.
[148] te vergeefs; zie vroeger.
[149] Thans beul; zie vroeger.
[151] voorhoofd.
[152] den plompen kop.
[153] Thans in de hitte.
[154] Dood.
[155] huisvestte.
[156] Voor daarna.
[157] de lippen.
[158] de Bijbel; zie boven.
[159] (doen) smeulen.
[160] Voor levensbedrijf.
[161] te doen kwijnen, vergaan.
[162] verholen.
[164] Min gelukkig voor volmaakte.
[165] Spreek uit bie, naar de gewoonte van den tijd.
[166] den roem.
[167] vleyen; zie vroeger.
[168] geef (gelijk nog in de taal van 't gemeene leven).
[169] maakte, veroorzaakte.
[170] wellustkittelingen.
[171] vat.
[172] Anders, met klankverdunning, doodsnik.
[173] Voor reis.
[174] even.
[175] Naderhand.
[176] streng (hier meer rijmshalve geplaatst).
[177] opwekte uit den dood.
[178] schillen, vezels; verg. de spreekwijs van de schillen, die van de oogen vallen.
[179] brouwsel, spijs.
[180] verliet.
[181] drijvend.
[182] Verouderd voor zeer.
[183] verblind.
[184] midden; zie vroeger.
[185] verscheiden.
[186] Voor nederlaag.
[187] Thans slaat.
[188] Op min aangename wijs voorzeker, versta: treft.
[189] Germ. voor sameet of fluweel.
[190] gereinigd, afgelikt.
[191] gestold.
[192] inslikken.
[193] Die van haar venster.
[194] als vrije erkent.
[195] Lees: t' Jafo.
[196] Voor rillen.
[197] (te berge) deed rijzen.
[198] opslokken.
[199] bewogen, ontroerd.
[200] dat er.
[201] bewegen.
[202] Anders Medië; verg. vroeger.
[203] 't Is met school, als met venster, feest, beest, enz.; verg. vroeger.
[204] bezoedelden.
[205] zuiverde, schoon veegde.
[206] vergruisden, verstuiven deden; zie vroeger.
[207] verklaren.
[208] Rijmshalve, maar min gelukkig, voor verdonkerden, verouderen deden.
[209] niet.
[210] uitgeblonken.
[211] Thans waartoe.
[212] Met de afsluitende s, die er in de volkstaal nog steeds achter gehoord wordt, en in doorgaans, volgens, trouwens, enz. algemeen aangenomen is.
[213] veêr, vleugel.
[214] misdrijven.
[215] Gelijk vroeger, voor zeer.
[216] 't ontzagwekkend aanzien.
[217] Prediker Gods.
[218] Rijmshalve, maar anders minder juist, voor halsstarriger.
[219] Cyrus.
[220] vergruizen.
[221] Thans zich.
[222] verklaard, geuit.
[224] nooden, uitnoodigen.
[225] Voor verstrooide of zich verstrooyende.
[226] Gallicisme voor dien.
[227] onreine spijs.
[228] wijzen.
[229] afleidden.
[231] Voor onaanzienlijke veste.
[232] verwoesting.
[233] Voor gebouwd; verg. vroeger.
[234] Thans veranderd voor verschuldigde; zie vroeger.