NOTEN
1
[1] Een kleine stad in West-Vlaanderen.
[2] De ridders droegen dit kleed over hun harnas. Het daalde slechts tot bij de knieën en was zonder mouwen, van zijde of van gouden laken gemaakt. De wapentekens en zinspreuken der ridder waren op hetzelve, voor de borst, gewrocht.
[3] Een ridder van die tijd had de volgende wapenrusting:—Een ijzeren helm of stormhoed, met of zonder vederbos, een ijzeren harnas, handschoenen van dassenleer, op het bovenste gedeelte met ijzeren schelpen bedekt. IJzeren platen op benen en billen, een schild of beukelaar waarop het wapen geschilderd was, een lange speer of lans en een groot slagzwaard of een degen. Onder het harnas droeg hij een pantser, of wapenrok, zijnde een hemd uit ijzeren ringen of maliën gevormd. Het paard was insgelijks met brede platen op het lichaam gewapend.
[4] Een korte dolk aan twee zijden scherp zijnde, en hebbende bij het gevest een dwarse stang welke dezelve aan een kruis deed gelijken. De lieden der goede steden of vrije burgers vermochten alleen dit wapen te dragen.
[5] Men bemerke dat ik de spelling der namen van Franse Heren onveranderd heb gelaten. Dit is om de verwarring met de namen der Vlaamse Edelen te vermijden.
[6] De ridders droegen in die tijd slechts één spoor.
[7] Zo heette men de landlieden die van een Heer afhanklijk waren. De vrijlaten betaalden zekere tollen en hadden vrijheden en eigen wethouders. Leenlaten, die een pachthoeve van de heer kregen, hem hiervoor als onderdanen moesten gehoorzamen, en zich tot leenarbeid en tot het opbrengen van zekere gelden moesten verplichten. Lijflaten, die met lijf en have de heer toehoorden, en met de landerijen verkocht en verhandeld werden. Men ziet dat deze de laagste stand des volks uitmaakten.
[8] Charles, de tweede zoon van Philippe le Hardi, was Graaf van Valois, van Alençon en van Perche. Hij ontving van zijn broeder, Philippe le Bel, Koning van Frankrijk, het opperbevel over het Franse leger en veroverde het land van Vlaanderen.
[9] Breydel was Hoofddeken der beenhouwers in Brugge.
[10] De stormegge was een tweede poort, welke in een groef of schuif voor de eerste neerzakte. Zij was met lange ijzeren punten voorzien.
[11] Het slot Wijnendale is nu vervallen en ligt bij het dorp van die naam, in de nabijheid van Torhout, West-Vlaanderen.
2
[12] "Guy van Dampyere, die sone van den houden Willem van Dampyere, die was die XXIIII Grave van Vlaenderen."
Dits die excellente Cronike van Vlaenderen, f. °41.
[13] "Eerst Robrecht van Nyvers (ook van Bethune) die welcke die heleghe kercke vele profyts dede, in eenen wych in Apoelgen, daer hij doot slouch den feilen viant van der helegher kercke Meinfroot."
Die excellente Cronike.
Om de inborst dezer edele ridder te doen kennen is het nodig enige aanhalingen te doen.
Charles d'Anjou, koning van Sicilië, willende ten oorloge trekken tegen Manfried, die dit koninkrijk tegen de wil van de Paus bezat, vormde een leger van bij de twintigduizend uitgelezen mannen, en gaf het opperbevel over dit heir aan Robrecht van Bethune, welke alsdan slechts achttien jaar oud was. Enige tijd hierna verwon Charles d'Anjou de jonge Conradyn, kleinzoon van de Duitse keizer Frederik. Charles willende zich van zulk een doorluchtige vijand verlossen, besloot hem tot de dood te doen verwijzen.
Simonde de Sismondi, Histoire des républiques italiennes, zegt: "Een enkel rechter dorst het doodvonnis uitspreken, en de jonge Conradyn werd op een schavot gebracht om het hoofd afgehouwen te worden.
De rechter die Conradyn tot de dood veroordeeld had, las het vonnis tegen hem, als verrader der Kroon en vijand der Kerk. Hij eindigde juist en sprak het doodvonnis uit, wanneer Robrecht van Vlaanderen, de eigen zwager van Charles d'Anjou, zich op die valse rechter wierp en hem met zijn degen door de borst stotende, riep: Het behoort u niet, ellendeling, zulke edele en schone heer ter dood te verwijzen! De rechter viel dood in de tegenwoordigheid des konings, en deze dorst zijn begunstigde niet wreken."
Meer andere feiten van Robrecht bewijzen dat hij met een verwonderlijke moed bezield was, en dat men van hem zeggen mocht: hij had een leeuwenhart in een ijzeren lichaam.
[14]De geschiedkundige en heraldische bijzonderheden over die jonge ridder zijn mij door mijn geleerde kunstvriend, de Heer Octave Delepierre van Brugge, medegedeeld.
[15] Het is schoon voor het Vaderland te sterven.
[16] Een hakkenij is een klein paard dat zachtjes rent en uitsluitelijk voor vrouwen bestemd was. Zo waren de dravers ook lichte paarden, maar snel in de vlucht (Palefroi). De slagpaarden die men in de oorlog gebruikte (destrier), waren groot en zwaar, gelijk de brouwerspaarden in België nog zijn.
[17] "Daeromme, die Grave Guy meenende den coninc te gelievene, ten bevele van den coninc van Vranckerycke, sandt Phelippa zyne dochter eerlicke te Parys waert met XXX camerieren, en Robrecht huer houdste broeder voer mede met XXX oude rudders en joncheers, en Robrecht huer broeder bi avontuere bleef buten Parys. Doen syn sustre Phelippa quam te Parys, omme te gane tot den coninc voorseyt, ende si ten pallaeyse comende, die coninghinne deedtse vanghen met alle huere cameryeren. en sciltcnapen; ende Phelippa bleef in des conincs ghevanghenesse."
Die excellente Cronike.
[18] Enguerrand de Marigny, een Edelman uit Normandië, werd onder Philippe le Bel kapitein van het paleis het Louvre, Minister der financiën en gebouwen. Hij gebruikte zijn macht tot slechte daden, verkwistte 's Rijks gelden, vervalste de munten en verarmde het volk door willekeurige lasten.
[19] Johanna, enige dochter van Henri I, koning van Navarra, beërfde dit koninkrijk van haar vader en werd een der rijkste vorstinnen hares tijds. Zij trouwde Philippe le Bel en verenigde door dit huwelijk twee kronen op haar hoofd.
[20] Om een ridder tot de strijd te dagen wierp men hem een handschoen toe: indien hij dezelve opnam aanvaardde hij het gevecht, anders hechtte men de handschoen op de deur zijner woning of aan een paal; opdat ieder mochte zien dat hij uit lafheid het gevecht geweigerd had.
[21] "Die slag werd des vrydags 26 february, 1266 geleverd; Manfried verloor er de kroon en het leven."
Simonde de Sismondi
[22] Een koninklijk paleis te Parijs dat zeer sterk was en ook tot bewaarplaats der staatsgevangenen diende.
[23] Een leen was het heerlijk goed dat een Edelman in bezit hield, vandaar Leenheer, Leenman, leengoed, enz.
[24] "ende die coninc sandt sinen broedere Kaerle van Valloys omme Vlaenderen met vulder macht te regierene, ende comende te Brugge hy seyde hy soude wel eenen soeten paeys maken, tusschen den coninc sine broeder ende den lande van Vlaenderen. Kaerle de Valloys hy beloefde bi sinen rudderschepe, den Grave Guy paeys te vererygene, up condicien dat hi wilde gaen tot den coninc met vyftich van sinen edelen en Guy beloefdet te doen en hi deit."
Die excellente Cronike.
[25] De bijzonderheden over de valkerij welke hier voorkomen, zijn uit desaangaande werken getrokken.
3
[26] Zo noemde men de oude zwervende dichters. De Abt Mussieu, Histoire de la poésie française zegt: "De eerste dichters hadden een zwervend leven; wanneer zij een huisgezin hadden, namen zij hun vrouwen en kinderen met zich; dewelke zich ook somtijds met het dichten bemoeiden; want dikwijls rijmde het ganse huis, goed of slecht. Zij hadden in hun gevolg lieden met goede stemmen en met speeltuigen om hun opstellen te zingen. Dier wijze aanhoord, waren zij welkom in kastelen en paleizen, vervrolijkten de maaltijden en vereerden de gezelschappen; maar bovenal konden zij loftuitingen uitgalmen."
[27] Eer het buskruit uitgevonden was, bestormde men de steden met reuzenstaltige werktuigen. Men beukte tegen de muren met een bok of ram. Dit was een allergrootste eiken balk welkers einde met een ijzeren ramshoofd beslagen was; men hing die balk in evenwicht aan ketens of touwen, en dezelve achteruit gehaald hebbende, liet men hem tegen de muur aanstoten; en zo verdelgde men allengskens de vestingswerken der steden. Ook had men hoge torens op wielen en met valbruggen voorzien; deze voerde men tot tegen de muren en liet de brug van boven op de wal vallen om over dezelve in de stad te lopen. Springalen waren werptuigen met dewelke men somtijds vijftig lange pijlen ineens, op een verwonderlijke verte werpen kon (balistes). Ook wierp men met een bijkans dergelijk werktuig zware stenen in de steden (catapulta).
[28] "Die Grave Guy was met Ste Lodewyc, coninc van Vranckerycke, in Barbarye yegen die sarasynen, als Thunes, Cartagen, Bourghe, te Massoire, daer hi hem vromelic hadde in fayten van wapenen."
Die excellente Cronike.
[29] Een stad in Frankrijk, op 18 mijl ten noorden Parijs en waar de koningen hun Hof hielden. Zij bezat een sterk en prachtig kasteel, en was bij een overgroot woud gelegen. De maagd van Orléans werd aldaar door de Engelsen in 1430 gevangen.
[30] "Dyt zyn die namen van den edelen mannen, tot vyftich toe, dye met den Grave Guy naer Vrankerycke toghen: eerst
Guy Grave van Vlaenderen.
Robrecht Grave van Nyvers.
Willem Here van Nevel.
Joffroit Here van Croysieres.
Wouter Here van Maldeghem.
Boudin Here van Knesselare.
Dye Here van Steenhuyse.
Dye Here van Mortaengnen.
Here Willem Everbaert.
Heer Zegher van Cortrycke.
Dye Here van Nyeneve.
Heer Wouter van Houdenaerde.
Heer Jan van Heyne.
Here Wouter van Nevele.
Heer Jan van Heyle.
Here Roegaert van Ghistele.
Heer Phelips van Acxpoele.
Here Ryckaert Standaert.
Heer Boudin die jonge
Here van Huytkercke.
Heer Diederick dye Vos.
Dye Here van Ryveel.
Heer Boudin van Passchendale.
Here van Roubais.
Here Rase Mulaert.
Here van Bernaerdge.
Die Heere van Baudonnes.
Heer Guy van den Poele.
Here Jan van Thourout.
Heer Willem van Huusen.
Here Jan van Valenchyenes.
Heer Jan van Vlamerbeke.
Heer Wouter van Lovendeghem en
sine twee broeders.
Heere Gheraert die Moor.
Heere van Lanbois.
Here van Morteloy.
Heeere Jan Thoudebois.
Heere van Belle.
Heere van Beukemare.
Jan van Ghendt.
Twee poorters van Brugghe.
Alle dit waren die voorscrevene vyftich personen."
Dits die excellente Cronike.
[31] "En in der waarheid, de morringen werden algemeen; dezelve waren veroorzaakt door de menigvuldige lasten en bovenal door de vervalsing der munten; hetgeen de Koning de naam van valsemunter onder het volk deed geven."
Anquetil, Historie de France.
[32] Eertijds gebruikte men veel gesteenten in de artsenijkunde; men kende aan dezelve een bovennatuurlijke kracht toe. De steen in het nest des adelaars gevonden, werd onder andere als een onfeilbaar geneesmiddel voor vele kwalen aanzien.
4
[33] Schattingen (tailles) werden op het gemene volk alleen geheven: gabellen waren belastingen op het zout.
[34] De bijnaam hutin betekent twister, oproerige; zoveel als mutin. Lodewyk was volgens de geschiedenis een edelmoedig en goed Vorst, die zich de liefde zijner onderdanen waardig maakte.
[35] Sciarra Colonne, die met Mijnheer De Nogaret te Anagni was, sloeg de Paus met de handschoen in het aanzicht.
[36] Een goudgele vrucht uit het Oosten.
[37] "Ende ooc omme der coninginnen wille, die de Vlamingen seere leedt hadde, omme dat haer grootheere ende twee van haren ooms, in Vlaenderen ghevanghen waren: ende Phelips van Elsaten hadde twee van haren bastaerden ooms, in Vlaenderen ghedaen onthoofden, up den seccant, ende up raden stelen."
Die excellente Cronike.
[38] Frankrijk en Navarra waren alsdan nog twee van elkander onafhankelijke Rijken. De Koning van Frankrijk had op Navarra geen recht, en mocht over deszelfs bestuurszaken niet beschikken. De inkomsten en andere voordelen kwamen Johanna alleen toe, en deze stond als Vorstin van Navarra geenzins onder haar gemaal.
5
[39] "Den Grave Gwide hadde reets ten jaere 1295, met den Koning van Engeland een verbond aengegaen, alwaer onder andere besloten was een houwelyk tusschen den prince van Galles en de dochter van den Grave van Vlaenderen."
Jaerboeken van Brugge.
[40] "Dese Kaerle van Valloys, sach dat men aldus alle dese Vlaminghen vinc ende leedede in diveersche vanghenessen, hy vertoochde daer sinen broeder den coninc, ende alle die bi hem waren, hoe dat hi in Vlaenderen so eerlicken en vriendelicken ontfanghen hadde gheweest, en dat se begeerden paeys ... so wat die Kaerle van Valloys sprak totten coninc, het en halp er al niet ten confoorte van den Grave Guy; want die coninghinne verwarredet en verargherdet al." Dits die excellente Cronike.
[41] Soldeniers waren gehuurde en betaalde krijgsknechten; de enige bestendige benden welke de Koningen alsdan te hunnen dienste hadden.
[42] "Het was der coninghinnen leet dat si buyten Parys ghevangen geleyt waren; want sy hadde liever gehad, dat dye coninc den Grave Guy en alle dye met hem ghekomen waren, te Parys hadde ghedaen hanghen aen die galge. Kaerle de Valloys dir siende, dat die Grave Guy en al die syne blyven moesten in vanghenessen, het wyperde en deerde hem dat hy se te Parys gebracht hadde. Ende mits dat hy se niet helpen en mochte, omme tot haren paeyse te komen, hi schaemdes hem sere; ende liet die stede van Parys en trac huyt Vranckerycke, wonende int landt van Italye, en diende daer den Paeus Bonefacius." Dits die excellente Cronike.
6
[43] "Het meestendeel van den anderen edeldom, de welke 't huys bleven waren Frans gesinden."
Jaerboeken der stad Brugge.
[44] "In die tijd werden de Fransgezinde Vlamingen Leliaards genoemd; daarentegen waren de vrienden van de Graaf en van 's Lands onafhankelijkheid, onder de naam Klauwaards bekend, herkomende van de Klauwen, waarmede de Leeuw van Vlaanderen de Leliën scheen te bedreigen."
Voisin, Notice sur la Bataille de Courtrai.
[45] Men gebruikte die eernaam uit eerbied tot de Heiligen en zegde:—Mijnheer Sint-Jan, Mevrouw Sint-Theresia. De volgende verzen uit het gedicht de Maghet van Ghend, door de heer Ph. Blommaert uitgegeven, dienen tot bewijs.
"Ende mire vrouwen Sente Kateline.
Ende myn here Sente Mertyn?"
[46] Een dorp op weinig afstand der stad Brugge. Er stond als dan een beruchte Kapel van het heilig Kruis.
[47] "Na Vlaanderen van zijn dapperste verdedigers beroofd te hebben, deed Philippe deszelfs verbeurdmaking, door een raad welke uit zijn begunstigden was samengesteld, uitspreken. Hij benoemde om dit land te beheersen Raoul de Nesle, die de Vlamingen met goedheid behandelde en zich door hen deed beminnen."
Voisin, Notice sur la Bataille de Courtrai.
[48] Een Hertogdom in Westfalen, bevattende de steden Gulik, Duren en Aken. Willem, neef van Robrecht van Bethune, was Aartsdiaken van Luik en proost van Aken, alwaar hij zijn verblijf had.
[49] De ambachten hadden bijzondere gebouwen, waar zij zich verenigden en hun plechtgewaad, als standaarden enz. bewaarden. Dit noemde men het pand.
[50] De Bruggelingen hadden een ontzaglijk wapen dat zij met de grootste behendigheid wisten te gebruiken. Het waren lange speren met een puntig ijzer voorzien. Zij hadden dezelve uit scherts Goedendags genoemd, willende beduiden dat zij de vijand terdege er mede konden begroeten. De heer Voisin haalt de volgende verzen uit Guillaume Guiart aan:
A grans bastons pesanz ferrez,
A un lonc fer agu devant,
Vont (les Flamands) ceux de France recevant.
Tiex bastons qu'ils portent en guerre
Ont nom Godendac en la terre
Godendac, c'est Bonjour à dire,
Qui en francais le veust descrire.
Cil baston sont lonc et traitiz,
pour férir a deux mains faitiz.
[51] Wanneer de Bruggelingen hun tolgelden kwamen betalen, werden zij met hitsigheid door de Franse bedienden toegesproken. Zij noemden deze toesnauwers de Snakkers. De brug waarbij het tolhuis stond, heet heden nog de Snaggaardsbrug.
[52] In die tijden kende men de Franse volkeren onder de naam van Wallen, zijnde het Franse woord Gaulois. Het is waarschijnlijk dat de Walen hiervan hun naam behouden hebben. Jacob van Maerlant, een Dichter van het einde der dertiende eeuw, van de Franse Dichters sprekende zegt:
Die scone walsche valsche poëten,
Die meer rimen dan si weten,
Belieghen groten Carel vele
In sconen worden ende bispele.
7
[53] Zo heette men de beenhouwers in Brugge.
[54] "Dye Grave Guy ende die syne dus in vanghenesse blyvende, die coninc Phelips occupeirde en hilt Vlaenderen te synen behoeve, ende hi in persoone metter coninghinne vysenteirde Vlaenderen, te wetene Ghendt, Brugge en Ypere met haerlieder Casselryen."
Die excellente Cronike
[55] "Philippus syne intrede te Brugghe gedaen hebbende, was hy verwonderd dat de inwooners hem met geene genoegsame teekenen van blydschap ontvangen hadden."
Jaerboeken van Brugge
[56] "Die coninginne hadts groten spyt dat die vrauwen te Ghendt, te Brugghe en t'Ypre, die welcke ter weerdigheit van der coninginne al hadden aen haerlieder beste cleederen ende waren ten suverliesten ghepareirt. Doen seide die coninginne; ick waende alleene coninginne te sine in Vranckerycke maer mi dunckt dat die van Vlaenderen die in onze vangenessen syn in Vranckerycke, syn alle princhen want die wyfs syn al ghecleed gelyc coninginnen en princerssen."
Die excellente Cronike.
[57] "Philippe le Bel was zeer zorgvuldig tot het doen handhaven der rechtvaardigheid, hij toonde kunde in de staatszaken, was dapper, edel- en grootmoedig, dorstig naar glorie, doch geldverspillend. Stervende beval hij aan zijn zoon Lodewyk de schattingen te verminderen en het volk te ontlasten."
Anquetil, Histoire de France.
[58] Een afbeelding van dit gebouw bevindt zich in Sanderus, Flandria illustrata. De plaats waarop hetzelve gestaan heeft, is heden gedeeltelijk met andere gebouwen bedekt.
[59] "De Koning heeft tot Gouverneur-generael van Vlaenderen aengestelt Jacques de Chatillon, broeder van Gui de St-Pol, dewelcke waren ooms van de Koninginne."
Jaerboeken van Brugge.
8
[60] Was de plaats bij het stadhuis of vierschaar vanwaar men tot het volk sprak (rostra).
[61] "Een pond Vlaams gold twintig schellingen, de schelling zes stuivers (55 centiemen) en een Groot twee oortjes of 5 centiemen."
Octave Delepierre, Annales de Bruges.
[62] "Maer de Koning was naeuwlyks vertrokken of daer ontstond eenen grooten oproer binnen Brugge ter oorzake dat het Magistraet de groote onkosten, welke voor de intrede van den Koning gedaen waren door het inkomen van eenige nieuwe imposten wilde voldoen."
Meyerus.
[63] "Een opleyder van desen oproer was Pieter Deconinck, Deken van de wollewevers, eenen man van omtrent dertig jaeren, hebbende maer eene ooge; doch seer welsprekende en vol verstand. Maar den Bailliu en de Weth dit vernomen hebbende deden hem aenstonds ...gevangen nemen."
Cronycke van Despars.
[64] "Maer nauwelycks was den Graef wederom vertrocken (1282) of zy maekten eene nieuwe bende de welke genaemd wierd den grooten Moerlemacy. Sy liepen in de wapenen en vermoorden Dieryck Franckesone, den wekken sy seyden de oorzaeke te syn van de gramschap van den Grave."
Jaerboeken van Brugge.
[65] "Deconinck en bleef daer (in den kerker) niet lange want het gemeente nog ten selven dagen byeen gerot synde, wierd hy gewapenderhand daer uytgehaeld en in vrydom gestelt."
Jaerboeken van Brugge.
10
[66] Men begon inderdaad een kasteel te houwen, bij de plaats waar nu het waterwerktuig of watermolen staat, doch hetzelve werd niet voltrokken.
[67] Een gehucht buiten Brugge.
11
[68] "15 ougst 1280 verbrandde tot Brugge de Halle, als oock de torre dewelcke alleenlyk van hout gemaeckt was en waerin alle de stadsprivilegien berustende door de vlammen verteert wierden."
Jaerboeken van Brugge.
12
[69] "Ende bi desen die cooplieden worden Vlaenderen scuwende, dye ambochtslieden waren neiringloos, ende en costent niet ghemaken dat si den cost ghecregen. Hi (De Chatillon) ordonneirde settinghen, poinctingen, gabellen, daer tvolc onredelic mede verlast ende verschat was, en dit al by den insteken van synder nichte, die coninginne, omme Vlaenderen plats scalck te maken, en contrarie haren wetten en privilegiën."
Die excellente Cronike.
[70] Het slot te Male bestaat nog. Toen ik die plaats ging bezoeken, om ze met kennis te kunnen beschrijven, vond ik mij terdege in mijn verwachting bedrogen. Niets kan aan het oog des reizigers zijner oudheid getuigen, mits het, nu herbouwd, eer naar een groot en grof pakhuis dan naar een heerlijk goed gelijkt; slechts enige overblijfsels der aloude vestingsmuur kon men met veel moeite tussen de zode nog ontdekken, de arduinen Kaak staat te midden van het dorp. Voor enige jaren waren er nog grote bossen in de omstreken, doch derzelver grond is nu meestal door de landbouw ingenomen.
[71] Dit lied is door mijn kunstvriend J.A. de Laet opgesteld.
[72] In al de tochten welke door de christenen aangenomen werden, om Jeruzalem te winnen en het graf des Heilands van de ongelovigen te verlossen, namen de Belgen het grootste deel. Reeds ten jare 1095 drong Godfried van Bouillon, geboren in het slot Baisy op vier mijl van Brussel, aan het hoofd van driehonderdduizend man in Palestina, en Jeruzalem werd door hem in 1099 gewonnen. In het jaar 1204 vertrok Boudewyn, Graaf van Vlaanderen, met enige Franse ridders en met Dandolo, Doge van Venetië, naar het Oosten, en verwon de Turken in menig gevecht. Hij werd om zijn dapperheid door al de bondgenoten tot Keizer van Constantinopel verheven.
[73] In die tijden bestonden er zekere overeenkomstige wetten, welke men zonder schande in een gevecht niet mocht verbreken; volgens dezelve moest de Fransman hier zonder wapens strijden, aangezien hij met een burger te doen had. Ook mochten de bijzijnde soldeniers in gener wijze tussen de strijdenden komen, dan slechts voor zoveel er door de ene of de andere verraderlijke middelen gebruikt werden.
[74] "Op den eerste Meye daer naer is Jan Breydel gaen drincken op het casteel van Maele, alwaer hij woorden krijgende met eenen knecht van den Casteleyn die hem verweet dat de Bruggelingen muitmaekers waeren, den selven ter plaetse heeft doodgeslagen."
Jaerboeken van Brugge
[75] "De Casteleyn met de syne wilde dit vreken: maer Breydel wederstond hem kloeckelyck."
Jaerboeken van Brugge.
[76] "Hij (De Chatillon) overlastichde den gemeenen volcke, want hi ordonneirde dat alle dye ambochtslieden moesten gheven den vierden penninc van haerlieder dachueren en van allet tghene dat se wonnen, alsoo wel in coopmanscepen als andersins van ghelyke."
Die excellente Cronike.
[77] "Breydel kwam naer Brugge, hetselve aen de beenhouwers en andere syne vrienden vertellende. Dese ten getalle van seven hondert kloeckelyck gewapent trocken naer Maele, alwaer sy den Casteleyn met veel van de syne doodgeslagen hebben."
Jaerboeken van Brugge.