WeRead Powered by ReaderPub
Ethica / In meetkundigen trant uiteengezet, vertaald, ingeleid en toegelicht / door Jhr. Dr. Nico van Suchtelen cover

Ethica / In meetkundigen trant uiteengezet, vertaald, ingeleid en toegelicht / door Jhr. Dr. Nico van Suchtelen

Chapter 36: VOORREDE
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Een systematische, deductieve verhandeling bouwt een metafysisch stelsel op waarin één onvoorwaardelijke substantie de grond van alles vormt, met oneindig vele attributen waarvan het menselijke begrip vooral Denken en Uitgestrektheid kent. Alle afzonderlijke dingen zijn vergankelijke modi van die ene substantie; geest en lichaam zijn twee manieren van hetzelfde bestaan. Noodzakelijkheid en causaliteit lopen overal door, waardoor vrijheid wordt herzien als begrip van noodzakelijkheid. Het werk verklaart menselijke affecten, toont hoe verstandelijke kennis de passies kan beheersen en ontwikkelt een ethiek van de intellectuele liefde tot het geheel als weg naar menselijke zaligheid, volgens een meetkundige methode van definities en stellingen.

XXXIX. Angst is de Begeerte om een grooter kwaad dat wij vreezen, door een kleiner kwaad te vermijden. (Zie Opmerking St. XXXIX v.d. D.)

XL. Vermetelheid is de Begeerte, waardoor iemand wordt gedreven iets te doen met een gevaar voor zichzelf, dat zijns gelijken te loopen vreezen.

XLI. Lafhartigheid wordt toegeschreven aan hem, wiens Begeerte wordt in bedwang gehouden door angst voor een gevaar dat zijns gelijken aandurven.

Toelichting: Lafhartigheid is dus niets anders dan vrees voor een kwaad dat de meeste menschen niet plegen te vreezen, zoodat ik haar niet tot de Begeerten reken. Toch heb ik haar hier moeten toelichten, wijl zij, voorzoover de Begeerte betreft, inderdaad tegenover de aandoening der Vermetelheid geplaatst wordt.

XLII. Verbijstering wordt toegeschreven aan hem, wiens begeerte om een kwaad te ontwijken, belemmerd wordt door Verbazing over het kwaad dat hij vreest.

Toelichting: Verbijstering is dus een soort van lafhartigheid. Wijl echter verbijstering uit een dubbele vrees ontspringt, kan zij gemakkelijker worden gedefinieerd als zijnde die vrees, welke den mensch zóó verstomd doet staan of in weifeling houdt, dat hij een of ander kwaad niet kan afwenden. Ik zeg "verstomd doet staan", voorzoover wij aannemen dat zijn begeerte om het kwaad af te wenden, wordt belemmerd door verbazing. Maar "in weifeling houdt" zeg ik voorzoover wij aannemen dat de begeerte wordt belemmerd door vrees voor een ander kwaad, dat hem evenzeer kwelt, zoodat hij niet weet welk van de twee hij zal afwenden. (Zie hierover Opmerking St. XXXIX en Opmerking St. LII v.d. D. en overigens over Lafhartigheid en Vermetelheid Opmerking St. LI v.d. D.)

XLIII. Menschenmin [Vriendelijkheid] of Gematigdheid [Minzaamheid][A62] is de Begeerte om te doen wat den menschen behaagt en te laten wat hen mishaagt.

XLIV. Eerzucht is onmatige Begeerte naar roem.

Toelichting: Eerzucht is een Begeerte, door welke (vlg. St. XXVII en XXXI v.d. D.) alle aandoeningen worden aangewakkerd en versterkt en daarom is deze aandoening bijna niet te overwinnen. Want zoolang als de mensch door welke begeerte ook bevangen is, is hij noodzakelijk tevens bevangen door deze. "De allerbesten" zeide Cicero15, "worden in hooge mate door Eerzucht geleid. Zelfs wijsgeeren, die schrijven over de verachtelijkheid van den roem, zetten hun naam op hun boeken, enz."

[Voetnoot 15: Pro archia XI.]

XLV. Gulzigheid is onmatige Begeerte of ook wel Liefde tot gastmalen.

XLVI. Drankzucht is onmatige Begeerte en Liefde tot drinken.

XLVII. Hebzucht is onmatige Begeerte en Liefde tot rijkdommen.

XLVIII. Wellustigheid eindelijk is Begeerte en Liefde tot lichamelijke vermenging.

Toelichting: Deze begeerte tot vermenging pleegt men steeds wellustigheid te noemen, onverschillig of zij gematigd is of niet.

Voorts merk ik op dat deze vijf aandoeningen (gelijk ik reeds in Opmerking St. LVI v.d. D. in herinnering bracht) geen tegengestelden hebben. Want Gematigdheid is een soort van eerzucht (zie Opmerking St. XXIX v.d. D.) en dat Matigheid, Nuchterheid en Kuischheid zielskrachten aanduiden, maar geen lijdingen, heb ik ook reeds opgemerkt. En ofschoon het zeer goed kan voorkomen dat een hebzuchtig, eerzuchtig of vreesachtig man zich onthoudt van overmatig gebruik van spijs en drank en overmatig geslachtsverkeer, zoo zijn toch Hebzucht, Eerzucht en Vreesachtigheid geenszins tegenstellingen van Gulzigheid, Drankzucht of Wellustigheid. Immers een gierigaard is er meestal op belust zich met spijs en drank van anderen vol te stoppen. En de eerzuchtige zal, zoo hij slechts mag verwachten dat het geheim blijft, nergens maat in houden en indien hij onder dronkaards en wellustelingen verkeert, juist wijl hij eerzuchtig is, nog meer tot die ondeugden geneigd zijn. De vreesachtige tenslotte doet dingen, welke hij niet doen wil. Want al werpt hij, om den dood te ontkomen, zijn rijkdommen in zee, hij blijft niettemin een vrek, en wanneer een wellusteling zich bedroeft omdat hij zijn lust niet kan bevredigen, houdt hij daarom nog niet op een wellusteling te zijn. In het algemeen hebben deze aandoeningen niet zoozeer betrekking op de handelingen van eten, drinken enz., als wel op den lust en de neiging daartoe zelf. Niets kan dus tegenover deze aandoeningen worden gesteld, behalve Edelmoedigheid en Zielskracht; waarover in het volgende.

De definitie der Jaloerschheid en der overige Gemoedsweifelingen ga ik stilzwijgend voorbij, zoowel omdat zij ontstaan door samenstelling der reeds omschreven aandoeningen, alsook omdat de meesten geen naam dragen, hetgeen wel bewijst dat het voor het dagelijksch leven voldoende is ze slechts als soort te kennen. Overigens blijkt uit de definities der aandoeningen, welke wij hebben toegelicht, dat zij allen ontstaan uit Begeerte, Blijheid en Droefheid, of liever, dat zij niets anders zijn dan deze drie, welke ieder verschillende namen plegen te dragen naar gelang van de verschillende uitwendige zaken, waarop zij betrekking hebben en de benamingen daarvan. Bepalen wij nu eens onze aandacht tot deze drie oorspronkelijke aandoeningen en tot wat wij hierboven gezegd hebben over den aard van den Geest, zoo zullen wij de aandoeningen, voorzoover zij alleen betrekking hebben op den Geest, aldus kunnen omschrijven.

ALGEMEENE DEFINITIE DER AANDOENINGEN

Die aandoening, welke men Gemoeds-aandoening[A63] [lijding] noemt, is een verwarde voorstelling, waarin de Geest tot erkenning komt van een grootere of geringere bestaanskracht van zijn Lichaam of van een van deszelfs deelen, dan dit te voren bezat en door welke de Geest genoopt wordt aan een bepaald iets eerder te denken dan aan iets anders.

Toelichting: Ik zeg ten eerste dat een aandoening of lijding des gemoeds een verwarde voorstelling is. Immers wij hebben (zie St. III v.d. D.) aangetoond dat de Geest slechts in zoover lijdt als hij inadaequate of verwarde voorstellingen heeft. Ik zeg vervolgens "waarin de Geest tot erkenning komt van een grootere of geringere bestaanskracht van zijn Lichaam of van een van deszelfs deelen, dan dit te voren bezat". Immers alle voorstellingen welke wij van voorwerpen hebben, geven (vlg. Gevolg II St. XVI D. II) meer den werkelijken toestand van ons Lichaam dan den aard van het uitwendige voorwerp weer. En die voorstelling, welke het wezen van een aandoening uitmaakt moet dien toestand van het Lichaam of van een van deszelfs deelen weergeven of uitdrukken, waarin dit Lichaam zelf of waarin een van deszelfs deelen verkeert, doordat zijn vermogen om te handelen of te bestaan wordt vermeerderd of verminderd, bevorderd of belemmerd. Doch men merke op dat ik, wanneer ik zeg: "een grootere of geringere bestaanskracht, dan het te voren bezat", hiermede niet bedoel dat de Geest den tegenwoordigen toestand des Lichaams met een verleden toestand vergelijkt, doch dat de voorstelling, welke het wezen der aandoening uitmaakt, iets omtrent het Lichaam erkent [bevestigt] dat meer of minder werkelijkheid in zich sluit dan een vroegere [voorstelling]. En aangezien (vlg. St. XI en XIII D. II) het wezen van den Geest dáárin bestaat, dat hij het werkelijk bestaan van het eigen Lichaam bevestigt en wij onder volmaaktheid het wezen zelf van iets verstaan, volgt hieruit dus dat de Geest tot grootere of geringere volmaaktheid overgaat, wanneer hij iets omtrent zijn Lichaam of een van deszelfs deelen bevestigt, dat meer of minder werkelijkheid in zich sluit dan tevoren. Toen ik dus hierboven zeide, dat de denkkracht van den Geest vermeerderde of verminderde, heb ik niets anders te kennen willen geven, dan dat de Geest een voorstelling van zijn Lichaam of van een van deszelfs deelen vormde, welke meer of minder werkelijkheid uitdrukte, dan wat hij tevoren omtrent zijn Lichaam had bevestigd. Immers de voortreffelijkheid onzer voorstellingen en onze werkelijke denkkracht worden beoordeeld naar de voortreffelijkheid van hun voorwerp. Ik heb tenslotte nog toegevoegd: "door welker aanwezigheid de Geest genoopt wordt aan een bepaald iets eerder te denken dan aan iets anders" om, behalve den aard van Blijheid en Droefheid, welke in het eerste gedeelte der definitie liggen besloten, ook nog den aard der Begeerte uit te drukken.

Einde van het Derde Deel.


IV. OVER DE MENSCHELIJKE KNECHTSCHAP OF DE MACHT DER AANDOENINGEN


VOORREDE

De menschelijke machteloosheid in het matigen en bedwingen der aandoeningen, noem ik knechtschap; immers de mensch die aan zijn aandoeningen onderworpen is, leeft niet naar eigen wil, doch naar dien der fortuin, in wier macht hij zoozeer is, dat hij dikwijls gedwongen wordt om, schoon hij het betere ziet, het slechtere te volgen[a49]. De oorzaak hiervan, en wat er goeds of kwaads in de aandoeningen ligt, stel ik mij voor in dit Deel uiteen te zetten. Maar alvorens hiermede te beginnen wensch ik nog een en ander over volmaaktheid en onvolmaaktheid, goed en kwaad, te doen voorafgaan.

Wie zich had voorgenomen iets te doen en dit ook werkelijk gedaan heeft, zal zeggen dat zijn taak volbracht [voltooid, volmaakt] is. En niet alleen hijzelf, maar ook ieder die den Geest van den maker van dit werk, en tevens het gestelde doel, goed kende of meende te kennen. Zoo zal men bijvoorbeeld, wanneer men een of ander werk (waarvan ik aanneem dat het nog niet voltooid is) ziet, en weet dat het de bedoeling van den maker ervan was een huis te bouwen, dit huis "onvoltooid" noemen; "voltooid" daarentegen zoodra men ziet dat het werk is doorgezet tot aan het doel dat zijn maker zich bij zijn arbeid had gesteld. Indien men evenwel een of ander werk aanschouwt, welks gelijke men nog nooit gezien heeft en daarbij evenmin den geest van den vervaardiger kent, zal men natuurlijk niet kunnen weten of dit werk voltooid [volmaakt] of onvoltooid [onvolmaakt] is.

Dit schijnt de oorspronkelijke beteekenis dier woorden te zijn geweest. Doch sinds de mensch begon met algemeen begrippen te vormen en voorbeelden te bedenken van huizen, gebouwen, torens enz., en aan het eene voorbeeld de voorkeur te geven boven het andere, moest ieder wel dàtgene "volmaakt" gaan noemen, wat overeen kwam met de algemeene voorstelling, welke hìj zich omtrent die zaak gevormd had, en omgekeerd "onvolmaakt", wat minder aan het door hemzelf aangenomen voorbeeld beantwoordde, ook al was het volgens de bedoeling van den vervaardiger geheel en al voltooid. Geen andere reden ook schijnt er te zijn, waarom men natuurlijke voortbrengselen--ik bedoel dingen, welke niet door menschenhand vervaardigd zijn, volmaakt of onvolmaakt noemt. Men pleegt immers evengoed van natuurlijke als van kunstmatige dingen algemeene voorstellingen te vormen, welke men als het ware als voorbeelden dier dingen beschouwt en waarvan men zich inbeeldt dat ook de Natuur (welke naar men meent niets zonder een of andere bedoeling doet) ze als zoodanig beschouwt en aan zichzelf voorhoudt. Wanneer men dus iets in de Natuur waarneemt dat met de aangenomen voorstelling, welke men omtrent zaken van dien aard heeft, minder goed overeenstemt, meent men dat de Natuur zelf gefaald en gezondigd heeft en die bedoelde zaak onvolmaakt heeft gelaten. Wij zien dus dat men zich meer op grond van vooroordeel, dan op grond van waarachtige kennis heeft aangewend, natuurvoortbrengselen volmaakt of onvolmaakt te noemen. Immers in het Aanhangsel van het Eerste Deel hebben wij aangetoond dat de Natuur geenszins met bedoeling handelt; dit eeuwige en oneindige Wezen toch, dat wij God of Natuur noemen, handelt slechts met diezelfde noodwendigheid, krachtens welke het bestaat. Want wij hebben aangetoond dat het handelt krachtens diezelfde wezens-noodwendigheid waardoor het ook beslaat (Zie St. XVI D. I). De reden of oorzaak dus waardoor God, ofwel de Natuur, handelt en waardoor hij bestaat, zijn één en dezelfde. Evenmin als Hij dus terwille van eenig doel bestaat, evenmin handelt hij terwille van eenig doel; doch evenmin als zijn bestaan, heeft zijn handelen begin of einde. Wat men evenwel een doeloorzaak noemt, is niets anders dan menschelijke Begeerte, voorzoover deze beschouwd wordt als begin of eerste oorzaak van eenig ding. Wanneer wij bijvoorbeeld zeggen dat "bewoning" de doeloorzaak is van een of ander huis, verstaan wij hieronder toch zeker niets anders dan dat iemand, wijl hij zich de gemakken van het huiselijk leven voorstelde, het verlangen gevoelde om een huis te bouwen. Zoodat "bewoning", opgevat als doeloorzaak, niets anders is als deze bijzondere Begeerte zelf, welke inderdaad de bewerkende oorzaak is, maar alleen als éérste oorzaak wordt beschouwd, wijl de menschen gemeenlijk de oorzaken hunner begeerten niet kennen. Immers de menschen zijn, gelijk ik reeds herhaaldelijk betoogd heb, zich wel bewust van hun daden en begeerten, maar niet van de oorzaken, waardoor zij gedreven worden iets te begeeren. De gewone bewering overigens, dat de Natuur kan falen of zondigen en onvolmaakte dingen voortbrengt, reken ik tot die verzinsels welke ik in het Aanhangsel van het Eerste Deel heb behandeld.

Volmaaktheid en Onvolmaaktheid zijn dus in werkelijkheid slechts vormen van Denken, Begrippen namelijk welke wij plegen te verzinnen, doordat wij enkeldingen van dezelfde soort of hetzelfde geslacht onderling vergelijken; en het is daarom dat ik hierboven (Definitie VI D. II) gezegd heb dat ik onder werkelijkheid en volmaaktheid hetzelfde versta. Immers, wij zijn gewoon alle enkeldingen in de Natuur onder één soort [kategorie], welke wij als de meest algemeene beschouwen, samen te vatten, namelijk onder het begrip "zijn", dat toepasselijk is op alle enkeldingen in de Natuur zonder uitzondering. Voorzoover wij dus de enkeldingen in de Natuur onder dit ééne begrip samenvatten en met elkaar vergelijken en daarbij bevinden dat het eene méér zijn of werkelijkheid heeft dan het andere, zeggen wij ook dat het eene volmaakter is dan het andere. Voorzoover wij daarentegen dingen aan hen toeschrijven, welke een ontkenning in zich sluiten, zooals "begrensdheid", "eindigheid", "onvermogen" enz., noemen wij ze onvolmaakt, wijl zij onzen Geest niet op dezelfde wijze aandoen als die, welke wij volmaakt noemen, doch geenszins wijl hun iets, dat hun toekomt, zou ontbreken, of wijl de Natuur zou hebben gezondigd. Niets toch komt van nature aan iets toe dan datgene wat uit den noodwendigen aard der bewerkende oorzaak voortvloeit en datgene, wat uit dien noodwendigen aard der bewerkende oorzaak voortvloeit, geschiedt ook met noodwendigheid.

Wat goed en kwaad betreft, ook deze woorden duiden niets positief aan in de dingen op zichzelf beschouwd, ook zij zijn niets anders dan vormen van Denken, of begrippen, welke wij vormen, doordat wij dingen onderling vergelijken. Want één en dezelfde zaak kan op hetzelfde tijdstip goed en kwaad, of ook wel onverschillig zijn. Zoo is bijvoorbeeld muziek goed voor den weemoedige, slecht voor den treurende, doch voor den doove goed noch kwaad. Evenwel moeten wij, niettegenstaande dit zoo is, deze woorden toch blijven gebruiken. Want aangezien wij ons toch een voorstelling wenschen te vormen van den mensch, welke wij als een voorbeeld [ideaal] van den geheelen menschelijken aard kunnen beschouwen, zal het voor ons van nut zijn om die woorden in den door mij omschreven zin te behouden. Onder "goed" zal ik dus in het vervolg verstaan datgene, waarvan wij zeker weten dat het een middel is om meer en meer dit ideaal van den menschelijken aard, dat wij ons voor oogen stellen, te benaderen. Onder "kwaad" daarentegen dat, waarvan wij zeker weten dat het ons belemmert aan dit ideaal te beantwoorden. Voorts zullen wij de menschen volmaakter of onvolmaakter noemen naar gelang zij meer of minder tot dit ideaal naderen. Want ik moet in de eerste plaats doen opmerken dat ik, wanneer ik zeg dat iemand van geringer tot grooter volmaaktheid overgaat en omgekeerd, hiermede niet bedoel dat hij van wezen of bestaansvorm zou veranderen (een paard bijvoorbeeld zou als zoodanig te gronde gaan, wanneer het in een mensch of insekt veranderd werd), maar dat zijn vermogen tot handelen, voorzoover dit uit zijn eigen aard kan worden verklaard, naar onze voorstelling toeneemt of afneemt. Onder volmaaktheid in het algemeen tenslotte versta ik, gelijk ik reeds zeide, de werkelijkheid, d.w.z. het wezen van ieder ding, voorzoover het op bepaalde wijze bestaat en werkt, ongeacht zijn duur. Want geen enkel bijzonder ding kan volmaakter genoemd worden, alleen wijl het iets langer in zijn bestaan heeft volhard. De duur der dingen toch kan niet uit hun wezen worden afgeleid, aangezien het wezen der dingen geen bepaalden en vastgestelden tijd van bestaan in zich sluit, maar elk ding, onverschillig of het meer of minder volmaakt is, door dezelfde kracht waardoor het begon te bestaan, in dit bestaan zal blijven volharden; zoodat alle dingen in dit opzicht gelijk zijn.

DEFINITIES

I. Onder "goed" versta ik datgene, waarvan wij zeker weten dat het nuttig voor ons is.

II. Onder "kwaad" [slecht, verkeerd] daarentegen datgene, waarvan wij zeker weten dat het ons belemmert iets goeds te bereiken [verkrijgen].

(Zie hierover de voorgaande Voorrede, aan het slot.)

III. Bijzondere dingen noem ik "toevallig" [gebeurlijk] voorzoover wij, uitsluitend lettende op hun wezen, niets vinden dat hun bestaan noodzakelijk stelt, noch het noodzakelijk uitsluit.

IV. Diezelfde bijzondere dingen noem ik "mogelijk", voorzoover wij, lettende op de oorzaken, welke hen te weeg moeten brengen, niet weten of deze inderdaad gedwongen zijn ze voort te brengen.

(In Opmerking I Stelling XXXIII Deel I heb ik tusschen "mogelijk" en "toevallig" geenerlei onderscheid gemaakt, wijl het daar niet noodig was deze begrippen nauwkeurig te onderscheiden.)[A64]

V. Onder "tegenstrijdige aandoeningen" zal ik in het vervolg zulke verstaan, welke den mensch naar verschillende kanten heentrekken, ook al zijn ze van dezelfde soort, zooals weeldezucht en gierigheid, welke beide soorten van Liefde zijn. Zij zijn niet van nature, maar door toevallige omstandigheden tegenstrijdig.

VI. Wat ik onder een aandoening in verband met een toekomstige, tegenwoordige of verleden zaak versta, heb ik uiteen gezet in de Opmerkingen I en II bij Stelling XVIII Deel III. Zie aldaar.

(Het is hier de plaats om te doen opmerken, dat wij ons ook afstanden, zoowel van ruimte als van tijd, slechts tot aan een bepaalde grens duidelijk kunnen voorstellen. Dat wil zeggen: evenals wij ons alle voorwerpen, welke meer dan tweehonderd voet van ons verwijderd zijn, of wier afstand van de plaats waar wij ons bevinden, den afstand, waarop wij duidelijk kunnen waarnemen, overschrijdt, als even ver van ons af en volkomen in hetzelfde vlak gelegen plegen voor te stellen; evenzoo stellen wij ons voor, dat zaken wier tijdstippen van bestaan ons door een langer tijdsverloop van het heden gescheiden lijken dan wij gewoonlijk duidelijk onderscheiden, allen evenlang geleden zijn en brengen wij ze allen als het ware tot één tijdstip terug.)

VII. Onder het "doel", terwille waarvan [de bedoeling waarmee] wij iets doen, versta ik den drang.

VIII. Onder "deugd" [kracht] en "vermogen" [macht] versta ik hetzelfde. D.w.z. (vlg. St. VIII D. III) Deugd [kracht] is, voorzoover zij betrekking heeft op den mensch, 's menschen wezen of aard zelf, voorzoover dit het vermogen [de macht] bezit dingen tot stand te brengen, welke uit de wetten van dien aard alleen reeds verklaarbaar zijn.

GRONDWAARHEID (Axioma)

In de wereld der dingen bestaat er geen enkel bijzonder ding, dat niet door een ander, dat machtiger en sterker is, kan worden overtroffen.

Wat er ook bestaat, altijd is er iets machtigers [denkbaar], waardoor het kan worden vernietigd.

STELLINGEN

Stelling I.

Niets van wat er positiefs in een valsche voorstelling ligt, wordt opgeheven door de aanwezigheid der waarheid als zoodanig.

Bewijs.

Valschheid bestaat (vlg. St. XXXV D. II) alleen in het ontbreken van kennis, dat inadaequaten voorstellingen aankleeft; er is in deze voorstellingen (vlg. St. XXXIII D. II) ook niets positiefs, waarom zij valsch genoemd kunnen worden. Integendeel, voorzoover ze tot God worden teruggebracht, zijn zij waar (vlg. St. XXXII D. II). Indien dus datgene wat er positiefs ligt in een valsche voorstelling werd opgeheven door de aanwezigheid der waarheid als zoodanig, zou een ware voorstelling door zichzelf worden opgeheven, hetgeen (vlg. St. IV D. III) ongerijmd is. Derhalve: niets van wat, enz. H.t.b.w.

Opmerking: Deze stelling is nog helderder te begrijpen uit Gevolg II van Stelling XVI Deel II. Een "inbeelding"[A65] toch is een voorstelling welke meer den oogenblikkelijken toestand van het menschelijk Lichaam, dat den aard van een uitwendig voorwerp weergeeft en dat nog wel niet duidelijk, doch verward. Vandaar dat men zegt dat de Geest dwaalt. Wanneer wij bijvoorbeeld naar de zon kijken, beelden wij ons in dat zij omstreeks tweehonderd voet van ons af staat en wij blijven net zoo lang in deze dwaling, als wij onwetend zijn omtrent haar waren afstand. Kennen wij echter dien afstand, dan wordt daardoor weliswaar de dwaling opgeheven, doch niet die inbeelding, d.w.z. die voorstelling van de zon, welke haren aard slechts in zoover uitdrukt als het Lichaam er de inwerking van ondervindt; en wij zullen derhalve, ook al kennen wij haar waren afstand, haar niettemin als dichtbij zien. Want gelijk wij reeds in de Opmerking bij Stelling XXXV Deel II zeiden: niet dáárom stellen wij ons de zon zoo dichtbij voor, wijl wij haar waren afstand niet kennen, doch wijl de Geest de grootte van de zon waarneemt op grond van de inwerking, welke het Lichaam door haar ondergaat. Zoo stellen wij ons voor dat de zon in het water is, wanneer haar stralen, invallend op een watervlak, naar onze oogen worden teruggekaatst, ofschoon wij haar juiste plaats kennen. En zoo is het met alle andere inbeeldingen, welke den Geest misleiden, hetzij dat zij een natuurlijken toestand des Lichaams weergeven, hetzij dat zij vermeerdering of vermindering van zijn vermogen tot handelen aanduiden; tegenstrijdig aan de waarheid zijn zij niet en evenmin verdwijnen zij bij haar aanwezigheid. Wel komt het voor dat, wanneer wij ten onrechte eenig kwaad vreezen, onze vrees verdwijnt bij het hooren van de ware tijding, maar omgekeerd komt het evenzeer voor, dat wanneer wij een kwaad vreezen dat zéker komen moet, deze vrees verdwijnt bij het hooren van een valsche tijding. Derhalve verdwijnen inbeeldingen niet door de aanwezigheid der waarheid als zoodanig, doch wijl er zich andere voorstellingen voordoen, welke sterker zijn en het oogenblikkelijke bestaan dier dingen, welke wij ons hadden ingebeeld, uitsluiten, gelijk wij in Stelling XVII Deel II aantoonden.

Stelling II.

Wij lijden voorzoover wij een deel der Natuur zijn, dat op zichzelf en zonder verband met andere dingen, niet denkbaar is.

Bewijs.

Wij zeggen dàn dat wij lijden, wanneer er iets met ons geschiedt, waarvan wij slechts tendeele zelf oorzaak zijn (vlg. Definitie II D. III), d.w.z. (vlg. Definitie I D. III) iets dat niet uit de wetten van onzen aard alleen kan worden afgeleid. Derhalve lijden wij voorzoover wij een deel der Natuur zijn, dat op zichzelf en zonder verband met andere dingen, niet denkbaar is. H.t.b.w.

Stelling III.

De kracht, waarmede de mensch in zijn bestaan volhardt, is beperkt en wordt door de macht van uitwendige oorzaken oneindig overtroffen.

Bewijs.

Dit blijkt uit het Axioma van dit Deel. Immers gegeven een mensch, zoo is er iets anders, zeg A, dat machtiger is; en gegeven A, zoo is er weer iets anders, zeg B, machtiger dan A, en zoo tot in het oneindige. Dus is de macht van den mensch door de macht van iets anders beperkt en wordt zij door die van uitwendige oorzaken oneindig overtroffen.

Stelling IV.

Het is onmogelijk dat de mensch niet een deel der Natuur zou zijn en dat hij niet ook andere wijzigingen zou ondergaan dan zoodanige, welke uit zijn eigen aard alleen te verklaren zijn en waarvan hij de adaequate oorzaak is.

Bewijs.

De macht waardoor de bijzondere dingen, en bijgevolg ook de menschen, hun bestaan handhaven is (vlg. Gevolg St. XXIV D. I) de macht van God of van de Natuur zelf, niet voorzoover deze oneindige is, maar (vlg. St. VII D. III) voorzoover zij zich in het werkelijk [feitelijk bestaand] wezen van den mensch openbaart. De menschelijke macht, voorzoover zij zich in zijn eigen werkelijk wezen openbaart, is dus een deel van de oneindige macht van God of van de Natuur, d.w.z. (vlg. St. XXXIV D. I) van hun wezen. Dit wat het eerste betreft. Indien het voorts wèl mogelijk ware, dat de mensch geen veranderingen kon ondergaan dan uitsluitend zoodanige welke uit zijn eigen aard alleen te verklaren waren, zou hieruit (vlg. St. IV en VI D. III) volgen, dat hij niet kon te gronde gaan, maar noodzakelijk voortdurend moest blijven bestaan; en wel zou dit een gevolg moeten zijn van een oorzaak, wier macht òf eindig òf oneindig was, namelijk òf van de menschelijke macht zelf, welke dan in staat zou moeten zijn alle veranderingen van zich af te houden, welke uit uitwendige oorzaken zouden kunnen voortvloeien, òf van de oneindige macht der Natuur, waardoor dan alle bijzondere dingen zóó zouden moeten zijn ingericht, dat de mensch geen veranderingen kon ondergaan dan slechts zoodanige, welke tot zijn behoud strekken. Maar het eerste is ongerijmd (vlg. de voorgaande Stelling, welker bewijs algemeen geldig is en voor alle bijzondere dingen kan worden aangewend). Derhalve: indien het mogelijk ware, dat de mensch geen veranderingen kon ondergaan dan alleen zoodanige, welke uit den aard van den mensch zelf te verklaren zijn en dat hij bijgevolg (gelijk wij reeds aantoonden) noodzakelijk voortdurend zou blijven bestaan, dan zou dit een gevolg moeten zijn van Gods oneindige macht en bijgevolg zou (vlg. St. XVI D. I) uit de noodwendigheid van den goddelijken aard, beschouwd als zich openbarende in de voorstelling van een of anderen mensch, de geheele orde der Natuur, zooals die zich openbaart in de attributen van Denken en Uitgebreidheid, moeten worden afgeleid; waaruit dus volgen zou (vlg. St. XXI D. I) dat de mensch oneindig was, hetgeen (vlg. het eerste deel van dit bewijs) ongerijmd is. Derhalve is het onmogelijk dat de mensch niet ook andere wijzigingen zou kunnen ondergaan dan alleen zoodanige, waarvan hijzelf de adaequate oorzaak is. H.t.b.w.

Gevolg: Hieruit volgt dat de mensch noodzakelijk aan lijdingen onderworpen is; de algemeene orde der Natuur volgt en gehoorzaamt en, voorzoover de aard der dingen dit eischt, zich daarbij aanpast.

Stelling V.

De kracht en toeneming van een of andere lijding en haar vermogen om zich te handhaven, worden niet bepaald door de macht, waardoor wijzelf in ons bestaan trachten te volharden, doch door de macht van een uitwendige oorzaak in verhouding tot onze eigene.[A66]

Bewijs.

Het wezen eener lijding kan (vlg. Definitie I en II D. III) niet uit ons wezen alléén verklaard worden, d.w.z. (vlg. St. VII D. III) de kracht eener lijding kan niet bepaald worden door het vermogen, waardoor wij in ons bestaan trachten te volharden, maar moet (gelijk in St. XVI D. II werd aangetoond) noodzakelijk bepaald worden door de macht eener uitwendige oorzaak in verhouding tot onze eigene. H.t.b.w.

Stelling VI.

De kracht van een of andere lijding of aandoening kan alle andere handelingen [levensuitingen] en vermogens des menschen zoozeer overtreffen, dat deze aandoening hem voortdurend beheerscht.

Bewijs.

De kracht en toeneming van iedere lijding en haar vermogen om zich te handhaven, worden (vlg. voorgaande St.) bepaald door de macht eener uitwendige oorzaak in verhouding tot onze eigene. Zij kan dus (vlg. St. III v.d. D.) de macht des menschen overtreffen enz. H.t.b.w.

Stelling VII.

Een aandoening kan alleen worden bedwongen of opgeheven door een andere, tegengesteld aan en sterker dan die welke bedwongen moet worden.

Bewijs.

Een aandoening, voorzoover zij den Geest betreft, is (vlg. de Algemeene Definitie der Aandoeningen, te vinden aan het einde van het Derde Deel) een voorstelling, waarin de Geest tot bewustzijn van een grootere of geringere bestaanskracht zijns Lichaams komt. Wanneer dus de Geest door een of andere aandoening wordt bewogen, ondergaat tevens het Lichaam een inwerking, waardoor zijn vermogen tot handelen toeneemt of afneemt. Deze lichaamsaandoening nu ontvangt (vlg. St. V v.d. D.) haar vermogen, om in haar bestaan te volharden, van haar oorzaak, welk vermogen dus (vlg. St. VI D. II) alleen kan worden bedwongen of opgeheven door een lichamelijke oorzaak, welke (vlg. St. V D. III) op een tegenovergestelde wijze op het Lichaam inwerkt en (vlg. Axioma v.d. D.) sterker is, zoodat (vlg. St. XII D. II) de Geest de voorstelling krijgt eener aandoening, sterker dan en tegengesteld aan de eerste; d.w.z. (vlg. Alg. Def. der Aand.) zoodat de Geest een aandoening ondergaat, sterker dan en tegengesteld aan de eerste, welke dan het bestaan dezer eerste uitsluit of opheft. Derhalve kan een aandoening alleen worden opgeheven of bedwongen door een tegengestelde en sterkere. H.t.b.w.

Gevolg: Een aandoening, voorzoover zij den Geest betreft, kan alleen worden bedwongen of opgeheven door de voorstelling van een inwerking op het Lichaam, tegengesteld aan en sterker dan de aandoening welke wij ondergaan. Immers de aandoening welke wij ondergaan kan (vlg. voorgaande St.) alleen worden bedwongen of opgeheven door een andere, tegengesteld en sterker, d.w.z. (vlg. Alg. Def. der Aand.) alleen door de voorstelling eener lichaamsaandoening, welke sterker is dan en tegengesteld aan de aandoening welke wij ondergaan.

Stelling VIII.

De kennis van goed en kwaad is niets anders dan een aandoening van Blijheid of Droefheid voorzoover wij ons daarvan bewust zijn.

Wij noemen (vlg. Definities I en II v.d. D.) datgene goed of kwaad, wat ons bij het handhaven van ons bestaan van nut is of in den weg staat, d.w.z. (vlg. St. VII D. III) wat ons vermogen tot handelen vermeerdert of vermindert, bevordert of belemmert. Voorzoover wij dus (vlg. de Definities van Blijheid en Droefheid, zie Opmerking St. XI D. III) waarnemen dat een of andere zaak ons Blijheid of Droefheid schenkt, noemen wij haar goed of kwaad, zoodat de kennis van goed of kwaad dus niets anders is dan die voorstelling van Blijheid of Droefheid, welke (vlg. St. XXII D. II) noodzakelijk op de aandoening van Blijheid of Droefheid volgt. Doch deze voorstelling is (vlg. St. XXI D. II) op dezelfde wijze vereenigd met die aandoening als de Geest met het Lichaam, d.w.z. (gelijk in de Opmerking bij diezelfde stelling werd aangetoond), deze voorstelling is van die aandoening zelf, of (vlg. Alg. Def. der Aand.) van de voorstelling dier inwerking op het Lichaam, inderdaad niet anders onderscheiden dan alleen in onze opvatting. Derhalve is deze kennis van goed en kwaad niets anders dan de aandoening zelf, voorzoover wij er ons van bewust zijn. H.t.b.w.

Stelling IX.

Een aandoening, waarvan wij ons verbeelden dat haar oorzaak op het oogenblik aanwezig is, is sterker, dan wanneer wij ons deze oorzaak niet aanwezig denken.

Bewijs.

Een verbeelding is een voorstelling waarin de Geest iets als aanwezig beschouwt (zie haar Definitie in de Opmerking bij St. XVII D. II) welke echter (vlg. Gevolg II St. XVI D. II) meer de gesteldheid van het menschelijk Lichaam dan den aard van eenig uitwendig voorwerp aanduidt. Een aandoening is dus (vlg. Alg. Def. der Aand.) een Verbeelding voorzoover zij een toestand des Lichaams aanduidt. Maar een Verbeelding is te sterker (vlg. St. XVII D. II) zoolang wij ons niets voorstellen dat het aanwezige bestaan der uitwendige oorzaak uitsluit. Derhalve is ook een aandoening waarvan wij ons verbeelden dat daar oorzaak op het oogenblik aanwezig is, heviger of sterker dan wanneer wij ons deze oorzaak niet aanwezig denken. H.t.b.w.

Opmerking: Toen ik hierboven, in Stelling XVIII Deel III, zeide dat wij door de voorstelling van een toekomstige of verleden zaak dezelfde aandoening ondergingen als wanneer die zaak, welke wij ons verbeelden, aanwezig ware, heb ik daarbij uitdrukkelijk opgemerkt, dat dit slechts waar was voorzoover wij alleen op de voorstelling van juist deze zaak letten. Immers deze blijft denzelfden aard behouden, onverschillig of wij ons haar [als aanwezig] verbeeld hebben of niet. Ik heb echter niet ontkend, dat zij zwakker wordt, wanneer wij ook andere zaken als aanwezig beschouwen, welke het oogenblikkelijk bestaan dier toekomstige [of verleden] zaak uitsluiten. Ik heb toen nagelaten dit op te merken, omdat ik mij had voorgenomen eerst in dit Deel over de kracht der aandoeningen te spreken.

Gevolg: De voorstelling van een toekomstige of verleden zaak, welke wij, met uitsluiting van den tegenwoordigen tijd, alleen in betrekking tot den toekomstigen of verleden tijd beschouwen, is, onder overigens gelijke omstandigheden, zwakker dan de voorstelling eener aanwezige zaak, en bijgevolg zijn ook onze gevoelens jegens[A67] een toekomstige of verleden zaak, onder overigens gelijke omstandigheden, zwakker dan die jegens een tegenwoordige.

Stelling X.

Door iets toekomstigs, dat wij spoedig verwachten, worden wij sterker aangedaan, dan wanneer wij ons voorstellen dat het in een verder van het heden gelegen tijd zal bestaan [of plaats grijpen], en evenzoo doet de herinnering aan iets kort geledens ons sterker aan, dan wanneer wij ons voorstellen dat het lang geleden bestond [of gebeurde].

Bewijs.

Immers als wij ons voorstellen dat iets spoedig zal geschieden, of kort geleden geschied is, stellen wij ons daarmede vanzelf iets voor, dat het oogenblikkelijk gebeuren ervan in mindere mate uitsluit, dan wanneer wij ons voorstellen dat het in een verder van het heden gelegen tijd zal plaats grijpen, of dat het lang geleden plaats greep (gelijk vanzelf spreekt). Derhalve zullen wij (vlg. voorgaande St.) er ook sterker door worden aangedaan. H.t.b.w.

Opmerking: Uit hetgeen wij bij Definitie VI van dit Deel hebben opgemerkt, volgt dat wij door voorwerpen of gebeurtenissen, welke een langer tijdsverloop van het heden verwijderd zijn dan wij met ons voorstellingsvermogen kunnen omvatten, even zwak worden aangedaan, ook al weten wij dat zij onderling door een grooten tusschenstrijd zijn gescheiden.

Stelling XI.

De aandoening, teweeg gebracht door iets dat wij als noodwendig voorstellen, is, onder overigens gelijke omstandigheden, krachtiger dan die, veroorzaakt door iets mogelijks, toevalligs of niet-noodwendigs.

Bewijs.

Voorzoover wij ons iets als noodwendig voorstellen, bevestigen wij het bestaan ervan; daarentegen ontkennen wij dat bestaan, voorzoover wij het ons als niet-noodwendig denken (vlg. Opmerking I St. XXXIII D. I). Derhalve is (vlg. St. IX v.d. D.) de aandoening, opgewekt door iets noodwendigs, onder overigens gelijke omstandigheden, sterker dan die, teweeg gebracht door iets niet-noodwendigs. H.t.b.w.

Stelling XII.

De aandoening, opgewekt door iets, waarvan wij weten dat het op het oogenblik niet bestaat, maar dat wij voor mogelijk, houden, is, onder overigens gelijke omstandigheden sterker dan die, teweeg gebracht door iets wat wij ons als toevallig [gebeurlijk] denken.

Bewijs.

Voorzoover wij ons iets als toevallig [gebeurlijk] voorstellen worden wij (vlg. Definitie III) door geenerlei voorstelling van iets anders aangedaan, welke het bestaan ervan zou onderstellen [eischen]. Integendeel, wij stellen ons dan (vlg. het onderstelde) juist dingen voor, welke het oogenblikkelijk bestaan ervan uitsluiten. Voorzoover wij ons echter iets als in de toekomst mogelijk denken, stellen wij ons dingen voor, welke het bestaan ervan onderstellen (vlg. Definities IV v.d. D.), d.w.z. (vlg. St. XVIII D. III) dingen, welke Hoop of Vrees aanwakkeren. Derhalve is de aandoening door iets mogelijks te weeg gebracht, heviger. H.t.b.w.